Instituut Sparrenheide

Part 2

Chapter 23,971 wordsPublic domain

Rob kwam nog wat nader en toen pas scheen het oudje hem te bemerken.

"Is... is u soms wat verloren?"

Het arme moedertje veegde de tranen uit haar oogen en knikte.

"Och, jongeheer," zei ze snikkend, "ik weet geen raad. Mijn zoon had geld gestuurd, tien gulden. En nu was ik naar Baarn gegaan, om wat boodschappen te doen.... en nu heb ik 't briefje verloren. Ik heb zoo gezocht, zoo gezocht. Maar ik kan het niet meer vinden. Och, och, wat zal mijn jongen wel zeggen! Hij heeft het voor zijn moeder overgespaard. Vier weken had ik er mee moeten rondkomen. Tien gulden, ach, en het is zoo'n lange weg naar De Vuursche."

"Woont u daar?" vroeg Rob deelnemend.

"Ja, jongeheer. Ik zal maar weer naar huis gaan. En onderweg nog eens goed zoeken. Och, och, wat ben ik toch ongelukkig..."

Opeens kreeg Rob een goed idee.

"Wij zullen wel helpen zoeken," sprak hij. "Bij het begin van de Sophialaan staat een troep jongens. Wij zijn aan het spelen. Wij zijn bleekgezichten, weet u."

"Bleekgezichten, jongeheer? U ziet er anders heelemaal niet bleek uit. U hebt een gezonde kleur. Als melk en bloed."

"Ja," zei Rob lachend, "maar zoo meen ik het ook niet. De Indianen noemen ons bleekgezichten. De jongens van Baarn zijn de Indianen. Hebt u ze niet gezien?"

De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd.

"Nou maar," vervolgde Rob, "als u nou bij die jongens daar vraagt naar Hans, dat is mijn broer, dan moet u hem maar eens vertellen, dat ik gezegd heb, dat ze u moeten helpen zoeken. De jongens hebben allemaal witte banden om den arm."

't Vrouwtje knikte hem dankbaar toe voor de aangeboden hulp en strompelde terug.

Rob zette zijn weg voort tot hij kwam aan de Reigers laan, in de nabijheid van het Boterbergje. Daar drong hij het kreupelhout in tot op tweehonderd meters afstand van het heuveltje. Hij hield zich doodstil tusschen de struiken en bespionneerde den top van het bergje. Neen, de Roodhuiden zouden wel niet zoo dom zijn, om zich boven op den top te legeren... of waren zij nog niet tot hier gevorderd?

Rob loerde en loerde, maar de dichte eikebladeren beletten hem het uitzicht. Hij duwde met den arm de takken terzijde en stak zijn hoofd boven het groen uit.

Op dit oogenblik bemerkte Arendsoog hem.

Maar toen deze met Tijgerklauw en Vuurstraal op hem afkwam, had Rob toch gauw gezien, dat hij ontdekt was. Hij rende, zoo gauw als de struiken dit toelieten, naar het achter hem gelegen dennenbosch, maar onder die vlucht bedacht hij, dat de dicht op elkaar staande stammen hem teveel zouden tegenhouden. En daarom besloot hij van een list gebruik te maken. Hij zou net doen alsof hij in het bosch vluchtte, en ook werkelijk een paar stappen tusschen de eerste stammen doen, zoodat zijn vervolgers, die nog wel een dertig meters achter hem waren, hem duidelijk konden zien.

Zoo deed hij.

Maar na een paar stappen gedaan te hebben, liet hij zich plotseling vallen en kroop snel terug naar het kreupelhout, waar hij een uitstekende schuilplaats vond.

Toen Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal eenige oogenblikken later den rand van het bosch bereikten, was er van den vluchteling geen spoor meer te ontdekken.

"Hugh!" zei Arendsoog tot zijn makkers, "is het bleekgezicht dan een geest, die in de lucht verdwijnt?"

"Of heeft de witte man tooverkruiden ingenomen, waarmede hij zich onzichtbaar maakt?" vroeg Tijgerklauw.

