Instituut Sparrenheide

Part 7

Chapter 74,145 wordsPublic domain

Met een tevreden lachje bergde hij zijn boeken en schriften in de kast. Het was meer dan bedtijd. Zijn bed stond in een hoek van 't kamertje. Met langzame bewegingen kleedde hij zich uit. Slaap had hij bijna niet, hij was over zijn slaap heen; in zijn rond, gezond jongensgezicht stonden de oogen dof en mat. Hij voelde zich doodmoe en had toch geen slaap. In bed lag hij te kijken naar een paar sterren, die hij juist door 't bovenraam kon zien. En onderwijl dacht hij maar voortdurend, zonder het te willen, aan die laatste som, die zoo moeilijk was. Toen probeerde hij te slapen, maar dat lukte niet. Zijn lichaam rustte uit, maar hij bleef klaarwakker. Hee, dacht hij, wat beef ik nu toch vreemd? Het is toch heelemaal niet koud. Och, 't zal wel over gaan. Kom, ik zal me maar weer eens omdraaien. En dan dacht hij weer aan de lesuren van morgen. Eerst taal, de les over de vervoeging der werkwoorden. En dan Fransch, Cours Gradué, 2 théma's opzeggen, 2 nieuwe inleveren. Die had-ie ook af. En dan rekenen. Zouën z'n sommen goed zijn? Meester had dikwijls aanmerkingen op z'n foute sommen, en deed-ie niet heusch zijn best? Als ze nou maar goed waren! Kom, nou slapen. Nou niet meer aan leeren denken. De andere jongens sliepen ook allemaal ... de klok sloeg elf. Bram was nog even wakker als om tien uur. Half twaalf. Bram zat rechtop in bed, z'n hoofd klopte. Hij stond op, stak zijn hoofd door het open raam. De lucht was helder, om hem heen waren tuinen met dicht geboomte, zware dennegeur trok het kamertje in. De nachtkoelte deed hem goed, de hoofdpijn zakte wat.

Weet je wat, hij ging een beetje in den gemakkelijken stoel bij het raam zitten, van slapen kwam toch voorloopig niets.

Bram trok een jas aan en strekte zich op z'n gemak in den stoel uit. Zoo zat-ie lekker. En nou naar de sterren kijken. Dààr had je de Groote Beer en dan ... één... twee ... drie ... vier ... vijf ... zes ... zeven ... de Poolster ... en dáár ... en dáár....

Bram, oververmoeid, dommelde in.

Ruim een uur later schrok-ie wakker.

Hè, wat? Lag-ie niet in bed? Zat-ie in 'n stoel? Hee ja, dat was waar ook. Brrr, hij was koud geworden, gauw maar 't bed in. De jas hing hij over den stoel, stapte dan met z'n eene been in bed.

Maar opeens bleef-ie zoo staan.

Stil ...

Wat was dat beneden?

Was pa nog op?... Even luisteren....

Sssst ... daar hoorde hij 't weer.

Zoo'n gek geluid.... net of 'r iemand op pa's kantoor was. Nou, dat was onzin, hè? Pa sliep natuurlijk.... en....

Nou viel d'r wat....

't Volgend oogenblik trok Bram kousen en pantoffels aan en wat kleeren.

Op z'n teenen ging-ie de trap af, opende geruischloos de buitendeur; over de grasperken liep hij den tuin uit, 't straatje om naar den kantooringang.

Stil... daar stond een jongen, vlak bij den lantaarn.

Bram begréép 't..., die stond op den uitkijk!!

Dadelijk keerde Bram terug.... de vilten pantoffels maakten z'n voetstappen onhoorbaar, en snel als de wind vloog-ie de Laanstraat in, waar twee politieagenten surveilleerden. Die gingen onmiddellijk met hem mee.

Bram liep ze vlug vooruit, zag den jongen nog staan. En 'n plotseling opkomende gedachte dadelijk ten uitvoer brengend, wierp hij zich onverwachts op den schildwacht en drukte met één hand diens mond toe.

Daarna stelden zij zich in een donkeren hoek in hinderlaag op.

