Part 3
Hans en Flip waren wilde rakkers en toch niet zoo ondeugend als Bobbie. Deze éénjarige jongeheer was véél kalmer, een heel stil ventje, maar buitengewoon lastig. Je kwam nooit met hem uitgepraat, hij liet je niet los, als je met hem begon te praten. Hij was een lief en aardig kereltje, o zeker, maar de dreumes maakte in stilte plannen en voerde ze dan uit ook, dingen, die den menschen een heelen hoop last bezorgden. Hij vond allerlei ondeugende streken uit, maar lachte er nooit zelf om.
Bobbie was altijd ernstig.
Hij hield veel van eten, van vechten, van honden en van vogels. Maar het meest hield hij van zijn vader en moeder.
Katten kon hij niet uitstaan. Als hij er een te pakken kreeg, greep hij het dier bij den staart, slingerde poes een paar maal in het rond en gooide haar dan van zich af. Met de dienstmeiden was hij meestal op voet van oorlog. Dat kwam, omdat hij, als hij er den kans toe had, de halve keuken naar buiten sleepte en dan met een hamer alles stuksloeg.
Alles, in de gangen en in de kamers, dat niet vaststond, nam hij mee naar buiten. En daar ging het dan onder den hamer. Vader had het hem al honderdmaal verboden, moeder al wel duizendmaal. Maar Bobbie scheen erg vergeetachtig en was den volgenden dag opnieuw met zijn hamer in de weer. Soms viel hij overdag, als hij in den tuin of het bosch speelde, in slaap. Dat was heelemaal niet erg, maar daarbij had hij de gewoonte, 's nachts urenlang wakker te liggen en dan allerlei zonderlinge geluiden te maken.
Dat was voor de slapenden niet prettig, erg lastig.
Bobbie sprak maar vier woorden: vajie en moejie, leja en akiboekie.
Dit Bokkenspaansch beteekende: Vader en moeder, lekker en leelijk. Alles wat Bobbie mooi vond of graag lustte, was "leja" en wat niet naar den jongenheer z'n smaak was, noemde hij "akiboekie." Meer woorden zei hij nooit en wilde hij ook niet zeggen. Want met de genoemde vier woorden kon hij best terecht. De rest deed hij met gebaren. Een kus van moeder was "leja" maar een kus van vader met z'n baard was "akiboekie." Verder maakte Bobbie zich nooit boos of driftig, hij huilde alleen maar als de dokter in huis kwam, anders nooit, en als hij niet lief en aardig was, dan was hij lastig, alleen maar lastig!
Hans en Flip geleken in bijna alles op elkaar, maar verschilden ook samen in alles evenveel als Bobbie.
Zij waren beiden even wild, even uitgelaten-vroolijk, even vlug in 't hardloopen en lachten om 't hardst om alle dwaze dingen van Bob. Zij bemoeiden zich echter maar weinig met hem, want Bobbie voelde zich vèr boven zijn broers verheven en wilde zich liefst maar alléén vermaken.
Tusschen Hans en Flip bestond een soort bondgenootschap, maar tusschen hen beiden en Bobbie was 't meestal oorlog.
Omdat zij alle drie nog te jong waren, gingen zij niet op school. Er was te Baarn wel een bewaarschool, maar ik liet mijn kinderen liever in het bosch spelen, dat was veel gezonder voor hen. Bovendien moesten zij alle middagen een uurtje slapen. Dat slapen ging met Hans en Flip niet zoo gemakkelijk als met Bobbie. Bob kon om zoo te zeggen slapen als hij wou, dat kwam misschien wel, doordat hij zooveel at en zoo dik was. Maar Hans en Flip waren heel niet slaperig uitgevallen en 't kostte moeder heel wat moeite, die twee des middags een uurtje te laten rusten.