"Mijn roode broeders dwalen," zei Vuurstraal, "het bleekgezicht heeft geen tooverkruiden en is ook geen geest, maar hij heeft verstand. Zie, het woud is dicht en ondoordringbaar. De slang en de wolf loeren op hun prooi. Daarom is de blanke verspieder niet in het bosch gegaan."

"Arendsoog hééft hem het woud zien betreden," sprak het opperhoofd op deftigen toon, "en het oog van den arend vergist zich nimmer."

"Het opperhoofd der Mohikanen spreekt als een man," zei Tijgerklauw, "maar onze broeder heeft gelijk. De vluchteling is niet verder het woud ingegaan dan wij."

"Hugh! Waar is hij dan?"

"Vuurstraal weet het niet, maar begrijpt het. Het bleekgezicht verbergt zich voor de roode krijgers in het struikgewas."

En met deze woorden ijlde de jonge Indiaan het kreupelhout in, waar opeens beweging en leven in kwam. Opnieuw werd het wild opgejaagd en nu precies in de richting van de plek, waar de Mohikanenstam gelegerd was. Het duurde dan ook niet lang, of Rob liep als het ware in de armen zijner vijanden.

Tegen zulk een overmacht was hij niet bestand en ondanks al zijn rukken en worstelen werd hij gevangen genomen. Maar hoe de Indianen hem ook dreigden te scalpeeren, hij wilde volstrekt niet zeggen, waar zijn kameraden waren.

De roodhuiden hielden krijgsraad. Zij zaten in een kring gehurkt en keken naar Arendsoog, die met bezorgd gelaat om zich heen staarde.

"Het bleekgezicht is een verspieder," sprak hij. "Hij wil zijn mannen gaan zeggen, dat de Roodhuiden den Boterberg bezet hebben. Maar Arendsoog is een wijs opperhoofd. Als het bleekgezicht hem zeggen wil, hoe groot het aantal zijner witte broeders is, zal de Mohikaan genade voor recht laten gelden. Dat de gevangene spreke!"

Maar Rob aan handen en voeten gebonden met een lasso, weigerde eenige inlichting te geven.

"Het jonge bleekgezicht is wel moedig, maar niet verstandig," zei Arendsoog.

Daar klonk opeens het geschreeuw van een kraai door het bosch!

"Kàrr... Kàrr!!"

En eer de roodhuiden het verhinderen konden, gaf de gevangene het antwoord:

"Kàrr... Karr... Kàrr!"

"Verraad!" schreeuwde Tijgerklauw.

"Voorwaarts, dappere krijgers!" riep Arendsoog, "daarginds is de vijand! Dood aan de bleekgezichten!"

En de woeste Indianenhorde stormde het bosch in naar den kant vanwaar het signaal gekomen was.

"Ik begrijp er niets van," zei Generaal Hans tot zijn broer Flip. "Rob is al meer dan een half uur weg en wij zien hier nog geen Indiaan. Zouden ze hem te pakken hebben?"

"Misschien zit-ie heel kalm ergens een bloem te determineeren," zei Flip.

"Dat geloof ik niet, want ik heb hem juist nog goed op het hart gedrukt, om dat nu maar eens over te slaan en alleen uit te kijken naar de roodhuiden."

"Ik wou, dat ze maar kwamen," zei Flip, "dan kregen we tenminste wat te doen. Ik verveel mij een aap."

"Met jouzelf meegerekend zijn dat dan twéé apen."

"Zoo, baviaan. Maar je moest er mij eens op uitsturen, om Robberdebob op te snorren. Wie weet, waar dat heerschap zit."

"Als hij maar niet gevangengenomen is. Weet je wat? Ik moet natuurlijk hier blijven. Een generaal kan zijn leger niet in den steek laten. Maar ik zal je twee soldaten meegeven en je gaat Rob zoeken. Dat is dan een patrouille."

Een oogenblik later was commandant Flip met twee man Rob achterna gegaan. Daar het bosch maar heel weinig betreden wordt, konden de jongens heel duidelijk de versche voetsporen van hun voorganger volgen. Maar toen die voetstappen bij den viersprong van de Reigerslaan opeens in het kreupelhout verdwenen, was het spoor van Rob niet meer te volgen.

