It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen

Part 13

Chapter 133,865 wordsPublic domain

Den 2de van Juny, ruktenze voorby Schenkenschans, daarze by 't Tolhuis, langs een droogte in den Rhyn, doorbraaken: zynde die plaats door den Oversten A. W. van Ailua met eenige Friesen dies tyds bezet. Waar op Mombas, schynende de Franschen eerst te willen tegen gaan, dwars heen en weêr met zyn ruitery door het Friesche voetvolk reed, dat zich zeer mannelyk weerde, alschoon zy door geduurig omzwerven, dan naar Nieumegen, dan naar Doesburg, Zutfen en Schenkeschans, zeer vermoeit en afgemat waren: geevende dien verraader Mombas daar door gelegentheid, dat het Friesche voetvolk onder de voeten van zyn ruitery, en diesvolgens in een groote verwarringe geraakte, zo dat zy genootzaakt wierden om quartier of lyfsgenade te roepen, en alzo elendig wierden overwonnen. Dit doorbreeken in de Betuw, door dien men meende, dat des vyands macht aan den Rhyn verbrooken zoude worden, was een droevig begin van alle volgende onheilen: waarom het ook in Holland zo een verbaastheid verwekte, dat men geene woorden zou kunnen uitvinden om het zelve uit te drukken. Waar op dat heel kort daar na het Sticht Utrecht mede onder de macht des vyands quam.

Den 13de van Juny heeft geheel Overyssel zich by verdrag mede schendig aan den vyand overgegeeven. En zo is Friesland, door 't verlies van de Kuinder, Blokzyl, Zwartsluis, Steenwyk, Ommerschans en Roveen zyn plegtanker afgekapt geworden. Waar over de verbaastheid, ontroeringe, en flaauwhartigheid, die de winkels innam, de handwerken aan een zyde wierp, de Rechtbanken toesloot, de Academien en Schoolen ledig maakten, de lieden van angst en benaauwtheid uit hunne huizen deed loopen, den eenen tegen den andere aanstootende, en zo alles in verwerringe bragt. De vreeze en benaauwdheid was te grooter, om dat alles hen zo schielyk en onverwagt overquam: waar van geen eigener beeldenis kan vertoont worden, als ieder gevoelig mensch zich, in herdenking van dien tyd, in zyne gedachten voorstelle: en die het slegts in een eenvoudig en naakt verhaal wilde te kennen geeven, zoude woorden moeten uitvinden, om eenigzints uit te drukken. Om daar evenwel iets van te zeggen, zullen wy daar over, als ook over de eerste gevolgen van dien, de woorden van Mr. P. Valkenier, Pleitbezorger voor den Hove van Holland, hier by voegen [100]. Hy schryft:

«De tydinge van dit schandelyk en haastig overgaan van de geheele Provintie van Overyssel, vloog aanstonds geheel Friesland en Groningerland door, en verwekte aldaar zo een groote vreeze en verbaastheid, als het doorbreeken der Franschen aan 't Tolhuis, en het verlies van Utrecht, in Holland veroorzaakte. Want elk stond verlegen, en verwagte alle omzien den vyand. Niemand wist wien het eerst zoude gelden; alzo het geheele land onbedekt, en zonder de minste afsnydinge voor hem open lag. Elk wilde met zyne beste losse goederen vluchten, maar niemand wist byna waar heen. Eenigen, die hunne goederen uit de steden wilden vervoeren, wierden dezelve of door oploop, of door plondering van 't gemeene volk kwyt. De Overheden, die mede wat meenden te bergen, moesten opentlyk het verwyt aanhooren, dat zy verraaders waren, en de gemeente in deze algemeene nood wilden verlaaten. De Regeeringe stond raadeloos, en het volk redenloos, alzo het zelve, als een pot te vuur, opliep, en voorts alles in verwarringe bragt. De Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, ziende dat de geheele last van dit onheil op hunne schouderen aanquam, wierden te raade, om de Heeren Raaden van 't Hof van Gerichte te verzoeken, dat zy hen in deze verlegentheid met raad en daad geliefden by te staan. Waar op beide die aanzienlyke vergaderingen, tusschen den 13de en 14de van Juny, 's nachts, binnen Leeuwarden, in alle stilheid byeen vergaderden: alwaar voorgestelt wierd, de bedroefde staat van hunne Provintie. Hoe dat de doortocht van Meppel, regt naar Dokkum, en voort de Dongerdeelen in 't Bild door, tot Harlingen toe, om haare hoogte, niet konde onder water gezet worden. Dat de twee schansen, op die doortocht gelegen, als Breeberg en de Friesche Paalen, genoegzaam geslegt waren, en geen wezen meer hadden. Dat het krygsvolk, op hunne bezoldinge staande, tot bewaaringe der grenzen van andere Provintien zodanig was gebruikt, dat 'er tot bezettinge van hunne eigene Provintie, niet een eenige soldaat over was, als alleen eenige compagnien onder den Luitenant-Generaal Ailua, die uit Overyssel quamen afzakken. En dat hunne wapenhuizen en de wallen der steden van geschut, wapenen en leevensmiddelen onvoorzien en geheel ontbloot waren, en alzo in 't geheel niet of weinig voorraad ter verweering. Hier op begon men te beraadslagen, hoe men de Provintie op het beste zoude bewaaren uit den tegenwoordigen nood en gedreigde gevaaren, die hen zo na boven 't hoofd hingen. Waar op wierd voorgeslagen, dat zulks zou moeten geschieden door een van deze twee middelen: of gemeenzamerhand en met alle ernst trachten te verweeren, en het uiterste te waagen: of dat men zich met een algemeene overgeeving der Provintie uit die onheilen zoude redden: en ingevalle van overgeeving, dat men dan behoorde indachtig te zyn, met wat voorwaarden men de gemeene welvaart het best zoude kunnen verzekeren.

«Na eenige onderlinge strydigheden, en na dat de Predikanten der stad Leeuwarden mede in deze vergaderinge verschenen, die byzonderlyk aanbevoolen, het stuk van godsdienst en gemeene vryheid, wierden alle zwaarigheden aan eene zyde gestelt, en een moedig en hartelijk besluit genomen, om, tot behoudinge van godsdienst en vryheid, gezamentlyk het uiterste te waagen, en goed en bloed tot den laatsten droppel aan te leggen. Men zond aanstonds uit het midden van deze vergaderinge eenige Heeren aan hunne Hoog Mogende, aan de Staaten van Holland, aan die van 't Noorder Quartier, aan die van Stad en Lande, en aan die van Amsterdam: welke alle, daar na, zonder troost of de minste hulpe weder te rugge zyn gekomen. Men besloot, om alle sluizen open, en alle Polders en bedykte landen onder water te zetten. Men deed een opontbod van alle Steden en Grietenyen; die daar op met vreugde uittrokken na het Heerenveen, om zich daar met de weinige aankomende krygslieden, onder den Heer Luitenant-Generaal Ailua, te vereenigen, en een legertje uit te maaken; om daar mede den vyand te verwagten, en te betoonen, dat zy noch van 't regte bloed der oude en beroemde Friesen waren, die in standvastigheid alle volkeren overtroffen." Dus schryft die Hollander.

En alschoon het geruchte, wegens dat merkelyk verlies van de Friesche krygslieden aan het Tolhuis, van welke slegts maar eenige weinigen door den Oversten Hans W. van Ailua, ter naauwernood uit Zwol gered, naar de grenzen van Friesland, tot onder Leeuwarden quamen afzakken, de verslagentheid niet verminderde; zo begon echter evenwel de moed weder aan te wasschen, door 't bovengemelde legertje, dat ondertusschen tot 13 a 1400 soldaaten vermeerderde, behalven een goed getal burgers en boeren, die 'er dagelyks toevloeiden. Dit gemelde legertje wierd zeer voorzichtig, onder het beleid van den Heer Ailua, op de grenzen in een geduurige beweeging gehouden, op dat niemand van de Bevelhebbers konde weeten, hoe sterk of zwak het was.

