It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 16
»De Vriesche jaarboeken beginnen de lijst der Vriesche koningen en vorsten reeds van vóór den tijd van 's Heilands geboorte af. Alhoewel wij ons geenszins met zekerheid op de berigten dezer verzamelaars, ten aanzien dier opvolgingen, durven en willen verlaten; nogtans deelen wij gansch niet in de twijfelzucht van Emmius en van anderen, welke hem gevolgd zijn. Vooreerst zijn er geene redenen, om zoo ten eenenmale de geloofwaardigheid van Cappidus Staurensis, geleefd omtrent 920, van Occo Scharlensis, welke begon te schrijven in 903 en zulks vervolgde tot 970, van Johannes Vlieterpius, Schrijver van den potestaat J. H. Martna en der gemeene Landsregteren, die Occo's kronijk grootendeels uit het H. S. vertaalde en hier en daar vermeerderde (1370), van M. Alvinus (1400), van Andreas Cornelius, overleden te Harlingen in 1589, van Corn. Kempius (1588), van Vorperus Taboritha, Suffridus Petri, Mart. Hamconius (1624), van Bernh. Gerbr. Furmerius (1613), en van meer anderen, te verwerpen. Trouwens de Vriezen hadden weleer hunne barden en bardengezangen: zoo hoorde nog de bisschop Ludger, eenen Vrieschen bard de daden der vroegere tijden bezingen. Andr. Cornelius is ook in mijn oog een achtingwaardig Schrijver. Deze verhaalt in de voorrede van zijn werk, dat Vlieterp in eene zeer lange voorrede berigtte, dat Occo Scharlensis in de voorrede van zijn werk in het breede had ontvouwd, hoe zijn oude oom Solcko Forteman het leven der Vriesche koningen, prinsen en heeren, die van het begin af in Vriesland hadden geregeerd, ten tijde van den laatsten Vrieschen koning Radbod naauwkeurig beschreven had: over welk geschrift hij door dien koning zeer was vervolgd geworden. Schoon nu dit opstel te dien tijde op koninklijk bevel was verbrand geworden, nogtans waren al zijne overgeblevene schriften en boeken in handen van Occo gekomen, door middel van Gatje Takama (zijnen vader), welke er vele fragmenten en schoone stukken betrekkelijk Vriesland onder gevonden had. Deze schat bewoog hem, om alles te verzamelen, wat overgebleven was, en wat hij wist. Volgens getuigenis van Suffridus Petri, zouden de bouwstoffen tot het werk van Alvinus uit zoodanige oude liederen genomen zijn. Daarenboven heeft S. Petri toegang gehad tot alle kloosterkronijken en kloosterpapieren van Vriesland, waardoor hij in de gelegenheid was, om meer ontwaar te worden dan anderen. Ook vinden wij er geene de minste tegenstrijdigheid in, dat de Vriezen, even gelijk de Kymry in Wallis en de Galen in Ierland, hunne geschiedenis aan de bardenorde toevertrouwden, en dat deze ook hunne Taliesins gehad hebben. Bij de Kymry en de Ieren zijn deze liederen nog grootendeels behouden, en dalen mede tot vroegere tijden terug. De Vriesche berigten, hoezeer vermengd met dichterlijke bijvoegselen en met aanvullingen van verschillenden aard, verdienen waarlijk de aandacht van onderzoeklievende mannen" [109].
