Part 8
"Maar wat doen we morgen nou, Hans?"
"Dat zal ik je vertellen! Luistert allemaal."
En daarop zette hij zijn kameraden een plannetje uiteen, dat dienen moest om veldwachter Bunze een poets te bakken.
Allen keurden het goed en niemand zou er iets van aan de anderen zeggen. En het mooiste was, dat ze allemaal wat te doen zouden hebben bij de uitvoering van het plannetje. Hans had dat zoo gewild, het zou voor allen veel leuker zijn. En wat een pret, om dien veldwachter Buikje, die altijd zoo voornaam en gewichtig en gewèldig deed alsof hij de Keizer van de Lage Vuursche was, een toontje lager te hooren zingen!
Den volgenden avond om zeven uur al trok ons tiental, de drie jolige broers aan het hoofd, er op uit. Hans, Flip en Rob droegen ieder een pakje onder den arm, de andere jongens hadden de meest vreemdsoortige en uiteenloopende voorwerpen en muziekinstrumentjes bij zich. Een torpedo-fluitje en een klappertjes-pistool, een eind ijzeren ketting en een kinderrateltje, een paar blikken deksels en zelfs had een der jongens zijn viool meegenomen.
Om half acht waren de jongens bij de grot.
Hans gaf ieder der jongens een plaats tusschen struiken en boomen. Daarop reikte hij het pakje, dat hij onder den arm had, aan Albert de Hooge over en fluisterde hem nog een paar woorden toe. Toen ieder zijn plaats had en Albert in de Grot was gegaan, wandelde Hans wat op en neer en drukte allen nogmaals op het hart, zeer stil te zijn. Om acht uur werd het al aardig duister in het bosch, hoewel het op de heide nog vrij licht was.
Hans wachtte, wachtte, en eindelijk zag hij Bunze aankomen.
"Goeienavond, Bunze," riep Hans hem reeds op een afstand toe, zoo dat nu tevens alle samenzweerders wisten, dat de veldwachter er was.
"Ben je maar alléén?" vroeg Bunze.
"Ja, er was geen denken aan, dat de anderen méé mochten. Mijn vader wilde het niet hebben. Maar ik mocht wel eens gaan kijken naar de drie boschgeesten. Vader heeft mij echter gezegd, dat ik heel erg voorzichtig moest zijn. Als men maar niet omkijkt en steeds rechtdoor loopt, kunnen zij geen kwaad doen. Maar wanneer men omkijkt is men voor goed verloren. Dat zei Vader."
Hans draaide zijn hoofd naar een anderen kant, terwijl hij dit zeide, want hij stikte haast van het lachen.
"Zoo, heeft uw vader dat gezegd," zei Bunze. "Dan zullen wij ook op onze hoede zijn en niet omkijken."
"Wàt er ook gebeure!" zei Hans.
"Ja, wat er ook gebeure!"
Zij stonden nu voor de grot.
"Wil ik er eens ingaan?" vroeg Hans.
"O, doe dat niet, Hans, doe dat niet!"
"Och, waarom niet. Kijk eens, Bunze, je moet namelijk weten, ik geloof heelemaal niet aan spoken."
"Ach Hans, hoe kan je zoo spreken," zei veldwachter Bunze, die door de raadgevingen van Hans' vader heelemaal van de wijs was gebracht. "Denk toch eens, wat je vader gezegd heeft."
"Nu ja, ik zal ook wel voorzichtig zijn," antwoordde Hans en tegelijkertijd schoot hij de grot in. In een hoek daarvan zat Albert met een wit laken bij zich.
"Sssst," fluisterde Hans, "hier is de electrische zaklantaarn, je weet er alles van."
En Hans kwam er haastig weer uit.
"Ik heb hooren zuchten!" zei hij tot den veldwachter.
Deze keek in de pikdonkere grot, waar opeens een schitterend licht een witte gedaante bescheen.
"De geest van Rador!" riep de veldwachter en ging al aan de haal. Bleek als een stukje kinderzeep vloog hij naar het dorp om daar aan zijn zuster en allen, die het hooren wilden, te vertellen, dat het bosch van Drakenstein vanavond weer wemelde van geesten en spoken, brrr...
De jongens hadden het pistool, de viool en de verdere spookbenoodigdheden wel thuis kunnen laten. Hoeveel pret zij ook gehad hadden, zij vergaten, dat wie het laatste lacht, toch altijd nog het beste lacht, zooals we dat later zullen zien.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
BRAM ALS LEERLING OP SPARRENHEIDE.
Augustus brak aan met zijn vacantiedagen. Alle leerlingen gingen naar hunnen ouders en de familie Bergwoude bracht dien tijd te Scheveningen aan strand en zee door. Op twee September begonnen de lessen weer en den dag tevoren keerden bijna alle leerlingen weer terug en kwamen ook enkele nieuwelingen.
Die niet meer terugkeerden, dat waren de oudsten, die alle klassen doorloopen hadden en degenen, die op Sparrenheide hersteld waren van hun vroegeren ziekelijken toestand en nu weer het gewone onderwijs in de stad konden volgen.
Dien eersten September was het dan ook een voortdurend af en aanrijden van rijtuigen met koffers. Sommigen kwamen uit de richting Hilversum, anderen weer uit de richting Baarn of Utrecht.
En allen werden door Mijnheer en Mevrouw Bergwoude van harte verwelkomd. O, instituut Sparrenheide had heelemaal niets van een gesticht of een kazerne, zooals zoovele kostscholen. Het was er maar een groote familiekring en daarom waren er ook nooit meer dan een dertig à vijf en dertig leerlingen. Mijnheer Bergwoude en zijn vrouw beschouwden zich als vader en moeder van de aan hun zorgen toevertrouwde jongens en meisjes en daarom werden de meeste maaltijden ook aan één tafel gebruikt. Door dien maatregel voelden de kinderen zich op Sparrenheide werkelijk thuis.
Toen Bram dien dag naar het instituut vertrok, was hij toch wel eerst een beetje weemoedig gestemd. Hij was tot nog toe altijd bij zijn ouders in huis geweest, had er zijn eigen kamer gehad en was er door zijn lieve moeder verwend met al de talrijke lieve dingen, die een goede moeder voor haar eenigen jongen doet.
Maar de ontvangst op Sparrenheide door het echtpaar Bergwoude en de drie jolige broers was zóó hartelijk, dat Bram het eigenlijk heelemaal niet meer verdrietig vond. Om hem te plezieren was er op de kamer van Hans, Flip en Rob een vierde ledikant gezet voor hem, zoodat hij als het ware heelemaal in het gezin werd opgenomen.
Hij had een grooten koffer met allerlei snuisterijen van zijn kamer meegebracht, die de bewondering der broers wekten. Zij hielpen hem bij het uitpakken en daarbij bleek, dat Bram voor ieder een cadeautje had meegebracht.
Hans kreeg een prachtig inktstel, Flip een juweel van een verfdoos en Rob een keurig plantenalbum.
Zóó deed Bram zijn intocht op de jongenskamer, waar hij zóó door allerlei dingen in beslag genomen werd, dat hij geen tijd had om treurig te zijn over de verandering in zijn leven.
Den volgenden morgen, waarop de lessen weer een aanvang zouden nemen, was Flip het eerste wakker.
Hoewel het verplichte uur van opstaan pas om zeven uur was, waren Hans en Flip meestal een uur te voren al op de been.
Rob niet. Rob stond geen minuut eerder op dan zeven uur, al gooiden ze twintig kopjes water op zijn hoofd.
Maar met Bram was dat een ander geval.
Flip trok den slapenden makker even aan den neus.
"Hola, mijn roode broeder Arendsoog!" riep hij. "Het Groote licht staat al hoog aan den hemel! De Mohikanen wachten u, dapper opperhoofd. Zij hebben de strijdbijl opgegraven!"
Bram knorde eens en deed loom de oogen open.
"Wa ... wat kletsen jullie ... 'k heb zoo'n slaap."
"De bleekgezichten bestormen de wigwams, zij hebben een verbond gesloten met de Comanchen," zei Hans.
"M'n zorg," bromde Bram en draaide zich om.
"Nee, om den drommel niet, Arendsoog!" zei Flip, "ben je heelemaal besuikerpeerd, zóó zijn we niet getrouwd! Och Hans en Rob helpen jullie eens even. We zullen het slaperige opperhoofd even met de dekens en al op het balcon leggen.
De drie broers sjouwden Bram met dek en al naar buiten. Maar Bram trok zich daar bitter weinig van aan en sliep rustig door. Maar toen Hans en Flip een soort Indiaansche oorlogsdans om hem heen uitvoerden en hij bij die bewegingen nog al eens in aanraking met hun voeten kwam, werd het hem toch al te bar. Hij sprong ineens overeind en trok ze allebei op den grond, rolde langs het heele balcon met hen over den vloer en maakte een spektakel, dat alle deuren opengingen en de pas ontwaakte jongens met verbazing keken naar die gekke vertooning!
Bram was onder die bedrijven geheel wakker geworden. Toen hij zich gewasschen en gekleed had, ging hij met Hans en Flip eens den tuin in. Daar liep ook een andere nieuweling, die Gerard Beker heette.
Flip, de eeuwige clown, had dadelijk weer een nieuwe grap in 't hoofd.
"Zeg," sprak hij tot Bram, "dat is ook een nieuwe jongen. Hij is stokdoof. Als je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen."
"Zoo," zei Bram, "ik zal er aan denken."
Tien minuten later--Bram liep met Hans in 't aangrenzende bosch--zag Flip Gerard Beker op een andere plaats in den tuin.
"Die nieuwe jongen van daarnet heet Bram Verhallen," zei hij, "als je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen, want hij is stokdoof."
En Flip verdween, maakte een omweg en zorgde, dat Bram weer in de buurt van Gerard kwam. Daarop ging hij met Hans weg, doch zorgde wel, in de buurt te blijven.
Bram keek Gerard eens aan en glimlachte.
Gerard glimlachte uit beleefdheid terug.
"Goeienmorgen!!!" schreeuwde Bram, "heb je goed geslapen!!!"
"Jáááá!!" gilde Gerard terug. "Jij óóóóók??!!"
Achter een denneboschje knepen Hans en Flip zich de neuzen dicht van het lachen.
"Ik heet Verhallen!!" brulde Bram weer, die verbaasd was, dat de ander zoo schreeuwde.
"En ik heet Bééééker!!!" loeide Gerard, die 't evenmin snapte, waarom Bram ook zoo hard riep.
"Je hoeft niet zoo hard te schreeuwen!!" gilde Bram.
"Jij ook niet! Ik ben niet dóóf!!!"
Toen was er aan beide kanten enorme verbazing.
"Die is goed!" zei Bram op gewonen toon. "Ik dacht, dat je stokdoof was!"
"Ben jij het dan niet?" vroeg Gerard.
"Net zoo min als jij," zei Bram. "Dat heeft Flip ons gelapt! Ik zal het hem betaald zetten!"
Daar kwam Bosman, de oude, doove huisknecht.
"Hebben de jongeheeren al ontbeten?" vroeg hij.
"Neen," antwoordde Gerard, "waar moeten wij zijn?"
"Wijn? Neen, u krijgt geen wijn," zei Bosman, die natuurlijk weer verkeerd had verstaan.
"Dat zeg ik niet," lachte Gerard, "ik vraag, wáár moeten wij zijn?"
"Foei, ben ik een zwijn? Mag u dat zeggen?"
"Die schijnt ook al doof te zijn," sprak Gerard tot Bram.
Bram lachte.
"Ja, maar Bosman is het heusch! Kom maar mee, ik weet hier den weg wel."
In de eetzaal zag het er gezellig uit. Er waren twee tafels. Eén voor de meisjes, één voor de jongens. Daar tusschen in de heer en mevrouw Bergwoude.
Mijnheer Bergwoude verwelkomde de leerlingen op dezen eersten morgen van den nieuwen cursus. In het bijzonder de nieuwelingen. Hij hoopte, dat zij spoedig zich op Sparrenheide zouden thuisvoelen. En het beste middel daartoe was, om in de eerste plaats zooveel mogelijk te eten en altijd een prettig gezicht te zetten. De rest kwam vanzelf wel.
Na het ontbijt nog even rondwandelen en om negen uur begon de school.
Bram kwam in dezelfde klasse van Hans. Zij kwamen naast elkander te zitten.
En dadelijk al bemerkte Bram, dat het leeren hier veel lichter en gemakkelijker ging dan op zijn vorige school. Het ging wel heel langzaam, maar hij begreep alles veel beter en dat vond hij prettig. De les duurde tot 11 uur en toen gingen ze een uur in het bosch spelen. Van 12-1 was er weer les en daarna werd het middagmaal gebruikt. Wie er lust in had, mocht ook om 11 uur in het pauze-uurtje iets gebruiken. Toen het eten was afgeloopen, werd er tot 3 uur liggend gerust. Bram kreeg een hangmat en bond die aan twee boomen. Dat rustuurtje vond hij heerlijk en hij sliep, eer hij het wist. Dat kwam van de boschlucht.
En na dat slaapje, dat tot 3 uur duurde, kwam er iets aardigs. Bram werd ingedeeld bij een clubje jongens, die handenarbeid gingen doen, en wel het leeren timmeren van houten voorwerpen.
Meester Hooghuizen was in het slöjdwerk zeer bedreven. In de zaal, waar de jongens timmeren konden, waren tal van aardige dingen tentoongesteld, die de leerlingen vroeger al hadden gemaakt.
Dat was iets nieuws voor Bram. Hij vond het zeer prettig en deed zijn best, alles goed te onthouden. En wat de leerlingen vervaardigden, mochten zij zelf behouden of het aan hunne ouders sturen.
Dat timmerwerk duurde ook al weer een uur en daarna ging het groepje in den tuin werken.
Wéér iets nieuws voor Bram, thuis had hij altijd met veel genoegen in den tuin gewandeld of gezeten, maar die werd steeds in orde gehouden door een vasten tuinman, en Bram had nog nooit een boompje geplant of een zaadje uitgestrooid.
Nu hij dat zelf allemaal doen mocht, vond hij het plantenrijk nog veel aardiger en leerde hij de boomen en de bloemen liefhebben en ze verzorgen als hulpbehoevende kindertjes.
Na den tuinarbeid mocht hij wat gaan lezen in een boek, dat mijnheer Bergwoude hem gaf. En als huiswerk had hij op zijn kamer twee sommen te maken. Dat was alles.
Om zeven uur werd het avondeten gebruikt. Vroeger at men het middagmaal om zes uur, maar met den nieuwen cursus had de directeur daarin verandering gebracht. Men at om 1 uur en om 7 uur werd de avondboterham gebruikt. Evenals in de morgenrust konden de leerlingen ook tusschen 3-5 uur iets gebruiken, als zij daar trek in hadden, wat bij de meesten dan ook steeds het geval was.
Om acht uur kwamen ze buiten het huis in den tuin bijeen voor het gewone verteluurtje. Meester Hooghuizen begon dien avond met een prachtige vertelling.
En toen Bram na dien eersten kostschooldag in bed stapte, moest hij erkennen, dat alles even prettig was geweest. De schoolles zoowel als de handenarbeid en het tuinwerk, de gezellige maaltijden, en het heerlijke verteluurtje! En met het heerlijke, rustige gevoel, dat hij nu eens niet zoo zenuwachtig-hard behoefde te blokken, maar toch kalm voortleeren kon, sliep hij in met een glimlach van tevredenheid om den mond.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
WAT HANS VAN PLAN WAS.
Bram ontwaakte den tweeden morgen veel vroeger nog dan Hans en Flip. Nadat hij zich gewasschen en gekleed had, ging hij een brief aan zijn ouders schrijven.
Deze luidde aldus:
Instituut Sparrenheide
3 September 19..
Lieve Vader en Moeder,
Ofschoon ik pas twee dagen hier ben, kan ik toch niet nalaten U beiden eens even te vertellen, hoe prettig ik het hier vind. Iedereen is even aardig en vriendelijk voor mij en de eerste werkdag is voor mij een plezierdag geweest. Wel is er nog veel nieuw voor me en ongewoon, maar het zal wel gauw wennen. Ik ben op dezelfde kamer met Hans, Flip en Rob en terwijl ik dit schrijf liggen zij alle drie nog te snurken. Ik mis U beiden wel en telkens verlang ik toch zoo naar U, maar ik kom elken Zondag naar U toe en zoo zie ik U toch elke week. Je leert hier zoo van alles en dat is heel prettig. Gisteren heb ik les gehad in timmeren en ook hebben we tuinarbeid gehad. Op het oogenblik weet ik niet meer. Nu dag beste vader, dag lieve moeder, ik hoop U Zondag veel te kunnen vertellen.
Weest hartelijk gegroet van Uw éénen jongen
Bram.
Toen de brief klaar was, deed Bram hem in een enveloppe en schreef het adres er op. Daarna ging hij den tuin eens in. Hij hoorde, dat iemand aan het harken was. Dat zou wel een tuinman zijn en hij besloot, eens een praatje met hem te maken.
Het was echter geen man, maar een jongen.
Bram wist eerst niet, wie zijn oogen daar zagen!
En toch--het wàs zoo!
Barend van de Lage Vuursche!
Nu keek ook deze op.
De twee jongens zagen elkander een oogenblik aan. Bram had er niet eens meer aan gedacht, dat hij Barend hier zou ontmoeten.
"Dag Barend," zei Bram, toen hij wat over zijn eerste verbazing heen was.
"Dag ... Bram."
Ze waren verlegen met elkander.
"Ben je ... ben je aan 't harken?" vroeg Bram nogal onnoozel.
"Ja."
"Bevalt het je hier goed?"
"O ja ... ik ... ik woon bij moeder Vorstman."
"Dat heb ik gehoord. Willen we vrienden wezen, Barend?"
De tuinmansjongen keek Bram eerst ongeloovig aan, toen stak hij beide handen uit en zei: "Graag!"
Daarop vertelde Barend, dat mijnheer Bergwoude hem nu les gaf en dat hij landbouwkundige wou worden. Bram vond hem een flinken vent en zei, dat-ie maar goed op moest passen. Toen kwamen daar juist Hans en Flip aan.
"Je moet bepaald eens op de Vuursche komen," zei Barend tot Hans. "De veldwachter heeft het al wekenlang over je."
"Over mij?" vroeg Hans verbaasd.
Hij wist niet, dat hij iets met Bunze aan den stok had.
"Ja," vervolgde Barend. "En dan vertelt-ie van boschgeesten bij Drakenstein en zegt, dat je ze ook gezien en gehoord hebt."
Nu begon Hans hartelijk te lachen.
"Die domme Bunze!" riep hij vroolijk uit. "O, o, wat laat die man zich toch beetnemen!"
"Is dat niet veldwachter Buikje?" vroeg Bram. "Ik heb hem tenminste zoo wel eens hooren noemen."
"Ja," zei Hans, "het is een type." En hij vertelde Bram de avonturen van Bunze en de boschgeesten.
"Bunze is buitengewoon bijgeloovig," besloot hij "en vooral oude legenden en vertellingen kun je hem wijsmaken, zoo gek als je ze zelf maar verzinnen kunt. Hij is een geweldige dienstdoener. Maar zeg eens, Barend, wat vertelt Buikje toch van me?"
"O," zei Barend, "het is om je ziek te lachen. In het bosch zijn drie geesten, zegt hij, de geesten van drie roofridders, die in de Grot wonen. Hij heeft ze zelf gezien toen hij met je in het bosch was. En hij vertelt dat aan iedereen en als je in 't dorp komt, zal hij je tot getuige nemen."
"En gelooven de menschen dat?"
"Niet allemaal. Maar de meesten wel. Ik lach er om. Bunze moet trouwens heelemaal niets van mij hebben. Hij is mijn vriend niet en ik wou, dat de burgemeester een ander nam. Hij behandelt mij nog precies eender als vroeger en spreekt tot iedereen kwaad van me."
"Ik zou ook wel eens zoo'n grap willen bijwonen," zei Bram. "Maar zijn jullie niet bang, het is toch een veldwachter?"
"Och kom," zei Hans, "het is volstrekt geen kwade kerel, al kijkt hij wat leelijk. Maar ik kan 't nou eenmaal niet laten, om hem af en toe eens te plagen. En dat kwaadspreken van Barend zullen wij hem wel eens afleeren."
"Hoe wou je dat doen?"
"Dat is mijn geheim. Vanavond zal het gebeuren. Heb je zin om mee te gaan, Bram?"
"Asjeblieft, wàt graag!"
"Goed, afgesproken. Ik zal aan Vader vragen, of we een half uurtje later mogen thuiskomen. Stil, daar heb je de andere jongens. Niets zeggen, hoor!"
Dien middag sprong Hans op de fiets en reed naar het dorp. Hij wilde Bunze wel eens spreken. Maar de veldwachter was daar niet, deed waarschijnlijk een rondwandeling door zijn bosschen.
Daarom nam Hans de fiets bij de hand en kuierde er het bosch mee in. Het duurde niet lang of hij bemerkte Bunze op eenigen afstand. Hij sprak hardop tot zichzelf en scheen nogal opgewonden.
Daar vloog Hans een klein vliegje in den neus en "Hatsjie!!!" niesde hij opeens.
Veldwachter Bunze vloog overeind.
"Alle duivels, wie waagt het ... O Hans, ben jij het! Wat laat je mij schrikken!"
"Goeienmiddag, mijnheer Bunze," zei Hans lachend, "ik ..."
"Hoor eens Hans," zei de veldwachter. "Laat dat, "mijnheer" nu maar weg. Dat behoef jij niet tegen mij te zeggen."
"O, erg prettig, dank-je wel," zei Hans. "Maar ik moest je even spreken, Bunze. Laten wij hier even gaan zitten."
De veldwachter stelde onbepaald vertrouwen in Hans, die zooveel wist van oude geschiedenissen van het slot.
"De geest van Rador is bij mij geweest," zei Hans ernstig.
Bunze zette groote oogen op.
"Gisteravond acht uur zat ik in een stil hoekje van den tuin," fantaseerde Hans, en onder het vertellen kreeg hij een prachtig idee voor zijn plan, "toen ik opeens een witte gedaante op mij af zag komen. Ik schrikte eerst wel een beetje, maar toen hoorde ik een stem: "Wees niet bang, jongmensch, ik ben Rador, de roofridder." Je begrijpt, Bunze, hoe interessant ik dat vond en ik zeide: "Goed, ik zal niet bang zijn." "Luister dan," zei de geest. "Ga morgenmiddag naar veldwachter Bunze van de Lage Vuursche en zeg, dat hij mijn vriend is.""
"Zei de geest dat?" vroeg Bunze aangenaam gestreeld.
"Ja, dat zei hij. "Veldwachter Bunze is mijn vriend," sprak hij verder. "Ik zal hem gelukkig maken, maar hij moet precies doen, wat ik hem gebieden zal. Ik weet, dat hij graag burgemeester wil worden. Goed, zeg hem, dat hij dit worden zal, als hij mij gehoorzaamt." Luister, Bunze. Toen zei de geest van Rador: "zeg aan veldwachter Bui--Bunze, dat hij vanavond om acht uur moet zijn vóór het huis van de weduwe Vorstman. Daar mag hij mij roepen.""
"En--en hoe zal ik hem roepen?" vroeg Bunze, die het begon te gelooven.
"Ja, dat is juist het moeilijke," zei Hans, "dat is zoo heel gemakkelijk niet. Kunt gij hard schreeuwen, Bunze?"
"Dat zal wel gaan, denk ik."
"Mooi, dan moet ge zoo hard mogelijk roepen: "Geest van ridder Rador, hier ben ik!"
Hans bleef nog eenigen tijd met Bunze praten en maakte hem allerlei onzinnige boschverhalen wijs, die de veldwachter volstrekt niet in twijfel trok, integendeel, hij vond ze zeer mooi en vertelde aan Hans, dat hij "spiritus" was.
"Spiritist zal je bedoelen," zei Hans lachend.
"Ja juist."
Kort daarna stapte Hans verder. Hij drukte den veldwachter op het hart, toch vooral op tijd te zijn en zich stipt aan de order van den geest van ridder Rador te houden.
Buiten het bosch stapte Hans op de fiets en reed naar vrouw Vorstman, die op een bank vóór haar huisje te breien zat. Na de eerste begroeting vertelde Hans haar, welke grap hij met den veldwachter wilde hebben.
"Kijk eens hier, vrouw Vorstman," sprak hij, "Barend past tegenwoordig uitstekend op, nietwaar, hij doet goed zijn best. Maar Bunze beschouwt hem nog altijd als den wilden ondeugenden boschjongen, die tot niets goeds in staat is en alleen maar allerlei kattekwaad uithaalt."
"Daar weet ik van mee te praten," zei vrouw Vorstman. "Bunze komt zoo af en toe wel eens hier, maar hij heeft nooit een goed woord voor Barend. Altijd schelden en razen op hem. En hem verwijten, dat zijn vader in de gevangenis zit. Daar doet Bunze heel leelijk aan."
"Juist," zei Hans, "en dat willen wij hem nu eens afleeren."
"Nu moet ge met Barend alvast maar eens aan de menschen gaan zeggen, wat er vanavond gebeurt. Maar zeg er bij, dat ze vooral stil moeten zijn en zich moeten houden, alsof ze ook gelooven dat het allemaal waar is. Ik speel voor den geest van Rador en kruip op uw vliering voor het raampje, vrouw Vorstman. Ge zult er wat van beleven!"
"Och och," lachte vrouw Vorstman, "hoe is het toch mogelijk, dat zoo'n groote kerel zich zóó laat beetnemen. En gelooft hij dat nu allemaal?"
"Of hij het gelooft?" riep Hans uit. "Zeg hem maar niet, dat het maar onzin is, want hij vindt het zelf veel te mooi om het niet als wáár en echt aan te nemen. Maar denk er om, vrouw Vorstman, dat ge zelf óók doet, of het zoo is. Ge moet voor vanavond ook maar eens aan de boschgeesten gelooven."
"Ik zal mijn best doen," zei het vrouwtje. "Ik ben toch benieuwd, hoe dit afloopt, jongeheer Hans. Pas maar op, dat Bunze jullie toch niet te slim af is."
"O, dat zullen we wel zien."
Daarop nam Hans afscheid van vrouw Vorstman en peddelde naar Sparrenheide terug, om er Bram verder met zijn plannen op de hoogte te stellen.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
HANS GRAAFT EEN KUIL VOOR BUNZE, DOCH VALT ER ZELF IN.
Dien avond gingen vijf jongens van Sparrenheide naar het dorp. Het waren Hans, Flip, Rob, Bram en Barend.
Hans installeerde zich op de vliering bij het dakraampje, dat aan den voorkant van het huis was. Hij scharrelde daar wat ouden rommel op, onder andere een stuk kachelpijp, wat losse turven en wat oude aardappelen en legde dat alles bij elkaar onder het raampje. Hij plaatste zich nu zóó, dat hij goed kon zien, wat er buiten voorviel, maar dat van buiten af niemand hem zien kon. Daarna gaf hij Bram, die met Flip en Rob in de buurt bleef en ook het zijne er toe moest bijdragen om de grap zoo goed mogelijk te doen slagen, nog eenige aanwijzingen. De buren, die wel zoo iets gehoord hadden van wat er gebeuren zou, zaten voor de deuren hunner woningen en lachten al bij voorbaat.
Het werd acht uur, vijf, ... tien minuten over achten, maar wie ten tooneele verscheen, de veldwachter niet.
Zou hij niet komen?
Kwart over acht ... de menschen werden ongeduldig en de jongens dachten reeds, dat Bunze inmiddels wijzer geworden was ... daar kwam de veldwachter eindelijk aan!