Middelertyd, als de vyand zyn aantocht over Steenwyk, op Friesland had genomen, bequam hy tyding, dat de Friesen met de Groningers zich wakker tot tegenweer stelden; waar over de Bisschop van Munster zeer bulderende en geweldig tegen de Friesen uitvoer, barstende onder anderen in dezen Bisschops vloek uit: Der Teuffel hoole die Pfhaffen! waar door hy de Predikanten van Leeuwarden verstond. Des hy van voorneemen veranderde, achte het dienstiger naar Koeverden te zetten, en heeft eerst d' Eiler-, Oude- en Nieuwe Schans, Winschooterzyl, en 't Huis te Wedde, met alles wat 'er by of omtrent was, zonder slag of stoot ingenomen: de Bourtange eischte hy mede op, en bood aan den Commandeur of Opperbevelhebber Prot 200000 guldens, en aan ieder Kapitein of Hoofdman 50000 guldens, by aldien zy zich wilden overgeeven. Maar de Bevelhebber Prot gaf hierop tot antwoord: dat hy eerst met den Bisschop wel een gesprek wilde houden, daar hy hem zo veel kogels zou vereeren, als hem guldens waren aangeboden.

Hier na hield de Bisschop een krygsraad, en de vraag was, of men Friesland, of Delfzyl, of Groningen zoude overvallen? Het laatste wierd by hem beslooten. Doch van dien tyd af wierd hy wel degelyk in zyn raad verbystert, en in zyn voortgang zodanig gestuit, dat hy daarna niet een voet aarde meer heeft gewonnen.

Uit de zeesteden zond hy kapers uit, om de Zuiderzee onveilig te maken: dat, zo men zegt, geen drie dagen voortgang had: want alle zyne vaartuigen wierden hem afhandig gemaakt: gelyk ook eenige van zyn volk, meenende het eilandje Urk uit te plonderen, wierden van de inwoonderen gevangelyk naar Enkhuizen gevoert.

De steden ondertusschen, waar eenige schyn van bescherminge was, herstelden haare vestingen. Gelyk mede aan elke zyde van den Zwarten Weg, omtrent neeven Meedum wierd een schansje gebouwd, en by Tietjerk een schoone borstweering, reikende langs de weg naar Hardegaryp.

En door dien men bedugt was, of men in 't toekomende een geweldigen vyand, of overlastige stroopers te gemoet zag, hebben die van Hindeloopen, ten opzichte dat zy voor 't grootste gedeelte aan de zee genoeg bevryd waren, aan de zuidoostzyde, daar zy aan 't land vast zyn, een vesting van drie bolwerken opgeworpen: bestaande de werklieden uit de burgerye, die zulks uit eigen drift gewillig bij der hand namen: maar, nadien zy by ongelegentheid van dien tyd geen onderstand of fortificatiepenningen, in gelykheid van andere steden, uit de Gemeene Lands Middelen hebben kunnen bekomen, zo hebbenze het verdere opmaaken tot op beter gesteltheid van tyden willen opschorten.

In deze dagen hebben de Bisschopschen uit de Kuinder de Lemmer opgeeischt, en zoudenze overvallen hebben, ten waare zy de wagens met vlugtelingen langs de wegen niet voor toevoer van krygsvolk hadden aangezien: daar zij slegts een borstweering met eenige stukken geschut op de zeedyk hadden toegestelt; welks toegang zy in 't verborgen bedekten met heimelyk aan een gekeppelde eggen.