Bij het licht van de lantaarn had Bram den jongen herkend. En verschrikt fluisterde hij de agenten toe:

"Barend van de Lage Vuursche!"

DERTIENDE HOOFDSTUK.

WAT JACOB VAN VELDWACHTER BUIKJE HOORDE.

Volgende morgen, zes uur.

De zon stond al hoog aan den hemel, 't beloofde weer een echt warme, zomersche dag te worden.

"Zeg," zei Hans tegen zijn broer Flip, terwijl ze zich op hun slaapkamer aan 't kleeden waren, "wat maft die Rob weer door!"

"Ja," antwoordde Flip, "ik heb hem al zesmaal geroepen, maar hij heeft 'r maling aan, hoor."

"Nou, hij is om negen uur naar bed gegaan, dus me dunkt, dat-ie lang genoeg geslapen heeft."

"O zoo, maar als roepen niet helpt zal ik hem wel op een andere manier wakker krijgen. Geef dat witte kopje eens aan, Hans."

"Wat ga je nou doen?"

"Zal je wel zien."

Flip schepte het kopje vol water uit zijn lampetkan en zette het toen op de plank boven Rob's hoofd. Een draad garen bond hij om het oor van het kopje.

Aan het andere einde knoopte hij een lus en schoof dien voorzichtig om een vinger van Rob.

"Ziezoo," zei Flip, "zoo gauw als hij nou maar één beweging maakt, is hij goed wakker ook."

Inderdaad liet het succes dezer nieuwe wek-methode niet lang op zich wachten.

Rob draaide zich in zijn slaap nog eens om, maar door die beweging trok hij het kopje water van de plank.

Pletsch!!

"Au, m'n hoofd!... brrr!!!" vloog Rob ineens overeind, "wat is dat nou?"

"Goeiemorgen, Robbie," zei Flip lachend. "Is U Edele ontwaakt?"

"Wat een misselijke, kinderachtige streek, Flip," zei Rob. "Nou is 't heele bed nat."

"Loop heen, dat droogt met die warmte in twee tellen."

"Toch gemeen, al m'n goed is drijf."

"Ga maar even buiten in de zon hangen."

"Doe jij 't zelf maar."

"De kleine kop viel op de groote kop van Robbekop," plaagde Flip, waarop Rob zijn kussen greep en dat naar Flip's "kop" gooide. 't Kussen vloog weer terug en nu begon Hans ook mee te doen. Lakens, dekens, kussens zeilden van den eenen hoek naar den anderen, een waar beddengevecht. Ten slotte rolden ze alle drie met al 't beddegoed als een kolossale bal door elkaar, gierend en schaterend van pret. En de zon goot haar gouden ochtendstralen naar binnen en lachte mee.

De deur ging open en Jacob Heintze trad binnen.

"Zeg, wat maken jullie een reuzenherrie!"

"Wil je ook een beetje op je kop hebben?" inviteerde Flip.

"Jij bent ook vroeg present," zei Hans, die uit het kluwen van de dekens en lakens kroop.

"O ja, 'k ben al meer dan een uur op," zei Jacob. "Ik had eigenlijk nòg vroeger willen opstaan om even naar de Vuursche te gaan."

"Waarom?"

"Om Barend op te zoeken. Vragen, waarom-ie gisteravond niet gekomen is."

"Ja," zei Hans, "daar hadden vader en moeder 't gisteren ook over."

"Zoo?"

"Ja, vader zei, dat er met Barend tóch niets goeds te beginnen was."

Jacob maakte zich driftig over die woorden.

"Dat is niet waar!" zei hij. "Als Barend niet gekomen is, dan had hij daar goeie reden voor. Hij was veel te blij, dat-ie komen mocht."

"Nou, waarom kwam-die dan niet?"

"Dat--dat weet ik evenmin als jij. Maar ik zal aan je vader vragen, of ik nog even naar vrouw Vorstman mag gaan."

Jacob Heintze kreeg van mijnheer Bergwoude verlof daar voor. Hij haalde zijn fiets uit de bergplaats en snorde een oogenblik later den weg af.

De arme weduwe was al bedrijvig in de weer.