Op een dag, dat de leerlingen met hun onderwijzer voor een uur de schoolbanken verlaten hadden om in het bosch wat te spelen, stapte kleine Bobbie het huis uit, wandelde den heuvel af en stak den straatweg over, die dwars door het bosch liep. Toen sloeg hij het grintpad in, dat naar de school leidde en trad binnen. Hij deed dat zoo kalm en zoo zeker, alsof iemand hem gezegd had, dat hij dit moest doen.
In 't eerste lokaal bleef hij staan en stak zijn vinger in den inktpot. Dat zijn vingertje toen heelemaal zwart was, vond hij vreeselijk pràchtig.
Daarop stak hij den vinger in zijn mond, hij wilde eens proeven, of dat zwarte goedje ook lekker smaakte. Maar dat viel niet mee. Hij trok een leelijk gezicht en zei: "Akiboekie."
Toen scheen de gedachte in zijn kleine hersentjes op te komen, dat de andere kinderen dit zwarte drankje maar liever niet moesten drinken. En daarom wipte de kleuter den inktpot er uit en goot dien leeg op den grond.
Zoo deed hij met alle inktpotten.
Na dit zware werk verricht te hebben, wandelde hij doodbedaard door de inktplassen en gleed uit.
Hij viel met zijn neus in den morsboel. Zijn witte boezelaar zag er nu bijzonder mooi uit, vond hij. Hij smeerde ook zijn bloote beentjes er mee vol en stapte aldus toegetakeld weer naar buiten. Bobbie vond dat hij nu in school genoeg geleerd had en ging eens op den straatweg kijken.
Daar kuierde een groote tor over de steenen. Bobbie ging erbij zitten om eens te zien, of de tor niet op zijn schoot wilde zitten. Toen kwam er in de verte in razende vaart een automobiel aan. De heer, die de auto bestuurde, zag het kleintje midden op den weg zitten.
Hij toeterde uit alle macht.
Bobbie was verdiept in 't beschouwen van de zwarte tor.
De auto toeterde, de heer zwaaide met zijn arm.
Bobbie zag de auto wel, en den mijnheer, die zoo tegen hem zwaaide, zag hij ook wel. Maar hij vond het heelemaal niet noodig, een eindje op zij te gaan. De heer in de auto rèmde, zwaaide nogmaals zijn arm.
En Bobbie zwaaide vriendelijk terug.
Toen schoot de vreemde heer in een lach. Hij liet de automobiel stilstaan, stapte er uit en droeg Bobbie, dat zwartgezicht naar een kant van den weg. En daarna reed hij weer verder.
Kleine Bob had ondertusschen de zwarte tor uit het oog verloren, maar scheen zich opeens te herinneren, dat hij vandaag nog geen bezoek had gebracht aan de keuken. Hij had vandaag nog niets stukgeslagen, en daarom werd het hoog tijd eens wat op te zoeken, dat erg mooi in stukken kon vliegen.
Met dit goede voornemen klom hij het heuvelpad weer op, dat naar zijn huis leidde, toen opeens Hans en Flip in vliegende vaart op hun rolwagentje van boven kwamen aanrijden.
Er was geen haar op Bobbie z'n hoofd, dat er aan dacht, ook maar één stap op zij te gaan. En nu kwam het rolwagentje recht op hem af, zoodat het tegen hem aanbonsde en omsloeg.
Er rolden nu vier dingen den heuvel af: het rolwagentje, Hans, Flip en Bobbie.
Dat heele stelletje ging holderdebolder naar beneden en toen er niets meer te rollen was, omdat de weg beneden weer effen was, kropen ze allemaal overeind, behalve het rolwagentje. De vierjarige Hans vond het niemendal mooi van Bobbie, om expres midden in den weg te gaan staan en hun mooie rutschbaan te bederven.
Hans was spin-nijdig.
En de driejarige Flip gaf zijn éénjarige broertje een klap. Maar Bobbie was ook niet van gisteren, die zette zijn tien nagels in Flip's gezicht en zei: Leja!
