It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 15

Chapter 153,265 wordsPublic domain

Ziet hier een Held, beproefd in oorlogsblixem vlammen; Die voor 's Landt Vryheid spreekt uit monden van metaal; Die 't opgezwolle nat door dyken jaagd en dammen, En 's vyands krachten breekt door water, vuur en staal, Den Vriessen Jupiter, die, met zyn donderslaagen, Den Franssen Faëton bonst uit zyn Zonnewagen.

Den 2de van July sloeg Marlboroug en Baden, in Beyeren, de Fransche en Beyersche krygsmacht, by den Schellenberg; en op den zelven dag is Brugge door de Geallieerden ook gebombardeert.

Den 3de dito is door de Geallieerden Donawerth bemachtigt, en den 11de dito Regensburg; als mede den 26, 27 en 28ste dito, de stad Namen, doch zonder voordeel, gebombardeert.

Den 4de van Augusty heeft de Geallieerden vloot, onder Hessen-Darmstad, Gibralter bemachtigt; en den 13de dito hebben de Geallieerden, onder de Generaals Marlboroug en Eugenius, de Franschen en Beyerschen by Hogstet geslagen; zynde hun verlies wel op 40000 mannen begroot.

Den 18de van November wonnen de Geallieerden, onder den Erfprins van Hessen-Kassel, Traarbach.

In den jaare 1705, den 5de van May, overleed te Weenen Keizer Leopoldus, oud zynde 65 jaaren; wordende van zynen zoon Josefus in 't Keizerryk gevolgt.

Den 5de van September zyn 96 schepen van de Groenlandsche vloot voor Delfzyl gearriveert, hebbende in alles gevangen 1100 vissen.

Den 14de van October gaf Barcellona zich aan Koning Karel over. Ook is Stanislaus omtrent dezen tyd tot Koning van Polen verklaart en gekroont.

In den jaare 1706, den 23ste van May, sloegen de Geallieerden, onder Marlboroug, tegens de Franschen, by Ramellies, en bequamen een roemruchtige overwinninge; waar op zich verscheidene steden in Braband en Vlaanderen hebben overgegeven. Den 6de van July wonnen de Geallieerden Oostende: den 22ste van Augusty Meenen; den 5de van September Dendermonde; en den 7de dito is Turin door Prins Eugenius gewapenderhand ontzet: en den 3de van October is Aath mede door de Geallieerden gewonnen.

In den jaare 1707, den 16de van April, leeden de Geallieerden een groote neêrlaag in Spanje, by Almanza. Den 20ste van July, heeft de stad Napels, met haar drie kasteelen, zich aan Koning Karel onderworpen.

In dit zelve jaar, in Augusty, is Johan Willem Friso, Stadhouder van Friesland, enz., getreden in zyn chargie als Generaal der Infantery of voetknegten. L. Smids, voegde dit onder zyn afbeeldzel:

Als Friesland zag het beeld van Frieso; reeds in 't weezen Oranjes yver en Nassouwers moed kon leezen Zo sprak zy, (drukkende dit konststuk aan haar mond) Wat schooner dag beloofd my zulk een morgenstond!

In den jaare 1708, in February, is zyne Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van Oranje en Nassau, en der Friesen Erfstadhouder, door de Edele Groot Mogende de Heeren Staaten van Stad en Lande, tot Stadhouder over derzelver Provintie aangenomen.

Den 5de van July is Gent en Brugge door de Franschen ingenomen; den 11de dito zyn de Franschen door de Geallieerden, onder Eugenius, Marlboroug en Ouwerkerk, by Oudenaarden geslagen.

In Augusty wierd aan Prins Friso het Oppergezach der belegeringe van Ryssel toevertrouwt, ondersteunt van Prins Eugenius; en wierd dit meesterstuk der krygsbouwkunde by verdrag gewonnen den 22ste van October, en 't kasteel den 8ste van December. En den 30ste dito wierd Brugge den Franschen weder ontnomen.