"Ik ben een citroenschil als ik weet, hoe we Rob nou moeten vinden," zei Flip.

"En we zitten hier natuurlijk vlak bij de Roodhuiden," waarschuwde Hein Veere, een der Sparheiders.

"Kan je niet 's roepen?" opperde de ander, die Piet Broeser heette.

"Daar zeg je zoowat," zei Flip. "Ik zal een kraaienschreeuw geven.--Kàrr... kàrr!!"

En daar klonk het wat verder: "Karr--karr--karr!"

"Stil!" sprak Hein, "ik hoor het geschreeuw van de Indianen. Zij komen hierheen!"

Het geluid van vele voetstappen kwam snel nader. Flip en zijn twee mannen kropen in 't dichtste deel van het kreupelhout.

Een oogenblik later holde een woeste Indianentroep van wel twintig man voorbij de plek, waar de bleekgezichten verscholen lagen. Deze hielden zich doodstil, want men kon nooit weten of niet meerdere zouden volgen. Maar er kwam niemand meer. De Indianen waren blijkbaar in de meening, dat de vijanden veel verder verwijderd waren dan inderdaad het geval was. Maar--waar bleef Rob?

Flip waagde zich aan den rand van het kreupelhout. Aan het einde van de laan stonden de Roodhuiden besluiteloos te kijken. Nu moest een poging gewaagd worden om zijn broer te verlossen!

"Kom mee!" zei Flip, en gedekt door de struiken ijlden zij naar het Boterbergje.

In de algemeene opwinding was Rob door de Roodhuiden aan zijn lot overgelaten. Het plotselinge signaal der bleekgezichten had hen in den waan gebracht, dat zij door een sterke macht bedreigd werden. Ondertusschen lag Rob aan handen en voeten gebonden aan den voet van het Boterbergje. Zoo vond zijn broeder hem.

"Vlug, vlug!" zei Flip, terwijl hij de lasso doorsneed, waarmee Rob geboeid was. "We moeten gauw hier vandaan, want de Roodhuiden zullen in een oogenblik weer hier zijn!"

Dat behoefde hij Rob geen tweemaal te zeggen.

De jongens maakten, dat zij wegkwamen, maar nauwelijks hadden zij den viersprong bereikt en wilden dien passeeren, toen een der daar dwalende Indianen hen bemerkte.

De Roodhuid liet een doordringenden kreet hooren.

En onmiddellijk daarop stormde de heele bende voorwaarts, de bleekgezichten achterna. Arendsoog voorop, onmiddellijk gevolgd door Tijgerklauw en Vuurstraal, zaten ze weldra de vluchtelingen op de hielen.

Maar generaal Hans had het rumoer in 't bosch gehoord. Snel als de wind verzamelde hij zijn soldaten en snelde de Roodhuiden tegemoet om zijn makkers te ontzetten. Nog één oogenblik... en de drie verkenners waren met den bevrijden Rob weer veilig tusschen de kameraden.

De Indianen kwamen aanstormen, het werd een gevecht van man tegen man. Maar de bleekgezichten telden maar vijftien man, terwijl de Roodhuiden over ruim twintig te beschikken hadden. Al worstelende en vechtende werden de blanken achterwaarts gedrongen, steeds meer en meer teruggedreven. De aanvallen der woeste Mohikanen waren zóó onweerstaanbaar hevig, dat van tegenhouden bijna geen sprake was.

De blanken werden teruggedreven tot onder de muren van het fort Sparrenheide.

Daar kregen ze opeens versterking van de jonge garde, die het fort bewaakte. Met deze nieuwe krachten ondernamen ze nu een uitval, die de Roodhuiden niet verwacht hadden en waardoor deze een flink eind teruggedreven werden.

Nu omsingelden de Indianen de school, die als fort dienst deed en het beleg begon.

Arendsoog bond zijn zakdoek aan een stok en trad naar voren.

Generaal Hans deed hetzelfde.