Flip werd daardoor buiten gevecht gesteld en Hans vond dat per slot van rekening zóó kranig van zijn jongsten broer, dat hij weer vriendschap sloot. Hij zette den rolwagen weer overeind en zei tot Bobbie:
"Ga d'r maar in zitten!"
Ja, dat vond Bobbie aardig en zelfs Flip hielp mee, den kleinen dikzak in het wagentje te hijschen. Hij en Hans trokken de equipage voort over den boschweg, wat zeer naar genoegen was van den kleinen schelm, die maar aanhoudend "Leja, Leja!" riep. De kinderen dwaalden al verder het bosch in, hielden af en toe eens halt en raapten dan allerlei schoone dingen op. Vooral spar-appels en plakjes mos. Die vonden zij altijd verbazend mooi: Bobbie probeerde of hij spar-appels kon opeten, maar dat beviel hem al heel slecht en hij zei: "Akiboekie." Ook een paar torren en rupsen werden in den wagen geladen, waar de beestjes aldra lustig rondkropen over het mos en Bobbie's beenen.
Zoo scharrelden de drie broers al verder en verder, en eindelijk hadden ze de Koninginnelaan bereikt. Hoe of het nu precies gegaan is, zou ik je onmogelijk kunnen zeggen, maar in elk geval schijnt de rolwagen omgeslagen te zijn. Dat Bob er uitgevallen is, zal wel zoo klaar als koffiedik zijn. Ze zijn toen met hun drieën tusschen de boomen gaan spelen. Nu reed er toevallig door het bosch een rijtuig van het paleis. Als de Koningin niet uitreed, moesten toch de paarden hun dagelijkschen wandelrit maken, en juist bij den hoek van de Koninginnelaan gingen de wielen van het rijtuig over het rolwagentje heen.
De koetsier hield stil en raad eens, wat hij deed? Hij vond het wat heel hard om de drie peuters met hun gebroken wagentje aan hun lot over te laten en stopte toen 't heele gevalletje in het rijtuig.
Stel je nu onze verbazing voor, toen me daar een hofrijtuig kwam aanrijden met drie kwajongens er in! Dat wij den koetsier hartelijk bedankt hebben voor het terugbrengen van de drie zwervers, behoef ik jullie niet eens te zeggen. Ziezoo, en dit heb ik je nu maar eens verteld, omdat ik voor vanavond geen ander verhaal wist.
Er was heel wat gelachen door de jongens en meisjes, en de drie jolige broers werden van verschillende kanten geplaagd met die avonturen. Vooral Robert. Er werd al door de meisjes besloten, om hem voortaan Bobbie te noemen.
Bobbie, Bobbie! klonk het uit den meisjes hoek. Maar Rob wierp ze een vernietigenden blik toen en zei: "Stumpers!"
"Allons, jongelui!" besloot mijnheer Bergwoude, "de klok slaat negen uur. Naar bed, naar bed!"
De jongens en meisjes gingen naar hun kamers, om morgen vroeg weer den heerlijken Zondag te kunnen genieten. De overigen bleven nog wat praten voor het huis.
En weldra heerschte er rust en stilte op Sparrenheide.
VIJFDE HOOFDSTUK.
IN DEN NACHT.
Hans, Flip en Rob sliepen op één kamer. Tegen drie van de vier muren stond een ledikant, de vierde wand had glazen deuren, die naar het balcon leidden.
Het was een verrukkelijke zomernacht geen windje suisde door het bosch, geen blaadje bewoog.
Flip sliep onrustig. Hij had de dekens van zich afgeworpen en draaide zich van de eene zijde op de andere.
Opeens schrok hij wakker en kwam overeind. Hij wreef zijn oogen eens uit en keek de kamer rond. De broers sliepen als marmotten, 't was doodstil.
