Instituut Sparrenheide

Part 5

Chapter 54,147 wordsPublic domain

"Ja, als je mij tenminste niet in het water gooit."

"Neen, dat zal ik niet doen. Jij bent een goeie jongen. Jij scheldt me niet uit, zooals de anderen allemaal doen. Maar ik ben ook veel grooter dan jij. Ik zou je wel kunnen doodslaan."

"Asjeblieft niet," zei Jacob lachend.

"Neen, wees maar niet bang. Laat nog eens kijken in dat boekje? Staat daar nou heusch: Barend?"

"Ja zeker."

"Ik wou, dat ik ook schrijven kon. Maar ik mag niet meer op school komen."

"Waarom niet?"

"Meester wil 't niet meer. Meester is bang van me."

"Hoe komt dat zoo?"

"O, dat weet ik niet meer. Ik heb, geloof ik, op een keer den heelen boel kapot geslagen. En ik gooide altijd steenen door de ramen in school. Wat moet ik nou met die gouwe pen doen? Ik kan toch niet schrijven. Zeg, heb jij boeken?"

"Genoeg," zei Jacob.

"Met van die mooie platen er in? Beesten en soldaten en een oorlog?"

"Ja, ik geloof het wel. Wou je graag zoo'n boek hebben?"

"Nou, dat zal waar zijn. Wanneer krijg ik het dan?"

"Vanavond."

En zoo pratende gebeurde er iets vreemds met beide jongens. Jacob Heintze, het keurige, nette zoontje van den rijken grondbezitter voelde zich langzamerhand aangetrokken tot deze verwilderde, ruwe, onbeschaafde jongen, die de schrik van den omtrek was ... en Barend vond in Jacob een vriend, zooals hij nooit had ontmoet. Een gouden pen had hij hem gegeven en een mooi boek beloofd, dat-ie vanavond kreeg!

Barend was dien avond in de nabijheid van Sparrenheide gekomen en Jacob had hem ongemerkt een zijner oude prentenboeken weten te brengen.

Niemand mocht natuurlijk weten, dat Jacob met den verachten boschjongen sprak.

Maar van het een was het ander gekomen.

Jacob, die van nature een zacht en medelijdend karakter had, vond in Barend een leerling, die alles deed wat de ander zei. Zij hadden elkander nu meermalen in het bosch opgezocht, zonder dat iemand het ooit te weten was gekomen. Zij deden dat niet met de bedoeling om kwaad te doen, te stroopen of te stelen, maar integendeel om veel goeds van elkaar te leeren. Jacob leerde den strooperszoon in de eerste plaats netheid en orde, vervolgens begon hij hem les te geven in lezen en schrijven.

Meester Hooghuizen hoorde dat alles in de grootste verbazing aan.

"En gebeurde dat altijd in den laten avond?"

"Ja, mijnheer," antwoordde Jacob. "Ik kon het op geen anderen tijd ongemerkt doen. Niemand mocht het weten, want als u of mijnheer Bergwoude daar iets van gemerkt had, zou het natuurlijk niet meer mogen."

"Neen, dat spreekt van zelf. Maar hoor eens, Jacob! Jij bent een brave jongen, en dat je den armen, verwaarloosden Barend van de Lage Vuursche met zachtheid en vriendschap zoo langzamerhand tot een goed mensch weet te veranderen vind ik prachtig! Zoo iets bevalt me! Maar je moogt niet meer zoo 's avonds laat er op uit gaan. Je zoudt ziek worden! Ik zie al kringen onder je oogen van dat late opblijven! Dus dat mag niet meer. Met Barend zullen we verder zien, ik zal eens probeeren, of ik wat voor hem doen kan."

"O mijnheer, als dat eens waar was!"

"We zullen zien, Jacob, we zullen zien. Maar nu, hemel, het is al half één. Wil je wel eens als de drommel naar bed gaan?"

"Ik ga al," lachte Jacob. "Slaap wel, mijnheer."

"Bonsoir," zei meester. "Nu moet jij ook naar boven klimmen, hè? Nou, tot morgen, hoor!"