Daar stonden de twee machtige opperhoofden tegenover elkaar.

"Hugh!" zei de Indiaan. "De dappere Arendsoog is gekomen om met het opperhoofd der bleekgezichten te spreken."

"En wat verlangt mijn roode broeder?" vroeg de generaal op denzelfden deftigen toon.

"De Mohikanen zijn een vreedzaam volk," sprak Arendsoog, "zij jagen in de bosschen en rooken den vredespijp. Maar de bleekgezichten zijn gekomen en hebben den rooden man uit zijn bosschen verjaagd, om die in bezit te nemen. Onze dapperste krijgers hebben zij gedood met hun vuurwapens. Waar is de Witte Bison? Waar is de Koningstijger? Waar is de Prairie duivel? Het bleekgezicht heeft ze doodgeschoten. Maar Arendsoog is het hoofd van den stam der oude helden, Arendsoog zal de gevallen krijgers wreken. De witte man moet zijn steenen huis aan de Mohikanen overgeven."

Generaal Hans keek den Indiaan ernstig aan.

"Arendsoog wil den oorlog," sprak hij, "maar de witte mannen willen dien niet. Zij willen in vrede leven met die oude krijgers der Mohikanen. Het fort behoort aan ons. Wij zullen het verdedigen als de roode mannen het ons ontnemen willen."

"Hugh!" riep Arendsoog op minachtenden toon, "de roode krijgers zullen komen. En vóór het groote licht verduisterd wordt, zullen zij het bleekgezicht verdreven hebben."

En met een trotsch gebaar keerde het opperhoofd naar zijn krijgers terug.

Bijna oogenblikkelijk daarop werd de aanval door de Roodhuiden met buitengewone hevigheid ondernomen. Maar met niet minder dapperheid streden de Sparheiders. De Indianen wonnen geen duimbreed grond, werden zelfs af en toe teruggedreven.

Het werd inmiddels al later en later en de vechtenden werden vermoeid. Vooral de Indianen, die zich buitengewoon hadden ingespannen waren nauwelijks meer tot aanvallen in staat.

Generaal Hans zag dat zeer goed. Hij verzamelde al zijn soldaten op één punt en joeg er zóó verbazend snel op de Roodhuiden in, dat deze niet langer konden standhouden en onder het triomfeerend "hoera!" der Sparheiders op de vlucht werden gedreven.

Toen klonk opeens een mannestem:

"Bravo jongens! Het fort is prachtig verdedigd! Komt nu allemaal hier! Hans, Flip, Rob, Hein! En de Roodhuiden ook!"

Het was de heer Bergwoude, die het laatste deel van het spel had bijgewoond en nu de dappere strijders bij zich riep.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN PRETTIG BESLUIT EN EEN VROOLIJKE VERTELLING.

"Allemaal hierheen, jongens!"

En mijnheer Bergwoude opende de deur van de gymnastiekzaal, die achter de school gelegen was. In een oogenblik waren de veertig jongens in de zaal bijeen. Mijnheer ging op een bankje staan, zijn gelaat stond vroolijk, want hij had schik in de spelen der jongens. Mevrouw was op het krijgsrumoer al komen toeloopen om te zien, wat er toch wel aan de hand mocht zijn. Maar nu keek zij toch ook met een lachend gezicht naar die vroolijke knapen.

"Hoor eens, jongens!" sprak Mijnheer, en dadelijk daarop werd het stil, "ik moet eens even wat zeggen. Jullie hebt vanmiddag een mooi spel gespeeld! Het was wel een oorlogsspel, maar er zijn geen slachtoffers gevallen. Het was een spel, waarbij je oogen en ooren goed den kost moest geven. Jullie hebt je oplettendheid en scherpzinnigheid vanmiddag kunnen oefenen. Bij het gevecht zijn geen stokken of steenen gebruikt, bij ieder kwam het op eigen lichaamskracht aan. Dat is ferm, dat is gezond. Er is niemand mishandeld, ik heb gezien, dat de zwakkere alleen maar door den sterkere werd teruggedreven. En wie er bij ongeluk al eens een buil of een schram heeft opgeloopen, die moet dat dan maar beschouwen als een teeken van heldenmoed. Jullie hebt je allen kranig gedragen, en ik moet den Roodhuiden mijn compliment maken, dat zij het nog zoo lang tegen de overmacht hebben uitgehouden!"