"Ben ik nou wakker of slaap ik?" mompelde Flip in zichzelven, "ik ben een olienoot als ik het weet. Hè ... is me dat schrikken! Maar ik zou wel eens willen weten, waarvan ik eigenlijk geschrokken ben! Ik heb bepaald gedroomd, dat ik uit een vliegmachine viel en op de punt van de Gedenknaald terecht kwam. Enfin, ik geloof wel, dat ik nou wakker ben."
Flip had altijd de gewoonte met zichzelven heele gesprekken te voeren. Hij deed dan precies of hij tegen een ander sprak en gaf zichzelf dan ook steeds antwoord.
"Komaan," zei hij, "ik geloof, dat ik een beetje hoofdpijn heb. Het is dan ook verbazend warm in bed. Het zal een prachtige nacht zijn, weet je wat, ik ga een luchtje happen op het balcon, dan zal de hoofdpijn ook wel zakken."
Daarop trok hij wat kleeren aan, stak zijn voeten in pantoffels en opende zoo zacht mogelijk de balcondeuren.
Inktzwart lag het bosch voor hem, wat lichter boven de boomen was de hemel met de flonkersterren als diamanten op fluweel. Doodsche stilte hing over heel de omgeving. Flip hoorde hier het tikken van de Friesche hangklok, beneden in de gang. Hij leunde een poosje over de balustrade van het balcon en genoot van den heerlijken zomernacht. Toen wandelde hij eens om het huis heen, wat gemakkelijk ging, daar het balcon de woning geheel omringde. Overal sliepen de kostleerlingen, overal was 't geheel donker, alleen op de kamer van juffrouw Wieler sputterde een nachtlichtje. Van de jongenskamers stond één deur op een kier.
"Die hebben 't ook bepaald warm," mompelde Flip en wandelde onhoorbaar verder. Toen kwam hij weer bij zijn eigen kamer en bleef daar nog even naar de sterren kijken. Wat was dat toch een prachtig gezicht. Jammer dat de maan er vannacht niet was. Dan zou...
Er kraakten takken in het bosch, dichtbij het huis.
Wat nu?
Flip luisterde scherp.
Het kwam van de andere zijde van 't huis.
Weer gekraak... toen voetstappen van iemand die voorzichtig over het grint van den tuin liep, om geen onnoodig leven te maken.
Maar in den stillen nacht toch duidelijk te hooren.
Flip was niet bang uitgevallen, om den drommel niet, en hij stond zijn man als 't op een eerlijke vechtpartij aankwam. Maar in dit nachtelijk uur maakte het zonderlinge geluid hem toch wel wat zenuwachtig. Niettemin besloot hij voorzichtig te gaan zien, wie daar in den tuin wandelde.
Een andere gedachte stelde hem weer gerust. Wel, evengoed als hij kon toch ook iemand anders uit het huis de buitenlucht opgezocht hebben, omdat het binnen te benauwd was? Och wel ja, zoo zou 't wel zijn.
Om den hoek van 't balcon bleef hij staan en keek over de balustrade in den tuin.
Wat hij dáár zag, verschrikte hem opnieuw.
Het balcon werd door houten palen ondersteund. En nu klom er iemand tegen een der palen omhoog.
Flip kon maar ternauwernood in 't duister de donkere gedaante onderscheiden.
Een hand greep de leuning, er verscheen een hoofd... en langzamerhand heesch de donkere gedaante zich over de balustrade.
Het was een jongen.
Maar een vreemde jongen was het niet, hoewel Flip door de duisternis en den afstand onmogelijk kon onderscheiden, wiè het was. De jongen opende voorzichtig de balcondeur, die op een kier stond, en verdween in zijn slaapkamer, waarna hij de deur geheel sloot.
Daarna werd het weer doodstil.
Zonderlinge gevoelens en gedachten bekropen Flip.
Wat had dat te beteekenen? Waarom kwam die jongen zoo midden in den nacht op zulk een steelsche wijze het huis in?
En wie was het?