In den jaare 1709, den 4de van January, hebben de Franschen de stad Gent wederom verlaaten.

Den 29ste van April is zyn Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van Oranje en Nassau, met Prinsesse Maria Louisa, dochter van den Landgraaf van Hessen-Kassel, op het kasteel van Kassel met zeer groote plechtigheid getrouwt.

Den 8ste van July wierd de Koning van Zweden, door de Moskovieters, in de Ukranie, by Pultowa, ten eenemaal geslagen: den 28ste dito is de stad Doornik aan de Geallieerden overgegaan: den 11de van September geschiede het wreede en bloedige gevegt der Franschen en Geallieerden by Malplaquet: en den 25ste dito wonnen de Geallieerden Bergen, in Henegouwen.

In den jaare 1710, den 2de van January, is Prins Friso, nevens zyne Gemalinne, te Leeuwarden, met een buitengemeene staatsie ingehaalt. Als mede den 18de van Maart te Groningen.

Den 25ste van Juny is Douay door de Bondgenooten verovert: den 28ste van Augusty Bethune: den 28ste van September St. Venant: den 8ste van November Arien.

In den jare 1711, den 17de van April, is Keizer Josephus te Weenen overleden, oud zynde 33 jaaren.

Den 14de van July, op den middag, is zyne Hoogheid, Prins Jan Willem Friso, Frieslands en der Groningers Stadhouder, in 't overvaaren van 't Hollandsche Diep, aan 't Stryensche Sas, zeer ongelukkig verdronken; wordende deszelfs ligchaam door een schipper, van de Klundert komende, op den 22ste derzelver maand eerst gevonden en opgevischt, voorts haar Dordrecht gebragt, en aldaar gebalsemt, en vervolgens naar Leeuwarden gevoert: alwaar het op den 25ste van February 1712 met eene heerlyke doch droevige lykstaatie in 't graf zyner Voorvaderen wierd bygezet.

En in hetzelve jaar, den eersten van September, is de Prinsesse van Friesland, Weduwe van den Stadhouder, van een Prins bevallen, en genaamt Willem Karel Hendrik Friso, zynde de tegenwoordige Stadhouder.

LANDVERDEELING VAN FRIESLAND.

Schoon de aantekeningen van voorgaande Geschiedenissen, zonder kennisse der gelegentheid van Landen en Steden, in 't naleezen noch nuttig, noch aangenaam kunnen zyn, zo 'er niet iets nevens of voor dezelve gemelt word: zo mogen de leezers ook niet met al te langwylige verhandelingen derzelve opgehouden worden; dewyl anders zo een beschryvinge op zich zelve en hier van afgescheiden vereischt, die men de Landbeschryvinge noemt.

Waarom wy, tot verstand van de voorverhaalde Geschiedenissen, hier van iets behoevende by te brengen, met een bloote verdeelinge van de Landstreek, en een optellinge van Steden en Dorpen in iedere afdeelinge, zonder van de beschryvinge iets te mogen aanroeren, den eisch der voorgaande bladeren geacht voldaan te hebben.

De Landstreek van deze Provincie word in drie gedeeltens afgedeelt, als Oostergo, Westergo en Zevenwouden. In voorige tyden bestond het in de twee eersten alleen; die ook elk den naam van een Graafschap by zommige Schrijvers hebben gevoert, en mogelijk ook in der daad zyn geweest, zonder dat de Wouden als een byzonder deel wierden aangemerkt. En zyn zo genaamt naar de Goën of Dorpen, in de Ooster- of Westerverdeeling gelegen; en de Wouden, om de veelheid van 't geboomte, dat eertyds mogelyk meerder is geweest, als hedendaags: en zo wat verlatynt zynde, wierden Estrachia, Westrachia en Forestensis genaamt, by de Schryvers in die taal.