Betrekkelijk den oorsprong der Friezen vinden wij bij Grieksche noch Romeinsche Schrijvers eenige voldoende berigten, uit hoofde zij hun gezag van den aanvang niet in deze oorden gevestigd hebben. Over de benaming en aanvankelijke regeringsvorm zijn ook verschillende meeningen te berde gebragt. Het gevoelen ten dezen van den heer Mr. A. van Halmael Jr. ook het onze zijnde, nemen wij hier over, hetgeen in zijn beknopt Overzigt der Friesche Geschiedenis [110] is vermeld:
»De oorsprong van de namen Friezen en Friesland heeft met dien van vele andere volkeren en landen dit gemeen, dat hij hoogst onzeker is. Even onzeker schier is het te bepalen, op welke wijze het land in de oudste tijden is geregeerd geworden; of er één enkel persoon aan het spits der regering stond, en zoo ja, welken naam hij droeg. Ook naar de uitgestrektheid van het land, hetwelk den naam van Friesland droeg, en naar de gedaante van hetzelve, kan men weinig meer dan gissen."
»Het komt ons echter, wat het eerste betreft, niet onwaarschijnlijk voor, dat de naam van Friezen niet anders dan vrijen heeft beteekend, welken naam dat gedeelte der Germaansche of Duitsche volkeren, hetwelk het eerst Friesland tot woonplaats verkozen heeft, zal hebben aangenomen, ten einde zich daardoor te onderscheiden van andere stammen, die misschien minder naijverig waren op hetgeen zij Friezen verstonden onder vrijheid,--volkomen onafhankelijkheid van allen, die niet tot hunnen eigenen stam behoorden, of tot de genen welke zij daarin goedvonden aan te nemen" [111].
»Wat der Regering betreft, één persoon schijnt aan het hoofd der Friezen gestaan te hebben; niet evenwel zonder, in openlijke aangelegenheden, den raad der Wijsten, dat is Oudsten zijner landgenooten, in aangelegenheden van algemeen belang, de meening van het geheele volk ingenomen, en dien van de meerderheid gevolgd te hebben. Het komt ons wijders niet onaannemelijk voor, dat die ééne persoon, meerder uitvoerder van 's volks wil dan eigenmagtig gebieder, maar ook in de uitvoering ongebonden, den naam van Koning droeg, welken naam wij, naar de afleiding des woords, meenen aangeduid te hebben: den eersten man van het eerste (d. i. mannelijk) geslacht, eens heerschenden volks."
»Daarmede willen wij echter niet geacht worden, de geheele rij der zeven eerste Koningen (in kronijken Prinsen genoemd), der zeven Hertogen en der negen, dezen wederom vervangen hebbende Koningen, welke alle door onze kronijkschrijvers met name genoemd worden, te erkennen."
»Ook gelooven wij niet dat de oppermagt der Vorsten erfelijk was, althans niet in de eerste tijden, hoewel meestal de zoon eens konings, over wiens bewind het volk tevreden was, hem zal opgevolgd zijn."
Er bestaan over den oorsprong des Frieschen volks eenige overleveringen en sagen uit den overouden tijd, in welken de geschiedkundige waarheid, met de noodige versierselen en verdichtselen, werd gehuld en bewaard gebleven is: jammer maar dat het en door den geest der vroegere tijdperken, en door de wijze der overlevering zoo moeijelijk is geworden waarheid en fabel van elkander te schiften. Alles komt echter op dit punt neder, dat de Friezen geene aborigenes, dat is inboorlingen van Friesland waren, maar over zee naar deze landstreken waren aangekomen om dezelve te bevolken [112]. Wij willen kortelijk uit de geschiedenis enigen dier sagen en volksvertellingen bijeenverzamelen en mededeelen, dewijl onze kronijk slechts van eene enkele gewaagd.
Naar het gevoelen van Joachim Hopper zouden de Friezen afkomstig zijn van de Hijperboreische volkeren, van wien zij hunne taal, godsdienst en zeden hadden ontvangen [113].
Cornelius Kempius verhaalt dat een Karthuizer, genaamd Reinerus de Friezen deed afstammen van een aantal Joden, die door Vespasianus na de inneming: van Jeruzalem in 't leven gespaard, uit het Joodsche land verdreven en herwaarts in ballingschap gezonden waren. »Doch de goede man (zoo zegt Van Rhyn [114]) moet Tacitus en andere schrijvers niet gelezen hebben, die hem zouden onderricht hebben, dat de Vriezen hier al woonden omtrent de tijden van Christus,"--dus voor Jeruzalems verwoesting [115]. Deze overlevering hoorde ook bij de oude Pruissen te huis, wier voorouders door Salmanzar uit het Joodsche land waren verdreven [116].