"Hoera!" klonk het dreunend door de zaal.

"Bravo!" zei Mijnheer Bergwoude. "En nu, jongens, wie wat verdient, moet wat hebben. Hans, geef jij die groote, ronde doos eens aan, die daar staat!"

Hans keek naar den kant, dien zijn vader aanwees en bemerkte nu pas een kolossale ronde taartjesdoos. Hij gaf die aan zijn vader en deze toonde haar geopend aan de jongens.

"Hoera, taartjes!" klonk het.

"Vooruit jongens, kiest er de heerlijkste maar uit. Ik trakteer de beide oorlogvoerende partijen," zei Mijnheer lachend en om het goede voorbeeld te geven, stak hij zelf een roomhoorn in den mond, waarmee hij vervolgens allerlei gekke gezichten trok, zoodat de jongens het uitgierden van pret. Zij lieten zich ondertusschen de onverwachte tractatie heerlijk smaken en rustten op stoelen en banken uit van de vermoeienissen des oorlogs.

Toen zei Mijnheer Bergwoude:

"Ik vind het toch zoo prettig, dat de leerlingen van "Sparrenheide" zooveel vrienden hebben. En de Baarnsche jongens zijn hun beste vrienden. Ieder weet wel, dat de jongens van Sparrenheide niet den heelen dag met den neus in de boeken ziften en dan 's avonds nog urenlang blokken om 's morgens weer opnieuw te beginnen. Neen, wij studeeren wat kalmer aan en gaan af en toe eens het bosch in. Wij timmeren en plakken en cartonneeren allerlei mooie en nuttige dingen, wij zingen en maken muziek, maar vergeten daarom toch de leervakken niet. Als wij dag in, dag uit studeerden en al maar blokten en ploeterden, zouden al onze leerlingen heel gauw zenuwpatiëntjes worden en heelemaal niets meer kunnen leeren. Nu zijn het ferme, frissche jongens, met rozen op de volle wangen. En daarom kunnen ze ook ferm meespelen met hun Baarnsche makkers. Frisch op, Roodhuiden, en een hartelijk hoera voor de Sparheiders!"

"Leve de Sparheiders! Hoera!" riepen de Baarnsche knapen.

"All right, jongens," besloot mijnheer. "Het klokje van gehoorzaamheid slaat. Nu afscheid nemen van elkaar, de Sparheiders naar hun kamers en de Roodhuiden op marsch naar Baarn!"

Dat bevel werd opgevolgd en een oogenblik later verkeerde het bedreigde fort der bleekgezichten weer in veilige rust.

De slaapkamers der Sparheiders waren op de bovenverdieping, en hadden alle een deur, die op het balcon uitkwam. Een van die kamers behoorde aan Hans, Flip en Rob. De drie broers hadden zich wat verfrischt en rustten nu even uit in hun heiligdom.

"Zeg," vroeg Flip aan Rob, "hoe kwam jij toch zoo'n stakker om je door de Indianen te laten inpakken?"

"Dat was niet stakkerig, dat was..."

"Slim toch ook niet, Robbekop."

"Och, jij met je kletspraat," mopperde Rob. "Denk-je, dat het nou zoo aardig is, om Robbekop tegen mij te zeggen? 'n Kunst! Ik kan ook wel zeggen: Flip, 'n kikker op je lip."

"Die naar binnen glipt," voegde Hans er bij.

"Heel mooi gezegd," plaagde Flip. "Maar toch had ik me niet zoo één-twee-drie laten inmaken. Hoe is dat toch gebeurd?"

"Ik heb heelemaal geen zin om dat jou te vertellen," zei Rob. "Als ik die oude vrouw niet gezien had, dan..."

"Welke oude vrouw?" vroeg Hans.