Flip wist maar niet, wat hij ervan denken moest. Tallooze vragen drongen zich herhaaldelijk aan hem op. Maar het eenigste, wat hij wist, was dat een der jongens van kamer No. 9, dit had hij goed gezien, in den nacht het huis binnenklom en er dus ook wel op dezelfde manier uitgegaan zou zijn. Nu was de vraag: deed hij dat elken nacht of was het slechts voor dezen éénen keer? Of gebeurde dat alleen des Zaterdags? Flip besloot om er voorloopig maar niets van te zeggen en liever eerst eens uit te kijken, of de jongen dat ook meer deed. Hij wachtte nog eenige minuten of misschien nog iets gebeuren zou, maar toen alles stil bleef en hij weer behoefte aan slaap begon te voelen, ging hij zijn slaapkamer binnen en strekte zich in zijn bed uit.
Nog even dacht hij over het gebeurde na, maar zijn jonge lichaam had nog te veel slaap noodig en het duurde niet lang, of hij snurkte weer even hard als zijn broers en droomde van Indianen en bleekgezichten en hofrijtuigen dat het een aard had.
ZESDE HOOFDSTUK.
BAREND VAN DE LAGE VUURSCHE. NACHTELIJKE VERVOLGING.
Wanneer je van Instituut "Sparrenheide" een kwartiertje den grintweg volgde in Westelijke richting, dan kwam je van zelf in de uitgestrekte bosschen van het kasteel Groot Drakenstein in de gemeente De Vuursche. 't Was daar nog een echte wildernis met verborgen holen en spelonken, vijvertjes en beekjes, onderaardsche gangen en geheimzinnige hoekjes. Werden de Baarnsche bosschen angstvallig-netjes onderhouden, boompjes gesnoeid, de paden zelfs bijgeveegd of 't kamervloeren waren, in de bosschen van de Vuursche ging de natuur haar eigen gang en tooverde er de meest romantische plekjes. Voor de jongens en meisjes van Sparrenheide was dan ook het bosch van Drakenstein een paradijs van genot! Want je had er behalve de reeds genoemde heerlijke dingen nog een oeroude kapel, de Hermitage, die er ongeveer 1650 werd neergezet. Dit steenen gebouwtje staat zóó diep in het groen verborgen, dat men wel precies den weg moet weten, om het te vinden. Het ligt aan den vijver, die geheel met kroos is bedekt en omringd is door oude beuken en sparren. De achterzijde komt op dat vijvertje uit. Van dien kant gezien lijkt de kapel een eeuwenoude ruïne, terwijl aan de voorzijde de gevel nog vrijwel in zijn geheel staat. En je had er de Grot, een gemetseld gewelf, waarin vroeger een kluizenaar moet gewoond hebben, die echter nooit door iemand is gezien, voorts een prachtige echo, een vischkom en tal van donkere, begroeide slingerpaden.
Kon er heerlijker omgeving zijn voor een troep vroolijke jongens en meisjes? Waar kon men mooier spelletjes verzinnen dan temidden van al die heerlijkheden?
Jammer, dat er bij al dat moois toch nog iets leelijks was, of liever gezegd, iets, dat er maar beter gemist had kunnen worden. Aan den dorpsweg van de Vuursche, een groep eenvoudige woningen met een kerk, een school en een logement er tusschen, stond een klein huisje, waarin een veertigjarig man met zijn zoon woonde.
Die man heette Ranke en was een zeer berucht strooper. In de bosschen van Drakenstein vindt men tallooze konijnen, zelfs wat herten, maar het spreekt wel vanzelf, dat die er niet waren om door stroopers geschoten en verkocht te worden. De veertienjarige zoon heette Barend en beloofde het waardig evenbeeld zijns vaders te zullen worden. Nauwelijks zes jaar oud, was hij overgelaten aan de zorgen van zijn vader, maar die keek ternauwernood naar zijn zoontje om. De kleine Barend was al blij, als hij het overschot van vaders brood mocht opeten en geen slaag kreeg. En Ranke vond, dat hij al bijzonder goed en vaderlijk het kind behandelde, door hem 's morgens een stuk brood te geven met af en toe een pak slaag.