Meester Hooghuizen sloot de tuindeuren, draaide het licht uit en ging eveneens ter ruste. Hij droomde, dat al de jongens van Sparrenheide in 't donker de palen van 't balcon op en af klommen en al maar riepen: hoofdpijn! hoofdpijn! En Barend sprong er als een kikker tusschen door en sloeg iedereen met een kolossalen vulpenhouder, zoo groot als een boomstam.

NEGENDE HOOFDSTUK.

VELDWACHTER BUIKJE.

"Ziezoo, vrouw Vorstman," zei Barend, toen hij van uit het tuintje de hut van de arme weduwe binnentrad, "de tuin is in orde en het schuurtje is schoongemaakt. Zal ik nu den klimop nog wat opbinden?"

De arme vrouw keek Barend glimlachend aan.

"Doe dat nu morgen maar, mijn jongen. Kom toch binnen, dan krijg je een kom koffie en een boterham."

't Was Maandagmorgen. De zon brandde aan den hemel.

Het tuintje van vrouw Vorstman schitterde van bloemenkleuren in 't zonnegoud.

"Het huisje is nu mooi," zei Barend.

"Dat zal wel waar zijn" sprak zij, "maar dat komt ook, doordat ik tegenwoordig zoo'n goeden tuinman heb."

"Ik heb er plezier in, vrouw Vorstman. En ik houd van u."

"Och ... je bent niet slecht, Barend, de menschen zeggen het wel, maar ..."

"Het kan mij heelemaal niet meer schelen, wat ze van me zeggen. Ik hoor alleen maar wat u zegt en wat Jacob zegt. En ik wou dat u mijn moeder was, vrouw Vorstman."

"Goeie jongen ... zeg jij maar gerust, "moeder" tegen mij, hoor."

"Ja, dat is goed."

"Kom Barend, en nu de boterham en de koffie. Eet ze met smaak!"

Juist zou Barend beginnen, toen de deur van de kamer geopend werd en de dikke gemeenteveldwachter verscheen. Plotseling sprong Barend op en vloog als een razende door de achterdeur, den tuin in, sprong daar over een heg en verdween in het bosch.

"Hei, hier! Barend! Hier zeg ik je!" riep de veldwachter. Maar Barend liet hem roepen en was minstens al een paar honderd meter uit de buurt.

"Wel heb je nou toch ooit!" zei Veldwachter Bunze, die met deze warmte een hoofd had als een reuzentomaat.

"Wat moet je van hem?" vroeg vrouw Vorstman.

"Wel, de schooier moet op "Sparrenheide" komen. De directeur van 't Instituut moet hem spreken. En nou gaat de schelm aan den haal!"

Veldwachter Bunze was niet bemind bij de dorpsbewoners, en daarom was het volstrekt niet te verwonderen, dat vrouw Vorstman hem antwoordde:

"Wat een wonder, Bunze, dat zou iedere jongen voor jou toch doen?"

"Zoo, je bent wel vriendelijk."

"Ben jij het dan, Bunze? Je weet heel goed, dat ik de eenige ben op het dorp, bij wie je af en toe nog eens kunt komen praten, maar de anderen bedanken ervoor."

"Zoo, ja; dat heb je me nou al zoo dikwijls verteld, dat weet ik nou wel. In elk geval vraag ik er niemand om. Ik ben hier niet in de gemeente aangesteld om koffiepraatjes te houden bij jan en alleman, maar om de orde te handhaven."

"Och kom."

"Natuurlijk! Wat zou er van de veiligheid op den weg en in het bosch overblijven, als ik er niet was? Het is hier een rooversnest, dàt zeg ik. En ik bewaak de eigendommen. En zoolang ik hier ben, en zoolang ik hier de baas ben ..."

"Wel wel, jij hier de baas? En de burgemeester dan ...?"

"De burgemeester is het hoofd der gemeente. Ik ben de uitvoerende macht. Dat is staatsinstelling, dat staat in de grondwet."

"Ach man, zit niet te huilen," lachte het spotzieke vrouwtje. "Drink de koffie maar op, de jongen komt toch voorloopig niet terug."

