Instituut Sparrenheide

Part 6

Chapter 64,118 wordsPublic domain

"Kom hier zeg ik je, onmiddellijk!"

Maar geen geluid werd vernomen.

"Je weigert dus te komen?" riep Bunze, "goed, ik zal je wel weten te vinden."

En kordaat stapte hij de kapel binnen, maar trok toch de deur voorzichtigheidshalve wat dicht.

Op dat oogenblik sprong opeens Hans te voorschijn en wenkte zijn broers, hem vlug te volgen.

Snel als de wind wierp hij de deur toe, Flip en Rob zetten er de voeten tegen aan en in een oogenblik had Hans het touw door de krammen geknoopt.

Maar daar begon Bunze me eventjes op te spelen!

"Doe open! Doe dadelijk open! In naam der wet! In naam der Koningin! Ik ben het, Wouterse, ik ben het, de veldwachter!"

Bunze was in de meening, dat Wouterse, de timmerman van het kasteel Drakenstein een nieuw slot op de deur deed. Doch nu kwam er evenmin antwoord.

"Wouterse!" riep Bunze, "ben jij het? Doe dadelijk weer open, want ik ben er nog in!"

De drie broers verwijderden zich. "Kom mee," zei Hans, "nu komt het mooiste nog."

Zij liepen achter het heuveltje om den vijver heen, Rob moest zich schuil houden, terwijl Hans en Flip tegenover de opening aan de achterzijde van de kapel stonden, alsof ze die voor het eerst bekeken.

"Hallo, jongens daar!"

"Hee, zit u in de kapel, mijnheer Bunze?" riep Hans in de hoogste verbazing. "Is zij dan niet op slot?"

"Ja," riep de dikzak, "ze is op slot en nou kan ik er niet uit!"

"Blijf er dan maar een jaar in!" wou Flip terugroepen maar hij was gelukkig zoo verstandig, om dit niet te doen.

"Op slot?" riep Hans, "wie heeft dat dan gedaan?"

"Dat weet ik niet. Wacht, ik zal eens hooren."

Bunze liep naar de deur van de kapel en duwde daartegen met alle kracht. Daardoor rekte het touw wat, dat hij duidelijk door den kier kon zien. En nu kwam hij pas tot de overtuiging dat de arrestant gevlogen was. Geholpen natuurlijk door zijn broers, die nu aan den overkant dolle pret hadden, nu zij hem zoo netjes ingesloten hadden.

Maar daar zouden ze van lusten.

En Bunze, inplaats van zich kalm te houden, en zich de deur weer voor de jongens te laten ontsluiten, vloog weer naar het hek en brulde, dat het over het water daverde:

"Willen jullie wel 's als de duivel die deur losmaken!"

"Hoe zegt u, mijnheer Bunze?" antwoordde Hans. "Als de duivel? Hoe maakt die dan een deur los?"

"Ik heb niets met je praatjes noodig! Maak oogenblikkelijk, dat ik eruit kan! Jullie hebt Robert laten ontsnappen, en dat zal ik je gloeiend betaald zetten!"

"Gloeiend zegt u, mijnheer Bunze?" plaagde Hans, "wel foei, dat is niet netjes van u. Wij moeten voor u de deur openmaken en u wil ons daar gloeiend voor behandelen? Neen, op die voorwaarde bewijzen wij u geen dienst, mijnheer Bunze."

"Och loop naar de maan met je mijnheer Bunze," riep de veldwachter. "Ik gelast jelui nu, oogenblikkelijk hier te komen en de deur te openen."

"O neen," zei Flip, "wij zijn geen hondjes."

"Juist," zei Hans, "maar wij willen u toch wel helpen, als u ons maar belooft, stil onzen weg te laten gaan."

"Ik beloof niets!" riep Bunze.

"O nee, op die conditie doen we 't beslist niet. Dag mijnheer Bunze. Wij gaan naar huis."

"Hallo, wacht even, jongens! Neen, loop nog niet weg. Je kunt voor mijn part vrij naar huis gaan, doch help me eerst uit dit verwenschte hol!"