Deze vreemde manier van opvoeden had tengevolge, dat Barend meer buiten- dan binnenshuis te vinden was. Zomer en winter, bij regen en ontij zwierf hij door de bosschen en langs de woningen. Hier en daar deed hij dan wel eens een boterham of een bord warm eten op en als hij 's avonds niet thuiskwam, dan sliep hij wel ergens in een stal of in een hooiberg. Hij werd een rechte wildeman, hoewel hij werkelijk geen slecht karakter had. Het ongeregelde leven, dat hij leidde, was er de schuld van, dat hij heelemaal verwilderde. Bovendien was het gezelschap, dat zijn vader vaak meebracht in de kleine woning, ook niet bijzonder geschikt om Barend wat fatsoen en netheid te leeren. Want de vrienden van Ranke waren eveneens geduchte stroopers, die er tevens van hielden, sterken drank te drinken en om geld te spelen.
De dorpsbewoners hadden er den vader al meermalen opgewezen, dat hij den jongen naar school moest zenden. En inderdaad had Ranke zijn zoon op zekeren dag erheen gebracht. Maar de meester kon weinig of niets beginnen met het wilde boschkind.
Barend, ofschoon toen nog pas acht jaar, was zóó ongemanierd en ruw, dat hij inderdaad een gevaar voor de andere leerlingen werd.
Hij spuwde tegen het bord, waarop de meester nieuwe sommen had geschreven, hij trok zijn buurman de haren uit het hoofd en sloeg hem half dood. Hij schopte de papiermand door de klas en schold den meester uit voor alles, wat leelijk was. Maar dan greep de meester hem stevig beet en zette hem buiten de school. Een oogenblik later werd er een ruit ingegooid of een hoop modder door 't open raam geslingerd. En telkens weer opnieuw had de meester het met hem geprobeerd.
Totdat het op een keer te erg was geworden.
Toen de meester even zijn klasse had verlaten en één der grootste jongens ervóor had gezet om toe te zien, was Barend opeens uit zijn bank gesprongen. Hij gaf den jongen, die met een griffel en een lei in de hand voor de klasse stond, een schop, dat-ie wel over zes banken tegelijk heenvloog en ging toen zelf op de voorste bank staan. Met meesters dikken stok stond hij dreigend voor de kinderen en schreeuwde:
"Nou allemaal naar huis! Vooruit, het is vacantie!"
Maar de kinderen durfden natuurlijk niet uit hun banken gaan.
"Vooruit! Opgerukt!" schreeuwde Barend en hij begon er zóó geweldig met den stok op los te timmeren, dat hij binnen vijf minuten de heele klas de deur uitgeslagen had! Dat was al te erg geweest en na dien tijd had Barend geen voet meer in school mogen zetten.
Het gevolg daarvan was, dat het er met zijn geleerdheid droevig uitzag. Hij kon in het geheel niet lezen of schrijven. Omdat Barend zoo vreeselijk dom was, kon hij ook niet slecht zijn. Hij was, wat zijn vader en het wilde leven van hem hadden gemaakt.
Want Barend hoorde vaak van de andere dorpsjongens, dat zij mooie boeken konden lezen en brieven schrijven, dat zij konden rekenen met groote getallen en allerlei mooie en nuttige dingen kenden. Als Barend dan alleen in het bosch dwaalde of heel gemoedelijk met een hert te praten zat, dat hem al jaren kende en in het geheel niet schuw was, dan verlangde hij ernaar, ook te kunnen lezen en schrijven.
Maar de meester wilde er niets meer van weten en niemand op het heele dorp geloofde dan ook, dat er in Barend nog iets anders zat, dan ruwheid en slechtheid. Intusschen leefde Barend maar dag in dag uit in de bosschen. Hij kon met de vogels meefluiten, door langdurige oefening deed hij hen zóó precies na, dat zij hem voor een collega hielden; hij lokte de eekhoorntjes naar zich toe en floot de woudduiven, de herten gaf hij namen en als hij riep, kwamen ze van verre aangeloopen. Dan gaf hij ze een korst brood en liefkoosde ze.
