It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Part 11
De algemeene Staaten van gevoelen zynde, dat door deze geduurige vyandelykheden, de Koning van Spanje meer een openbaare vyand, als een beschermend Overheer was; hebben daarom geresolveert, hem van alle zyne voogdye af te zetten, en zyne gehoorzaamheid ten eenemaal afgezwooren: waar toe de Staaten van de andere Provintien, en Friesland mede, in dit zelve hebben bewilligt. Waarop des Konings wapenen alomme wierden afgebroken, uitgestreeken en vernietigt, de zegelen plat geklopt, en die der Staaten in deszelfs plaats gestelt.
Rennenberg overleden zynde, heeft de Koning, die de landen daarom noch niet verlooren gaf, eenen Francois Verdugo, Heer van Schenge, tot Stadhouder gezonden; die met 1500 Waalen te Groningen komende, de Friesen zeer verslagen maakte.
Aanstonds nam Verdugo Reide in. En kort daarna raakte hy in een gevegt tegen het Staaten volk, onder Norrits, by Noorthorn, dat hy deerlyk sloeg: alwaar omtrent de helft zo Grooten als gemeenen sneuvelde, en een groot gedeelte gevangen wierd genomen.
Des de landlieden, in de wapenen gebragt zynde, hebben in 't dorp Oudeboorn een schans opgeworpen; welke van Verdugo aangevallen, maar afgeslagen is: waar op hy, na eenige plonderingen, uit het land weder vertrok.
In den jaare 1582 heeft de Stad Groningen van den Koning van Spanje een bulle bekomen, omtrent het Stapelrecht.
In den jaare 1583 heeft een Spaansch Overste, Taxis genaamt, Steenwyk door list ingenomen: en in Friesland vallende, de schans te Oudeboorn en Rotserschans ingenomen; en alomme het land door stroopingen en plonderingen geplaagt.
In het zelve jaar in September is Oterdum door de Heeren van Nienoort en Azinga Entes verovert; jaagende de Spaanschen bezettinge daar uit, en deeden het plaatsje daar op versterken; waar mede zy veele dorpen daar omtrent tot contributie dwongen. Overzulks is Oterdum door de Spaanschen in de maand December wederom belegert: maar die van binnen dapper tegenstand biedende, is het beleg, wederom opgebroken.
Omtrent dezen tyd overleed binnen deze sterkte de Heer van Nienoort, na eene langduurige ziekte, en wierd aldaar begraven; zynde een Edelman geweest, die naar zyn vermogen, groote diensten aan het Vaderland had gedaan.
In den jaare 1584 heeft de Prins van Oranje den Graave van Merode uit Friesland opontboden, en Graaf Willem van Nassau tot Luitenant-Stadhouder in zyn plaats aangestelt. En, vermits de dagelyksche overvallen der vyanden, hebben de Staaten de schans in de Lemmer doen vast maaken.
In dit zelve jaar, den 10de van July, wierd tot groote droefheid van den lande, binnen Delft, de Prins van Oranje, door een boosaardigen Franschman met een pistool doorschooten; zynde door de Spanjaarden daar toe verraadelyk omgekogt [96].
2. Willem Lodewyk, Graave van Nassau, enz. wierd in deszelfs plaats van Luitenant-Stadhouder, door de Staaten van Friesland tot tweeden Stadhouder, na de afzweeringe van den Spanjaart, verkooren.
Verdugo, de schans Oterdum op den 18de van September wederom belegert hebbende, liet dezelve aanstonds met twee stukken kanon beschieten: doch die van binnen, benevens de schepen die op de Eems lagen, bleven hun niet schuldig; waar door veelen van de belegeraars gedood en gequetst wierden. Daar na, in de maand December, wierd de schans gesecoureert door allerlei nooddruft, alhoewel de belegering noch zyn gang ging; doch met weinig voordeel. Maar op Lichtmissenacht in het volgende jaar, zyn de schansen van Verdugo voor Oterdum, door een geweldigen storm en watervloed weggespoelt; waar door veelen der belegeraars verdronken; zo dat Verdugo zich genootzaakt vond het beleg op te breken. Oterdum had weinig door 't water geleden, en wierd ten eersten herstelt met vier bolwerken, schoone gragten, en een haven, waar in omtrent 30 schepen te gelyk konden leggen, gemaakt.
Den laatsten February deed Verdugo een vrugteloozen inval in Friesland. Maar de Westfriesen deeden insgelyks in Groningerland een inval van meer nadeel; verbrandende in de Marnkant, van Vierhuizen tot aan Baflo, meest alle de huizen af, om datze geen contributie wilden opbrengen.
Omtrent dezen tyd, had Roelof Ketel een aanslag op Groningen, om deze plaats aan der Staaten zyde te brengen. Hy begaf zich derhalve met 15 mannen daar binnen, verlaatende hem alleen op de slappigheid der wacht aan de poorten. Daar by was Graaf Willem van Nassau met 1500 mannen in 't Drenth, om hem, zo de aanslag gelukte, by te springen: doch de zaak wierd ontdekt, en Roelof Ketel by den kop gevat zynde, wierd het hoofd afgeslagen en gevierendeelt.
Insgelijks heeft Kapitein Schaay, leggende te Niezyl in bezettinge, een aanslag op Groningen gehad; zynde in een tyd dat de stad gebrek aan levensmiddelen had: maar dezelve voorts geproviandeert wordende, mislukte de aanslag.
In den jaare 1585 hebben de Staaten de bestieringe der landen opgedragen aan Hendrik den derde, Koning van Vrankryk; maar die hen, om zyne eigene inlandsche oorlog, alwaar hy zelve zeer mede belemmert was, moeste afwyzen. Waar op hy Elisabeth, Koninginne van Engeland, tot bescherminge liet verzoeken: doch die Majesteit weigerde mede de volle heerschappye. Doch hier na, Prins Maurits in zyns vaders plaatze en bedieningen gestelt zynde, is van gemelde Koninginne de Graave van Leicester, als Overste van haare hulpbenden, naar de Nederlanden gezonden; die de Staaten naderhand tot Stadhouder der Nederlanden hebben aangenomen.
Na dat de kloosterinkomsten, als wy boven reeds gemeld hebben, tot onderhoud van predikanten en schoolmeesters bestelt waren, heeft het de Staaten des Lands ook goed gedagt, uit de zelve ook een schoole van geleerdheid of Academie op te regten, en dezelve met bequaame leermeesters of professoren, en dat 'er verders toebehoort, mildelyk te voorzien; dezelve plaatzende binnen de Stad Franeker.
In den jaare 1586 hebben de Spanjaards, over 't ys komende, alzo het zeer sterk gevrooren hadde, een uitval gedaan, trekkende met 2500 voetknegten en 400 ruiters de Wouden in, door Lemsterland, en vernachtende omtrent Workum en Hindeloopen; van waar zy voorby Bolswert, over Marnzyl, door Schettens en Witmarsum, te Tjum zich nederzettende, quamen ten derden dage te Spannum en Winsum, welke dorpen zy beide in brand staken: en als zy veel gevlugt volk op de Winsumer toren gewaar wierden, zo stookten zy een zeer smookend vuur van onderen aan dezelve, om gemelde vlugtelingen te doen verstikken: waar door eene zwangere vrouw, gevoelende haare kleederen en hoofdhairen gezengt, uit de klokgaten sprong; en gevallen zynde, noch door een Spanjaard op de naakte borst getrapt, en zeer gewond geworden, waar door zy haare zinnen verloor: doch na twee maanden quam zy weder tot haare voorige kennis en verstand. En eene andere, met twee kinderen in haare armen, sprong uit het hoofd van den toren, en bragt het eene kind noch leevendig te Franeker. De onze in aller yl met 1000 voetknegten en een Cornet paarden daar na toe trekkende, vonden zich niet in staat om de vyanden te keer te gaan: des zy van Oosterlittens naar Boxum afweeken, op hoop van eenige hulp, om zich dan voordeeliger te kunnen te weêr stellen: maar de vyanden, hen spoedig nazettende, beletten dit, overvielenze, en een bloedige slag wierd getroffen, daar wederzyds veel volk sneuvelde; doch de onzen moesten eindelyk de vlugt neemen, zo naar Leeuwarden, als andere plaatzen; en een gedeelte wierd in de kerk bezet, en gevangen genomen. Van deze slag is zulken indruk in de gemoederen der menschen gebleven, dat 'er in Friesland niets bekender is, als deze Boxumer Slag, voorgevallen op den 17 January.
In dit zelve jaar, ondernam Graaf Willem van Nassau een aanslag op Groningen: doch dezelve wierd door een zeer hoogen springvloed ontdekt en verydelt.
In den jaare 1587, in September, had Graaf Willem van Nassau nochmaals eene vergeefsche aanslag op Groningen.
Den 17de van December is een zwaare inbreuk van 't zoute water in de Ommelanden geweest, waar door alle hooge landen onder liepen, wezende het water byna zo hoog, als de Allerheiligen Vloed van den jaare 1570, maar deed zoo eene groote schade niet.
In den jaare 1589, in 't begin van den zomer, had de Gouverneur Graaf Willem eene vergeefsche aanslag op Delfzyl; doch besprong Reide, en maakte daar een beschanst Eiland van: ook won hy de schans Eemetille; en kort daar na Swaagsterzyl en Soltkamp; zynde een schans in de mond van 't Reidiep, en dat stormenderhand, voor 't gezigte van Verdugo, slaande 80 mannen dood, en nam veele gevangenen mede.
Daar na nam Verdugo Eemetille weder in; zond twee booswichten in 't leger by Kollum, om Graaf Willem te vermoorden: maar dezelve ontdekt zynde, wierden gevangen genomen en onthoofd.
In den jaare 1590, in Maart, hebben eenige burgers en inwoonders van Groningen hunne stad en Staat onder de bescherminge van de Koninginne van Engeland gepresenteert: doch wierd hun geweigert. Waar op Verdugo, meer volk van den Hertog van Parma ontfangen hebbende, de schans Enematil besprong; trekkende van daar op Nieuwezyl. Ondertusschen quam Graaf Willem, Gouverneur van Friesland, afzakken, en legerde te Kollum; en alhoewel de legers ruim een uur maar van malkander lagen, viel er echter weêrzyds niets aanmerkelyks voor.
In den jaare 1591, den tweeden van July, won Prins Maurits Delfzyl; waar in gevonden wierd 5 metaale stukken kanon, en 6 yzere gotelingen. Daar na deeden die van Friesland deze schans grooter en sterker bouwen; zelfs poogden zy daar van eene stad te maaken, en dezelve met groote Privilegien te begiftigen: om alzo de burgery van Groningen daar te trekken. Doch op hoope van Groningen ook te krygen, is zulks achter gebleven. Van hier trok het leger na de Opslag van Enematil, leggende op een water, genaamt Nieuwezyl, en dwong de bezettinge door geweld zich over te geeven, en met witte stokjes in hunne handen uit te trekken, sterk zynde 150 mannen. Voorts vertrok de Graaf naar Enematil, en beschoot de schans met 12 stukken kanon, tot dat de bezettinge zich op den 11de van July overgaven; als ook een weinig hier na de schans te Lettelbert.
In den jaare 1592, in Augusty, heeft Prins Maurits de sterke vesting Koeverden belegert. Graaf Fredrik van den Berg had het bevel daar binnen, hebbende voor des Prinsen komste alle de huizen buiten de vesting in brand doen steeken.
De belegeraars naderden hem met alle vlyt aan de loopgraaven, en benamen hun de sluizen; waar door zy het water uit de gragten leiden. Hier op begon het schieten aan weêrskanten dapper aan te gaan, wordende aan weêrszyden verscheidene mynen onder de wallen gegraven, die wel haast ter neêr of invielen. Den 7de van September, quam Verdugo met zyn krygsmacht voor den dag springen, hebbende alle witte hemden over hunne harnassen, om de belegerden te ontzetten. Hier op maakte Prins Maurits zich gereed, telde zyn volk in slagorder, met 't grof geschut vooraan, en ontfong der vyanden macht zo onbeleefd, dat door 't losbranden van 't kanon, een meenigte van hen over hoop en in 't moeras raakte. Daar bleven in 't geheel 300 mannen dood, behalven de gequetsten: en van 's Prinsen zyde bleven er maar 3 mannen dood en 6 gequetsten, uitgenomen Graaf Willem van Nassau, die een schot, doch zonder gevaar, door 't dunne van zyn lyf kreeg. Daar na hebben die van Koeverden zich den 12de van September aan Prins Maurits overgegeven; mits met hunne vendelen, wapenen en brandende lonten uit te mogen trekken, behalven de Artillery en amunitie; daar wierden in gevonden 9 stukken kanon. Voorts is hier tot Gouverneur gestelt de Heer van Nienoort.
In den jaare 1593, den 8ste van April, heeft Graaf Willem de Bellingewolderzyl beginnen te versterken, om alzo het fort de Bourtange te benaauwen. Hier tegen quam Verdugo met zyn leger by Vlagtwedde, in 't geheel sterk zynde 2500 mannen, doch derfde niets uitvoeren tegen dat vast maken.
Den 29ste van Augusty nam Graaf Willem Wedde in; als mede de vaste pas Bourtange; 't welk aanstonts sterker wierd gemaakt, eer Verdugo daar by kon de komen.
Daar na heeft Verdugo de sterke schans van Aduarderzyl; na den derden storm, met geweld ingenomen, slaande de geheele bezettinge dood. Van daar trok hy naar Wedde; dat hy ook in nam, en sloeg van de 117 mannen, die daar op waren, 50 dood. Voorts legerde hy zich voor de Bourtange; zynde dit fort tegenwoordig tamelyk sterk, en alzo dat 'er geen geschut voor gebragt konde worden; de wallen waren redelyk hoog, en de gragten wel voorzien van water. Vyf vendelen soldaaten, onder den Gouverneur de Jonge, lagen daar in bezettinge. Ondertusschen wierd Verdugo van andere gedagten; brak de belegeringe op, en trachte Graaf Willem aan te tasten; doch te vergeefs; hoewel er eenige schermutzelingen wierden gehouden, waar door veel volk is gebleven. Daar op trok Graaf Willem naar de Bourtange, neemende Wedde wederom in: en Verdugo naar Koeverden, beschanste daar de passagie; maar zyn volk is door ongemakken voor 't grootste gedeelte verstorven of verloopen.
In den jaare 1594, den 12de van February, des nachts, hadden de Groningers een aanslag op Delfzyl: doch die van binnen hen tydig gewaar wordende, is 'er aan weêrskanten wel twee uuren lang scherp gevogten. Tot geluk van het Fort, was 'er een oorlogschip, daar omtrent leggende, dat wat nader aanquam, en de Groningers met 16 stukken kanon dwars onder hun hoop sterk beschoot, dat zy met groote schade moesten aftrekken, sleepende wel 35 sleden met dooden en gequetsten met zich naar de stad, en noch 7 dooden, dieze lieten leggen. Die van binnen verlooren een Kapitein, een Vendrig, een Sergeant, en 9 Gemeenen.
Den 6de van May, quam Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau met hun leger by Koeverden: welke aankomst van Verdugo bezigtigt zynde, hem deed resolveeren zyne beschansinge by nacht op te ruimen. Overzulks trok de Prins met zyn krygsbende direct naar Groningen; doende de stad op den 20 dito berennen, en aanstonds opeischen. Doch kreeg tot antwoord: Dat dit geen stad was, die zich zo haast konde overgeven. Prins Maurits liet derhalven al zyn oorlogstuig aan land zetten, en het kanon voor de stad planten. Onderwylen heeft Graaf Willem op den laatsten van May de sterke schans Aduarderzyl aangetast, hebbende over de 135 mannen tot bezettinge, en tot Commandant eenen Kapitein Prenger, die aan Graaf Willem ten antwoord gaf, als hy de schans opeischte: Dat hy het met hem zoude wagen, als met een meisje van 15 jaaren. Maar dit geviel hem niet wel; want de vesting wierd kort daar na zo gruwelyk sterk beschooten, datze dezelve met 'er haast beklommen en inkreegen; doe wierd alles aan stukken geslagen wat 'er in was, uitgenomen 8 a 9 perzoonen, die 't ontquamen.
Ondertusschen had Prins Maurits eenige andere schansen ingenomen, als Slogteren, Hogerbrugge, enz., waar door de leevensmiddelen in 't leger zeer goedkoop wierden.
De Stad Groningen was zeer wel voorzien van een wel in de wapenen geoeffende burgerye; en geeft ander guarnisoen binnen hebbende, dan de slegtste burgerye en inwoonders, dewelke al voor langen tyd, als soldaaten onder vendelen geoeffent, in plaats van bezetting, van den Koning wierden betaalt: behalven deze, hadden zy krygsvolk van Verdugo altoos onder haar gebied; en hadden nu onder het beleg 5 goede oude vendelen daar van, onder den Overste Luitenant Laukema, buiten de stad, op een gesterkte plaats aan 't Schuitendiep. Van krygstuig, voorraad enz., wasze alles wel voorzien. Die van de stad wenden vervolgens alles aan wat hun dacht dat den vyand zoude krenken. Waarom de Prins zyn begravinge van verre moest neemen, en aldaar zyne batteryen opwerpen, mits digt onder de stad de belegerden tegen-batteryen maakten; hebbende 400 groote tonnen met buskruit en geschut meer, als andere steden. De Groningers deeden verscheidene uitvallen, waar mede zy meenig braaf Kapitein en soldaat versloegen, en zelfs eenige vendels binnen bragten: weshalven de loopgraaven versterkt moesten worden. De belegeraars deeden alle afbreuk met hun geschut dieze doen konden; doch vorderden nochtans weinig, tot dat zy een poort met een brug, die na een rondeel liep, omverre hadden geschooten, eenige bolwerken ondergraven, en eenige gragten aldaar vulden, alles onder de bescherminge van 't geschut: dis deed de trouwe burgery gedwee worden, en begon naar verdrag uit te zien; overzulks zy Jan te Boer met brieven aan Prins Maurits en Graaf Willem uitzonden, om verdrag: wordende daarop weêrszyds gyselaars gegeven, en hielden op van schieten. Maar de burgemeester Jarges, zynde een hard Konings-gezinde, rukte een party voerlieden en schuitevoerders byeen, en stonden op tegen die geene, die van verdrag hadden gesproken. Hier na kregen de belegeraars een te smadelyk antwoord, te weeten, dat de belegerden besloten hadden, noch een tyd lang hun ontzet af te wagten. Hier op trad Maurits met Willem in de loopgraven, om een plaats tot een nieuwe batterye af te zien; ondertusschen komt een kogel zo sterk tegen de rondas, die Maurits voorgehouden wierd, dat hy achterover viel, doch zonder hem te quetzen.
Den tweeden van July waren de belegeraars over de gragt, en wel 30 voeten onder het rondeel gekomen, daar de heele stad haar winst of verlies aan hing. Drie dagen daar aan was de myn 30 voeten diep, en opgepropt met 5 a 6000 ponden buskruit, dat den 10de dito, des avonds, na het gegevene teeken, in brand wierd gestoken; waar door een groot gedeelte aarde, en alles wat 'er op was, in de lucht sprong, met wel 140 menschen; waar van twee in 't leger vielen, en de een noch leevendig: hier op vielen drie vendelen Schotten los, die straks meester van het rondeel waren, en alles, wat noch leevendig bevonden wierd, doodsloegen, blyvende daar in 't geheel wel 200 dood. Daar boven sneuvelden 30 Schotten, behalven noch twee Kapiteins. Dit bragt onder de gezamentlyke soldaaten, en onder de allerhartigste burgerye zulk een schrik, bevreest zynde voor meer ondergravingen, datzy op verdrag dagten. Over zulks zonden zy Gecommitteerden uit, zo wegens de Geestelyke, Magistraat en Ambagten der stad, als ook wegens den Overste Luitenant Laukema; en op Ostagiers handelende van den 16de tot den 22ste van July, met Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau, zyn daar op met advis van den Raad van Staaten eindelyk overeen gekomen. Dus is Groningen en de Ommelanden op den 24ste van July onder Maurits gebied gebragt, na dat 'er wel 10000 schooten op waren gedaan, en 400 mannen voor zyn gebleven: waar tegen de belegerden ook 300 soldaaten en veele burgers hebben verloren. In de stad wierden gevonden 36 metaale stukken kanon, behalven de yzeren, en wierd daar over Graaf Willem van Nassau tot Stadhouder gestelt. Prins Maurits en Graaf Willem daar binnen komende, wierden verwellekomt door den klokspeelder, speelende de wys van den 6den Psalm. Daar na wierd de Magistraat verandert, wordende daar tot eerste Burgemeesters aangestelt, Mello Conders, Joachim Alting, Harmen Koning en Egbert Alberda. Voorts wierd de St. Martens Kerk van hare beelden gezuivert, en de eerste predikatie van de Gereformeerden daar in gedaan: doende de Magistraat en Burgerye daar na den eed van getrouwigheid aan Graaf Willem, hunnen Stadhouder en aan de Staaten Generaal.
In 't zelve jaar is de Aartshertog Ernestus, van 's Konings wegen, in Nederland tot Stadhouder gezonden.
In den jaare 1596 is uit last van de algemeene Staaten en den Prins van Oranje, het Collegie der Admiraliteit te Dokkum ingestelt; om alzo bequaamelyk over het werven der oorlogschepen van Friesland alle zaaken te kunnen beraamen.
In het zelve jaar, den 24ste van Augusty, is Graaf Willem van Nassau, Stadhouder van Groningen, mede tot Gouverneur over het Landschap Drenth aangestelt.
In dit jaar is de Cardinaal Albertus, Aartshertog van Oostenryk, tot Stadhouder des Konings, in Nederland gekomen; die naderhand huuwde met Isabelle, Dochter des Konings; en deze landen wierden hem tot een huwelyks goed toegezegt.
Omtrent dezen tyd was 'er eene Friesche dochter, Margarita genaamt, zynde een jong vrouwsperzoon, of moedige Amazoone, en lang van persoon; deze heeft, in manskleederen, de Heeren Staaten zo binnen Oostende als elders zeven jaaren gedient, buiten kennisse haarer ouders, in alle eerbaarheid, eerst een spies gedraagen, en daar na een musquet gevoert, met een witte veder op de hoed, als een kloek en onvertzaagt krygsgezel, ja onder de Adelborsten gerekent, en zelve veele schansen om Groningen en Steenwyk helpen inneemen. Ten laatsten bekent geworden by haar medegezel, als zy een schoon hemd aandeed, hebbende groote borsten en rond opgewasschen, meer dan andere welgevleesde jongmans: op zyn vraage, heeft ze hem beleden, een vrouwsperzoon te zyn, dat hy verwonderende aanhoorde; is daar op met eere verlieft geworden, en in 't leger voor Koeverden met haar getrouwt. Zy waren noch woonende binnen Groningen in den jaare 1602, en veele jaaren daar na, een winkel doende van vette waaren, in alle stilheid en eerbaarheid huishoudende, en t'zamen geneerende. Deze Amazoone heeft ook een lied gedicht, de jonge Dochters tot liefde des krygs, om 't Vaderland te beschermen, na haar voorbeeld vermaanende. Zie E. v. Meteren [97].
In den jaare 1597 verzogten die van Groningen aan de Staaten van Friesland, om Drenth en Twenth geheel vry te maaken, en den vyand van daar te vernestelen: welk verzoek uit last van de algemeene Staaten, door hulp van den Prins van Oranje, wierd vastgestelt: en alle sterktens en schansen, door de vyanden aldaar bezet, wierden overwonnen, namentlyk, Grol, Ootmarsen, Oldenzeel, Lingen, enz.
In dit zelve jaar, den eersten van Juny, is de Overste Sonoy, gewezen Gouverneur van Noordholland, op Dyxterhuis, een Heerlykheid in de Ommelanden, overleden; wordende deszelfs ligchaam tot Peterbuuren in de kerk, in tegenwoordigheid van zyn Genade Graaf Willem van Nassau, Stadhouder van Groningen, begraven.
Den 18de van Augusty was 'er een zwaare watervloed in deze landen, waar door de Delfzylen en anderen uitbarsten, en veele menschen en beesten verdronken.
Den 8ste van December is Graaf Willem door de Groningers met groote toejuichinge ingehaalt.
In den jaare 1599 is te Groningen door de Heeren Burgermeesteren en Raad het Burger-Weeshuis opgericht.
In den jaare 1600 is te Groningen. omtrent de Heere Poort, wederom een kasteel gebouwt; zijnde ten zuidoosten van de stad, omtrent ter plaatze daar weleer de kasteelen van Graaf Edzard van Oostfriesland, en van den Hertog van Alva hadden geweest: welk kasteel over de 400000 guldens quam te kosten. Ook wierd de burgerye ontwapent, en Jonker Casper van Ewsum met 800 mannen op gemeld kasteel gelegt.
In dit zelve jaar ontstond 'er groote oneenigheid tusschen de Heeren van den Lande en Steden, over het stuk van de gemeene lasten en bezwaaringen te draagen: doch wierd door Gemachtigden van de algemeene Staaten en den Stadhouder weder bygeleit.
In den jaare 1605, den 10de van Augusty, zyn te Groningen door de Heeren Burgemeesteren en Raad, in plaats van vier Kapiteinen der burgerye, hier Hopmans genaamt, acht aangestelt; en doende de Kapiteinen de nominatie van de Vendrigs, die door den Raad wierden geëligeert op den zelfden dito.
Den 23ste van Augusty quam de Stadhouder Graaf Willem van Nassau met 18 vendelen, voetvolk en 6 compagnien ruiters binnen Groningen; waar door de stad van het haar gedreigde quaad bevryd wierd. Ook gaf men de burgerye hun geweer weder. Prins Maurits verzond ook eenige troupen ter versterkinge van Koeverden en de Bourtange; zijnde deze plaatzen alle met groote verbaastheid aangedaan, wegens de veroveringe van Lingen en Oldenzeel, door de Spaanschen, onder het commando van den Marquis de Spinola.