Dat liet Bunze zich geen tweemaal zeggen. Hij was een man van ruim veertig jaar en buitengewoon dik. Zóó dik, dat hij haast niet meer voortkon. Dat was niet zoo heel erg, omdat er in het kleine gehucht nooit iets gebeurde, waarbij de veldwachter hard moest loopen. Die geweldige buik had hem den bijnaam "Veldwachter Buikje" bezorgd. Ook op Sparrenheide was hij onder dien naam bekend. Zooals het meer met menschen gaat, die weinig of niets te doen hebben, verbeeldde Bunze zich, dat hij het verbazend druk had en dat hij onmisbaar was. Hij was zeer trotsch op zijn vak en meende, dat er geen grooter autoriteit in heel den omtrek was dan hij, sprak graag over zijn eigen gewichtigheid en gebruikte woorden, die hij zelf niet begreep. Daarbij schold hij altijd en op iedereen, noemde zijn dorp een rooversnest en een dievenhol en alle bewoners waren in zijn oogen misdadigers, die hij in de gaten moest houden.

Zijn hoofd was kogelrond. Het weinige haar, dat hij bezat, was boven zijn voorhoofd tot een hoogopstaande kuif bijeengekamd. Wel drukte de uniformpet die mooie kuif onverbiddellijk omlaag, maar zoodra hij de pet afzette, streek hij haar met de vingers al draaiend weer omhoog.

Terwijl vrouw Vorstman nu met haar huishoudelijke bezigheden voortging, dronk Bunze zwijgend de koffie van Barend op en nam tevens de vrijheid, diens dikke boterham met kaas naar binnen te werken. Hij begreep wel, dat dit niet de bedoeling van vrouw Vorstman was, en daarom stapte hij maar op, toen de boterham naar binnen was.

"Komaan, vrouw Vorstman, wel bedankt voor de koffie. Ik stap nou maar op en zal eens zien, of ik den schooier vinden kan."

"Welken schooier?"

"Wel, dien stroopersjongen. Op Sparrenheide moet-ie komen. Wat-ie daar uitvoeren moet kan je wel begrijpen. Hij heeft natuurlijk weer een of andere streek uitgehaald. Ik begrijp niet, waarom ze dien dagdief niet allang naar de tuchtschool hebben gestuurd."

"Dat zal anders nu wel gauw uit zijn, Bunze."

"Waarom?"

"Wel, heb je dan niet gemerkt, dat hij zijn leven betert? Wat heeft-ie al niet van jongenheer Heintze geleerd! Het zou mij niets verwonderen, als de meester van Sparrenheide hem wou voorthelpen."

"De directeur van het jongenheeren-instituut?" stoof Bunze op. "Denk je dat die zich bemoeit met zulk gespuis, met zulk tuig, met zulke struikroovers? Maar dan ben ik er ook nog, ik zal mijnheer Bergwoude wel eens inlichten."

"Ja, doe dat," spotte het vrouwtje, "dan kan meneer Bergwoude ook nog eens lachen."

Maar Bunze antwoordde niet, in booze stemming liep hij weg. En als hij boos was, dan zocht hij altijd het een of ander, om er zijn woede aan te koelen. Het eerste het beste wat hem dan in den weg kwam, moest het ontgelden. De kippen van den smid liepen rustig over den weg. En de haan stapte parmantig, heelemaal niet schuw, juist voor de voeten van den opgewonden, dikken veldwachter heen.

Uit woede gaf hij het fraaie dier een schop, dat het luid kakelend over den weg vloog.

Maar die haan was ook niet voor de poes.

Het woedende dier vloog plotseling klapwiekend op Bunze aan, en hakte met zijn scherpen snavel op diens gezicht, dat de veldwachter het uitschreeuwde.

Hij zwaaide met zijn korte, dikke armen en sloeg eindelijk den haan van zich af.

Met de verwondingen liep het, gelukkig voor hem, nog al los, ofschoon het bloed hem uit een gaatje in de wang liep.

Maar nu was ook zijn woede ten top gestegen!