"Goed, ik kom!" riep Hans.

Een oogenblik later sneed Hans het touw door en was alweer verdwenen voor Bunze tot de ontdekking kwam dat de uitgang vrij was. Men kan zich voorstellen in welk een stemming hij naar huis ging!

ELFDE HOOFDSTUK.

WAAROM BAREND NIET OP SPARRENHEIDE KWAM.

Een uur nadat veldwachter Bunze de hut van vrouw Vorstman verlaten had, was Barend er teruggekeerd.

Het vrouwtje had pret om den jongen, die zoo overhaast de vlucht had genomen.

"Is-ie weg, moeder Vorstman?" vroeg Barend voorzichtig.

"Al een uur," lachte ze, "hij komt alweer haast terug!"

"Dat is toch niet waar?"

"Neen, wees maar stil. Maar waarom ging je toch zoo ineens op den loop. Heb je weer kwaad gedaan?"

"Och, dat is nog van vroeger. Moet-ie mij dan niet hebben?"

"Jawel, hij kwam je zeggen, dat je vanavond bij mijnheer Bergwoude op Sparrenheide moest komen."

"Moet ik daar komen? Owee, ik begrijp het al!"

"Wat dan?"

"Wel, ze zullen gemerkt hebben, dat Jacob Heintze elken avond laat bij mij komt en daar krijg ik nou natuurlijk een leelijk standje voor."

"Kom, dat zal wel losloopen. Natuurlijk zal Jacob dat niet meer mogen doen, maar ik denk er het mijne van."

"Wat denk je er dan van, moeder Vorstman."

"Hoor eens, Barend, laat dat woord Vorstman nou maar weg. Ik ben je moeder voortaan, hoor. En wat ik er van denk, wel, meester Bergwoude zal je wel willen voorthelpen."

"O, als dat eens waar was! Dan behoefde ik ook niet meer bang te zijn voor veldwachter Buikie."

"Die zal jou geen kwaad doen, jongen. Je hebt zeker veel op je kerfstok dat je hem zoo ontloopt?"

"Ja moeder. Maar ik heb nu geen zin meer om zoo te rooven en door 't bosch te loopen. Ik heb dikwijls genoeg de eieren uit Bunze's kippenhok gestolen. Leelijk, hè? Ik zou 't ook niet meer willen doen. Eens op een keer kwam Bunze net aanloopen. Hij was zóó dichtbij dat ik haast geen raad wist. En om hem tegen te houden gooide ik hem een ei pardoes tegen zijn gezicht. Hij zat van onder tot boven vòl! Jacob vond dat erg leelijk van mij en ik heb hem ook beloofd, nooit meer eieren weg te nemen."

"Dat is braaf van je, Barend. Ik zal je nu een nieuwe boterham geven, want Bunze heeft de jouwe opgegeten."

"Wat een gulzigaard! Alsof hij thuis niet genoeg krijgt!"

"Net zoo. Maar zeg eens, Barend, je moet wat netter wezen op het pak, dat Jacob je gegeven heeft! Je hebt er zeker mee in 't bosch op den grond gelegen. Kom hier, dan zal ik je wat afborstelen. En als je nu vanavond naar mijnheer Bergwoude gaat, moet je eerst bij mij komen om te laten zien, of je er wel netjes uitziet. Als jij bij mij woonde, zou ik daar beter op kunnen letten."

"Ik wou, dat het waar was, moeder V ...

"Nu wie weet. Komaan, eet de boterham op. En hier is nog een glas melk."

Nadat Barend de boterham en de melk op had, haalde hij nog een paar boodschappen voor zijn goede stiefmoeder en ging naar huis.

Daar trof hij zijn vader aan in gezelschap van een kerel, dien hij nooit gezien had. Maar de man zag er allesbehalve aangenaam of vriendelijk uit.