"O, dat is waar ook," herinnerde Rob zich. "Is ze niet bij je geweest, toen je aan 't eind van de Koninginnelaan lag?"

"Bij mij?" vroeg Hans weer. "Neen, ik heb niemand gezien."

"Hee, en ik heb haar nog gezegd, dat ze naar jou moest vragen. Ze kwam van de Vuursche door het bosch en had onderweg een briefje van tien gulden verloren. De arme stakker zat te huilen aan de Jagerskom. Ik kon natuurlijk niet gaan zoeken. Maar ik heb haar naar jou toe gestuurd."

"Niets gezien," herhaalde Hans. "Ik denk, dat ze 't geld weer gevonden heeft en toen maar verder is gegaan."

"Ja, dat kan wel," vond Rob. En verder werd er over die zaak niet gesproken.

Maar een oogenblik later kwam de oude huisknecht aan Hans vertellen, dat er een arme vrouw was, die naar hem vroeg. De huisknecht was een stokdoove oud-gediende, die Bosman heette. Men moest altijd verbazend hard roepen om hem iets verstaanbaar te maken en dan nog verstond hij het meestal heelemaal verkeerd.

"Hoe heet die vrouw?" riep Hans aan Bosman's oor.

"Met haar mond, denk ik," zei Bosman.

"Ach neen, ik vraag niet hoe zij eet, maar hoe zij héét!"

"Dat weet ik niet"

"O," zei Rob, "dat is ze bepaald. Wacht Hans, ik ga mee." Hans en Rob holden naar beneden en Rob herkende dadelijk het arme vrouwtje. Ook nu had zij nog de tranen in de oogen.

"Och jongeheer," snikte ze. "Ik was eerst zoo blij. Ik vond de portemonnaie terug. Maar alles is eruit gehaald! O, ik weet geen raad. En nu kwam ik vragen, of misschien ... o, ik durf het haast niet zeggen."

"Zeg 't maar gerust," moedigde Hans aan.

"Ach, u moet niet boos worden, als ik 't zeg. Maar een kind is maar een kind. Het zou toch wel kunnen, dat een van de jongens ... 't gevonden had ... en 't eruit genomen heeft. Die denkt daar niet altijd kwaad bij. Maar ik ben een arme, oude vrouw en kan 't niet missen."

"Welneen," zei Hans. "Zooiets doen ónze jongens niet. Daar hoeft u niet aan te denken. Maar wij willen het wel eens vragen."

Op dit oogenblik kwam mijnheer Bergwoude uit de tuinkamer naar de voordeur.

"Wat gebeurt er, jongens, en waarom huilt dat vrouwtje?" Rob vertelde zijn vader met een paar woorden, wat er gebeurd was.

"Wel dat is een ongelukkige geschiedenis," sprak mijnheer Bergwoude.

"Maar ik kan je de verzekering geven, vrouwtje, dat geen der jongens van onze school zoo slecht is geweest om het geld uit de portemonnaie te nemen. Waar hebt ge die weer teruggevonden?"

"Op den Hulpweg bij 't Hondenbosch," zei de oude.

"Zijn jullie in 't Hondenbosch geweest?" vroeg mijnheer Bergwoude aan Hans en Rob.

"Neen vader," zei Hans, "dat lag heelemaal uit onze richting. Van onze troep kan er dus niemand geweest zijn."

"Zoo. En de andere jongens zijn evenmin hier vandaan geweest. 't Eenige zou dus zijn, dat een der meisjes ... maar dat zou toch al heel vreemd zijn. Wacht, ik wil het voor uw zekerheid toch even aan de onderwijzeres vragen."

Maar een oogenblik later was de heer Bergwoude al weer terug met de boodschap, dat de juffrouw dien middag met de meisjes had getennist en niet in 't Hondenbosch was geweest.

"Het moet dus een vreemde zijn," vervolgde de hoofdonderwijzer, "maar daarom zullen we u toch helpen de zaak te onderzoeken. Hoe heet ge en waar kunnen we u vinden?"

"Ik ben de weduwe Vorstman, mijnheer, ik woon in de dorpstraat van de Vuursche."

"Komaan. Zeg jongens, gaan jullie maar weer naar boven," sprak hun vader, "ik zal 't wel verder met vrouw Vorstman in orde maken."

De broers gingen naar boven en mijnheer Bergwoude sprak nog even met de weduwe. Zij scheen getroost heen te gaan en niet meer over haar verlies te treuren, want zij lachte nu door haar tranen heen en stapte heel wat vroolijker naar huis terug.

Om zes uur werd er gedineerd in de groote eetzaal. Mijnheer en Mevrouw zaten aan 't hoofd van de tafel, dan de onderwijzeres en de onderwijzer en vervolgens de jongens en meisjes. Die middagtafel was altijd heel gezellig. En na afloop ging men op mooie zomeravonden nog wat voor het huis in het gras zitten of een klein wandelingetje maken rond den heuvel.

Tegen acht uur, als het zoowat donker werd, bracht de meid een petroleumlamp buiten, waarvan het licht getemperd werd door een roode kap. Om de tafel zaten mijnheer en mevrouw Bergwoude met meester Hooghuizen en juffrouw Wieler. En zoolang het nog geen bedtijd was, lagen daaromheen de jongens en meisjes van Sparheide. Dat was het heerlijke verteluurtje, dat om beurten door meester Hooghuizen en de juffrouw of mijnheer Bergwoude werd gehouden. De zachte schemering, het omringende bosch met hoog daarboven de aarzelend naar voren komende sterren, de gezellige kindergroep voor het huis, zacht beschenen door het tooverroode lamplicht, dat alles werkte mee om een romantische sprookjesstemming over allen te brengen.

En 't was vaak, of bij zoo 'n mooi verhaal de sparren en beuken en dennen stil te luisteren stonden en niet slapen wilden gaan voordat het uit was. En ieder der vertellers had zoo zijn eigen soort verhalen. Meester Hooghuizen wist altijd mooie geschiedenissen uit de vele boeken, die hij las. Juffrouw Wieler vertelde meestal sprookjes van kabouters en toovergodinnen en nimfen. Dat kon ze wàt mooi, maar de juffrouw was zelf ook schrijfster en had al heel wat prachtige sprookjesboeken geschreven.

Maar als mijnheer Bergwoude aan de beurt was, dan werd er gelachen om de gekke dingen, die hij vertelde, dat je de tranen van pret over de wangen rolden.

Vanavond was hij juist weer aan de beurt van vertellen en de jongens en meisjes keken hem al verlangend aan. Zij zaten en lagen rondom de tafel in het gras, mevrouw en juffrouw Wieler hadden een haakwerkje ter hand genomen en meester Hooghuizen lag in een gemakkelijken stoel een sigaar te rooken.

Mijnheer Bergwoude had juist zijn lange goudsche pijp opnieuw gestopt en aangestoken en scheen wel van plan, iets te gaan vertellen. Daarbij knipte zijn eene oog ondeugend, alsof hij zeggen wou: Nu zullen jullie weer wat moois komen te hooren.

"Ik weet eigenlijk voor vanavond geen nieuw verhaal," sprak hij, "maar ik zal mijn beurt wel moeten waarnemen en daarom zal ik je eens iets vertellen uit de allereerste kinderjaren van Hans, Flip en Rob."

De drie broers werden van alle kanten lachend aangekeken, maar zij waren ondertusschen zèlf nieuwsgierig naar hetgeen hun Vader daarvan vertellen zou.

"Ik woonde hier pas een paar jaar," begon mijnheer, "en de drie jongens waren nog maar heel klein. En nu zal je hooren, hoe de drie kleuters op een goeden dag met een hofrijtuig van de Koningin Moeder werden thuisgebracht. Op den dag, dat mijn verhaal een aanvang neemt, was Hans, de oudste, vier jaar. Daarop volgde Flip, die 3 jaar was en dan had je Robert, bijgenaamd Bobbie, die pas 1 jaar telde, maar niettegenstaande dat de grootste ondeugd was van heel "Sparrenheide."