Hij trok zijn sabel en wilde er opnieuw den haan mee te lijf gaan, toen opeens de smid naar buiten kwam en hem, proestend van het lachen, toeriep:

"Hei hei, Bunze, het is hier geen hoenderslachterij!"

"Houdt dien haan vast!" schreeuwde Bunze, en wees met uitgestoken sabel op het dier, dat niet van plan scheen, voor den dikkerd aan den haal te gaan.

Maar de smid deed niets dan lachen. Er kwamen nog wat buren bij en toen werd het een relletje.

"Ik zal proces-verbaal opmaken tegen jouw haan!"

De menschen schaterden het uit.

Nu raakte Bunze heelemaal de kluts kwijt. Hij maakte zich hoe langer hoe driftiger, wat met het oog op de warmte niet goed voor hem was. En hij wist ternauwernood meer wat hij zei.

"Houdt je mond als je tegen me spreekt!" schreeuwde hij de lachende omstanders toe en die dwaze uitroep had een orkaan van gelach ten gevolge.

Dat deed de woede van den dikzak ten top stijgen en hij zou bepaald de menschen met zijn sabel te lijf zijn gegaan, wanneer niet toevallig de burgemeester in zijn auto was voorbijgekomen.

De auto stopte en de burgemeester kwam er uit.

De dorpelingen groetten hem, maar Bunze vergat dit. Hij hield nog altijd den getrokken sabel in de hand en liep er den burgemeester mee tegemoet.

"Burgemeester!" riep hij op hoogen toon, "ik constateer hier insubordinatie!"

De burgemeester zei niets, maar hij gaf eerst den omstanders een wenk, dat zij naar huis zouden gaan, wat allen ook onmiddellijk deden, en aan Bunze een teeken, dat hij zijn moordwapen zou opbergen. Toen liep hij met den veldwachter een eindje den weg op, zoodat niemand anders hem kon verstaan en zei:

"Hoor eens Bunze, ik verzoek je nu uitdrukkelijk en voor den laatsten keer je niet zoo belachelijk aan te stellen zooals nu, door b.v. met getrokken sabel tusschen rustige dorpelingen te staan. Wat was er nu weer?"

Bunze kroop heelemaal in zijn schulp, want nu de burgemeester hem zoo kalm naar het gebeurde vroeg, voelde hijzelf, dat het toch niet heelemaal in orde was met dien haan.

Hij antwoordde niet dadelijk, want hij vond het toch wel wat al te gek, om te zeggen, dat-ie den haan als voetbal had gebruikt.

Toen keek de burgemeester hem eens aandachtig aan en zei:

"Wat is dat? Je bloedt! Wie heeft dat gedaan?"

"Dat ... dat heeft--de haan van den smid gedaan, burgemeester."

"De--háán Bunze, houd je me nu voor den gek?"

"Neen burgemeester. De brutaliteit van dat beest..."

"Brutaal--die haan? Wat zei-die dan tegen je?"

"Wat-ie zei, burgemeester? Wel, hij zei niets. Hij vloog op me aan en maakte zich schuldig aan een ernstige mishandeling van een ambtenaar in functie!"

Nu schoot de burgervader in een hartelijken lach, en wie van de dorpsbewoners dat om een hoek van verre hoorde en zag, lachte in stilte mee.

Maar de burgemeester bracht den dikken veldwachter aan het verstand, dat hij zich toch weer buitengewoon dwaas had aangesteld en dat hij kans had, om door een kalmer collega vervangen te worden, als die tooneeltjes niet ophielden. En na die laatste waarschuwing stapte de burgemeester weer in zijn auto en reed verder.

Het verloop van die geschiedenis had Bunze's humeur er niet beter op gemaakt. Hij was echter zoo verstandig, zich voorloopig niet weer in het dorp te vertoonen en ging naar huis.

Maar met dat al had hij zijn boodschap aan Barend nog niet overgebracht, en de jongen moest toch zoo spoedig mogelijk op Sparrenheide komen, dat had mijnheer Bergwoude gezegd. Maar hij hoopte den "struikroover" des middags, wel te vinden, hij zou hem in 't bosch zoeken en desnoods bij de haren naar de school sleepen!