Deze Leden worden elk in een getal van mindere verdeelingen onderscheiden, die wy Grietenyen noemen, naar de Bevelhebbers van ieder gedeelte, die men een Grietman noemt, dat zo veel is als Overheer, want gritte, greet, en greut, is groot te zeggen. Elke Grieteny vervat een zeker getal Dorpen onder zich, staande onder de regeering van een Grietman. De Steden zyn 11 in getal, rustende elk op haar eigen recht; maakende te zamen in zaaken van regeering het vierde Lid van Staat. In 't optellen van welke Dorpen, doordien zy naar de verscheidentheid der byzondere spraaken (dialecten) of anderzins ook verscheiden worden genoemt, zo komt in bedenkinge, welke wyze gevoegelijkst mag gevolgt worden: want van de benaaminge der zelve zyn zommige gebruikelyk,

1. In de gemeene taal, alleen Buitenpost, Donkerbroek.

2. In de Stadsspraak, als Nyega.

3. In de Landsspraak alleen, als Tjietjerk, Tjaalebird.

4. Gemengd, 1. uit de gemeene Stadsspraak, als Peperga, Lutkepost, Nyjenhuis. 2. Uit de gemeene en Landsspraak, als Langewar, Suerig. En 3. uit Stads- en Landsspraak, als Tserkgaast, Molkweeren.

5. De zelve Dorpen, anders in 't gemeen, als by stedelingen en landlieden, als Nieukerk, Nykerk, Nytjerke: Molkweeren, Molkwarren.

6. Naar oude misspellinge, Hyelsum voor Jelsum; Hyaure voor Jaure of Joure; en Greonterp voor Grien of Groenterp.

7. In verkorting, als Birdaard voor Birdewerd, Oestrum voor Eestroom, Raard voor Raawerd, enz.

Waar op het wel billyk is, dat men in een schrift, in de gemeene taal geschreven, als dit tegenwoordige, ook hier de naamen der Dorpen in die zelve taal zoude stellen: doch nochtans hier niet vry staat omtrent eenigen, als die haar oorsprong uit de byzondere spraaken hebben, gelyk Tserkgaast, Adegae en Molkwarren: voor welke men (hoewel mogelyk in gelyke zin, doch ongerymt) zou zeggen, Kerkburg, Ouddorp en Melkfennen. Even ongerymt zoudenze alle in de Stads- of Landsspraak gestelt worden: en geheel overtollig in die alle te gelyk.

Daarom hebben wy geacht dezelve veilig te mogen gebruiken, naar de uitspraak die in de gemeene wandeling meest omgaat. Gelyk wy zien dat in de Saxische bedeelinge, (achter dien Hertogs Wetten, in die tyden gedrukt) en ook by Winsemius, Schotanus en anderen, geen eenerlei wyze is gehouden.

I. OOSTERGO.

Hierin zyn twee Steden gelegen, als Leeuwarden en Dokkum. 't Word verdeeld in 11 Grietenyen.

I. Leeuwarderadeel, heeft 14 Dorpen. 't Word in 3 Trindels of derdendeelen afgedeelt. 1. 't Middeltrindel, is onder de klokslag van Leeuwarden. 2. Zuidertrindel, Wirdum, Swichchum, Goutum, Huizum, Hempens en Teerns. 3. Noordertrindel, Steens, Finckum, Hyjum, Britsum, Kornjum, Jelsum, Lekkum en Meedum.

II. Ferwerderadeel, heeft 11 Dorpen, als, Ferwert, Hoogebeintum, Blyje, Hallum, Marrum, Nykerk, Wanswert, Geenum, Jeslum, Reisum en Lichtaard.

III. Westdongeradeel, heeft 14 Dorpen, als, Holwert, Tennaard, Wierum, Nes, Hantumhuizen, (Raad, Bierum, Medent, Germerhuizen, Nyjenhuis, zynde Gebuurten, maakende eene stem,) Jaure, Betterwird, Bornmerhuizen, Bornwert, Raard, Foudgum, Brantgum en Waaxens.

IV. Oostdongeradeel, heeft 13 Dorpen, als, Anjum, Engwierum, Ee, Jouswier, Oestrum, Aalsum, Wetsens, Nyjewier, Nykerk, Paasens, Ljuessens, Morre en Metselwier.