"Dag vrouw Vorstman!" riep Jacob haar toe, terwijl hij van zijn fiets sprong.

"Zoo Jacob, al zoo vroeg hier? Mooi weer, hè?"

"Ja, vrouw Vorstman, maar ik wilde u eigenlijk vragen, of u ook weet, waarom Barend gisteravond niet op Sparrenheide is gekomen."

"Wel heb ik ooit! Is hij niet gekomen?"

"Neen."

"En ik heb het nog zóó gezegd. Hij was ook heel blij, dat-ie komen mocht. Hij hoopte, dat mijnheer Bergwoude hem wat voorthelpen zou."

"Ja dat zou-die ook wel doen, maar ..."

Een derde persoon verscheen aan 't huisje van vrouw Vorstman, veldwachter Bunze.

Hij scheen verbazend in zijn schik te zijn, want zijn rond en bol gezicht stond zoo vroolijk, alsof hij pas een erfenis had gekregen. Zonder goeienmorgen te zeggen begon hij:

"Nou, vrouw Vorstman, wat heb ik je gezegd? Schooiersvolk is het, gespuis, waar niets mee te beginnen is!"

"Man, waar heb je het over?"

"Nee, je weet er natuurlijk nog niets van, hè? Maar ik wel. D'r is al een brigadier uit Baarn op de fiets bij mij geweest, en die heeft mij de orders gebracht."

"Maar wat is er dan toch?"

De veldwachter scheen er bijzonder plezier in te hebben, de menschen zoo nieuwsgierig en ongeduldig te maken, als maar mogelijk was.

"Wel," zei-die, "ik moest immers gisteren aan dat galgenaas van een Barend de boodschap brengen, dat-ie op Sparrenheide komen moest?"

"Ja--en ..."

"Inplaats van het te doen, is de schavuit gisteravond met zijn vader en Klaas Pos naar Baarn gegaan om daar in te breken!"

"Dat kan niet!" riep Jacob verschrikt.

Veldwachter Buikje keek den jongen met een minachtenden blik aan. Zoo'n ventje durfde hem tegenspreken?

Vrouw Vorstman sloeg van verbazing de handen in elkaar.

"Om in te breken!" herhaalde Bunze met welgevallen. "De oude strooper Ranke en zijn kameraad Pos zijn beiden gevangen genomen, Barend net zoo goed, en alle drie zijn ze in preventieve hechtenis genomen. Nou zie-je zelf, vrouw Vorstman, wat voor volk je in je huis haalt! Geef jij den jongen maar koffie en dikke boterhammen, vandaag of morgen steelt-ie het beetje nog dat je in huis hebt!"

Jacob Heintze keek verslagen naar den grond. Hoe was dat nu mogelijk! Barend, die in een paar weken al zoo vooruitgegaan was, die nu misschien door mijnheer Bergwoude zelf verder geholpen zou zijn, was in de gevangenis gezet, medeplichtig aan inbraak. Opeens ging hem een licht op!

"Ja! zoo is het!" riep hij uit.

"Wat is zoo?" vroeg Bunze.

"Wel geloof maar niet, dat Barend uit zichzelf is meegegaan. Zijn vader en Klaas Pos hebben hem gedwongen. Zij hadden hem noodig."

"Wat zou dat dan nog!" vroeg veldwachter Buikje. "Het doet er trouwens ook weinig toe, hoe en waarom de jongen is meegegaan om op den uitkijk te staan, in elk geval staat vast, dat hij het heeft gedaan, en dat is voor ons, gerechtsdienaren, voldoende!"

"En bij wie is er ingebroken," vroeg vrouw Vorstman.

"Bij notaris Verhallen. Nou moet-je weten, de jongeheer Verhallen was nog heel laat wakker en hoorde wat in 't kantoor. Wat doet de slimmerd! Hij trekt wat kleeren en z'n pantoffels aan en loopt om het huis heen. Daar ziet-ie iemand op den uitkijk staan en dus begreep-ie dadelijk, dat er wel een paar kornuiten in 't kantoor aan den slag waren. Hij loopt de dorpsstraat in en komt toevallig twee agenten tegen. Die gingen dadelijk mee en de jongeheer Verhallen loopt weer hard terug op zijn pantoffels en slaat zóó maar den uitkijk tegen den grond. Hij gaf geen kik, want ze hielden zijn mond stijf toe, dat verzeker ik je. Nou, en de agenten op de loer, dat begrijp je. 't Duurde een heel poosje, toen kwamen allebei de sinjeurs naar buiten om te zien, of alles in orde was.