En veldwachter Buikje stapte zijn huisje binnen, waar hij met zijn zuster woonde. Hij bromde eerst nog wat, maar ging dan nijdig in zijn stoel bij het raam zitten, zwijgend. Hij beet van innerlijke woede zijn pijp stuk en wierp die toen uit het raam waar ze op Pluto, den hond, neerkwam, die in 't zonnetje te slapen lag. Daarna at hij zonder een woord te spreken en ging naar het bosch, op zoek naar Barend.

TIENDE HOOFDSTUK.

VELDWACHTER BUIKJE EN DE DRIE JOLIGE BROERS.

Dienzelfden middag gingen Hans, Flip en Rob het bosch in, de laatste gewapend met zijn onafscheidelijken botaniseertrommel.

Er was dien middag weinig te doen, bovendien was het verschrikkelijk warm en alleen in 't bosch nog tamelijk uit te houden.

Hans had nog den moed gehad met deze zomerhitte een boek mee te nemen, waarin de geschiedenis van het Gooi- en Eemland werd beschreven, wat volgens zijn broer Flip "klinkklare idiotieke nonsensika" was. Loop rond, je mocht al blij zijn, als je je oogen kon openhouden. De drie trouwe broers wandelden tot aan het kasteel Drakenstein en gingen daar wat in de schaduw der beuken liggen.

Hans sloeg dadelijk zijn boek op en las, dat op diezelfde plek, waar nu het slot stond, omstreeks de 12e eeuw een huis gebouwd was, omgeven door een zeer diepe gracht en schier ontoegankelijk. Daar woonden twee broeders, Wer en Ner, geweldenaars en roovers van hoogen stand. En naar die twee broeders heeft men later de Wernershoeve, die in de nabijheid staat, genoemd. En Hans las heele hoofdstukken over families, die vroeger het slot bewoond hadden en van Warnaer van Drakenbosch, die het gebouwd had. Hans vond dat allemaal heel interessant, want hij hield verbazend veel van geschiedenis en oudheid, maar Flip moest daar heelemaal niets van hebben. Terwijl Hans in zijn boek verdiept was en Flip met de armen onder het hoofd op den rug lag, ging Rob op excursie naar een varensoort, die wel in zijn plantenboek stond, maar die hij tot op heden nog niet gevonden had.

"Zeg," zei Hans opeens, "dat is toch wel mooi, jò. Luister eens:

"Prins Frederik Hendrik, de stadhouder, als Graaf van Buren, beleende Heer Ernst van Reede met de hooge en lage jurisdictie en heerlijkheid van De Vuursche, mitsgaders de hooge heerlijkheid en ridderhofstad van Draakstein. Zeg, luister je nou? Hee, Flip!"

Flip was allang te voren ingedommeld en keek nu suf op.

"Wat is 'r nou weer?"

Hans lachte.

"'k Heb je voorgelezen van Drakenstein."

"M'n zorg."

"Nou, vin-je dat dan niet interessant?"

"'n Gloeiende pook in je hand," rijmde Flip en geeuwde.

Hans haalde zijn schouders op en las verder de geschiedenis van het oude landgoed, dat al in 1359 bestond en van "die grote bomen, die daerinne staen." Flip tukte stevig door. Zoo was ongeveer een uur in stilte voorbijgegaan toen Hans er opeens aan dacht, dat Rob zich dien tijd niet had laten zien. Natuurlijk zou de kleine natuurkundige wat dieper nog het bosch zijn ingegaan, maar nu bleef hij toch wel wat heel lang weg. Hans keek eens naar den rustig slapenden Flip en trok hem aan een oor.

"Hei, Flip. Wor 's wakker!"

"Arendsoog is een dapper krijger, maar de scalp van het bleekgezicht zal zijn wigwam niet sieren," mompelde Flip in zijn droom.

"Héél mooi gezegd, broeder!" lachte Hans. "Maar daar vraag ik je nou niet naar. Sta op, dan gaan we Rob zoeken."

"Hè, wat is 'r dan met Rob?"

"Weet ik het, kom mee, we gaan hem zoeken."

"O, jawel, dat is goed. Zeg jò, 'k heb zoo fijn gedroomd!"