V. Kollumerland, heeft 6 Dorpen, als, Kollumerswaag, Westergeest, Oudwoude, Kollum, Lutkewoude of Ausbuer en Buerom.

VI. Achtkarspelen, heeft 8 Dorpen, als, Surhuizen, Austynsga, Harkma-opeinde, Droogeham, De Kooten, Op 't Wyzel, Buitenpost en Lutkepost.

VII. Dantumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Driesum, Wouterswoude, Dantumerwoude, Murmelwoude, Akkerwoude, Rinsmageest, Sybrandahuis, Janum, Birdaard, Roodkerk, Feenwouden en Swaagwesteinde.

VIII. Tjietjerksterdeel, heeft 14 Dorpen, als, Wyns, Oudkerk, Oenkerk, Giekerk, Ryperkerk, Tjietjerk, Suwoude, Hardegaryp, Bergum, Eestrum, Oostermeer, Sumeer, Garyp en Eernwoude.

IX. Smallingerland, heeft 7 Dorpen, als, Oudega, Nyjega, Opeinde, Noorderdrachten, Suiderdrachten, Kortehem en Bornbergum.

X. Idaarderdeel, heeft 8 Dorpen, als, Idaard, Æaegum, Roodahuizum, Friens, Grou, Warrega, Warstiens en Wartena.

XI. Rawerderhem, heeft 6 Dorpen, als, Rawerd, Yrnsum, Poppingawier, Tersool, Sybrandabuert en Deersum.

II. WESTERGO.

Hier in zyn 8 Steden, namentlyk, Bolswert, Franeker, Sneek, Harlingen, Staveren, Workum, D'r Ylst en Hindeloopen. 't Word verdeelt in 9 Grietenyen.

I. Menaldumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Menaldum, Berlikum, Wier, Beetgum, Englum, Marsum, Deinum, Boxum, Blessum, Dronryp, Schingen, Slappeterp en 't Klooster Anjum.

II. Franekerdeel, heeft 11 dorpen, als, Tjum, Hitsum, Achlum, Midlum, Herbaajum, Doenjum, Boer, Ried, Peins, Sweins en Schalsum.

III. Barradeel, heeft 8 Dorpen, als, Minnertsga, Firdgum, Tjiemaarum, Oosterbierum, Sixbierum, Pytersbierum, Winaldum, Almeenum, nu meest binnen de muuren van Harlingen, daar het haare stem heeft in de Kerk, en 't Klooster Lidlum.

IV. Baarderdeel, heeft 16 Dorpen, als, Jorwert, Weidum, Mantgum, Schillaard, Oosterwierum, Bozum, Wiewert, Britsert, Oosterlittens, Winsum, Baard, Huins, Lyons, Hilaard, Jellum en Beers.

V. Hennaarderdeel, heeft 12 Dorpen, als, Hennaard, Ytens, Lutkewierum, Oosterend, Hidaard, Wommels, Waaxens, Kubaard, Wielsryp, Baajum, Spannum en Eedens.

VI. Wonzerdeel, heeft 27 Dorpen, als, Aarum, Allingwier, Burgwert, Kornwert, Dedgum, Exmorre, Engwier, Ferwoude, Greonterp, Gaast, Hartwert, Hichtum, Hiezlum, Idzegahuizen, Kunswert, Ruigelollum, Longerhou, Makkum, Pinsum, Parrega, Pyaam, Schettens, Schraad, Suerig, Tjerkwert, Witmaarsum en Wons.

VII. Wymertser- of Wymbritserdeel, heeft 28 Dorpen, dezelve worden aangeteekent, als, Buitendyks: Oppenhuizen, Uitwellingerga, Jortryp, Hommerts, Smallebregge, Woudseind, Ypekolsga, Indyk, Heeg, Gasmeer, Nyjehuis, Santfirde, Oudega en Idzega. Binnendyks: Oosthem, Abbega, Westhem, Wolsum, Nyland, Folsgaare, Tjaalehuizen, Ysbrechtum, Tirns, Scharnegoutum, Goinga, Looienga, Gaau en Offingawier.

