It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 17

Chapter 173,569 wordsPublic domain

Zijn er inderdaad zulke invallen, bloot met oogmerk te plunderen, geschied, dan mag men daaruit afnemen, dat deze landen minder arm dan voorheen waren. De netten van eenige visschers, en het weinige vee van eenige arme landbouwers, kunnen toch de roofzucht van tamelijk afgelegene volkeren niet, bij herhaling, hebben aangelokt; en wanneer het waar is, dat men hier, op zijne beurt zich bereidde tot eenen zeetogt naar de landen dier lastige plonderaars (welken togt, uit hoofde van een getroffen bestand, achterwege bleef), schijnt zulks eene regering aan te kondigen, die niet geheel van magt en veêrkracht ontbloot was. Doch wij zullen hier niet verder in treden, omdat onze bronnen niet zekerder en naauwkeuriger zijn [135]."

§ 7.

Jaren na Chr. 280, 449.

»Inmiddels hadden ook de Saksen zich van een gedeelte van ons tegenwoordig Nederland meester gemaakt.--Dit volk, welks oorspronkelijke woonplaats men denkelijk in het tegenwoordige Sleeswijk en Holstein, over de Elve, langs de Noordzee, en op de eilanden aan de kust dier zee moet zoeken, schoon het sedert lang zich westwaarts had uitgebreid, kwam, waarschijnlijk over zee, eerst in Taxandrie (verg. § 5), en trad in verbond met de Franken, die hen de bezette landstreek behouden lieten. Toen de Franken zich zuidelijker op begaven, hebben de Saksen meerderen hunner landgenooten tot zich gelokt, en zich meer en meer van de Franken afscheidende, en een gedeelte hunner vorige woonplaatsen bezettende, eenen Staat op zich zelven gaan uitmaken. Franken, Saksen en Friezen, waarin de kleindere natien, die voorheen ook dezen grond bewoonden, versmolten waren, wat met name van het overschot der voormalige Batavieren mag gezegd worden, die zich met de Friezen vereenigd hebben;--Franken, Saksen en Friezen bezetteden alzoo het grootste deel van het tegenwoordige Frankrijk en onze Nederlanden, en naarmate de Saksen hunne vorige woonplaatsen verlieten, hebben de Friezen zich daarin uitgebreid."

»Toen de Franken nog aan de Friezen grensden, werd er een gedeelte der eerstgemelden, bij zekere gelegenheid, door den Romeinschen Keizer Probus naar de kust van Pontus overgebragt. Deze Franken, gedreven door liefde tot den voormaligen grond, verlangden daarna terug te keeren. Zij maakten zich meester van eenige Romeinsche schepen, zeilen daarmede door den Bosphoros en den Hellespont tot in de Middellandsche zee, plunderen de kusten van Asia, Griekenland, de rijke stad Syrakuse op het eiland Sicilië; zeilen vervolgens door de straat van Gibraltar, en zoo komen deze stoutmoedige roovers, langs de kusten van Spanje en Frankrijk, door het kanaal, aan het strand der Batavieren of aan dat der Friezen. Dit einde van hunnen togt, welke eene reis om de wereld mag heeten, maakt het waarschijnlijk dat er ook Friezen onder deze zeevaarders geweest zijn, en dat de eer dier onderneming, aan welke men zijne bewondering niet kan weigeren, ook gedeeltelijk aan onze voorouderen toekomt. Van oudsher was verkleefdheid aan den vaderlandschen grond een hoofdtrek van het Friesche karakter."

»Nadat de Saksen de onmiddellijke naburen der Friezen geworden waren, hebben zij met dezen in verbond geleefd. Ook mag men het daarvoor houden, dat de lotgevallen der Saksen, bij de Schrijvers der middeleeuwen vermeld, grootendeels mede die der Friezen geweest zijn [136], die dan eerst weder met hunnen eigenen naam ten tooneele verschijnen, nadat de Saksen oostwaarts wijken voor de Franken, die zich op nieuw tot aan Friesland uitbreiden, en eindelijk ook daar meester worden."

»Zoo is het b. v. bij de naauwkeurigste en oordeelkundigste Geschiedschrijvers zeker, dat er Friezen geweest zijn onder de Saksers en de met hen vereenigde Anglen (een ander noord-oostelijk volk), die zich, onder aanvoering van Hengst en Hors, zoo men ze noemt, in 449 of 50 naar Brittanje, het tegenwoordige Engeland, begaven. En hoewel het nagenoeg zeker is, dat de aanvoerders zelve Saksen waren, komt het ons voor, dat zelfs het grootste gedeelte dier vreemdelingen uit Friezen heeft bestaan."

»Zij waren tot die overkomst uitgenoodigd geworden door de Britten zelven, die hunne noordelijke grens-naburen, de Schotten en Pikten, niet wederstaan konden. Van hen en van de dochter van Hengst, de schoone Ronixa of Rovena, maken zoowel de Britsche kronijken als de onze gewag."

»Hier voor pleit ook de overeenkomst van de Engelsche met de echt Friesche taal, beide dochters der Saksische, naderhand Anglo-Saksische genaamd, d. i. dier taal, welke de in Brittanje overgekomene Saksen, Anglen en Friezen spraken. De Britten tot hun ongeluk te laat beseft hebbende, dat zij nimmer ter beslissing der twisten op hun eiland, vreemden hadden moeten inhalen, moesten later die vreemden tot hunne heeren aannemen, of hun vaderland ontwijken. Velen begaven zich naar een gedeelte van Frankrijk, naderhand naar hen Bretagne genaamd; de overigen versmolten in de Anglo-Saksen. De tegenwoordige Engelschen en de Friezen mag men met regt broeders kinderen heeten. Ware deze les voor de Friezen slechts niet evenzeer verloren gegaan als voor zoo vele latere volkeren!"

§ 8.

J. na C. 468, 496, 555, 562, 605, 628, 631.

»Doch toen de Saksen en Franken elkander wederkeerig te magtig werden, ontstond er groote vijandschap tusschen deze beide strijdbare volkeren. Toen de Koning der Franken, Childerik, met zijnen mededinger Egidius (Gilles) om de kroon twistte, kozen de Saksen de zijde van den laatstgemelde, die hen om bijstand aanzocht. Staatkundig was het, het verzoek van den zwakste in te willigen, ter vernedering en verzwakking van den magtigste.--Maar de Saksers streden zoo ongelukkig, dat zij genoodzaakt waren, zich aan Childerik te onderwerpen, zelfs hem bij te staan in zijne oorlogen tegen andere Duitsche volkeren. Daarna weder in oorlog geraakt met Childerik's zoon, Klovis, schoten zij ook tegen dezen te kort. Klovis verdeelde, bij zijnen dood, zijn rijk onder zijne zonen, en dat gedeelte, hetwelk vervolgens onder Oost-Frankrijk of Austrasie heeft behoord, grensde aan de Saksen.--Eerst het aandeel van Theodorik I zijnde, geraakte het later in handen van Klovis' jongsten zoon, Chlotarius I. Deze met de Saksen in oorlog geraakt, bragt hun verscheidene nederlagen toe. De strijd werd telkens hervat, en eindigde met de oplegging eener schatting aan den vijand, die van den Franken 500 koeijen jaarlijks te leveren."

»Evenmin gelukkig waren zij tegen Sigebert I, zoon van Chlotarius I, en Koning van Austrasie, die hen sloeg aan het Boerdiep, d. i. de Middelzee, dus in het hart van ons tegenwoordig Friesland,--tegen Theodebert II en Theodorik II, kleinzonen van voormelden Sigebert I, Koningen van Austrasie en Bourgonje,--tegen Chlotarius II, Koning van geheel Frankrijk, en tegen Dagobert I, diens zoon. Deze laatste schold hun de schatting kwijt, hun door Chlotarius I opgelegd, mits zij de Slavoniers, een Noordsch volk, dat hem te magtig was, beteugelden, 't geen hun echter niet gelukte."

§ 9.

Jaren na Chr. 513, 677.

»Inmiddels hadden de Noordsche volkeren niet stil gezeten. Nogtans vielen zij met meer zoo bij voortduring op de Friezen aan als te voren. 't Schijnt zelfs dat dezen, of om in den stijl van dien tijd te spreken, de Saksen, hen hebben bijgestaan tot het doen van eenen inval op het grondgebied van den reeds vermelden Theodorik I. Toen Dagobert hun de schatting kwijtschold, was Adgillus I Koning der Friezen. Hem kunnen wij prijzen als een regtvaardig en edel Vorst. Hij vergunde het prediken van het alleen zaligmakend Evangelie in deze landen. De heilige Wilfrid, Bisschop van Jork in Brittanje, kwam van daar herwaarts. Zijne vijanden aan het Engelsche hof, waartoe de Koning zelf schijnt behoord te hebben, wanende dat hij naar Frankrijk was gegaan, wisten den ondeugenden Ebroïn, toen Groot-Hofmeester bij den Koning van Frankrijk, in hun belang te trekken. Deze schreef aan Adgillus, en beloofde hem eene aanzienlijke som gelds, bijaldien hij hem den Bisschop, levendig of dood, wilde overleveren. Adgillus was geen Christen, maar de oude deugd der Duitschers (der Friezen vooral, zeggen wij) woonde in zijn hart. Hij deed een' brief, in tegenwoordigheid van Wilfrid en zijne medgezellen, en in dien van Ebroïns gezanten, luide voorlezen; vervolgens nam hij dien, verscheurde hem, en leverde het overschot der vlam over, de Frankische afgezondenen den smaad en der schaamte ter prooi latende."

»Volgens onze kronijken, deed ook Adgillus zekere hoogten of terpen opwerpen, opdat zich de landzaten daarop bergen mogten tegen de overstroomingen, welke van oudsher deze landen met wee en jammer overstelpten [137]."

§ 10.

J. na Chr. 679, 685, 687, 711, 719.

»De opvolger van Adgillus, Radboud I, (of hij zijn zoon was, wordt door sommigen, niet zonder grond, betwijfeld) regeerde niet gelukkig.--Volgens de Kronijken, werd hij zelfs door de Denen gevangen genomen en naar Denemarken gevoerd; naderhand echter weder vrij gegeven. Het Frankische Rijk was een tijdlang ter prooi aan binnenlandsche oneenigheden. Van deze schijnt Radboud zich aanvankelijk bediend te hebben, ten einde zijn Rijk tot aan den mond der Schelde uit te breiden. Dit echter wikkelde hem in eenen krijg met de Franken, die voorlang de Saksen verdreven hadden uit de landstreken, welke Radboud nu aan zich trok, en er meesters geworden waren."

»De Koningen der Franken waren thans slechts Koningen in naam, en de klem van het bewind was in handen (sedert 687) van den Groot-Hofmeester Pepijn van Herstal, die zich Hertog en Prins der Franken noemde. Pepijn schijnt Radboud een aanzienlijk gedeelte van zijn Rijk ontweldigd te hebben, onder anderen Wiltenburg (Utrecht), 't welk Pepijn vervolgens ten verblijve gaf aan Willebrord, door den Paus tot Bisschop der Friezen verheven. Pepijn was een ijverig Christen, en wist het Christendom wonder wel dienstbaar te maken aan zijne staat- en heerschzuchtige oogmerken. Radboud haatte Pepijn en het Christendom, hetwelk hem aan Pepijn onderwerpen moest. Daarom verwoestte hij bij de eerste gelegenheid de beste den nieuwen Bisschopszetel, doch moest weder voor Pepijn zwichten."

»Op nieuw werd de prediking in Friesland hervat. Zelfs nam Radboud's dochter, Theodesinde of Teutsinda, het Christendom aan, en werd de echtgenoote van Grimoald, zoon van Pepijn. Dit bewijst duidelijk, dat de zoo magtige Franken evenwel geene kans zagen, zich de Friezen te onderwerpen, en dat Pepijn uit dien hoofde, zich door zoodanig eene verbintenis, ten minste tegen hunne vijandschap, poogde te verzetten."

»Deze Grimoald werd daarna vermoord door zekeren Rangarius, welke gezegd wordt tot de lijfwachten van Koning Radboud behoord te hebben. Daarom wijten sommigen hem, anderen zijner dochter, dien moord. Doch dit is ver van bewezen, en wij zien inderdaad niet, dat Radboud enig belang bij den ondergang van Grimoald zoude gehad hebben, eene reden te minder, om aan die beschuldiging geloof te slaan.--Wel zegt een onzer Geschiedschrijvers, dat Radboud, die zich immer nog niet ontzag de Christenen te vervolgen, niet beducht voor de wraak van Pepijn, wiens jaren hoog geklommen waren, vreezen moest, dat Grimoald den hoon, zijnen vader aangedaan, zou wreken, en hem daarom uit den weg moest ruimen; doch wat zou hem dit gebaat hebben, daar Pepijn nog twee andere volwassen zonen had, door geene echtverbindtenis aan Radboud verbonden, en van welke hem dus zoodanig eene wraak nog veel meer stond te vreezen?"

»Om een bewijs te geven, hoe verschillend de latere Geschiedschrijvers de gebeurtenissen van dien tijd opvatten, en hoe moeijelijk het daarom is, een overzigt van denzelven daar te stellen, willen wij, hetgeen op dien moord volgde, op tweederlei wijze verhalen."

»Pepijn, zegt een der beroemdste hedendaagsche Duitse Geschiedschrijvers [138], bepaalde hierop, dat Theudoald, Grimoald's onechte zoon, Hofmeester in Austrasie zou worden, welke waardigheid alleen Pepijn eigenlijk had bekleed, hoewel hij ook grooten invloed op de zaaken van West-Frankrijk (Neustrië of Neustrasie) had. Daarop deed Plectrude, grootmoeder van Theudoald, de zonen van Pepijn bij zekere Alpheid (of Alphaïda), Karel (Martel) en Hildebrand gevangen nemen, opdat zij aan Theudoald de waardigheid van Groot-Hofmeester niet betwisten zouden. Dit kon niet geschieden zonder voorkennis van Pepijn.--Pepijn stierf. De West-Franken verkozen toen zekeren Raginfrid tot hunnen Groot-Hofmeester. Daartegen verzetteden zich de Oost-Franken, met Theudoald aan 't hoofd. Er viel een veldslag voor, dien de Neustrasiers wonnen. Theudoald nam de vlugt, en kwam kort daarna om. Hierop ontkwam Karel Martel zijner gevangenis, en wilde zich met het Groot-Hofmeesterschap van Austrasie te vreden houden. Ook dit wilden de Neustrasiers hem niet laten. Nu streed hij dan om het geheel, en het gelukte hem, Groot-Hofmeester over de beide Rijken, ook Hertog en Prins te worden. Theudoald was voor het overige ouder dan Karel, die omstreeks 690 geboren was."

»Pepijn, zegt een der nieuwere en wijsgeerigste Fransche Geschiedschrijvers [139], was Groot-Hofmeester over geheel Frankrijk; eene van zijne grootste zorgen was, alle onderscheiding tusschen Austrasie en Neustrië te doen verdwijnen; maar hij was genoodzaakt, die onderscheiding weder op nieuw te maken, ter gunste van zijne zonen. Toen Grimoald stierf, liet hij eenen zoon na, Theudoald, oud ongeveer zes jaren. Dezen schonk Pepijn toen het Groot-Hofmeesterschap van Neustrië. Toen stierf hij. Na zijnen dood deed Plectrude Karel Martel gevangen nemen,--van Childebrand (Hildebrand) wordt niet gesproken; dit had Pepijn voorzeker niet gelast. Daardoor veroorzaakte zij dat Karel, die anders aan Theudoald het Groot-Hofmeesterschap van Neustrië wel zou gelaten hebben, als zich met dat van Austrasie kunnende vergenoegen, nu uit wraak, om den hem aangedanen hoon, hem dat moest betwisten.--De grooten van Neustrië, niet door een kind willende geregeerd worden, kozen Raganfrid. Deze wilde Groot-Hofmeester van het geheele Rijk worden. Het overige komt met het verhaal van den Duitscher nagenoeg overeen. Alleen wordt, bij den Franschman, Ramfroy (Raganfrid) eerst na de nederlage van degenen, die het voor Theudoald opnamen, tot Groot-Hofmeester verkoren."

»Zooveel is intusschen zeker, dat Raganfrid, die alleen wilde heerschen, en eindigde met alles, op één Graafschap na, te verliezen, naderhand echter zoo verstandig was, zich met hetzelve tevrede te houden, hetwelk andere overweldigers, die in het eerste zijn voorbeeld gevolgd hebben, niet deden; dat deze Raganfrid hulp zocht bij Radboud, dien de Fransche Schrijvers slechts Hertog der Friezen noemen;--hij mogt geen hooger rang dan Pepijn en Karel hebben. Dit moet den doodvijand der Austrasiers welkom geweest zijn.--Hij trok te veld, en overwon Karel, die hem afzonderlijk aanviel. Hij schijnt zich vervolgens met de Neustrasiers vereenigd te hebben tot het beleg van Keulen, in welke stad Plectrude zich onthield, die, nadat de Neustrasiers hadden moeten aftrekken, omdat Karel hen in den rug dreigde, hem tot den aftogt, door eene aanzienlijke som gelds, overhaalde."

»Hiermede was echter de krijg tusschen Karel en Radboud nog niet geëindigd. Nadat Frankrijk-zelf was bevredigd geworden, schijnt Radboud, die misschien zijne aanvallen op dat gedeelte van zijn gebied, hetwelk hem door Pepijn was afgenomen, hernieuwd heeft, nog eene nederlage aan de Middelzee te hebben geleden, en dien ten gevolge op nieuw de prediking van het Christendom door geheel Friesland te hebben moeten toestaan. Daarna verklaarde hij zich zelfs bereid den H. Doop te ontvangen. Toen echter Wulfram, laatstelijk Bisschop van Sens, gereed stond, hem dien toe te dienen, en hij bereids met den éénen voet in de doopvonte stond, vroeg hij den Bisschop, of hij zijne voorvaderen en de verstorvene Friesche Edelen ook in den hemel hervinden zoude? Wulfram's onbedacht antwoord: dat die in de hel waren, als ongedoopten, deed hem, onder het zeggen, dat hij liever met zijne voorvaderen en vrienden in de hel, dan met aan hem onbekende Christenen in den hemel zijn wilde, den voet terugtrekken."

»Volgens anderen zou dit al onder Pepijn zijn voorgevallen. Sommigen verklaren de geheele gebeurtenis, welke den inborst van Radboud nogtans volkomen kenschetst, voor eene fabel."

»Kort daarop kwam Radboud te sterven."

§ 11.

J. na Chr. 734, 738, 744, 746, 754 of 755.

»Wie hem opvolgde, is niet geheel zeker; sommigen zeggen, zijn zoon Adgillus II, anderen, zekeren Poppo. Misschien is het Radboud I mogelijk geweest, zijn gebied, op het voorbeeld der Frankische Koningen, onder zijne kinderen te deelen, en dan zal hij Oost-Friesland, het land der groote Friezen, aan zijn oudsten zoon, Adgillus II, en wat hem van het overige gebleven was (Noord-Holland), aan diens broeder Poppo gegeven hebben."

»Poppo oorloogde met Karel Martel. De twistappel, hetgeen den Frieschen Koningen van het voormalig land der kleine Friezen ontnomen was, was voorhanden. Poppo is waarschijnlijk in dien strijd gesneuveld, zonder dat de Friezen meer gronds verloren; zijn broeder erfde zijn Rijk, en verdeelde bij zijnen dood hetzelve weder onder zijne zonen, Gondebald en Radboud II."

»De laatste bekwam West- de eerstgemelde Oost-Friesland."

»Gondebald was een vreedzaam Vorst; maar Radboud II had den aard en de denkenswijze van zijnen voorzaat van gelijken naam, en bovenal diens afkeer van het Christendom overgeërfd. Met de Saksen verbonden, beoorloogde hij Karoloman en Pepijn den Korte, zonen en opvolgers van Karel Martel, maar zonder vrucht. Daarentegen stond hij zijn' broeder, Pepijn, bij tegen de Saksen. Het schijnt op aandrijving van Radboud geweest te zijn, dat de vrome Bonifacius, Aartsbisschop van Maintz, het Christendom verkondigende, in het gebied van Gondebald, omtrent het toenmalige vlek Dokkum, door de ongeloovige Friezen vermoord is geworden. Althans Pepijn, toen reeds Koning der Franken, heeft dien moord op hem gewroken, of dien, tot voorwendsel om hem op nieuw te beoorlogen, genomen. Radboud moest de vlugt naar Denemarken nemen, en misschien heeft hij zich toen eenigen tijd op het eiland Helgoland opgehouden, en aldaar de afgodendienst in al haren vorigen luister hersteld. Ook zou het kunnen zijn, dat Gondebald eerst toen, na het vertrek van Radboud, de kroon verkregen heeft, en dat de laatstgemelde tot dien tijd toe alleen in Friesland geheerscht had. In dit geval zouden wij onderstellen mogen, dat Radboud de oudste zoon van Adgillus II geweest is."

Tot dusverre het Overzigt van den heer v. Halmael, uit al de Geschiedschrijvers bijeengebragt en met zijn eigen oordeel verrijkt. Het verschil in de jaren, waarin de gebeurtenissen worden vermeld, is bij vele Schrijvers zeer opmerkelijk; dan een opzettelijk onderzoek hierover, zou voor ons doel van weinig nut zijn.--Wij zullen liever de korte geschiedenis van Radboud tot aan zijnen dood vervolgen.

In den jare 768 stierf Pepijn, nalatende drie zonen, Karloman, Karel en Gilles; welke beide eersten, daar de laatste tot den geestelijken stand was opgebragt, het rijk verdeelden. Karloman viel Oost-Frankrijk en Karel Friesland ten deel. Karel, door zijne regtschapenheid, vele deugden en groote kundigheden, verwierf zich te regt den naam van den Grooten [140]; maar zijne onrustige broeder, wien twist en tweedragt liever was dan rust en vrede, vervolgde hem steeds als een vijand. Dan slechts drie jaren werd hem daartoe gegeven, want toen stelde de dood paal en perk aan deze kwelling. Karel werd nu ook als Koning van Oost-Frankrijk erkend.

Radboud, de bittere vijand zoowel der Christenen als der Franken, was in Friesland teruggekeerd, algemeen weder tot Koning erkend, en begon zijnen woesten aard en wreede vervolging weder vrijen teugel te vieren. Hij vereenigde zich met der Saksen Koning of Hertog Witekind, ten einde Karels magt te fnuiken en op den troon te blijven. Meer dan eens moest hij echter het onderspit delven, tot hij eindelijk gedrongen werd weder naar de Denen de wijk te nemen. Een paar jaren daarna, (gelijk sommige Schrijvers beweren) tijdens den togt van Karel naar Spanje, waarin alwat Frankenland groot en edels opleverde, tot volkomen nederlaag en vernieling werd gebragt, kwam de nog woelzieke Radboud in Friesland, en hernam het bewind, doch slechts voor twee jaren lang.--Karel's legertroepen joegen den woesten Fries weder naar Denemarken, zijn toevlugtsoord, alwaar hij in ballingschap zal gestorven zijn. Geene zekere, zelfs flaauwe narigten van zijn levenseinde, zijne familie of kinderen is aan de nakomelingschap overgebragt.

In Oost-Friesland zijn nog overblijfselen uit den ouden tijd aanwezig, zoo als de Kon-Rebberts- en Rabboltswegen, de Rabboltsbergen en een deel van de heerbaan in Groningerland, welke Radbodiweg genoemd wordt [141].

Bl. 6.

Over het Friesche Wapen meenen wij te mogen aanmerken, dat, wanneer men het oude Wapen van Friesland, voorkomende bij Winsemius, Hamconius en anderen, voor het familiewapen der Friesche Koningen houdt, de geschiedenis hiermede in strijd is, als den oorsprong der Familienamen en Wapens uit de tijden der Kruistogten, aangevangen in 1096, vermeldende; terwijl de laatste Koning, Radboud II, omtrent den jare 775 de kroon verloor, en waarschijnlijk kort daarop is gestorven. Sommigen hebben echter beweerd, dat de oorsprong der Wapens reeds bij de oude Germanen te zoeken zij; doch hoewel de schilden der voornaamste krijgshelden onder hen werden beschilderd en versierd, vindt men geen bewijs voor de regelmatige zamenstelling en afwisseling van kleuren naar bepaalde regels, of van eenige figuren tot kenteeken aangenomen. Hebben de Friezen, voor dat zij met de Romeinen bekend waren, vanen gebruikt, het blijkt nergens uit, dat deze met figuren zouden zijn voorzien geweest; en van de Romeinen konden zij die niet overnemen, daar deze wel effen gekleurde en met goud gestikte vanen bezigden; doch van regelmatige wapen-figuren vindt men niet vermeld [142].

Het oude Friesche Wapen heeft zeer veel overeenkomst met die wapenschilden, welke sedert de Kruistogten in gebruik kwamen, en dit versterkt de meening, dat het niet van Friso's tijd af als Landswapen of als veldteeken is gevoerd.--Hamconius zegt, dat van Friso af tot Beroald het Wapen bestaan hebbe uit een azuren schild, waarop drie zilveren balken, op welke zeven roode plompebladeren (niet pompelbladeren, zegt Dodonaeus) geplaatst waren.--Van Beroald tot Radboud II werden er een balk met vier bladeren bijgevoegd, zoodanig als Beroald het veranderde, toen hij, de dochter van Koning Ridzard gehuwd hebbende, na den dood zijns schoonvaders Oost- en West-Friesland vereenigde.--Suffr. Petri plaatst de plompebladeren tusschen de balken en niet op dezelve, strijdig met de regelen der Wapenkunde, welke niet toelaten, dat men kleuren op kleuren, maar wel kleuren op metalen plaatst, gelijk men dit bij de Schrijvers over de Heraldie zal vinden.--Koning Haron zoude vroeger aan de Hertogen van West-Friesland een Wapen gegeven hebben, met slechts één zilveren balk en vier roode plompebladeren in het blaauwe schild.--Met de regering van Karel den Groote kwamen de leeuwen en blokjes in het Landswapen.

Bl. 7.--Ao 245.