""Waar is de jongen?" vroeg de een. "Die zal wat verderop staan," zei de ander. "Laten we eerst zelf eens kijken, of de weg veilig is, voordat we den buit naar buiten halen." Ze liepen toen allebei het tuintje door en: kip ik heb je! sprongen de agenten uit hun hoek. In een oogenblik hadden de schurken de ijzeren polsmofjes aan en gingen mee. Ik ben blij toe, dat me dat stelletje goed en wel achter de tralies zit. Nou zie je toch, vrouw Vorstman, wat je met dien jongen in huis had gehaald. Wees maar blij, dat-ie opgeborgen is. En nou zal ik je groeten, want ik moet de zaak nog verder onderzoeken en rapport uitbrengen." En met een zelfbewuste en trotsche houding stapte de veldwachter den weg op.

Vrouw Vorstman en Jacob waren door dit verhaal geheel uit het veld geslagen. Het leek Jacob, of de mooie zonnedag opeens een donkere nacht geworden was. Was dat nu alles wel waar? Was Barend werkelijk tot zóó iets in staat? Het was bijna onmogelijk!

"Neen, vrouw Vorstman," zie hij, "ik kàn het niet gelooven! En als het tòch waar is, dan heeft Ranke hem gedwòngen om mee te gaan!"

"Ik geloof het ook, jongeheer," zei ze verdrietig. "Och, och, die arme Barend in de gevangenis!"

Wanneer het Jacob's eigen broer geweest was, kon hij niet verdrietiger geweest zijn dan hij nu was. In een zeer treurige stemming verliet hij vrouw Vorstman en reed naar Sparrenheide terug, waar hij mijnheer Bergwoude en Hans vertelde, wat er gebeurd was.

Het gebeurde van dien nacht had Bram's zenuwen geducht geschokt. Toen alles afgeloopen was en Ranke met Pos en Barend door de agenten waren weggeleid, zat Bram bevend bij zijn inmiddels gewekte ouders in de kamer. Hij begreep zelf niet, hoe hij zoo kalm was gebleven, hoe hij niet één oogenblik bang was geweest om den vreemden schildwacht neer te leggen. Barend Ranke, de boschjongen! Hoe was het mogelijk? Zoo jong nog en dan al een dief!

De heer en mevrouw Verhallen prezen hun jongen, maar Bram glimlachte flauwtjes. Zijn moeder maakte zich echter steeds meer bezorgd en eindelijk begon ook zijn vader langzamerhand tot het inzicht te komen, dat het met Bram toch niet heelemaal in orde was.

Er werd dien nacht lang niet rustig meer geslapen en 's morgens had Bram zulk een bonzende hoofdpijn, dat hij niet kon opstaan. Met den besten wil niet. De dokter werd gehaald en dadelijk luidde zijn meening:

"Zenuw-overspanning. Absolute rust houden. Zachte slaappoeders innemen."

De dokter schreef Bram's toestand enkel en alleen aan de nachtelijke gebeurtenis toe, hij meende, dat Bram ten gevolge van een grooten schrik ziek was geworden.

Maar mevrouw Verhallen wist wel beter.

Den volgenden dag sprak zij er eens met den dokter over.

"Ik vond het beter, om het u eens te zeggen," begon ze. "Ik maakte mij al sinds eenigen tijd zoo ongerust over onzen jongen, 't is niet vanwege dien inbraak, ziet u. Bram zit avond aan avond, soms wel tot na tien uur, huiswerk te maken en te leeren, en meestal begint hij daar al om zes uur aan. Ik vind dat veel te erg, mijn man denkt er anders over, maar ik verzeker u, dokter, de jongen kan dat niet volhouden. Hij is niet dom, maar er wordt te veel van hem gevergd. Hij gaat er steeds betrokkener uitzien, slaapt te weinig en speelt maar eens een heel enkele keer met andere jongens."

De dokter knikte. Hij begreep het volkomen.

"Mevrouw," sprak hij, "wanneer jongens in hun schooljaren goed hun best doen en hard werken, zal hun dat later ten goede komen. In den tegenwoordigen tijd moet een mensch nu eenmaal meer weten dan vroeger, de examens worden al zwaarder en zwaarder en de eischen, die de maatschappij stelt, eveneens. Maar of we nu daarom de kinderen al hun vrijen tijd moeten ontnemen en hen volstampen met allerlei boekengeleerdheid, dat is een vraag, waarop ik zeer sterk: neen, antwoord. Intusschen zijn er leerlingen, die dat overmatige werken en leeren onmogelijk kunnen volhouden en u doet er zeer verstandig aan, mij op dat geval met uwen zoon te wijzen. We mogen in geen geval van zoo'n flinken, gezonden jongen een zenuwlijder maken. Laat hem voorloopig maar eens rust houden en dan zullen we zien, wat we verder met hem doen zullen."

Mevrouw dacht over Instituut Sparrenheide.

Zij sprak er met mijnheer Verhallen over.

Ook de dokter vond dat besluit zeer verstandig en ten slotte gaf de notaris toe.

Na de groote vacantie zou Bram naar Sparrenheide gaan, zeker wel tot groote vreugde van hemzelf en van Hans, Flip en Rob, de drie jolige broers!

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

VELDWACHTER BUIKJE EN DE BOSCHGEESTEN.

We zullen niet in bijzonderheden nagaan, wat er in de eerstvolgende weken gebeurde met Barend, Ranke en Pos.

Het was te danken aan de voorspraak van mijnheer Bergwoude, Jacob Heintze en moeder Vorstman, dat Barend spoedig in vrijheid werd gesteld. Er was bij het onderzoek gebleken, dat Barend door zijn vader gedwongen was mede te gaan, maar er was ook nog een oude historie aan het licht gekomen! Ranke, de strooper, had verschillende gereedschappen en werktuigen gekocht en Pos had aan den rechter verteld, dat Ranke het geld, waarmede hij die dingen betaald had, eenigen tijd geleden in het bosch gevonden had. Het was een biljet van tien gulden en het zat in een oude portemonnaie. De portemonnaie had Ranke weer op den grond geworpen.

De twee stroopers en dieven werden tot verscheidene jaren gevangenisstraf veroordeeld. Barend werd als tuinmansjongen op Sparrenheide aan het werk gezet en kwam bij moeder Vorstman in huis.

Allen waren zeer tevreden met den goeden afloop der gebeurtenissen en niet het minst Jacob Heintze, die nooit aan de goede trouw van Barend had getwijfeld.

Maar één was er, die zich bij dat alles eenigszins anders gedroeg. En dat was Bunze, veldwachter Buikje! De dikzak was heelemaal niet ingenomen met het feit, dat Barend zoo voortgeholpen werd. Het speet hem verbazend, dat hij in het minst geen deel genomen had aan de arrestatie der inbrekers, maar hij vertelde toch aan iedereen, die het hooren wilde, dat hij voortaan met nog veel meer gestrengheid optreden zou, om de veiligheid en de rust in de omgeving te bewaren.

Speciaal lette hij nu op de jongens van Sparrenheide, die vaak in "zijn" bosschen kwamen spelen. Hij liet het minste of geringste niet meer toe en stelde zich aan als een tiran. Dat begon deze jongens te vervelen. Als zij zich maar even in het bosch van Drakenstein vertoonden, zagen zij het dikke gezicht van Buikje al op hen loeren.

Daarom hielden de jongens op zekeren dag krijgsraad. Ze waren met hun tienen bij de Echo verzameld en zaten of lagen op den boschgrond.

"Waar zullen we hem eens een poets mee bakken?" vroeg Rob, die zich wel het meest aan den veldwachter ergerde.

Ja, dat was een moeilijke kwestie. 't Was in elk geval de veldwachter zie je, en al hadden de jongens nu meer ontzag voor den man z'n jas met de blinkende knoopen en de pet met den gouden bies dan om Bunze zelf, je moest er voorzichtig mee zijn.

Maar juist dàt maakte de zaak nog interessanter.

"We zullen hem een kistje klapsigaren thuis sturen," zei de een.

"Neen daar hebben wij niets aan. We moeten er zelf ook plezier van hebben."

"Stop hem dan een kikker onder zijn pet."

"Of spijker de blinden van zijn ramen vast."

"Doe een ons peper in zijn snuifdoos."

Zoo wist ieder wat. Als de veldwachter al deze folteringen had moeten doorstaan, dan had het er treurig met den man uitgezien.

"Neen jongens," zei Hans, "daar hebben we allemaal niets aan. Ik geloof dat ik een beter plannetje weet. Luister eens, je moet dan weten, dat Buikje verbazend bijgeloovig is, zooals de meeste menschen op de Vuursche. Daarom gaan er ook allerlei dwaze verhalen uit het bosch hier bij de lui rond. Jullie hebt er natuurlijk wel eens een paar van gehoord."

"Neen, ik niet, ik niet," klonk het hier en daar.

"Nou, we zitten hier toch zoo gezellig bij elkaar ... wil ik er eens een vertellen?"

"Ja, ja, vertellen!" riepen ze allemaal.

"Goed dan," zei Hans, "de legende, die ik je vertellen zal heet "De geschiedenis van de drie Boschgeesten."

Het was ten tijde, dat Karel de Groote over Holland regeerde. Het bosch van Drakenstein bestond toen ook al, maar was veel uitgestrekter. Nu zijn er groote stukken bosch verdwenen, maar in dien tijd was 't één en al woud. Je moet niet denken, dat er, net als nu, alleen maar wat vogeltjes en konijnen en een paar herten te vinden waren, neen, je had er nog wilde zwijnen, wolven, vossen en slangen in overvloed. Het kasteel Drakenstein bestond nog niet, maar wel was er op diezelfde plaats een hoeve, die bewoond werd door de gebroeders Wer en Ner. Dat waren zoogenaamde roofridders, die zelf niets bezaten en alleen leefden, van hetgeen zij anderen ontstalen------

Opeens riep Flip: "Daar komt de veldwachter!"

Inderdaad! daar kwam Bunze aan.

De jongens waren teleurgesteld, maar Hans zei:

"Zitten blijven, jongens. Ik vertel toch."

"Wat voeren jullie hier uit?" vroeg Bunze op barschen toon.

"Wij vertellen verhalen, mijnheer Bunze," zei Hans beleefd.

"Zoo, vertel maar. Ik wil dat moois ook wel eens hooren."

"Heel goed, mijnheer Bunze. Nou jongens, ik zei dan, dat de broeders Wer en Ner alleen van roof leefden, en de bewoners waren grootendeels heidenen, die er hun eigen goden op na hielden. Je weet wel, dat Wotan of Wodan een van die goden was. Toen nu de roofridders Wer en Ner niet ophielden met het uitrooven en uitplunderen van den geheelen omtrek, riepen de hier wonende volksstammen hunne goden aan en smeekten Wodan, hen te beveiligen tegen de woeste, onmeedoogende roofridders. Wodan verhoorde het smeeken der volksstammen en zond een reusachtige, vurige draak naar deze bosschen, die de broeders Wer en Ner zou verslinden. Maar inplaats dat de draak de roofridders verslond, begon het geweldige dier van honger heele bosschen achter elkaar te verslinden, vandaar de vele groote heideplekken in den omtrek. En als 't ware om den toestand nog erger te maken verscheen een nieuwe roover en brandstichter in deze streken, genaamd Rador. De broeders Wer en Ner bemerkten nu het gevaar, waarin zij verkeerden. Zij hadden nu twee machtige vijanden, Rador en de draak. De draak scheen ten slotte begrepen te hebben, dat hij hier niet was aangesteld als boomenhakker en boschontginner, maar om een einde te maken aan de geweldenarijen van Wer en Ner. Daarom ging de draak op zekeren dag naar de hoeve om de broeders te dooden. Het geweldige dier, dat boven de boomen uitstak, naderde met veel geweld en passeerde onderweg de grot, waarin Rador verblijf hield. Rador kwam naar buiten, om te zien, wat daar toch zulk een ontzaglijk gedruisch in het bosch veroorzaakte. Maar nauwelijks kwam hij buiten de grot of de draak sloeg hem met een geweldigen slag neer en verslond hem met huid en haar.