Ze stapten op en kwamen bij de oude kapel, die achter heuveltjes in 't groen verscholen lag.

Opeens greep Hans zijn broer bij den arm.

"Stil," zei hij, "daar roept iemand."

Zij luisterden scherp.

Op korten afstand klonk een gedempte stem:

"Hans! Flip! Hierheen!"

"'t Is Rob!" zei Flip. "Maar waar zit hij?"

Ze stonden voor den ingang van de kapel.

Het slot was van de deur verdwenen, door de ijzeren krammen was een touw gestrikt.

En nogmaals klonk het geroep.

"Hij zit in de kapel!" zei Hans. "Ze hebben hem opgesloten!"

Toen Rob zijn broers had alleen gelaten, was hij langs smalle paden, dichtbegroeid met beuken en sparren, het bosch in gegaan. Eerst had hij een mossoort gevonden, die hij tot nog toe nog niet had gezien, en verheugd had hij een gedeelte daarvan in den trommel meegenomen. Hij zou thuis wel eens onderzoeken, hoe de naam ervan was. Toen was hij aan 't dwalen gegaan, zoekende naar een kleine varensoort. Zoo ronddolende was hij eindelijk bij de kapel gekomen. Ofschoon hij het oude gebouwtje al vaak genoeg gezien had, vond hij het toch altijd opnieuw weer aardig om er even naar te kijken. Het was omgeven door een prikkeldraad-versperring en de deur was altijd gesloten met een hangslot.

Maar nu merkte Rob tot zijn verwondering op, dat het oude, verroeste hangslot van de deur verdwenen was en deze inplaats daarvan met een touw was dichtgebonden. Die ontdekking verheugde hem zeer, want nu kon hij gemakkelijk genoeg eens een kijkje nemen in de kapel.

Hij klom over het prikkeldraad, waarbij zijn broek en kousen groot gevaar liepen en stapte op het oude deurtje toe, toen hij onverwachts de door hem gezochte varens ontdekte. Met zijn plantenschopje groef hij er een paar uit en bergde ze in zijn trommel. Daarop maakte hij het touw van de deur los en trad de kapel binnen.

Terwijl Rob zoo aan het graven was, kwam de dikke veldwachter Bunze over den mosgrond aangestapt. Met groote verbazing en verontwaardiging aanschouwde hij de vernieling van zijn bosschen, maar hij wachtte nog even om te zien, wat Rob wel verder zou doen.

Toen de jongen nu in de kapel was, klom Bunze met buitengewone krachtsinspanning over het prikkeldraad en plaatste zich in de deuropening.

"Wat voer jij daaruit?!" riep hij met barsche stem.

Rob, die daarop in het geheel niet verdacht was, wendde zich verschrikt om en zei:

"O Bunze, wat laat je mij schrikken. Ik kwam hier maar eens even kijken, zie je."

"Zoo, en van wien heb je daarvoor permissie? Had je mij dat niet eerst behooren te vragen?"

"Ik wist niet, dat deze kapel van u was, Bunze."

"Wat, Bunze, Bunze! Jij brutale aap van een jongen! Mijnheer Bunze dan toch, hé?"

Rob kende den veldwachter wel zoo'n beetje, maar dit was nu toch wel wat al te dwaas.

"Mijnheer Bunze?" vroeg hij. "Nu mij best, mijnheer Bunze dan."

"Juist, zoo is 't beter."

"Jawel mijnheer Bunze."

"Wat heb je daar in die bus?"

"Planten, mijnheer Bunze."

"Hoe kom je daaraan!"

"Uit het bosch, mijnheer Bunze."

"Wat! Uit mijn bosch! Heb ik je daar permissie voor gegeven? Wacht, jou boschvernieler, jou plantendief, ik zal je leeren mijn bosschen te plunderen. Opsluiten zal ik je en ik verzeker je, dat ik den burgemeester ga waarschuwen!"

En de daad bij het woord voegende, sloeg de dikkerd de deur dicht en bond ze met het touw weer vast.