Van Frankischen oorsprong schijnt navolgende sage door Joannes Trithemius, in navolging van Hunibaldus, geboekt in zijne geschiedenis der Frankische koningen. Frisius was de zoon van koning Coglio; deze werd met toestemming aller Franken Koning van Friesland, doch aan deze keus verbonden zij de voorwaarde, dat hij en alle zijne opvolgers met hunne onderdanen onder de Franken zouden staan, en tot schatting jaarlijks tweehonderd en zestig koeijen leveren: daarenboven waren zij verpligt als getrouwe vrienden en bondgenooten der Franken, dezen in alle oorlogen bij te staan. De Friezen nu zouden, volgens het beweerde van verschillende schrijvers [117], van dezen Koning den naam gekregen hebben. Ook dit verhaal wordt door de geschiedschrijvers van lateren tijd verworpen, daar de Franken toen nog niet als magtig volk zouden hebben bestaan, maar eerst driehonderd jaar na Christus geboorte.--Het is echter vrij zeker, dat het Frankisch gezag reeds zeer vroeg bij de Friezen heeft geheerscht; zelfs de benaming dezer beide volken wordt vaak verwisseld. Deze geheele sage zal echter van later dagteekening zijn dan anderen [118].
Hubertus Thomas, een Luikenaar, schreef een boek over de Tongren en Eburonen, waarin hij met kracht van redenen betoogde, dat de Friezen uit de oude Phrygeers of Trojanen herkomstig waren, welk gevoelen ook anderen aankleefden [119]. Grunus, een voornaam Trojaan onder hen, had Groningen gebouwd, het gewest Frisia en dus het volk met den naam van Friezen gedoopt. Vierhonderd drie en dertig jaren voor Christus waren deze Trojanen, onder Marcomir, in Duitschland bij de Saksen gekomen en naar den zeekant afgezakt [120]. Tot een vernuftig bewijs van zijne stelling brengt Thomas bij, dat het stedeken Ylst niet Elostum, zoo als sommige Latijnen zeggen, maar Iliacum, dus genaamd naar Ilium, heeten moet, en dat Aschendorp in Groningerland, naar den befaamden Ascanius ook den naam Ascania heeft gedragen.--Dit verhaal schijnt van Oud-Duitsche geboorte te zijn [121].
Eggerik Beninga beschrijft in zijne Oost-Friesche Kronijk [122] den oorsprong der Friezen ook op deze wijze. Ten tijde dat Samuel regter over de kinderen Israels was, nadat de wereld 2860 jaren had gestaan, was er een koning van Assyrien, Diedictus genaamd, wiens gemalinne Albiona bij het volk in kwaad geruchte stond. Op zekeren tijd liet zij alle hare zusters, twee en dertig in getal, en allen aan koningen, vorsten en groote heeren door den echt verbonden, bij zich komen, en, zich niet langer door hare mannen willende laten regeren, sloten zij in 't geheim een verbond, dat elk zijnen echtgenoot zou om het leven brengen en dan zelve het bestuur in handen nemen. Maar de zamenzwering werd ontdekt en tot straf werden de 32 zusters, met al de medepligtigen, in een schip zonder roer en zeilen gezet en zoo voor wind en stroom aan de willekeur der woeste golven prijs gegeven. Na lang omzwervens kwamen zij ten laatste aan een onbewoond eiland, hetwelk zij, naar den naam der oudste zuster Albion noemden en langen tijd bewoonden. Uit deze zusters werd het groote en wreede reuzengeslacht geteeld, dat door Brutus is verslagen en op de vlugt gejaagd, welke vlugtelingen de Noordzee opstevenden en naar een nieuw vaderland zochten. Dus aan de Friesche kust gekomen, namen zij dit land ten deele met geweld in, en zetten zich er neder. Brutus, nu Heer van Albion, herdoopte het eiland in Brutannien en liet de stad Londen bouwen, dan ook hij werd op zijnen tijd weder verdreven door het geweld der Friesche koningen Engistes en Horses.--Zoo ver Beninga.--In Westendorp's Kronyk wordt verhaald, dat de gevlugte reuzen, bij hunne aankomst aan den Frieschen wal, onvermoeds door de ingezetenen des lands verdreven zijn, de Maas zijn opgevaren en Slavenburg hebben gesticht.--Zoodat volgens dit verhaal dan reeds het land bevolkt was [123]. Deze overlevering schijnt op de Kelten, de oudste bewoners van Brittannien te slaan.
In bijna al de geschied- en kronijkschrijvers, zoo als ook in de onze, vinden wij de volks-overlevering, welke ook in den Frieschen geest geheel gestemd is, van de overkomst der drie gebroeders Saxo, Bruno en Friso [124] vermeld, en wel van verschillenden vorm en inhoud. Vooral wat betreft de afkomst van den stamvader Friso, daarover is een groot verschil. De een maakt hem tot een Jood, de ander tot een Macedonier, velen tot een Indiaan. Sommige oude schrijvers hebben de waarheid van deze overlevering niet alleen niet in twijfel getrokken, maar die tegen anders denkenden met hand en tand verdedigd. B. Furmerius en vooral Suffridus Petri hebben zelfs, (de laatste in zijne Apologie) Ubbo Emmius en anderen, die dit verhaal voor eene fabel verklaarden, voor dwarsdrijvers, slechte recensenten en vijanden des vaderlands verklaard. Andere Friesche schrijvers, even als Emmius, verwerpen het ook geheel, maar de meesten zijn ook getrouwe navolgers, ja zelfs naschrijvers en napraters van Emmius, die als de God der Historie werd aangebeden. Het valt niet te ontkennen, dat zijn geschiedboek groote waarde heeft, doch ook onvoorwaardelijk in zijne twijfelzucht te berusten is niet het veilig midden kiezen.
Uit hoofde men deze sage overal vindt, zullen wij dezelve in zijn verband niet herhalen, evenmin als de geschiedenis der zeven zonen van den Frieschen Aartsvader Friso, die de volkplanters in Jutland, Hessen en Schotland zijn geweest. Men vindt een beknopt verhaal hiervan in het Nabericht op Vriesland van van Rhyn [125], dat altijd waardig is gelezen en herlezen te worden. Daarin wordt ook vermeld hoe de West-Friezen, Keulenaars, Frisiabonen of Nieuwe Friezen, Zwitsers en Graubunders, Franken, Strand-Friezen en Eiderstedders, uit de oude Friezen zouden herkomstig zijn; terwijl zij ook in Oud-Engeland of Brittannien, Ethiopien en Chili in Amerika, zich zouden hebben voortgeplant. Van de vermelding ten tweede male der Helvetiers of Zwitsers uit de Friezen gesproten [126], ten tijde van den Potestaat Magnus Forteman is eene geheel verschillende lezing in de Corte Chronyck van Sybe Jarichs [127], welke zegt, dat de Friezen die onder Forteman tegen de Romeinen waren opgetrokken, op den terugtogt ten deele in Lombardijen en Italien metter woon waren gebleven, door een hoop volks meestal gedood werden, zoodat er maar weinigen ontkwamen. Dezen nu zwierven op bergen en in dalen rond, tot dat zij in Zwitserland gekomen, aldaar zich huizen hebben gebouwd en een gedeelte lands bevolkt.
Menso Alting beweert, dat de Friezen van een en dezelfde afkomst zijn als al de Overrijnsche volkeren. Het voorgeven, dat zij uit Phrygien, of de Indien herwaarts zijn gekomen, acht hij voor zottengeklap en eene lange reeks van leugens [128]. Hoezeer eene geheele vergelijking van al het geschrevene over dit onderwerp, met een naauwkeurig oordeelkundig onderzoek gepaard, een moeijelijke arbeid ware, en hoe bezwaarlijk men ook welligt meerder licht in dezen ontvangen zou, was echter de beproeving daarvan, en eene wijsgeerige beschouwing van alle nog voorhanden zijnde werken en geschriften der moeite overwaardig en een zeer verdienstelijk werk. Er is nog zoo veel aanwezig, geschikt tot bruikbare bouwstoffen, hoezeer dan ook de vernielingswoede vele belangrijke Charters voor altoos hebbe vernietigd, ja zelfs vele gedenkstukken der oudheid door zorgelooze onnoozelheid het droevig lot hebben moeten ondergaan van over de zeepalen te worden geworpen, en welligt hun graf hebben gevonden in de diepte dier golven, welke over de verzonken grondvesten der aloude Friesche Koningsstad henenrollen, even als of men ook de laatste getuigen des voorvaderlijken roems in hetzelfde graf voor eeuwig wilde begraven. Wenschelijk ware eene meer algemeene belangstelling in het lot der Historie en in den goeden wil dier Schrijvers, welke zonder zelfverheffing of eerbejag slechts hun vaderland en de wetenschappen willen dienen, wier doel en handeling niet door gloeijende eerzucht of geldgewin worden bestuurd.
Wij willen hiermede over alles wat den oorsprong der Friezen betreft afstappen [129].
Het ligt geheel buiten ons bestek, alles te verzamelen en te vermelden wat door de geschiedschrijvers al niet geboekt, geoordeeld en gegist is over het hoogst onzekere tijdvak van de eerste bewoners dezer Friesche landen, tot op de geboorte van Christus Dit behoort tot eene volledige Geschiedenis der Friezen; dan met eenige meerdere zekerheid kunnen worden vermeld, de gebeurtenissen van de komst van den Veldheer Drusus in Friesland af tot aan de heerschappij van Karel den Groote. Wij willen derhalve overnemen, hetgeen de heer van Halmael in zijn zeer belangrijk Overzigt over dit tijdvak heeft geschreven [130], in hetwelk men natuurlijk wel overeenkomst met de kronijken, maar tevens ook vele afwijkingen van sommiger stellingen zal ontdekken. Er heerscht echter over deze tijden ook nog eene vale schemering, zoo geene duisternis; want de eerste Friesche Koning, wiens naam en handelingen met genoegzame zekerheid kunnen worden vermeld, heeft geregeerd in de zevende eeuw en heeft den troon beklommen omtrent 590 of 630. Adgillus de Eerste was die Vorst: wie echter zijn vader was, daarover hebben de geleerden het niet eens kunnen worden.
Nu volgt het Overzigt:
§ 2.
»Elf jaren voor Christus geboorte, vertoonde zich de veldheer der werelddwingende Romeinen, Claudius Drusus Nero in het land der Batavieren. Men zegt, ten einde de Germanen of Duitschers te straffen, die in de landen, aan hunne grenzen liggende, en onder het oppergebied der Romeinen staande, geplunderd hadden. Hij begaf zich langs den Rijn in den Oceaan, ten einde de monden Van de Eems en Wezer te bezoeken, tusschen welke de Cauchen of Chauken toen woonden. Aan hunne grenzen raakte hij in groot gevaar, doch de Friezen, met welke hij bevorens in een vriendschappelijk verbond was getreden, redden hem."
»Een jaar later deed hij eene gracht graven, waardoor hij van den Rijn, door den Ouden IJssel in het meer Flevo komen konde. Van daar konde hij door de Middelzee en verder over de Wadden, in de Eems geraken. De Friezen verbonden zich, waarschijnlijk omdat hij hun beloofde, dat de Romeinen hen bijstaan zouden tegen hunne, immer onrustige, Germaansche naburen, tot het jaarlijks leveren van een bepaald aantal ossenhuiden. Ook schijnt hij ter hunner bescherming een kasteel, aan de Noordzee te hebben aangelegd. Dat kasteel almede Flevo of Flevum genoemd, plaatsen de oudheidkundigen op het tegenwoordig eiland Grind, thans eene schulpplaat, niet verre van Terschelling. Daaruit kon de Romeinsche bezetting spoedig de Eems bereiken [131]."
§ 3.
Jaren na Chr. 29. 48.
»Met de goede trouw, die van oudsher de Friezen kenschetste (gelijk de Germanen over het algemeen), voldeden zij eenige jaren aan hunne verbindtenis, en wel tot aan of in het jaar 29 na Christus geboorte. Den Romeinschen veldheer Germanicus schijnen zij bijgestaan, en zelfs zijn leger eenmaal eene groote dienst bewezen te hebben, met hem zekere plant, door de Romeinen Brittenkruid genaamd, ter heeling van de scheurbuik aan te wijzen [132]. In gemeld jaar eischte zekere Olennius, een Romein, die met eenig bevelhebberschap, misschien wel met dat van het kasteel Flevum, en met het invorderen der zoogenaamde schatting belast was, eene soort van huiden, welke zij, evenmin als de waarde van dien, leveren konden. Zij lieten zich eerst daarvoor hunne ossen, toen hunne landerijen, eindelijk hunne vrouwen en kinderen tot slaven afnemen, hopende dat men hunne bereidwilligheid ziende, hun geregtigheid zou doen wedervaren. Maar, het zij de klagten der armen het oor des Keizers niet bereiken konden, het zij de Keizer zijne prefecten toeliet in het klein te plunderen, gelijk hij-zelf in het groot deed, zij vonden geen gehoor, en begonnen den regvaardigsten krijg. Zij grepen en doodden de hen kwellende knechten, en belegerden Olennius in de Romeinsche sterkte. Wel moesten zij het beleg opbreken, omdat er een aantal Romeinsche benden ter ontzet naderde, alles onderwegen plunderende en verwoestende; doch, ofschoon de Romeinen, volgens het zeggen hunner geschiedschrijvers, hen, evenwel niet zonder aanvankelijke nederlagen en groot verlies, overwonnen, zij schijnen hunne vrouwen en kinderen, en hunne landerijen toch terug bekomen te hebben, en waarschijnlijk zijn zij zelfs wel van Romeinen en schatting ontslagen geworden, of ontheven gebleven."
»Althans men vindt niet weder van Romeinen hier te lande gewag gemaakt, dan omtrent twintig jaren later. Toen, heet het, hebben de Friezen zich aan den veldheer Corbulo onderworpen. Hij leidde weder krijgsbezetting in Friesland, en stichtte er eene sterkte, zoo sommigen meenen ter plaatse, waar nu Groningen ligt. Doch hij moest die bezetting welhaast terugtrekken, op bevel van zijnen toenmaligen Keizer, Claudius, die den Rijn tot grens des Rijks bepaalde:--van eenige schatting wordt te dier gelegenheid niet gesproken."
§ 4.