Den 4de van July heeft de Bisschop van Munster de sterke fortresse Koeverden met een macht van 16000 mannen belegert, doende dezelven dag noch aan de loopgraven werken. De twee volgende dagen liet hij zo een groote menigte bommen en granaaten werpen, dat het tuighuis daar binnen, met verscheide daar bystaande huizen, in brand geraakten. Den 7de dito liet hij de plaats opeischen, en eerlyke voorwaarden aan de bezettinge aanbieden. Doch de Commandant Johan van Burum [101], na die niet willende luisteren, wierd 'er overzulks aan weêrskanten noch dapper vuur gegeven, tot den 10de der maand; wanneer de Bisschop de plaats voor de tweedemaal opeischte. Ter zelver tyd zond de Commandant drie Officieren aan den Bisschop, die den 12de de overgaaf der plaats, zonder consent van den Bevelhebber, doch op eerlyke voorwaarden, beslooten. Maar de Bisschop had Koeverden zo dra niet in 't bezit, of betoonde zyne trouwloosheid en barbaarsche wreedheid aan de uittrekkende soldaaten.

Ondertusschen maakte de Overste Ailua, met 1200 uitgeloote of gecommandeerde burgers en soldaaten, eenen aanslag op de Kuinder; alwaar de Bisschopschen veel roof hadden te hoop gesleept. Zy zouden het vermeestert hebben, en hadden reeds al 200 mannen van den vyand ter nedergeschooten, ten ware de besprookene Hollandsche kaapers, wegens onstuimig weder opgehouden, hadden kunnen aannaderen, en de vyand mede geen haastig ontzet van 2000 mannen, zo uit Kampen, als Zwol had bekomen. Waar op de Friesen, dit ziende, met verlies van 30 mannen, weder aftrokken. En zy afgetrokken zynde, hebben de vyanden het zelve uitgeplundert en hunnen buit vervoert.

Den 16de van July is de Friesche Brandwacht, leggende tusschen Bergum en de Drachten, niet wel op hun hoede zynde, van 13 standaarden Bisschopsche ruiters overvallen geworden. Doch zich in tyds noch naar het gros van 't leger te Bergum begeevende, quam het terstond in roeren, en viel de ruitery daar op in. Waar door de vyanden achteruit deinsden, en de Friesen alzo tot nevens hunne hinderlaagen uitlokkende, die het byna te quaad zouden gehad hebben, door dien een party volk van den vyand in 't korenland verborgen lag; doch echter, door hunne manmoedigheid, drevenze de Bisschopschen te rugge, met verlies van van 150 ruiters, en maar 25 van hunne Friesen.

Daar na wierd de stad Groningen, op den 19de van July, door den Bisschop van Munster en den Keurvorst van Keulen, met eene macht van 22000 mannen, aan de zuidkant by twee poorten belegert. De stad had tot Gouverneur Karel Rabenhaupt, een dapper en ervaaren Kapitein. De Hertog van Holstein Pleun had het bestier van het voetvolk, en de Colonel Stoltzenburg van de ruitery. De bezetting bestond in 't begin maar uit 24 compagnien voetknegten, 4 standaarden ruiters, en 3 vendels dragonders, die alle te zamen omtrent 2000 mannen uitmaakten. Maar zy wierd meer dan de helft versterkt, door de 18 vendelen burgers, die geweer voerden. Daar na wierden 'er noch vier compagnien van Advocaaten en andere lieden, die tot dezen tyd toe vry van de wacht hadden geweest, en een compagnie studenten, 150 mannen uitmaakende, opgericht: en voor dat de stad noch geheel berent was, quamen 'er 200 met byltjes gewapende mannen, uit het regiment van Koningsmark binnen.

De sterktens en magazynen waren in goeden staat, met overvloed van wapenen, krygs- en leevensbehoeften voorzien; de Magistraat meende het zo wel als het volk, en waren altemaal de bevelen van Rabenhaupt onderdanig.

Deze Gouverneur de belegering al van langerhand voorzien hebbende, had derhalven alle de huizen en tuinen, die buiten die kant van de stad stonden, doen verbranden of slegten. Op de eerste aantocht der vyanden deed hy de sluizen openen, en de dyken doorsteeken, om alzo het land rondom te laten onder loopen. Doch dit weerhield den Munsterschen Bisschop niet, den 22ste van July zyne krygsbenden te doen aannaderen, en dien zelven avond aan de loopgraven te laaten werken. Hy deed den 27ste dito van een battery met 5 stukken kanon op de stad schieten; maar de braave konstapels, waar van de stad voorzien was, maakten de geheele battery, eer den dag ten einde was, onbruikbaar. Des anderendaags liet de Bisschop de mortieren te werk stellen, en met bomben en granaaten op de huizen werpen; doch door de goede voorzorg van Rabenhaupt en de naarstigheid der Mennoniten deden ze weinig schade. Maar de volgende dagen schooten de belegeraars geweldiger, waar door in de stad groote schade wierd veroorzaakt; 't welk de inwoonders noodzaakte met hun huisgezin naar het noordergedeelte van de stad, daar zy niet komen konden, te vertrekken.

Rabenhaupt schikte zyn mortieren zodanig op de wallen, dat hy op 't laatste van de maand de wyken van den Bisschop, en van de Keurvorst zeer begon te beschadigen. Hy liet verscheide uitvallen doen, waar door de belegeraars genootzaakt wierden met verlies te wyken, en nieuwe werken te beginnen. De burgers, die de beveelen des Gouverneurs gehoorzaamden, droegen zich zo manhaftig, als de beste in den oorlog geoeffende en geschikste krygsbenden. De Studenten queeten zich op zo een verwonderenswaardige manier, dat de Staaten der Provintie Gedenkpenningen tot hunner eer lieten slaan, om deszelfs geheugenis voor de nakomelingen over te laaten. Inmiddels zagen de belegeraars het getal hunner bomben verminderen, zonder veel uit te werken; en daarom begonnenze in de maand Augusty met gloeiende kogels te schieten: daar waren 'er geen dan de eerste die schade bybragten, want door den grooten yver der Mennoniten wierden 'er veelen uitgedooft. Daar na zond de Bisschop een trompetter en een tamboer aan den Magistraat, om eerlyke aanbiedingen voor te stellen, indien zy de stad wilden overgeeven. Doch hem wierd te kennen gegeven: dat in 't algemeen beslooten was, het uitterste af te wagten, en de stad, die een nieuwe versterkinge van soldaaten, kruid en geld bekomen had, van volk en allerlei behoeften voor veele maanden was voorzien, te verdedigen.

Het vuur van 't geschut en de bomben ging echter met dezelve hevigheid voort, tot dat het den 25ste van Augusty op de middag begon te verslappen, en de Bisschop de geheele hoop verloor van een generaale storm te waagen. Na dien tyd hoorde men in zyn leger niet meer als met musquetten schieten; 't welk de belegerden deed denken, dat zyn geschut onbruikbaar was, en vreesden derhalven voor een krygslist: doch 300 van de ongeduldigste mannen deeden een uitval op de loopgraven van den Keurvorst van Keulen, daar zy een groot bloedbad maakten, en eenige gevangenen mede in de stad bragten. De volgende nacht liet de vyand het gros des legers opbreeken, laatende de mynen, die zy vervaardigt hadden, springen, en verlieten alle hunne werken. Rabenhaupt kreeg hier kondschap van, deed daar op den 27ste dito de batteryen in brand steeken, de gragten vullen, en de wapenen, krygsbehoeftens en tuig, dat de vyanden achtergelaaten hadden, daar uit halen. De stad wierd den laatsten dag geheel verlaaten; welke dag door vasten en bidden gevierd wierd, om God over deze gelukkige verlossinge te danken.

Het verlies der belegerden was zeer gering, na de groote meenigte kogels, bomben, en granaaten, die op hen geschooten en geworpen waren; en daar wierden geen 100 menschen verloren. Maar dat der vyanden was zeer groot: van 22000 mannen, die zy in 't begin des belegs sterk waren geweest, gingen 'er maar 12000 te rug; waar onder men 1400 zieken rekende: 600 quamen 'er in de stad overloopen, en 5000 begaven zich naar andere plaatzen, zo dat 'er omtrent 4500 dooden waren, waar onder de 3 Kolonellen, 2 Luitenant-Kolonels en 63 Kapiteinen wierden gevonden.

Den 13de van Augusty heeft de Heer Dirk Baard en Kapitein Hania, geleidende 450 mannen van de Friesche burgery, en met verscheidene vaartuigen omtrent Blanckenham landende, Blokzyl vermeestert: de burgery van binnen had een goed gesprek met dezelve, en opende de poorten, ter beschaaminge van geheel Overyssel. Aanmerkelyk was 't, dat, terwyl de vyanden de zuiderpoort uitvluchten, zekere Mennoniet veelen van dezelve in zyn huis riep, zeggende, dat zy zich alle aldaar voor de eerste oploopentheid der Friesen konden verbergen, en leverde alzo by de 70 Bisschopsche soldaaten in handen van de onzen gevangen.

Den 2den van September, als de Kuinder, door het overgaan van Blokzyl, nu van toevoer afgesneden was, heeft Kapitein Holbarent, met 240 mannen, een aanval op dezelve gemaakt, met gering verlies van volk, alzo de Bisschopschen, schoon 250 mannen sterk, na eenige weinige tegenstand, de vlucht namen; achterlaatende eenigen buit, een karos en gespan van 6 paarden, en 28 gevangenen: zynde hunne voornaamste roof al te vooren weggepakt.

Van den eersten September af begonnen de Groningers ook hunne handen ruim te krygen. En alles van binnen wel bestelt hebbende, heeft de Overste Jorman, met 2000 mannen, zo voetvolk als ruitery, Winschooten vermeestert. Waar op de vyand, door vreeze, de Winschooterschans, Zyl, 't Huis te Wedde, en Brugschans aanstonds heeft verlaaten.

Tusschen den 8 en 9de van September, zyn de Bisschopschen, met een groote furie, tot driemaalen in die zelve nacht, op de Schans van 't Heerenveen aangevallen; doch telkens manmoedig afgeslagen, alhoewel daar eene kleene bezetting in lag: hebbende de onzen voorheen een Ritmeester, een Luitenant, een Cornet, en 4 ruiters gevangen bekomen.

Den 17de van October is de Oude Schans door de Groningers, onder het commando van den Oversten Eybergen, wederom belegert, en met grof geschut beschooten. De belegeraars maakten zeer kort zo een benaauwtheid, door hun sterk schieten, in deze schans, dat die van de Nieuwe Schans, versterkt zynde met veel volk uit Munsterland, afquamen om de belegerden te ontzetten. Doch Eybergen wierd zulks tydig gewaar, zendende derhalven 250 mannen, onder het commando van den Oversten Wachtmeester Wyllers, met twee stukken kanon vooraan, hun tegen, stellende hen by Stoksterhorn in slagordre. Hier op quamen de vyanden, omtrent 1500 mannen sterk zynde, den 25ste van October op hen los: maar Wyllers hen zeer na onder het geschut laatende komen, deed hy tot twee keeren een generaale losbrandinge onder de vyanden; waar door zy ten eenemaal in confusie de vlugt namen, wordende veele Bevelhebbers en soldaaten doodgeslagen en eenige gevangenen mede gevoert.

Daar na verzogten die van de Oude Schans op den 27ste dezes te capituleren: 't welk den zelven avond noch wierd geslooten; wordende de plaats voort des anderendaags met 7 vendelen Staatsche troupen bezet.

Den 26ste van December heeft de Gouverneur Rabenhaupt, na dat hy alles, wat tot den aanslag op Koeverden noodig was, had laten vervaardigen, en waar toe een harde vorst, daar op een haastigen dooy en zwaare nevel, hem grootelyks bevoordeelde, deed hy het ys in de gragten om Groningen opbreeken. Hy gaf het opperbevel aan den Kolonel Eybergen; dat van het voetvolk aan den Oversten Wachtmeester Wyllers; en dat van de ruiterye aan den Majoor Jan Hendrik Sikkinge. Voorts liet hy de konstapels en grenadiers aannaderen, en het overige van het kleine leger, dat niet boven de 400 paarden en 1000 voetknegten sterk was, begaf zich in aantocht op den 27ste der maand. Den 30ste dezes, des morgens ten 3 uuren, quamen zy voor Koeverden, en verdeelden zich in drie ligchaamen, ieder op zyn bestemde post. God gaf, om den aanslag te begunstigen, met het aanbreken van den dag zo een zwaare mist, dat de geene, die malkanderen aanraakten, zich niet konden onderscheiden. Zy naderden daar op tot aan de conterscharp, zonder ontdekt te worden; maar door de biesbruggen over de gragt te leggen, wierdenze van de schildwacht ontdekt; die daar op alarm maakte. Voorts quam de bezettinge in de wapenen, en gaven dapper vuur van de wallen. Doch dit weerhield de bespringers niet, van tot aan de afschutzels en stormpaalen van de conterscharp te geraaken, die zy met bylen omverre hakten.

Hier op wierden de wallen, doch met groote moeite en verlies van hun volk, beklommen; zy geraakten 'er op, en overweldigde den vyand met het rapier in de vuist, en wierden meester van de poorten des kasteels. Hier op overstelpte de vreugde de overwinnaars zodanig, dat de Bevelhebbers, in hunne eerste ontmoetinge op 't kasteel, geheel als verstomd waren: tot dat eene, als uit verrukkinge van zinnen opryzende, zeide: Wel hoe is het mogelyk! Waar op dezelve zeer wel voegende ten antwoord kreeg: Dit is niet anders als Gods hand.

De Gouverneur Jan de Mooy wierd 'er gedood, na dat hy zyn plicht als Commandant zeer wel had waargenomen. Maar door zyn verlies liet de bezettinge de moed zakken, waar van 'er 700 weerbaare mannen in gevonden wierden; die daar na zagen, datze door de groote meenigte hunner vyanden overmand waren, liepen 'er 200 de poort uit; omtrent 150 zyn 'er gesneuvelt, en de rest lieten het geweer vallen, en wierden ten getalle van 400 tot krygsgevangenen gemaakt, en in de kerk geslooten: ondertusschen stonden de overwinnaars de soldaaten toe de plaats te plunderen; alwaar zo wel de soldaaten als Officieren grooten buit bequamen; hebbende van hun kant in 't bespringen omtrent 60 mannen verlooren.

Deze buitengewoone daad trok de Hollanders, die onder het gebied der Staaten, in een tyd dat Neêrland overweldigt scheen te worden, uit hunne algemeene verslagentheid.

En veele zullen 't noch indachtig zyn, hoedanig die overwinning de gemoederen in Friesland en Groningen ontroerde, en van vreugde veelen de traanen uit de oogen deeden barsten.

De Gouverneur Rabenhaupt wierd daar op van de Staaten, behalven Luitenant-Generaal dezer Provintie van Groningen en Ommelanden, en van Gouverneur der stad Groningen, met het Drossaartschap van het Landschap Drenth en Gouverneur van Koeverden begiftigt. De Kolonel Eybergen wierd Commandant binnen Koeverden, en Meester Meyndert van Thynen, die als voornaamste wegwyzer der bespringers had gediend, wierd aldaar tot Generaal-Commies gemaakt.