Dat waren zoo zijn alledaagsche, maar ook zijn éénige vrienden.
In den laatsten tijd bemerkten de bewoners van de Vuursche iets bijzonders aan den jongen.
Men zag hem 's avonds nooit meer ergens inkruipen om er te slapen en het leek wel--hoe was het mogelijk--dat de wildeman een beetje fatsoenlijker begon te worden. Eerst had iemand hem door het bosch zien gaan met een gewasschen gezicht en gekamde haren!
Het heele dorp had ervan overeind gestaan.
Toen had een ander hem ontmoet met een behoorlijk pak kleeren aan... en kousen en schoenen!
Wat gebeurde er toch met den wilden jongen en wie had hem zoo onverwachts al dat goede geleerd?
Heel de omgeving sprak erover.
Maar niemand wist het.
Zooals Flip zich had voorgenomen, had hij ook gedaan. Tegen niemand dus had hij iets gezegd, want hij wist in de eerste plaats niet, wat er eigenlijk gebeurde, wiè de uit- en inklimmer was en bovendien hield hij er heelemaal niet van, om een ander te verraden, zonder te weten, wat deze nu wel eigenlijk had misdaan.
Maar in stilte had Flip toch het plan gemaakt, om vanavond eens op den uitkijk te gaan zitten en te zien, wie van kamer negen die nachtelijke uitstapjes maakte. Hij had heel den dag al de drie kamerbewoners, Hein Veere, Piet Broeser en Jacob Heintze goed in het oog gehouden, maar niets bijzonders opgemerkt.
Alle drie waren uitstekend oppassende jongens en geen van hen zag er naar uit, of hij iets verborg, dat anderen niet mochten weten.
Inplaats van naar bed te gaan, zei Flip aan Hans en Rob, dat hij nog wat op het balcon bleef, hij had weer een beetje hoofdpijn. De broers wenschten hem beterschap en gingen rustig slapen.
Terwijl Flip in een donkeren hoek van het balcon gedoken zat, totaal onzichtbaar in de duisternis, hield hij de oogen gericht op de balcondeur van kamer negen.
Maar de uren verstreken en er gebeurde niets.
Dus ... de jongen ging toch niet elken avond er op uit?
Flip vond, dat hij voor ditmaal lang genoeg had gewacht en ging onverrichterzake naar bed met het voornemen, den volgenden avond weer op wacht te gaan.
Den tweeden avond ging hij dus weer en zei nu aan de broers, dat hij toch de eerste uren maar wakker lag en dus liever nog wat in de frissche lucht bleef.
"Ga je nou weer op 't balcon staan," vroeg Hans verbaasd, "wat vind ik dat gek."
"Voor mijn part vind-je 't krankjorum," zei Flip, "maar daarom doe ik het toch."
"Hij wil sterrekundige worden," zei Rob.
"Nou, weet je wat," zei Hans. "Ik blijf je voor de gezelligheid een beetje gezelschap houden."
"Neen, neen," zei Flip, "dat is heelemaal niet noodig. Ik kan je niet gebruiken."
"O, moet mijnheer alléén zijn? Mag ik er niet bijwezen?"
"Liever niet."
"Zoo. Maar wat gebeurt er dan 's avonds op het balcon?"
"Gebeuren? Wel, niets. Gebeurde er maar wat. Het is doodstil en nog al vervelend."
"Ga dan ook naar bed."
"Merci, ik slaap tòch niet. En zanik nou asjeblieft niet langer en kruip in je mandje."
"Boe-boe, wat een drukte. Nou blijf ik lekker op," zei Hans.
"Je doe maar," zei Flip. "Maar dan ga ik in den tuin."