J. na Chr. 59.
»'t Schijnt evenwel dat de Friezen, wier naam, sedert het gebeurde met Olennius, reeds onder de Germanen doorluchtig was geworden, bondgenooten der Romeinen gebleven zijn.--Toen toch, eenige jaren later, een deel der Friezen, onder aanvoering van Verritus en Malorix [133], die men daarom niet voor Friesche Koningen behoeft te houden, zich op eene ledige plek gronds, denkelijk aan den linker Rijn-oever nedersloegen; toen daarop de Romeinsche gezaghebber in dien oord hun aanzeide, dat zij die weder verlaten moesten, ten zij de Keizer hun toestond, haar in te nemen, begaven Verritus en Malorix zich, om 's Vorsten toestemming te verkrijgen, naar Rome. Daar bragt men hen in den schouwburg; zij zagen er de gezanten der volkeren, die gezegd worden in trouw en liefde voor Rome uit te munten, op de banken der Romeinsche Raadsheeren zitten, dat een eerbewijs heette. Daarop begaven zij zich derwaarts, en zetten er zich insgelijks neder, zeggende: dat geene stervelingen de Germanen in wapenen of trouw overtroffen. De Friesche rondheid behaagde zelfs den wellevenden Romeinen."
§ 5.
J. na Chr. 240, 350, 418.
»Het komt ons voor, dat de Friezen, bij vervolg van tijd, nu eens de zijde der Romeinen zullen gehouden hebben, in de oorlogen, welke dezen bij voortduring tegen de Germaansche volkeren voeren moesten; dan weder, zich met de laatstgemelden tegen de Romeinen zullen vereenigd hebben. Van het laatste vinden wij een bewijs in den bekenden oorlog, door de Batavieren, onder Claudius Civilis, tegen hunne onderdrukkers ondernomen. Ook kan het zijn, dat zij somtijds inderdaad aan hen onderworpen geweest zijn; doch zij raakten eindelijk buiten alle betrekking tot dezelven. Gedeeltelijk voorzeker reeds, toen onderscheidene Germaansche volkeren, onder den naam van Franken, omtrent het jaar 240, vereenigd, zich ruim honderd jaren later, vestigden in Taxandrie, waardoor men het voormalig eiland der Batavieren met de zuidelijk daaraan grenzende landen, en een gedeelte van Braband, misschien ook Zeeland moet verstaan.--Voor zoo verre zij zelven, of althans een gedeelte hunner, tot dat verbond behoord mogten hebben, en onder de Saliers mogen gerekend zijn, zijn zij nogtans zekerlijk vrij en onafhankelijk gebleven, en dien Franken niet onderworpen.--Geheel echter, toen die zelfde Franken, nog ongeveer honderd jaren later, een koningrijk in Gallië, het tegenwoordige Frankrijk, stichteden, hetgeen Rome erkende. Rome, dat Rijk, hetwelk intusschen door zijnen opperheer, Theodosius den Groote, in twee Keizerrijken, het Oostersch, hoofdstad Constantinopolen, en het Westersch, hoofdstad Rome, was gesplitst geworden, en onder zijn eigen gewigt bezweek, gelijk alle Staten zullen doen, die, als Rome, naar de opperheerschappij der wereld trachten;--o troostrijke leer der Geschiedenis!"
§ 6.
J. na Chr. 62, 68, 90, 183, 186.
»Als men het gezag onzer kronijken niet geheel wil verwerpen,--en het zoude zoo ondienstig voor de beoefening der geschiedenis als onbillijk jegens onze voorvaderen gehandeld zijn, indien wij het deden,--leden de Friezen intusschen menigen aanstoot van de Noordelijker en Noord-oostelijker volkeren, onder onderscheidene namen, maar vooral onder dien van Deenen in gemelde schriften voorkomende.
Reeds op het jaar 62, wordt van zulk eenen inval der Deenen in Friesland gesproken, en jaarlijks schijnen zij, tot in 68, hunne pogingen te hebben herhaald, meer om te plonderen, dan om zich hier te vestigen. Op het jaar 90 vindt men van eenen inval der Noormannen gewaagd. Omtrent 183 van eenen dergelijken der Gothen en Wenden. Op 186 van eenen der Wilten, welke bij die gelegenheid de eerste grondslagen van Wiltenburg, naderhand de stad Utrecht, zouden gelegd hebben [134].