VIII. Heemelumer Oudephert en Noordwoude, heeft 9 Dorpen, als, Heemelum, Koudum, Warns, Scharl, Molkwarren, Oudega, Nyjega, Elahuizen en Kouderwoude.

IX. Het Bilt, heeft 3 Dorpen, als, St. Japikskerk, St. Annekerk en L. Vrouwenkerk.

III. ZEVENWOUDEN.

Hier in legt de Stad Slooten alleen. 't Word verdeelt in 10 Grietenyen.

I. Uitingerdeel, heeft 6 Dorpen, als, Oudeboorn, Nes, Akrum, Terhorne, Terkaple en Akmaryp.

II. Engwerden, heeft 4 Dorpen, als, Gersloot, Tjaalebird, Luinjebird, Ter Trebant met Bansterschans, en noch een gedeelte van 't Vlek Heerenveen.

III. Doniawerstal, heeft 14 Dorpen, als, Goingaryp, Broek, Austerhaule, Nyjega, Oudouwer, St. Niklaasga, Doniaga, Tserkgaast, Itskenhuizen, Leegemeer, Ter Oele, Indyken, Langweer en Bornswaag.

IV. Hasscherland, heeft 6 Dorpen, als, Westermeer, Snikswaag, Hasscherdyken, Nyjehassche, Oudehassche en Hasscherschorne.

V. Schooterland, heeft 18 Dorpen, als, Hornsterswaag, Jubbega, Schuerega, Oudehorn, Nyjehorn, Katlyk, Brongerga, Nybrongerga, Melledam, Oudeschoot, Nyjeschoot, Rottum, St. Jansga, De Kleinegaast, Haule, Roehel of Nyjega, Delfstrahuizen, Oudega en Uitdyken, en een groot deel van 't Vlek Heerenveen.

VI. Lemsterland, heeft 5 Dorpen, als, Lemmer, Eesterga, Follega, Oosterzee en Echten.

VII. Gaasterland, heeft 7 Dorpen, als, Wykel, Sundel, Nyjemardum, Oudemardum, Mirns, Haarig, Ruigehuizen en 't Vlek Balk.

VIII. Upsterland, heeft 13 Dorpen, als, Beets, Beetsterswaag, Olterterp, Uereterp, Sygerswoude, Duerswoude, Wynjeterp, Hemryk, Loppenhuizen, Wispel, Korteswaag, Langeswaag en Luxwoude.

IX. Stellingwarf-Oosteinde, heeft 10 Dorpen, als, Oudeberkoop, Nyjeberkoop, Makkinga, Donkerbroek, Haule, Oosterwoude, Fochtele, Appelsche, Langedyk en Elsloo.

X. Stellingwarf-Westeinde, heeft 20 Dorpen, als, Beuil, Noordwoude, Finkinga, Steggerden, Peperga, Blesdyk, Nyjehoutpade, Oudehoutpade, Wolvega, Sonnega, Oudetryne, Nyjetryne, Spangen, Scherpenseel, Munnekebuuren, Oudelemmer, Nyjelemmer, Nyjehoutwoude, Oudehoutwoude en Ter Idsert.

Geschreven in slaavernye, en gegeeven in April, in 't Jaar onzes Heeren 1678.

BIJVOEGSELS EN AANTEEKENINGEN.

Bladz. 2.

Van den alouden staat onzer Provincie kan geene naauwkeurige beschrijving worden gegeven, daar er niets dan onzekere berigten en velerlei uiteenloopende gevoelens tot ons zijn overgekomen. Op eenigen goeden grond echter mag men besluiten, dat omstreeks de vijfde eeuw onzer jaartelling Friesland zich van Vlaanderen tot de Elve heeft uitgestrekt, en hetzelve noordwaards den Eiderstroom tot grensscheiding had, waardoor dan ook de kustbewoners aan deze rivier, nog heden ten dage van den naam des Lands, dien van Strandfriezen dragen. Dat Vlaanderen tot Friesland behoord hebbe, zoo als meermalen is beweerd, valt zeer te betwijfelen, want aldaar was de grensscheiding.

Onder Koning Radboud I, en later nog ten tijde van Karel den Groote, vinden wij de uitgestrektheid van dit Gewest van het land van Katzand af, tusschen de rivier Sincfal of Zwene (de Suin of Zwin) bij Sluis [105], tot aan de Elve: de Waal scheidde het van het gebied der Franken af en de Wezer was tot oostelijke grenspaal gesteld. Al de landen dus aan de oevers der Noordzee, van het Hertogdom Bremen tot aan Vlaanderen, maakten het oorspronkelijk en overwonnen gebied der Friezen uit: het oorspronkelijk of oud Friesland lag tusschen de Eems en het Vlie langs de Noordzeekusten. Van de Eems tot den Wezer en aan geene zijde van het Vlie, met een groot deel binnenlands tot aan het Zwin, was overheerd land. Ook de eilanden tot den mond van de Eems behoorden den Friezen, doch geenszins Helgoland, zeer verkeerdelijk voor Radbouds zetel gehouden.

Weinige jaren voor 's Heilands geboorte, werden de Friezen, tusschen de Eems en het Vlie wonende, de Groote Friezen, en die tusschen het Vlie en den Rijn de Kleine Friezen genaamd. De eersten bewoonden dus gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe en het Gooiland, alsmede de streken beoosten de Zuiderzee en de rivier Flevo tot aan de Eems toe: de laatsten een gedeelte van Rijnland, Kennemerland, Amstelland en Noord-Holland. Daarna werden deze West-Friezen en gene Oost-Friezen geheeten. Een aantal kleine volken van Germaanschen en Gallischen of Frankischen oorsprong hadden de Friezen tot naburen.

Te dien tijde, eenige jaren namelijk voor Christus geboorte, toen de Opperbevelhebber Claudius Drusus Nero, stiefzoon van den Keizer Augustus, ook Friesland onder de magt der Romeinen wilde brengen, lag tusschen West-Friesland (Noord-Holland) en het tegenwoordig Friesland het groote meer Flevo. Het Graafschap Staveren beoosten het Vlie, wiens uitwatering eerst tusschen Texel en Vlieland, daarna tusschen Vlieland en Terschelling plaats had, paalde aan Noord-Holland. Het eiland Flevo, door de verdeelde armen van het Vlie omvat, lag ter plaatse alwaar nu de zandplaat Bree-sand zich bevindt. Uitgestrekte bosschen lagen in den omtrek der stad Staveren, thans allen in zee verzwolgen. De kleine rivier de IJssel liep in 't meer Flevo, hetwelk na de door Drusus gemaakte vereeniging van den Rijn met den IJssel, door verschillende stroomen zich in de Middelzee ontlastte [106]. Deze zee besloeg een groot deel van het noorden der Provincie, scheidende Oostergo en Westergo, haren loop nemende door de Grietenijen Barradeel, Idaarderadeel, Hennaarderadeel, Rauwerderhem tot in Wijmbritseradeel, eindigende bij Bolsward en Sneek. Bij de stad Uitgong, welligt nabij Berlikum had zij hare uitwatering in de Wadden, en voorts tusschen Terschelling en Ameland in de Noordzee.