"De broeders Wer en Ner hadden al meermalen gehoord van den ontzettenden draak, die hier in den omtrek verblijf hield. Nu zij hem echter op de hoeve zagen afkomen, verzamelden zij al hun krijgsknechten om zich heen en trokken het monster te gemoet. Wer en Ner gingen aan het hoofd van den troep, maar er was geen vechten tegen het reusachtige dier. Wer en Ner werden beiden door den draak doodgeslagen en verslonden. Vreemd genoeg liet het monster de overige mannen ongedeerd, die in de grootste ontsteltenis en verwarring naar alle zijden de vlucht namen.

"Ook de hoeve van de roofridders werd door den draak, die vlammen braakte, totaal vernietigd en daarna heeft niemand ooit iets meer gezien, van het dier, dat Wodan op aarde gezonden had. Maar wel werd het bosch sinds dat oogenblik bewoond door drie geesten, de boschgeesten. Dat zijn de broeders Wer en Ner en Rador. Elken avond met de schemering komen zij uit de Grot te voorschijn en zoeken naar den draak, om zich op hem te wreken. Wie een van die geesten ontmoet, moet zeer voorzichtig zijn. Hem dreigt gevaar van alle kanten. Ziezoo, en dit is nu de geschiedenis van de drie boschgeesten."

Ze vonden 't allemaal mooi en de veldwachter was er heelemaal van onder den indruk gekomen.

"Is dat heusch waar?" vroeg hij aan Hans.

"Beslist waar," zei Hans met een stalen gezicht. Maar de bengel vertelde er niet bij, dat hij met opzet het laatste deel van de geschiedenis er maar bij gemaakt had. De andere jongens begrepen dat wel, want Hans had hen een knipoogje gegeven.

"Ik heb wel eens hooren vertellen van geesten, die in het bosch wonen," zei Bunze, "maar van deze heb ik nooit gehoord. Je kunt anders geheimzinnige geschiedenissen beleven in het bosch. Zoo kan het bijvoorbeeld 's avonds in de kapel leelijk spoken."

"Och kom, Bui -- -- Bunze," versprak Flip zich.

"Er bestaan immers geen spoken!" zei Rob.

Maar Hans gaf Rob een knipoogje en zei:

"Wat, bestaan er geen spoken? Je kunt er 's avonds genoeg zien, nietwaar Bunze?"

"Nou, nou ... genòeg is wat erg... maar dàt ze bestaan ... is zoo zeker als dat mijn naam Bunze is!"

"Willen wij morgen avond de drie boschgeesten eens gaan zien, jongens?"

"Ja, ja, dat is goed."

Bunze aarzelde even, hij was wat griezelig van die avonturen, maar ten laatste zei hij:

"Wees maar voorzichtig, jongens. Met geesten valt niet te spotten. Ik zal er bij wezen om jullie te beschermen."

"Ja, Bunze, doe dat!" zei Hans. "Dan behoeven wij ook niet bang te zijn. Wij komen morgen avond om acht uur bij de grot."

"Goed, goed," hernam de dikke veldwachter, "en ik zal er zijn en mijn karabijn meebrengen. Men kan nooit weten."

Daarop vertrok Bunze.

Maar nauwelijks was hij uit de buurt, of de tien jongens rolden met de beenen omhoog over den grond van het lachen, knepen elkander in de beenen en trokken aan elkanders haren.

"Zeg lui, is-die prachtig?"

"O, die veldwachter Buik, ik lach me een pruik!" zei Flip.

"Wat toevallig, dat-ie net 't verhaal hooren kon!"