"Kijk," zei Ranke, op Barend wijzend, "daar heb je nou mijn zoon. Flinke jongen, niet? Kom eens hier jij, ik heb je weer in geen drie dagen gezien. En wat een spullen heb je daar aan. Ben je daar wel eerlijk aangekomen? Nou, mij 'n zorg, wat zeg jij, Klaas Pos?" De aldus genoemde vreemde man grijnsde eens, en Barend schrikte van het terugstootende gezicht.

"Nou," vervolgde Ranke, "ik zal het hem dan maar vertellen, hij moet er toch van weten, anders lukt de zaak niet. Hoor jongen, je vader heeft tot nog toe niets aan je gehad en je toch te eten moeten geven, dus nou wordt het tijd, dat je daarvoor wat doet. Je bent er nou voor in de gelegenheid en ik zal je zeggen, wat je doen moet."

"Dat ligt er aan, wat het is," zei Barend, die nooit ook maar eenigszins beleefd was tegen den man, die nimmer een vader voor hem was geweest.

"Zoo, dat zullen we dan wel eens zien!" zei Ranke. "We zullen je in elk geval wel weten te dwingen."

"Dat zit nog," zei Barend. "Ik wil er heelemaal niets van weten en ik blijf hier ook niet langer in huis. Ik ga weg."

"Hahaha!" spotte Ranke, "de jongeheer gaat weg. Jawel. Ik zal je eens wat zeggen, Barend. Je moet vanavond met ons mee. We willen in Baarn een villa met een bezoek vereeren. Jawel, wij zijn uitgenoodigd, nietwaar Klaas? Hahaha! En jij moet mee, jongen. Je moet uitkijken, of er misschien ook iemand voorbijkomt, die de zaak verraden kan."

"Ik doe 't niet," zei Barend.

"Flink gesproken," spotte zijn vader. "Maar ik spreek nog veel flinker, en nog duidelijker ook. Hier! Trek uit die kleeren, gauw wat! Wacht, ik zal je een handje helpen!"

En met ruw geweld trok de woeste strooper zijn zoon de kleeren van het lijf. Hij wierp hem daarop zijn oude, havelooze plunje toe, die Barend aantrok, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken.

"Ziezoo," sprak Ranke. "Nu worden we verstandig. Nu zie-je er weer als vanouds uit. En zal je vanavond meegaan, ja of neen?"

"Neen!" zei Barend op beslisten toon.

Pats! daar kreeg hij een slag tegen het hoofd, dat hij tegen den grond viel.

"Zal je meegaan?"

"Nooit!"

Woede beving den gewetenloozen man, die vader moest heeten van zoo'n flinken jongen. Hij ging naar hem toe en trapte hem, terwijl Barend zich in allerlei bochten wrong. De jongen gaf echter geen kik en bleef eindelijk doodstil liggen.

"Nou, je hebt hem een goeie portie gegeven, geloof ik," zei Klaas Pos.

"Natuurlijk en nou zal je eens zien, hoe netjes hij met ons meegaat. En om te voorkomen, dat-ie wegloopt, zal ik hem netjes opbergen."

Daarop opende Ranke een deur, waarachter zich een kolen- en turfhok bevond. Hij nam Barend op en wierp hem met geweld naar binnen. Toen deed hij een hangslot op de deur en verliet met Klaas Pos het huisje. In het turfhok lag Barend op den grond. Met het hoofd op den arm snikte hij en dacht aan het uur, waarop mijnheer Bergwoude hem verwachtte.

Wat zou hij doen?

Zijn vader verraden, overleveren aan de politie.... of... hem gehoorzamen en zelf opnieuw een dief worden?

Na het avondeten zat de familie Bergwoude als gewoonlijk nog een uurtje in den tuin en juffrouw Wieler had een splinternieuw sprookje verteld. Allen hadden aandachtig geluisterd naar het verhaal van den woesten, roofzuchtigen reus, die het rijk der kabouters wilde vernietigen en toch met al zijn kracht en ruwheid niet bestand was tegen het leger der kleine mannetjes. Allen, ja, behalve Jacob Heintze.

Want wat weerga, waarom kwam Barend Ranke nu niet? Mijnheer Bergwoude had hem toch de boodschap laten brengen door veldwachter Bunze, dat-ie vanavond op Sparrenheide komen moest? Er zou bepaald een heel ernstige reden voor Barend moeten zijn, om nu niet te komen. Of ging hij nu weer bederven, wat met zooveel moeite was verkregen?

Mijnheer Bergwoude had er in het eerst vreemd van opgekeken, dat Jacob met den verwaarloosden strooperszoon, den schrik van de omgeving, had vriendschap gesloten! En die nachtelijke bezoeken, al waren ze dan ook om Barend wat nuttigs te leeren, had hij zeer streng afgekeurd. Mijnheer Bergwoude meende, dat er toch niets aan zoo'n verwilderden, onopgevoeden knaap te verbeteren viel. Maar Jacob had het voor Barend opgenomen en verteld, hoe de jongen langzamerhand veranderde. En ten slotte had mijnheer Bergwoude dan beloofd, dat hij Barend eens zou laten komen en zien, wat hij er aan doen kon, om hem nog wat beter op streek te helpen.

Hoe later het werd, hoe meer Jacob's onrust toenam.

Waar bleef Barend nu?

Om half negen, toen allen naar binnen gingen, was hij er nog niet.

Mijnheer Bergwoude nam Jacob even terzijde:

"Je vriend Barend is, zooals je ziet, niet gekomen, Jacob. Dat had ik van te voren wel gedacht. Heusch, geloof me, daar is toch niets mee te beginnen. Besteed, er aan, wat je wilt, 't zijn paarlen voor de zwijnen geworpen."

Maar Jacob schudde het hoofd.

"Barend zou veel te graag gekomen zijn, mijnheer!" antwoordde hij, "dat weet ik zeker. Maar misschien heeft Bunze hem niet kunnen vinden. Of zijn vader houdt hem tegen."

Mijnheer Bergwoude haalde ongeloovig de schouders op, hij dacht er het zijne van. En daarop ging hij de huiskamer binnen. Hans, Flip en Rob bleven nog een oogenblik met hun vader en moeder praten.

De meid bracht brieven en couranten binnen, door de avondpost zoo juist bezorgd.

"Voor jou ook een brief, Hans," zei mijnheer Bergwoude, "van je vriend Bram Verhallen."

Hans nam den brief, opende het couvert en las:

Baarn, 12 Juli.

Beste Hans!

Vind-je het goed, als ik Zondagmiddag naar je toe kom? Wij eten vroeg, net als jullie. Ik kom dan tegen 3 uur en kan wel tot een uur of zeven blijven. Zaterdagmiddag kan ik niet komen, want we hebben deze week zoo razend veel huiswerk, dat we er bijna niet doorkomen! Och kerel, dat huiswerk! Als ik 's middags half vijf thuis kom, moet ik maar liefst zoo gauw mogelijk eten, want we krijgen wel voor drie urenlang huiswerk mee. We hebben dan ook zoo ontzettend veel te leeren, jò. Zoo moet ik vanavond 2 blz. Fransch vertalen, 1 blz. Cours Pratique leeren, 3 meetkundesommen maken, de Duitsche rivieren leeren en een opstel maken. Ik weet heusch niet, hoe ik dat allemaal àfkrijg. Ik heb elken dag hoofdpijn en ik ben toch goed gezond. En voor den vrijen Zaterdagmiddag hebben we nog meer huiswerk. Dus je begrijpt dat er van spelen niets komen kan.

Schrijf me even of het goed is, dat ik Zondag kom. Groeten aan allemaal. Dag bleekgezicht, gegroet van je rooden broer Arendsoog,

Bram Verhallen.

"Bram komt Zondagmiddag," zei Hans, den brief aan zijn vader overreikend.

Mijnheer Bergwoude las den brief door en schudde het hoofd.

"Wat zullen we toch een verschrikkelijk geleerd nageslacht krijgen," zei hij, "de jongens en meisjes worden tegenwoordig zóó met huiswerk overladen, dat ze nauwelijks tijd hebben om te eten. Wat zullen dat allemaal een professoren worden! Maar wat een zenuwlijdertjes zullen erbij zijn!"

"Schrijft Bram daarover?" vroeg mevrouw.

"Och neen, de jongen schrijft alleen, dat ze 's avonds wel voor drie uren huiswerk meekrijgen en dat-ie Zaterdagmiddag niet spelen kan, omdat-ie te veel werk heeft."

"Is dat niet een beetje al te erg, man?"

"Ja zeker, het is méér dan overdreven. En 't mooiste is nog, dat van al de kinderen, die zulke massa's huiswerk avond aan avond moeten maken, maar een paar werkelijk knap worden en daar wat aan hebben. Bram, een flinke, gezonde, sterke jongen, heeft elken dag hoofdpijn van 't leeren. Kan daar iets goeds uit groeien?"

"Maar zonder huiswerk komen ze er niet, man."

"Denk je dat, vrouw? Eenig huiswerk kan geen kwaad, het geeft bezigheid in huis en de jongens kunnen nog eens repeteeren, wat er op school geleerd is. Maar om de jongelui een berg werk mee naar huis te geven, waar ze bijna niet doorheen komen, dat is overdreven. En wat hebben de meesten er aan? De een wordt kantoorbediende en vergeet 9/10 van wat hij geleerd heeft, de ander architect, tuinbouwkundige, onderwijzer, enz. Dat alles hadden ze evengoed kunnen worden zonder al die dwaasheid in hun jonge jaren te leeren. De ernstige, werkelijk gezonde studie komt pas later. En daar hebben ze pas wat aan."

"Toch schijnt men er ook anders over te denken," zei mevrouw.

"O, ik kan het natuurlijk mis hebben," vervolgde mijnheer Bergwoude, "maar ik vind, als een jongen tot zijn dertiende jaar het lager onderwijs goed gevolgd heeft en dat dóór en dóór kent, dan heeft hij nog tijd genoeg, om àlles te worden, wat hij wil. Dat is mijn meening."

Er werd nog even over dat onderwerp gesproken en daarna gingen de drie broers naar bed.

"Zeg," zei mijnheer, "die Barend is toch maar niet gekomen, hè? Zie je wel, dat er met zulke jongens toch niets goeds is aan te vangen?"

"Hij zal niet gedurfd hebben, vader," zei Hans.

"Och wat, gedurfd? Hij bedankt er eenvoudig voor, om onder de plak te zitten. Neen, ik weet wel, dat hij liever als een wildeman in de bosschen rondzwerft en allerlei kattekwaad uithaalt. Dat is hij van jongsaf gewend en dat zal hij wel blijven doen ook!"

Och, als mijnheer Bergwoude eens geweten had, dat Barend op dit oogenblik te snikken lag van droefheid en teleurstelling, opgesloten door zijn harteloozen vader in een donker hok!

TWAALFDE HOOFDSTUK.

IN DEN NACHT.

In den loop van den avond was Ranke, de strooper, met Klaas Pos in zijn woning teruggekeerd.

Zij zetten zich aan de tafel om hun plan nog eens nader te bespreken. Zij dachten er niet eens aan, om Barend uit zijn gevangenschap te verlossen en hem iets te eten te geven.

"We moeten de zaak goèd doen of heelemaal niet doen," zei Ranke. "En ik zal je nog eens haarfijn vertellen, hoe we 't zullen aanpakken. Ik ben vanmorgen op het kantoor van Verhallen geweest en weet daardoor precies, hoe de toestand daar is. Ja, ik heb mijn oogen goed den kost gegeven. Ik heb den notaris zelf te spreken gevraagd, natuurlijk maar met een onbeduidend praatje. Maar ondertusschen heb ik goed rondgekeken. De voorkant van het woonhuis is aan de Prinsenlaan, maar de ingang van 't kantoor is in een achterstraatje. Je loopt een steenen paadje op en komt aan een hek. Dan een klein tuintje door en je staat voor de kantoordeur. In de gang heb je weer twee deuren, op de eene staat: Binnen zonder kloppen, op de andere Privé. Die laatste moeten we hebben. Daar staat de brandkast van den notaris en als ik me niet vergist heb, zal het voor ons niet zoo'n heksenwerk zijn om die groote spaarpot open te maken."

Daarop vertelde Ranke aan Pos, van welk fabrikaat de brandkast was en toonde de werktuigen, waarmede hij die dacht te openen.

"Terwijl wij binnen aan het werk zijn," sprak hij, "moet Barend op den uitkijk staan."

"Kunnen we hem wel vertrouwen?" vroeg Pos.

"Daar kan je verzekerd van zijn. Bovendien zal ik hem wel weten te dwingen. Kijk, hier heb je nota bene boeken en schriften van hem. Inplaats van een vet konijn op den kop te tikken, zit hij te suffen met zijn neus in de boeken. Waar hij die vandaan heeft, mag de drommel weten. Hij had ze onder zijn bed verstopt. Ik wist niet, dat mijn zoon een geleerde was. Enfin, wij zullen hem eens voor den dag halen."

"Wij deelen toch samen?" vroeg Klaas Pos.

"Dat is te zeggen: ieder krijgt zijn deel. Ik geloof wel, dat ik twee derden van het gevaarlijke werk te doen zal hebben, dus neem ik ook zooveel van den buit. Ieder het zijne. Als je 't niet goed vindt, kan ik 't misschien ook wel alleen af."

"Ik zal 't maar goedvinden," zei de ander.

"Zooals je wilt. En nou zullen we den jongen eens hier halen."

Met deze woorden begaf Ranke zich naar het turfhok, waar Barend in slaap gevallen was.

"Barend!" riep zijn vader, "kom er uit, jongen, het wordt zoo langzamerhand tijd."

Barend ontwaakte en keek door de geopende deur in het kamertje, waar hij Klaas Pos bij de petroleumlamp aan tafel zag zitten. Onmiddellijk weer herinnerde hij zich het gebeurde en tevens ook, wat zijn vader van hem verlangde. En evenals te voren besloot hij om in geen geval met beide mannen mee te gaan.

Ranke trok hem in de kamer.

"Je hebt over de zaak kunnen nadenken, Barend," sprak hij, "en ik geloof wel, dat je nu zoo verstandig geworden bent, om je vader eindelijk eens te gehoorzamen. Voor alles wat ik aan je besteed heb ..."

"Je hebt niets aan mij besteed!" viel Barend opeens uit. "Je hebt me niet eens te eten gegeven. De paar korsten brood en droge aardappels, die je zelf niet meer lustte, liet je voor mij op tafel liggen."

"Wel, hoor me zoo'n ondankbare jongen eens aan!" riep Ranke, die aan Pos verteld had, dat hij altijd den meesten zorg aan zijn zoon had besteed, maar dat Barend een door en door slechte jongen was, die al het goede, wat zijn vader voor hem deed, met ondank beloonde.

"Wel, hoor me nu zoo'n ondankbare jongen eens aan! Dat is de school uitgejaagd om al zijn baldadige streken en durft nog zijn vader beschuldigen! Wacht, kameraad, nu zullen we eens een ander wijsje zingen. Je gaat nu direct met ons mee, en ..."

"Ik denk er niet over," zei Barend. "Ik ga toch niet."

"Dat zullen we wel eens zien! Hier, deze boeken, zijn die van jou?"

Met grooten schrik bemerkte Barend, dat zijn gewetenloozen vader zijn boeken en schriften, waar hij met Jacob Heintze uit geleerd had, gevonden had.

"Geef hier vader!" riep hij, "dat is mijn werk!"

"Zoo, is dat jouw werk? Neen vrind, ik zal jou eens zeggen, wat je werk is. Om je vader te gehoorzamen en hem te helpen. En nu zal je dat om te beginnen vanavond doen en als je weigert, scheur ik al je boeken en schriften één voor één kapot!"

"Vader!!" schreeuwde Barend, "dat doe je niet!"

"Dat zal je zien!"

En Ranke greep een boek, dat Jacob aan Barend gegeven had. Hij nam het in beide handen om het doormidden te scheuren.

"Vader, vader!!" gilde Barend. "Niet doen ... ik zal wel meegaan!"

"Ha zoo, dat dacht ik wel. En nu zal ik je nog eens vertellen, wat je te doen hebt. We gaan door het bosch naar Baarn. In het huis waar we zijn moeten, is veel geld. Het zal nogal tijd en moeite kosten om het te krijgen. Zoolang wij binnen aan het werk zijn, houdt jij buiten de wacht. En als er onraad is, kraai je als een haan. Ik weet, dat je dat zoo goed kunt, dat iedereen denkt, een werkelijken haan te hooren. Komt er iemand toevallig voorbij, dan kruip je weg in de struiken van den tuin. Pos, hebben we de gereedschappen en den zak? De lantaarn heb ik hier. Ziezoo, alles is klaar. De lamp uit en op pad!"

De torenklok sloeg elf uur.

En een oogenblik later gingen drie donkere figuren door het bosch, dat inktzwart zich voor hen uitstrekte.

"Ik maak mij werkelijk ernstig bezorgd over Bram," zei mevrouw Verhallen tot haar man, den notaris, toen zij des avonds naar boven was geweest. "Het is nu al over tienen en nog zit de jongen aan zijn schoolwerk. Voor een jongen van dertien jaar is dat toch te laat, vader."

"Och laat den jongen studeeren," sprak notaris Verhallen, "nu is hij immers nog in de gelegenheid om goed te leeren, later gaat het zoo vlug niet meer. En als hij daar nu plezier in heeft?..."

"Plezier in heeft?"

"Wel ja, anders zou hij het toch niet doen?"

"Denk je, dat Bram voor zijn plezier avond aan avond zit te blokken? Dat hij voor zijn plezier elken dag over hoofdpijn klaagt? De jongen overwerkt zich, dat zeg ik. Hij begint er slecht uit te zien."

"Kom, kom, nu overdrijf je toch," zei de ander. Hij was zelf een zeer werkzaam man en vond het heel best, dat zijn dertienjarige zoon elken avond stapels schoolwerk maakte. Natuurlijk in den tegenwoordigen tijd moest de jeugd nu eenmaal hard studeeren.

Dat wist Mevrouw ook wel, maar zóóveel huiswerk als de kinderen tegenwoordig van den meester meekregen, vond ze toch wat heel erg.

"Neen, ik overdrijf volstrekt niet," hernam zij, "de jongen zal er nog heelemaal door van streek raken. Al is zijn lichaam gezond, dat wil volstrekt niet zeggen, dat hij daarom een hoofd om veel te leeren heeft. Ik zou veel liever zien, dat hij wat vroeger naar bed ging."

Mijnheer Verhallen haalde zijn schouders op en frommelde eens ongeduldig met de courant, die hij in de handen hield. Hij zag volstrekt geen bezwaar in het late opblijven en studeeren van zijn zoon. Hoe knapper Bram werd, hoe liever hij het had. Van leeren werd je niet ziek en de meesters wisten toch ook wel, wat kòn en wat nièt?

Mevrouw zweeg nu maar, doch in stilte dacht ze met bezorgdheid aan haar jongen.

Op zijn kamertje zat Bram ijverig te pennen.

De klok wees kwart over tien.

Bram had juist de laatste rekenopgave af. Gelukkig, eindelijk was hij weer zoover, dat hij morgen met behoorlijk afgemaakt werk bij den meester komen kon. O, er waren jongens genoeg, die om zeven uur aan d'r huiswerk begonnen en vóór achten alweer buiten waren, maar je moest dan niet vragen, hoe dat werk er uit zag. Bram behoorde niet tot de vlugsten, maar juist daarom wilde hij zijn werk zoo goed mogelijk doen. Het leeren viel hem niet gemakkelijk, maar meester was streng en papa liet niet met zich spotten! Dus kostte het Bram buitengewone inspanning om met de andere jongens van zijn klasse gelijk te blijven.