Daarop klom hij weer over het prikkeldraad en liep naar den burgemeester, trotsch als een beroemd detective, die een gevaarlijken misdadiger achter slot en grendel heeft doen brengen.

"Dat is ook wat moois," mopperde Rob, "nou zet die dikzak mij gevangen. Hij zal den burgemeester waarschuwen. Och kom, die zal er zich weinig van aantrekken, denk ik. Maar ik wou er toch maar liever weer uit! Het is lang niet gezellig hier."

Rob probeerde de deur open te duwen, maar het touw was dik en sterk.

De achterzijde van de kapel was open en alleen afgezet door een hekje. Rob zag den groenen vijver en de omringende boomen. Het was romantisch-mooi, maar Rob dacht op het oogenblik heelemaal niet aan romantische dingen, hij dacht er alleen maar over, op welke manier hij het spoedigst hier vandaan kwam. Maar er was geen kans tot ontsnappen.

Toen bedacht hij, dat Hans en Flip niet zoo heel ver hier vandaan konden zijn en misschien zijn roepen wel konden hooren.

Het eerste kwartier leverde dat roepen ook al niet veel resultaat op, maar eindelijk toch meende hij de stemmen van zijn broers te hooren.

En nu schreeuwde hij zoo hard hij kon:

"Hierheen, jongens! In de kapel!"

Hans en Flip vlogen over het prikkeldraad en hadden in een wip het touw van de deur losgemaakt.

"Hier ben ik!" juichte Rob.

"Wel alle bisschoppen!" riep Flip. "Speel je kluizenaartje?"

"Ken je begrijpen," zei Rob. "Buikje heeft me hier gevangen gezet."

"De veldwachter? Wat heb je dan uitgevoerd? En het is hier toch geen gevangenis?"

"Och, ik had gezien, dat er geen slot op de deur was en toen ben ik maar eens naar binnen gegaan. Daar komt me ineens veldwachter Buikie en roept: Wat voer je daar uit?"

"En jij schrok natuurlijk," zei Flip.

"Nou, dat snap je. Enfin, ik mocht hier niet in, ik mocht geen planten in het bosch zoeken, ik was een boschvernieler, een plantendief en hij zou alles aan den burgemeester vertellen."

"Toe maar, nog meer?"

"Nee, anders niet. Alleen moest ik voortaan mijnheer Bunze zeggen."

"Hahaha, dat is 't mooiste nog!" lachte Hans, "mijnheer Bunze."

"Vooruit jongens," zei Rob. "Nou kunnen we een grap beleven. We sluiten de deur weer netjes met het touw en stellen ons achter 't heuveltje op. Straks komt Buikje terug en dan zal je wat moois zien!"

"Ja, dat is goed," zei Hans. "En dan zal ik er nog een veel grooter grap op laten volgen."

Een kwartiertje daarna kwam de veldwachter terug. Hij had den burgemeester niet gezien. Den jongen in de kapel opgesloten te houden ging ook niet, dus ging hij dan maar den gevangene na een geduchte vermaning in vrijheid stellen.

Hans, Flip en Rob lagen achter het heuveltje, op ongeveer tien pas afstand van den ingang der kapel.

Veldwachter Buikje, wiens slechte stemming aanmerkelijk verbeterd was, sinds hij een gevangene had, klom weer over het prikkeldraad heen.

Hij grinnikte en sprak overluid.

"Haha, mannetje. Zit je er nog? Wacht maar, we zullen elkander eens even nader spreken. Ja, denk nou maar niet, dat je er zoo makkelijk afkomt, er zit wat voor je op. En ik zal je leeren mijn bosschen te beschadigen."

Met deze woorden maakte hij het touw los en opende de deur.

"Ziezoo jongeheer, kom nou maar eens hier."

De drie jongens knepen hun neus dicht om het niet van lachen uit te proesten.

Er kwam natuurlijk geen antwoord vanuit de kapel.

"Kom je haast voor den dag, deugniet!" riep Bunze.

't Bleef stil.

Wat drommel dacht de veldwachter, is de arrestant in slaap gevallen of hoe heb ik het nu?

Hij bleef echter zorgvuldig de deuropening bewaken en riep nu nog eens: