It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 18
De Friesche Pateele en de Friesche Hoorn. Winsemius, Chron. fol. 12, spreekt niet uitdrukkelijk van de eigenlijke Pateele als door Adel ingesteld, maar wel van de vriendenmaaltijden en andere bijeenkomsten, waarop men zich, ook op Duitsche wijze, aan de dronkenschap overgaf: iets dat aan geen tijdvak zeer vreemd is. Echter werd er spoedig bij de feesten een ceremonie- of zedemeester aangesteld, wien bij het drinken vooral het toevoorzigt was gegeven. De kantteekening van Wins. ter a. p. luidt: »Die Vriesche Hoorn inghestelt met den Schuttel."--Deze Pateele of schotel zou uit dertien of veertien verschillende geregten bestaan hebben, en de Hoorn een gewone stierenhoren geweest zijn. Wie nu de geschiedenis van Adel voor eene fabel houden, beweren, dat de Friezen het gebruik van uit Horens te drinken van de Denen en Noren hebben overgenomen.--Dan stellig is het, dat het gebruik in overouden tijd bestond; als ook, dat men later de Horens niet meer van gemeene stieren, maar van Ur-ossen genomen heeft, dezelve zeer versierde en met goud en zilver prachtig liet beslaan.--In de onuitgegeven Kronijk van Worp van Thabor, Lib. I. cap. 2, wordt hierover uitgewijd. Zie Hamconius, Frisia, fol 8; Gabbema, Verh. van Leeuw., bl 13; Alkemade, Displegtigheden, II. 408 volgg.
Bl. 7.--Ao 245.
Adelingen. Ofschoon er reeds in de vroegste tijden, en welligt in Friesland vroeger dan elders, een stand van mannen bestond, die men Edelen noemde, is het echter niet aannemelijk, dat zij hunnen naam van dien van Prins Adel hebben ontvangen. Immers de afleiding van het woord spreekt het tegen. Het zij voldoende, uit meerderen hier het aangevoerde van de kundige en schrandere Vertalers en Aanteekenaren op de Oude Friesche Wetten aan te halen, en als het meest aannemelijk denkbeeld na te volgen. Aldaar, op bl. 132, lezen wij: »Waar in het weezen van den Adel, onder de Duitsche volken, bij ouds bestaan hebbe, kan met geen volkomen zekerheid bepaald worden.--Leibnits (Excerpt. Mejerian. p. 289) en Gærtner (ad. L. L. Sax. p. 21.) leiden het woord Edelman af van het over oud woord ot of od predium, possessio, [een goed, hetzij op het land of in de stad; bezit] (waar van allod), zoo dat Edelman zooveel zoude zijn als odelman, predii vel pagi possessor, [groot goed- of landbezitter] en stellen op dien grond het oorspronglijk weezen van den Adel in de bezitting van aanzienlijke vaste goederen."--Wachter en anderen stellen het wezen van den Adel in hooge geboorte; doch altijd blijft de vraag, hoe de eerste edelman in de wereld gekomen zij.
Adel dus van od, ode, ade, ede [143], grond, bezitting afkomstig, zoo is Edele, Edelman oorspronkelijk een grondbezitter. Daar nu deze Edellieden, als de aanzienlijkste personen, natuurlijke voorregten genoten, tot hooger ambten en vooral tot hoogere rangen in de krijgsdienst werden verkozen, hadden zij ook, in de vroegste tijden namelijk, over hunne minderen het beheer en bestier, zelfs eigene regtspleging en vrij gebied. In lateren tijd echter werden er algemeene bepalingen, blijkbaar uit de alleroudste Friesche wetten (Lex Frisionum sive antiquae Frisiorum leges) gemaakt, waaraan de Edelen zich moesten houden. De afstammelingen der grondbezitters, rijksten, traden, hoewel niet regtens, in de voorregten der ouders, met het ontvangen van het ouderlijk erfdeel (Ethel, in 't Oud-Friesch). De rijken evenwel, die zich goederen aankochten, werden niet onder den Adelstand opgenomen, omdat hunne voorouders niet onder de Edelen hadden behoord: zoodat al zeer vroeg de Adel zijn voorregt aan geboorte toekende.--Destijds bestonden nog bij den alouden Frieschen Adel geene brieven, wapenen of teekenen van Adeldom, daar deze eerst in de XI of XII eeuw in gebruik zijn gekomen.
Ten tijde van den regerenden Vorst, Hertog Georg van Saxen, (1505) werd op diens last een register van den Frieschen Adel opgemaakt [144], in hetwelk de in de Grietenijen aanwezige Edelen, met de wegens oorlogen of onlusten afwezigen, werden opgeschreven. Hierdoor mogen wij vooronderstellen, dat van dien tijd af de wezenlijke erkenning van den Adel heeft plaats gehad, en ook de bepaalde erfopvolging is begonnen. De Friesche Adel onderscheidde zich alzoo van die van andere landen, daar de eerste ten gevolge van vrij en onafhankelijk bezit van goederen tot dien stand was verheven, terwijl de andere ten gevolge van landgoederen, van zijnen Vorst ontvangen, daartoe geraakte; ook werden er soms door den Vorst, zonder dit, in den adelstand ingelijfd, dat is, in diens voorregten gelijk gesteld. Zoo had men dan ook in Friesland niet de verdeeling in bijzondere rangen, als Graven, Hertogen, Baronnen en Heeren, [145], maar alleen den rang en titel van Friesch Edelman, den hoogsten rang en titel, welken men voeren kon en wilde. Echter verkoos men in den eersten tijd zich Raden, Hoofden en Aanvoerders in oorlog en vrede, die dan Heerschappen en Hovelingen, en in de steden, bepaaldelijk Oldermannen genoemd werden. Deze posten bleven ook in de familiën.
Onder de regering van Keizer Lotharius II , omstreeks den jare 1125, bestond er tweederlei Adel,--de Hoogere, die onmiddelijk onder den Keizer was gesteld, en de Lagere, die onder Hertogen en Graven behoorde te staan. Dan de Friesche Edellieden wilden geene Hertogen of Graven van Friesland erkennen, maar alleen onder de oppermagt des Keizers staan, even als hun land. Leenmannen te wezen was hun een ondragelijk denkbeeld, even als het voorregt uit vorstengunst gesproten, en zoo was dan ook de alleen begeerde titel van Friesch Edelman geen mindere, dan die van Graaf en Hertog. Het gebruik bij den Adel, om zich naar hunne landerijen en kasteelen te noemen, was in Friesland minder algemeen, daar men voor geslachtsnaam veeltijds den voornaam zijns Stamvaders nam. Men leze v. Halmael's Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, § 24: Friesch Jierboeckjen, 1833. Vergel. voorts het vertoog van Jonkheer M. Hettema over den Oorsprong van den Frieschen Adel, voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 27 November 1832; de Narede van den Heer v. Halmael achter zijn Treurspel Ats Bonninga; F. Sjoerds, Beschr. v. Friesland, I. 470; Wakker van Zon, zijn Boekje getit. de Adel, door Anonymus Belga, p. 16. volgg.
Bl. 10.--Ao 59.
Over den Afgod Stavo, denzelfden met Thor, leze men Westendorp's Verhandeling over het gebruik der Noordsche Mythologie, (in de Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederl. Letterk. II. D. 1 St.) p. 29-33;--en vergelijke Oudh. en Gest. van Vriesl. I 283-285 en 485.
Bl. 12--Ao 4.
't Roode Klif. Al de wonderen van het Roode Klif, nabij Stavoren, met en zonder het bestuur des Duivels, alhier en vervolgens vermeld, kunnen wij op geenen goeden grond den waarheidlievenden Lezer aanbevelen. Echter willen deskundigen, na ontdekking en onderzoek van eene soort van lava in den grond aanwezig, het denkbeeld niet verwerpen, dat het Klif een vulkaan van minderen rang is geweest, of ten minste daarvan eigenschappen heeft gehad.--Over de menschenoffers in Friesland gebruikelijk, zie de Aant. op 't jaar 700.
Bl. 13.--Ao 29.
Deze Holle, Olennius, was Hoofdman eener Keurbende, en Landvoogd van wege de Romeinen over Friesland. F. Sjoerds (Jaarb. I. 128) noemt hem »een gemeen persoon onder de Voorpyllenaars" [146].
De verklaring van Holle of Hollo, naar de Friesche taal Hoofd, Hoofdman, vindt men bij Hamc. Fris. p. 11, en bij S. Petri, de Frisior. Antiq. et Orig. Lib. I. Cap. IX, welke laatste hem, echter verkeerd, een Fries van afkomst noemt.--Diocarus ontving eerst, volgens de kronijken, na de overwinning op de Romeinen den naam van Segon. Hamc. I. I.
Bl. 13.--Ao 29.
Omtrent het woud Baduhenne. Over den oorsprong en ligging van dit in de Vaderlandsche Geschiedenis beroemde heilig woud is verschil ontstaan, zoo als natuurlijk volgen moet, wanneer geene de minste narigten uit de oudheid overblijven. Er pleit echter meer voor, dat deszelfs ligging in de Wouden dan bij Franeker geweest zij. Even zoo is het onzeker welke Godheid, aldaar vereerd, door Baduhenna wordt aangeduid. Ook de Oudheidkenner Westendorp heeft het onbeslist gelaten in zijne genoemde Verhandeling. v. Halmael, in het voorberigt voor zijn Treurspel Adel en Ida, zegt: »De naam van het woud Baduhenna is voorzeker door Tacitus verlatijnd. Wanneer men er den uitgang enna of henna (dien wij, hoewel misschien anders gewijzigd, ook in den naam Nehalennia ontmoeten,) afwerpt, heeft Badu genoegzame overeenkomst met Balder, om de onderstelling te rechtvaardigen, dat Baduhenna een aan Balder geheiligd woud was." Dit komt ons geenszins vreemd voor, daar ook de vereering van den in de Scandinavische godenleer zeer bekende Godheid Balder, zoon der Godinne Frigga, voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den Rijn en den Wezer plaats had, en aldaar in hoogen rang en van groot gezag was.--Dat er in Friesland gewijde bosschen zijn geweest, is buiten twijfel; jammer maar dat hunne ligging niet is nagespoord geworden, en dit, met zoo vele andere zaken, voor een nageslacht bewaard blijft, 't welk alsdan in zijne nasporingen misschien niets meer ontdekken zal, dan dat het eenige eeuwen te laat gekomen is!--Vergel. West. zijne uitstekende Verh. over het gebruik der Noordsche Mythologie. Halma, Toneel der Vereenigde Nederlanden, enz.
Bl. 15--Ao 59.
Vryt of Verritus en Malorix,--of Maloriges. In de Jaarboeken van Tacitus, het dertiende, is het voorval dezer beide gezanten, welke hij regerende Vorsten noemt, in zijne bijzonderheden omschreven, bepaaldelijk vermeldende hunne vrijmoedigheid, toen zij in den schouwburg meer met de aanschouwers dan met het spel zich bezig hielden, en van zitplaats veranderden, om zich in het Raadsheerlijk gestoelte neder te zetten, onder de afgezanten van andere volken, die men wegens trouw en vriendschap bijzonder eer bewees. Deze aloude opregtheid, zoo als men het noemde, beviel niet alleen aan het publiek, maar ook den Keizer Nero zoo wel, (wien in eene kwade luim zulk een gedrag weleens zeer mishaagd konde hebben) dat hij den Gezanten het belangrijk burgerregt te Rome schonk.--Van de bekeering in den tekst vermeld, ook bij Winsemius geboekt, wordt bij Tacitus niet gewaagd, zoo als het ook niet voor waarheid wordt aangenomen, onder anderen door Harkenroht in zijne Oostfr. Oorsprongkelykheeden, p. 24 en 29, dat Verritus en Malorix, of zoo als zij anders mogen geheeten hebben, uit de adellijke geslachten der Hermana's en Cammingha's gesproten zijn, 't welk door Suffr. Petri en Hamconius wordt beweerd.--P. Nota, in zijn Aanhangzel betreffende de Oudheden van Berlikum, p. 79 in de noot, vermeent, in de woorden van Tacitus de bevestiging te vinden, dat Verr. en Malor. geene Friesche maar Duitsche gezanten geweest zijn. Maar waarom kunnen zij niet enkel Leidslieden van de uittrekkende Friezen geweest zijn, en een ander Koning of Vorst der teruggeblevenen? Deze gebeurtenis, zegt West. Jaarb. p. 15, behoort niet tot de geschiedenis der Groote Friezen.
Betrekkelijk deze namen vinden wij bij A. Ypeij, Geschied. der Nederl. Tale, I. D. bl. 161 noot, onder de bewijzen, dat de oude Friezen vele namen met hunne buren gemeen hadden, en er dus eene groote wederzijdsche gemeenschap van volk en taal bestond, 't navolgende: »Reeds onder de oudste Vriezen schijnen er zulke algemeene namen in gebruik te zijn geweest. Zulks toch mag men opmaken, uit de namen van twee Vriesche gezanten van Rome, onder Nero, welke Tacitus voor ons bewaard heeft, namelijk Verritus en Malorix. Ann. Lib. XIII C. 54. Indien ik mij niet bedriege, waren dit, de nog bekende namen Gerrit en Maurik. De V toch, gelijk wij weten, verandert ligtelijk in G, en de L in U. Gelijk de Nederlanders in het algemeen van Gerrit, hun Geert hebben, zoo hebben, naar het schijnt, de Vriezen bijzonderlijk van Maurik hun Murk gemaakt."
Bl. 16.--Ao 59.
Op 't Oude Hof te Lewerden. Cappidus van Staveren, Suffr. Petri en Hamconius zeggen, dat reeds voor Christus geboorte Leeuwarden onder den naam van Aula Dei, dat is Gods-Hof, bekend was, alwaar het opperhoofd der Druiden, Barden of Priesters was gesteld. Hier was de leerschool van de Friezen, en genoten zij onderwijs in de godsdienst, wetenschappen en wijsbegeerte. Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan en uitstekende mannen hebben voortgebragt. Latere schrijvers verwerpen dit denkbeeld geheelenal. Wat er van zij is moeijelijk op te sporen, nog moeijelijker te beslissen. Verg. Oudhed. en Gesticht. I. 283, alwaar de kundige vertaler, v. Rhyn, in den geest van Emmius steeds tot verwerpen genegen van de oude kronijken, ook geen geloof daaraan hecht. Over de goden- en geloofsleer der Druiden, hun priesterschap, beheer, en hun bestaan in het oude Friesche Rijk, vergelijke men de meergemelde Verhand. van Westendorp, over de Noordsche Mythologie, p. 319 volgg. en 331 volgg.--v. Wijn, Huisz. Leven, I. 8, en Hist. Avondst. I. 123, zegt, dat de Germanen en dus ook de Friezen geene Druiden of Barden gehad hebben: het tegendeel wordt door West. bewezen;--zie bl. 287 onzer Aanteekeningen.
Bl. 17.--Ao 94.
De Noormannen. In dezen tijd, en gedurende vele eeuwen later, werd Friesland van tijd tot tijd door de Noren en Denen vreeslijk geteisterd en geplonderd. Menigmalen behaalden de Friezen eenen triomf op dezelven; doch ook dikwijls leden zij bloedige nederlagen. Ocko van Scharl spreekt reeds van eenen sterken inval op den jare 62, wanneer de Deensche Koning door sommige Oostersche volken zou opgehitst zijn. In het jaar 69 wil men dat de Friezen, het jaarlijks rooven, plunderen en moorden moede, eene groote krijgsmagt naar Denemarken zonden, om ze in hun eigen land te bevechten, dan storm en onweer hadden dezen togt belet. In 't volgend jaar echter sloten zij met den Koning een bestand, 't welk, hoe wonder ook, volkomen stand gehouden heeft tot den bepaalden tijd. Deze boven bedoelde inval der Noormannen, welke anderen op den jare 90 stellen, schijnt zeer geweldig geweest te zijn, en uit hoofde van den weinigen wederstand aan deze zijde, daar de meeste Friezen in Romeinsche dienst afwezig waren, hadden zij tijd en gelegenheid zich aan moord en roof ter kele toe te verzadigen. Picardt, in zijne Annales Drenthiae, spreekt ook alzoo van dit feit.--Zie de noot p. 305. F. Sjoerds, Jaarb. I. 197.
Bl. 17.
Onder zeven Hertogen. Het algemeen gevoelen is, dat men onder die waardigheid van Hertog, met welken titel thans dien van Prins, in navolging der naburige volken, verwisseld werd, niet in eenen Hoogvorstelijken of Koninklijken staat en magt bestaan hebbe, maar dat de Hertogen, Heervoerders, Krijgsoversten of Opperbevelhebbers waren, aan welken het bestuur en beleid des oorlogs, met alwat daartoe behoorde, was opgedragen.
Bl. 22.--Ao 248.
Dokkenburg. Deze verklaring is zeer juist. Bij Kiliaan vinden wij Docke, (vetus) navale: waaronder verstaan wordt: stabulum of armamentarium, ligplaats der schepen, d. i. haven. Ook bij denzelfden Docke, Germ. poppe: en in den Theutonista, Dock of Pupp, pupa, pupulla, popje.--Docke van Stro.
Over de stichting dezer stad zullen wij niet uitweiden; zij is na Stavoren de oudste, en in allen opzigte zeer merkwaardig geworden. Men leze hierover de Oudheden en Gestichten, I. 404, met de aanmerkingen van v. Rhyn, die met Emmius de hooge oudheid betwijfelt. Wat voorts derzelver geschiedenis betreft, zeer belangrijk is, om herlezen en vergeleken te worden, de korte Geschiedenis der stad Dokkum voor den Vrede van Munster, voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 6 Julij 1830; alsmede de beide stukken in dezelfde Couranten van 2 en 9 Maart te voren, ter verdediging strekkende tegen de dikwijls kleingeestige en dwaze aanvallen tegen Dokkum en deszelfs bewoners, vooral van lieden wier spelend vernuft zich door duizend vervelende herhalingen van vroegere aardigheden tracht staande te houden. In die stukken is eene naauwkeurige opgave der groote en beroemde mannen, die Dokkum heeft opgeleverd, te vinden.
Bl. 23.
In den jaare 289,--of omstreeks dezen tijd, toen Constantius Chlorus, door Keizer Diocletianus tot den rang van Roomsch Koning verheven, Galliën met zijne grensprovincien onder zijn gebied verkregen, en de Franken, Saksen en Friezen in Batavien had overheerd, werden er velen door hem omgebragt, anderen verplaatst, gevankelijk weggevoerd, in het Romeinsch leger ingelijfd, of tot harde slavendiensten vernederd. Uit verbittering en tot weêrwraak moesten nu de Friezen, Overrijnsche Franken, Cauchen, Chamaven en Bructeren in vereenigde magt, van den winter en den digtgevrozen Rijn gebruik maken, om Constantius en zijn heir te overvallen. Dan het goed krijgsgeluk diende hen niet zoo gunstig als onze kronijk vermeld; de dooi viel in, het eiland werd door de Romeinen omsingeld, de Friezen ingesloten, vermoord of gevangen, en nog dieper onder 't juk gebragt. Daarna is er met hen een verbond gesloten.--Schot. Fr. Hist. p. 30.--F. Sjoerds, Jaarb. I. 225 volgg.
Bl. 24.
Omtrent den jaare 312, enz. De kronijkschrijvers verhalen, dat omstreeks dezen tijd door vijf aanzienlijke Edellieden, West-Friesland (d. i. de landen ten westen het Flie) is bevolkt en bebouwd. De in onze kronijk genoemde Diederik stichtte de hoofdplaats Medemelaca, Medemblik, aldus genaamd naar de Godin Medea; Geerard bouwde het dorp Opdijk; Roelaard, 't dorp Wildenes, met een sterk kasteel; Keno was stichter van Bennenbroek, en Adelbold van het dorp Winckel.--Dit verhaal heeft eene meerdere beteekenis, dan wij thans nog in staat zijn te geven. Over Medemblik zijn oorkonden van de IX eeuw voorhanden.--Zie over den naamsoorsprong enz. den Tegenw. Staat van Holland, II. 502.
Bl. 25.--Ao 334.
Friesche Buinen. Op bl. 9 onzer kronijk wordt reeds gesproken van West-Friesland, en zou deze benaming er dus vroeger geweest zijn.--Hamconius, Frisia, bl. 5 en 9, zegt op Firsiabones, dat Bone in 't oud Friesch Boer beteekende, en dus Frisiabones, Friesche Boeren zijn, waarvoor onze kronijk Plompaarts geeft. A. W. Schrieck, in Orig. rerum Celt. et Belg., verklaart het woord door Frisii separatim habitantes, Friezen die afgezonderd van hun eigenlijk land en landgenooten woonden. Alting, van Rhyn en anderen beweren, dat het woord beteekent Friesche Waterbewoners, waarmede zich latere schrijvers hebben vereenigd, en 't welk ook door den geleerden Ypeij, in zijne Geschiedenis der Nederl. Tale, I. bl. 164, en II. bl 109 en volgg. nader is bevestigd. A beteekent water: buen, boen, wonen, verblijf houden, dus zijn Frisiabones Friezen, die aan het water wonen; en deze uitlegging is de eenvoudigste en de beste, wel zoo goed als de ongelukkige inval van Junius (Batavia, p. 48. Ed. 1652), om van Frisiabones, Friesche apen te maken!--Plinius noemt dezelve als wonende tusschen het Vlie en het Helium, monden van den Rijn. Dat deze Schrijver ook hier heeft misgetast, bewijst Schwartz, Voorr. I. 26. Tacitus zwijgt er van, doch deze kan hen gehouden hebben onder de Kleine Friezen te behooren. Het denkbeeld van den Heer Ypeij is zeer aannemelijk, dat de Frisiabonen eene volkplanting van echte Friezen zijn geweest, wonende aan de linkerzijde van het Vlie in West-Friesland, onderscheiden van de Kaninefaten, (waarschijnlijk aan de oevers der Noordzee woonachtig) en van de Marsatii in de moerassige, naderhand door de Zuiderzee overspoelde landen zich ophoudende, even zoo als de eerste Bildtbewoners eene volkplanting was van oorspronkelijke Noord-Hollanders.
Bl. 26.--Ao 339.
Die Waarden wierd genaamd. (Zie ook op de jaren 357 en 377.) Even zoo ook verhaalt Winsemius, Chronique, fol. 37 doch naderhand; (fol. 40) noemt hij de stad Norden, om welke reden weet ik niet; daarin is Soet. in zijn Op- en Nederganck van Stavoren, p. 55, hem gevolgd, die door Harkenroth, Oostfr. Oorsprongkel. (p. 39 en 232) daarover zeer gegispt wordt, dat hij Van Esonstad, Norden maken wil; en toch heeft Soet, slechts het gezag van Wins. gevolgd. Door de Noren en Denen zoowel als door herhaalde watervloeden heeft die stad veel geleden, en is dikwijls geplunderd en grootendeels afgebrand geworden. Westend. Jaarb. p. 19, stelt op 't jaar 398 het bouwen van Esonstad door den Koning Ubbo (Uffo). Over de oudheid dezer stad heeft Emmius ook zijnen twijfel mede gedeeld, doch v. Rhyn is hier wat toegevender dan wel anders.--Zie Oudh. en Gest. I. 454 volgg.
Bl. 28 en 31.--Ao 385 en 449.
Des Hengst en Hors, zijn zoonen enz. In den jaare 449, als Hengst en Hors enz.--De geschiedenis dezer Koningszonen is belangrijk genoeg om in aandacht genomen te worden, en wij vinden er, verondersteld zelfs dat wij onze kronijkschrijvers verwerpen, ook bij den Engelschen Historieschrijver Beda, (lib. I. Cap. 15) de vermelding van. Deze zegt dat zij de zoons van den Saxischen Vorst Vergistus (achter-kleinzoon van Wodan), en dus niet van Odolf Haron waren, hetgeen ook met de tijdrekening verkeerd zoude uitkomen. Hierover is twist ontstaan, welke onbeslist is gebleven: echter komt men daarin overeen, dat Hengistus en Hors aan het hoofd van de Saksen, Friezen, Angelen en andere naburige volken, door den Britschen Koning Vortigern te hulp geroepen, derwaarts zijn getogen, en zich eindelijk meester van dat land hebben gemaakt. Hunne geschiedenis is omstandig beschreven bij Ocko van Scharl; en hoezeer dezelve ook bij andere schrijvers in een romantisch gewaad is gewikkeld, draagt zij, in onderlinge vergelijking gebragt, vele kenmerken van oorspronkelijkheid. Wij kunnen hier in geene verdere ontwikkeling treden, doch zullen voor dien het lust, de bronnen en navolgingen aanwijzen, waarin de historie dezer gebroeders beschreven staat, met derzelver verscheidenheden.--Occo Scharlensis, Chronyck, op 't jaar 385 en 441; Furmerius, Annal. Phrisic. p. 124 en 144; Winsem. Chr. fol 43 en 47; Schot. Fr. Hist. fol. 39 en 53; F. Sjoerds, Jaarb. I. 269 volgg.; Emmius, Lib. III. p. 39 seq.; Oudheden en Gestichten, Nabericht van v. Rhyn, bl. 368; Wagenaar, Vad. Hist. I. 289; Beda, Hist. Eccl. Lib. I. cap. 12 etc. en Chronicon; Jancko Douwama, Boeck der Partijen, p. 37; Westend. Jaarb. I. bl. 26; Overzigt van v. Halmael hiervoren § 7, jaar 449; Gibbon, Hist. of the decline and fall of the Rom. Emp. Ch. 38. IV. 395; Hume, Hist. v. Engel. I. 23 volgg.
Bl. 32.
In den jaare 463. Men vergelijke de tegenspraak in gemeld Nabericht van v. Rhyn, p. 372.
Bl. 32.--Ao 496.
Deed Klodoveus, een inval in Friesland. F. Sjoerds, Jaarb. I. 290 en anderen verhalen, dat de Friezen in dezen strijd het onderspit delfden, de Friezen en Saksen terugkeerden, maar de Allemannen, welke in dezen strijd deelden, hun gebied verloren; terwijl Koning Clovis, ingevolge hunne belofte, na de overwinning in dezen hagchelijken kamp, met 3000 Franken, tot het Christendom overging. Eenige jaren vroeger, omstreeks 476, was het Westersche Keizerrijk geheel ten gronde gegaan, en niemand over de Maas en den Rijn gaf gehoor aan het Romeinsche gezag.--Verg. Bilderdyk, Geschiedenis des Vaderlands, I. 60 en 61.
Bl. 34--Ao 517.
Groningen, bij de Friesen Grins genaamt. In 517 werd, luidens het verhaal van eene der kronijken, Groninge of Groinge (Grens, Grins) met een houten staketsel omgeven, ter beveiliging der veste. Deze wijze van bevestiging was reeds veel vroeger bij de Germanen en Belgiërs in gebruik, en behoeft, op dezen tijd, niet de minste verwondering te verwekken.
Bl. 34.--Ao 527.