Wij geven geene meer bepaalde beschrijving van den alouden staat der Provincie, maar verwijzen den Lezer tot de breedvoeriger behandeling hiervan te vinden in Winsemius, Schotanus, Emmius, F. Sjoerds, bijzonder het kort overzigt in den Tegenwoord. Staat van Friesland I deel, en over de Groote en Kleine Friezen de Aanteekeningen van Siccama op de Lex Frisionum pag. 137 seq. Men vergelijke hierbij hetgeen door den heer Westendorp in zijn Jaarboek van en voor de Provincie Groningen, en door Bilderdyk in het 1 deel van zijne Geschiedenis des Vaderlands (bepaald op bl. 18 en 251 volgg.) met betrekking tot de oude Historie is geboekt:--als ook de Geschiedenis der Nederlandsche Taal van den Hoogleeraar A. Ypeij, II. 106, die aldaar en elders belangrijke bijvoegsels geeft tot den alouden staat van Friesland betrekking hebbende.--Over de Middelzee, hare grenzen en uitgestrektheid bevelen wij zeer aan de Bijdragen tot de Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland, door P. Brouwer Pz. en W. Eekhoff [107]. Zie voorts de Inleiding van mijn Tafereel van den Watervloed in Friesland. Wij voegen hierbij nog de aanmerking, ook door anderen gemaakt, van den Ridder Scheltema, voorkomende in zijne als nog onuitgegevene Geschiedenis der Zuiderzee, dat in vorengemelden tijd welligt het Gooiland in Holland en Gaasterland in ons Gewest aaneengehecht waren, verdienende het bijzondere opmerking dat de grondgesteldheid gelijk is, en aan beide zijden de einden van eene hooge aardrigchel, in Holland de Muiderberg en bij Staveren het Klif, aanwezig is; even als de afgebrokene en tegen over elkander liggende Krijtbergen in Frankrijk en Engeland zouden bewijzen dat eertijds hier geene scheiding bestond. Waarschijnlijk stroomde er toen nog geen zout water binnen den kreits der duinen van Terschelling af tot aan den uitloop der Maas.--Belangrijke opmerkingen deelt de kundige F. Arends ons mede in zijne Geschiedenis der Noordzeekusten, in welke hij de veranderingen beschrijft, welke die kusten door stormvloeden, gedurende een tijdvak van tweeduizend jaren hebben ondergaan [108].

Bl. 2.--Ao 313.

Wat betreft de heerschappij der Prinsen, Hertogen en Koningen over Friesland, van den jare 313 voor Christus geboorte tot 773 of 775 jaren na dezelve, waarvan de korte beschrijving in de eerste drie hoofdstukken dezer kronijk begrepen is, daarin komt zeer veel onwaarschijnlijks en fabelachtigs voor, zoodat wij niet gaarne op het gezag van deze en andere Geschied- en Kronijkschrijvers alles voor goede munt zouden aanprijzen: alles evenwel te verwerpen, gelijk ook door Friesche Schrijvers-zelve geschied, is evenmin raadzaam. Men leze en overwege hier naauwkeurig wat de geleerde Baron thoe Schwartzenberg en Hohelansberg, in de uitmuntende Voorrede voor zijn Charterboek (vooral I. D. bl. 16 en 17), een geschrift, even nuttig als het boek-zelf, op dit punt zegt, en aan wiens gevoelen wij eene hooge waarde hechten. Het was voor den geleerden Emmius en in navolging van hem voor Foeke Sjoerds en den schranderen van Rhyn, die evenwel hier en daar niet zoo gestreng is, niet moeijelijk, het gezag van andere Schrijvers te verwerpen, en, wat niet met krachtige bewijzen gestaafd konde worden, voor fabels te verklaren. Maar men brenge ook de meeningen van den Baron van Schwartzenberg ter toetse, en het lijdt geen' twijfel, of de oordeelkundige Lezer zal, even als wij, tot de uitkomst moeten komen, dat het gevoelen der eerstgemelden aan gewigtige tegenbedenking is onderworpen. Het groote en altijd herhaalde argument, waarom wij toch zoo weinig bij de Romeinsche Schrijvers van alles, wat de kronijken bevatten, vinden, zal toch wel niet als voldoende kunnen worden beschouwd:--dan het is hier niet de plaats, daarover verder uit te weiden, liever willen wij hier invoegen wat de zeer verdienstelijke Oudheidkundige N. Westendorp, in zijn Jaarboek van en voor de Provincie Groningen (I. 21 volgg.), op dit onderwerp zegt: