Part 10
En nu werd er eventjes met liefhebberij gewerkt aan de feest-voorbereidingen. Ieder deed het zijne. Meester Hooghuizen had de leiding van het geheel. Hij liet de jongens van latten een groote eerepoort timmeren aan den hoofdingang, de meisjes moesten slingers maken van dennegroen en linten. Juffrouw Wieler studeerde met een paar meisjes Speelliedjes van Dalcroze in, terwijl anderen weer aardige voordrachten leerden. Er zouden verschillende wedstrijden gehouden worden en een vlaggenoptocht door het bosch en het dorp kwam ook al op het programma. Het was ook niet te verwonderen, dat Hans, Flip en Rob, de drie jolige broers, in de allereerste plaats zich weerden, om het feest zoo goed mogelijk te doen slagen! Flip, de grappenmaker, zette zelf een koddig vers in elkaar, dat van onzin aan elkaar hing. Maar er werd toch flink den lof van Sparrenheide in gezongen en dat was de hoofdzaak. Flip had er urenlang op zitten broeden en er wel vijf penhouders op stuk gebeten, maar eindelijk had hij toch ongeveer het volgende vers uit die houtjes gekauwd:
Dames en heeren, het is van daag feest, Zooals er nog nooit op Sparrenhei is geweest! Het heeft vandaag al vijf jaren bestaan, En het gaat nog in lang niet naar de maan, Als de zon schijnt is het hier mooi weer, Dikwijls gaan we wandelen met mijnheer, We hebben hier geen last van ratten of muizen, Hier zit juffrouw Wieler en dáár meester Hooghuizen. Sparrenhei is de allerbeste school. Je eet er havermout, grutten en roodekool, Dus roept mij nu allen na: Lang leve Sparrenhei! Hiep hiep hoera!
Hans maakte zich op een ander gebied verdienstelijk.
Hij kocht in Utrecht vuurwerk en verborg dat op een plaats, die alleen aan hem bekend was. En Rob deed hard mee aan àlles waarvoor zijn hulp gevraagd werd.
Zoo werkte een ieder aan het welslagen van den grooten feestdag, toen er opeens iets gebeurde, dat aller aandacht voor een poos van den 1en Octoberdag afleidde, ja, dat zelfs een groot deel van de aanstaande feestvreugde dreigde te verstoren!
Barend, die zich zoo uitstekend gedroeg, sinds mijnheer Bergwoude hem onder zijn bescherming genomen had, woonde nu bij moeder Vorstman in. De jongen verdiende als tuinman op Sparrenheide vier gulden per week, die hij aan zijn nieuwe moeder gaf. De arme vrouw, die alleen leefde van hetgeen haar eigen zoon, die in Amsterdam werkte, haar zond en van hetgeen haar moestuintje opleverde, was met de komst van Barend in haar hutje er veel beter aan toe. Want Barend deed veel werk voor haar, dat haar niet meer zoo gemakkelijk afging als vroeger. Daarbij at de jongen altijd in de keuken op Sparrenheide en kreeg vaak genoeg een pak kleeren, zoodat hij haar al heel weinig kostte.
Het arme, tevreden vrouwtje had met dit eenvoudige, sobere leven nog een rustigen, onbezorgden, ouden dag, vooral waar Barend haar beloofd had, steeds voor haar te zullen zorgen.
Des morgens was Barend al vroeg op en zette koffie en brood voor haar en zichzelf gereed. Dan ruimde hij het kamertje op en ging het moestuintje nazien. Vervolgens begaf hij zich naar Sparrenheide en bleef daar tot den avond. Dan hielp hij zijn "moeder" weer en las haar voor.
Het oude huisje, waarin strooper Ranke met zijn zoon had geleefd, stond thans ledig. Er was nog geen liefhebber voor komen opdagen. De weinige, armoedige meubelen waren door Barend eruit gehaald; wat nog bruikbaar was, had hij aan moeder Vorstman gegeven, de rest had hij tot brandhout gehakt.
Op zekeren avond begaf Hans zich naar Barend, om met hem een aardig plannetje voor het feest te bespreken. Misschien had Hans dit evengoed overdag op Sparrenheide kunnen doen, maar in elk geval werd hij daar door te veel oogen op de vingers gekeken en daarom vond hij het beter, om zijn plannetje rustig met Barend bij moeder Vorstman te bespreken.
In het dorpje gekomen, passeerde Hans de verlaten woning van Ranke. Tot zijn groote verwondering meende hij daarin een zwak lichtje te zien branden, hoewel hij toch zeker wist, dat de hut ledig en onbewoond was. Hij zag, dat het licht heen en weer ging, alsof iemand met een kaars door het vertrek ging.
Hij begreep dadelijk, dat het niemand anders dan Barend kon zijn, die misschien nog het een of ander in de oude woning zocht. En omdat het hem juist om Barend te doen was, duwde hij de deur van het huisje open en trad het ledige vertrek binnen. Maar inplaats dat hij Barend daar aantrof, staarde hij opeens in het schurkachtige gezicht van diens vader. Het was Ranke, de strooper, van wien iedereen dacht, dat hij in de gevangenis te Utrecht zat!
Inplaats dat Hans dadelijk vluchtte, bleef hij als aan den grond genageld staan.
Op dat bezoek scheen Ranke allerminst gerekend te hebben, evenals Hans staarde hij dezen een oogenblik verbijsterd aan, maar toen blies hij snel de kaars uit, wierp zich op Hans en overmeesterde hem, voor de jongen tijd had, zich te verweren. Maar Hans was sterk en Ranke had zijn handen vol aan hem, vooral omdat hij hem met één hand den mond moest dichthouden en met de andere bedwingen. Toch bleek de strooper de sterkere. Hij bond Hans een vuilen doek om den mond en haalde daarop een lang touw uit zijn zak, waarmede hij hem aan handen en voeten bond! Toen sleurde hij den weerloozen knaap in hetzelfde turfhok, waarin hij vroeger Barend had opgesloten, en deed er den grendel voor. Daarop verdween hij ....
Dienzelfden avond las mijnheer Bergwoude, aan zijn schrijftafel gezeten, het volgende bericht in het Handelsblad:
Men schrijft ons uit Utrecht:
Bij de overbrenging van twee gedetineerden uit de strafgevangenis alhier naar het station, alwaar zij onder geleide van twee marechaussees naar Leeuwarden zouden vertrekken, wist een hunner, de beruchte strooper en inbreker R.--wonende te Lage Vuursche, aan zijn geleider te ontsnappen. De arrestant vluchtte een openstaand huis in en is vermoedelijk over de daken ontkomen. Het vervoer van den anderen gevangene is nu uitgesteld, totdat de eerste zal teruggevonden zijn. De politie stelt een streng onderzoek in naar den vluchteling, die vermoedelijk nog wel binnen Utrecht verblijf houdt.
Mijnheer Bergwoude las dit bericht met begrijpelijke verbazing en spoedig was dat nieuwtje het onderwerp van dien avond geworden. Weinig dacht de vader er aan, dat op ditzelfde oogenblik zijn zoon Hans in handen van den gevreesden kerel gevallen was!
Intusschen had Ranke niet de bedoeling, den jongen ook in het minst eenig leed te doen. Hij was alleen in zijn oude woning gekomen, gebruik makende van het avonddonker, om er eenige kleedingstukken te halen. Maar tot zijn groote verwondering had hij de hut totaal leeg gevonden. De plotselinge verschijning van Hans had hem eerst heelemaal van streek gebracht, maar de snel-opkomende gedachte, dat de jongen zijn aanwezigheid alhier verraden zou, deed hem plotseling op Hans toevliegen om hem onschadelijk te maken.
Ranke verschool zich in de bosschen en wachtte er een gunstige gelegenheid af om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen.
Groote ongerustheid heerschte er op Sparrenheide!
Hans was nog steeds niet teruggekeerd, hoewel de klok reeds tien uur wees!
Had de jongen het soms in zijn hoofd gekregen, om bij Barend te overnachten?
Was hij verdwaald?
Maar neen, zoowel het een als het ander was ondenkbaar. Hans zou nooit uitblijven zonder toestemming zijner ouders. En voor verdwalen bestond ook weinig grond, in de eerste plaats was het vrij helder weer en in de tweede plaats kende Hans den weg in de bosschen als in zijn eigen huis.
Toen het al later en later werd, stegen mijnheer Bergwoude en meester Hooghuizen op de fiets en reden naar het huisje van vrouw Vorstman.
De oude vrouw was al naar bed, maar Barend zat nog te lezen.
"Is mijn zoon Hans hier?" vroeg mijnheer Bergwoude, toen hij met den meester aangeklopt had.
"Hans?" riep Barend verbaasd uit. "Nu nog? Hij is hier den heelen avond zelfs niet geweest!"
"Nièt geweest? Hij is toch om zeven uur al hierheen gegaan."
Barend schudde het hoofd.
"Dan zou ik hem toch moeten gezien hebben," zei hij beslist. Nu steeg de ongerustheid van den vader tot angst.
Hij keerde weer naar Sparrenheide terug, in de hoop, dat Hans daar inmiddels mocht aangekomen zijn, maar niemand had hem teruggezien!
Opnieuw werd er een leerling vermist, en ditmaal mijnheer Bergwoude's eigen zoon!
Niemand der grooten sliep dien nacht.
De arme vader, de meester en Barend, zelfs de oude, doove Bosman, zij allen gingen, gewapend met lantaarns, het bosch in.
Maar Hans werd niet gevonden.
Diep-ongelukkig keerde mijnheer Bergwoude naar huis terug, vond er zijn vrouw weenende en wist weinig of niets te zeggen, dat haar eenigen troost geven kon.
Barend had het zoeken het langst volgehouden. Toen het licht begon te worden, liep hij nog van de eene boschlaan in de andere. Hij was doodmoe.
Eindelijk gaf hij het op.
Hij keerde naar de woning van moeder Vorstman terug. En nu gebeurde met hem bijna hetzelfde, wat den vorigen avond Hans overkwam.
Hij passeerde zijn oude hut.
En zag, dat de deur op een kier stond.
Dat was nu zoo heel vreemd niet, want die deur had niet eens meer een behoorlijk slot en kon dus best opengewaaid zijn. Maar Barend was teveel een natuurkind, dan dat hij niet dadelijk zich herinneren zou, dat het heelemaal niet gewaaid had. Toch vermoedde hij niets bijzonders en trad op de deur toe, om die te sluiten!
Even keek hij nog naar binnen, en...
Wat drommel hoorde hij nu? Was er iemand in?
Hij luisterde nog eens. Jawel! daar schopte iemand tegen een deur. Barend kende dat geluid en had in een ondeelbaar oogenblik de deur van het turfhok geopend.
"Hans!"
Met een kreet van vreugde begroette hij den verloren makker, bevrijdde hem van doek en touwen en hoorde dan tot zijn grooten schrik, dat zijn vader ontvlucht was!
Maar dadelijk gingen zij naar Sparrenheide.
Als met tooverslag veranderde daar de droefheid in groote vreugde!
Toen de telegrambesteller dien morgen den burgemeester het bericht bracht, dat Ranke ontvlucht was, liep Bunze door het bosch en deed er zijn gewone ronde. Bij de grot gekomen, bleef hij eensklaps staan.
Snurkte daar iemand? Hij trad op de teenen nader en ontdekte den slapenden Ranke. Bunze dacht eerst weer met een geest te doen te hebben, maar omdat hij daar niet meer aan geloofde, gaf hij ineens gevolg aan een ingeving.
Hij haalde kalm zijn stalen handboeien tevoorschijn en schoof die om de polsen van den rustig slapenden strooper. Vervolgens haalde hij zijn revolver te voorschijn, waar hij nog nooit van zijn leven mee geschoten had, omdat de gemeente hem doodeenvoudig geen patronen verschafte en riep met daverende stem:
"Ranke! In naam van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden neem ik U gevangen!"
De vluchteling sprong verschrikt overeind.
Hij voelde zich tot zijn groote verbazing stevig geboeid en zag den loop van Bunze's revolver op zich gericht.
Tegenstand was nutteloos en de strooper liet zich gewillig door den dikkerd meevoeren, die als een overste in den paradepas naast zijn arrestant liep!
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
BESLUIT.
Nu alles zoo goed afgeloopen was, de goeden konden beloond worden en de kwaden gestraft, was er ook geen bezwaar meer om het feest van den eersten October zoo luisterrijk mogelijk te vieren. Gelukkig was het prachtig weer.
Precies om acht uur des morgens werden onder het spelen van het Wilhelmus de vlaggen uitgestoken van huis en schoolgebouw. Wat zag de tuin, wat zag de weg er feestelijk uit! Overal slingers van oranje en rood-wit-blauw, overal lampions. En aan den hoofdingang een magnifieke eerepoort. Allen waren met de nationale kleuren getooid en reeds dadelijk was er de rechte, feestelijke stemming in. Na het ontbijt stelde de muziek zich aan het hoofd van den stoet jongens en meisjes, die vlaggen, vaandels en schilden droegen. Het was allerleukst!
De een had op zijn oranje-schild het portret van mijnheer Bergwoude, de ander droeg een vaandel met het opschrift: Leve Sparrenheide! Een derde had er in 't geheim opgeplakt: Meester H. gaat nooit verloren! terwijl zijn buurman heel nuchter er naast liep met een schild: Falderalderire!
De kleurige, fleurige stoet ging onder 't spelen van vroolijke marschen, voorafgegaan door de gehuurde muzikanten naar het dorp. Daar stelde veldwachter Buikje zich aan het hoofd van den optocht als of hij een paar duizend menschen op zij moest houden! Hij werd met algemeen gejuich begroet en werd dadelijk door mijnheer Bergwoude uitgenoodigd, het feest op Sparrenheide te komen bijwonen. Ook Barend en moeder Vorstman hadden zulk een uitnoodiging aan te nemen.
Des morgens om 10 uur vertrok een clubje jongens per auto, die ook al met vlaggen beplant werd, naar het station te Baarn, om daar de oudleerlingen af te halen. Tegen twaalf uur was het heele feestvierende gezelschap present en nu kon de algemeene vreugde eigenlijk pas een aanvang nemen.
Toen allen aan den feestdisch bijeenzaten, stond mijnheer Bergwoude op en zei:
"Vrienden! Wat is het vandaag een heerlijke dag! Ik zie rondom mij niets dan vroolijke gezichten en dat is geen wonder. Bijna allen, die hier bijeen zijn, hebben meer of minder jaren op Sparrenheide door gebracht en kennen het leven hier. En allen verheugen zich er in, dat zij thans het feest van het vijfjarig bestaan onzer school mogen meevieren! En nu is het niet mijn bedoeling, om lang en breed over ons werk te praten, want we zijn hier om feest te vieren. Maar ik wil er alleen op wijzen, dat we vandaag dubbel en dwars reden hebben tot feestvieren! Een paar dagen geleden, misschien hebt ge er vandaag al met een enkel woord over hooren spreken, verkeerden we in angst en droefheid. Eerst werd er een onzer meisjes vermist, die tijdens een onschuldig spelletje in het bosch verdwaald was. Gedurende een hevig onweer hebben meester Hooghuizen en een paar flinke jongens haar in 't stikdonkere bosch weten te vinden en haar veilig onder dak gebracht. En kort daarop werd onze beste Hans door een ontvluchten gevangene overrompeld en opgesloten. Op zijn beurt is Hans gevonden door Barend, terwijl onze dappere gemeenteveldwachter Bunze den gevangene weer wist te kerkeren. Al deze gebeurtenissen geven de viering van ons feest een blijder glans. Dus, vrienden, viert vroolijk feest, geniet zooveel mogelijk en roept allen met mij een driewerf hoera voor Sparrenheide!"
Daverend gejuich klonk omhoog. Daarna mocht ieder toasten. Flip kwam met zijn onzin-gedicht voor den dag en daar werd me wat om gelachen!
Meester Hooghuizen had een feestlied gedicht op de wijze van "In naam van Oranje." Het werd aan allen uitgedeeld. Mevrouw speelde op de piano en daar klonk het uit wel honderd kelen:
Zeg jongens, hoe leuk is het hier toch vandaag! Wat vieren we vroolijk toch feest! En d'oud Sparrenheiders, ze kwamen wat graag, Ze zijn ook zoo lang hier geweest! Wij allen zijn vroolijk, wij allen zijn blij, Omdat wij zoo houden, geloof het maar vrij, Omdat wij zoo houden van Sparrenhei, Van 't jarige Sparrenhei!
Wie wil nog eens hooren van wat hier gebeurt, Van 't leuke, gezellige werk? Hier wordt niet gekniesd en hier wordt niet getreurd, Hier worden we knap en ook sterk. We zitten niet steeds bij de schoolboeken neer, Dan spelen, boetseeren, tuinieren we weer, We zijn hier steeds leuk aan den gang (bis).
En timmeren vinden we ook altijd fijn, Dat uurtje is om, voor men 't merkt, Dan hamert en schaaft om het hardst groot en klein, Dan wordt er steeds duchtig gewerkt. Maar als het voorbij is neemt ieder toch graag Zijn fransch of zijn meetkundesom bij den kraag. Zoo wisselt het werk hier steeds af. (bis).
Geen uur van den dag is bij ons onbezet, We werken zooveel als 't maar moet. Maar 's middags, dan vindt ge ons allen te bed, Dat valt na het eten zoo goed. Een uurtje gemaft en dan weer aan den gang, Zoo valt ons het werken ook nimmer te lang En daarom: Hoera voor ons Sparrenhei! Voor Sparrenhei, hiep hiep hoera!
Dat lied werd duchtig gezongen en de dichter, meester Hooghuizen, er eens extra voor toegejuicht.
Na den feestdisch trad de goochelaar op.
Wat had die een succès! Wat een pret de toeschouwers!
De handige kunstenaar haalde iedereen guldens en rijksdaalders uit den neus, Flip vooral scheen veel zilvergeld in zijn neus te hebben. Hij probeerde nu zelf ook om er een ris guldens uit te halen, maar er kwam er niet een meer, al trok hij ook nog zoo hard. De goochelaar had ze er allemaal uitgehaald! De man vertoonde wel twintig toeren, die haast allemaal even mooi waren.
Na twee uur werd er een uur gerust. Daarvan week men op Sparrenheide nooit af.
Om drie uur begonnen de wedstrijden en gymnastiekuitvoeringen. Wat ging dat alles netjes en correct! En al die jongens en meisjes, die vroeger op hun oude scholen slechte en achterlijke leerlingen waren, zenuwachtig en ziekelijk, wat toonden zij nu hier volkomen genezen te zijn! Want hier werden zij niet geestelijk afgemat door veel te moeilijke vraagstukken en opgaven, hier werden zij niet overladen met stapels en stapels werk, waaraan bijna iedere vrije minuut moest opgeofferd worden.
En daarom waren zij hier ook zoo flink en gezond en sterk geworden en konden daarom evengoed hun fransch en rekenen als hun vrienden op de gewone scholen, al leerden zij het dan ook wat kalmer aan!
Half vier werden ouders en belangstellenden verwacht. Die kwamen in auto's en rijtuigen. In de gymnastiekzaal maakte juffrouw Wieler zich met de meisjes gereed tot het opvoeren der speelliedjes. Wat zongen die lief-aangekleede meisjes keurig en wat maakten zij hun danspassen daarbij stipt in de maat. Ze werden dan ook hartelijk toegejuicht. En zoo volgde het eene nummer van het programma op het andere. Er scheen geen einde aan den feestdag te komen! Maar het mooist werd het toch tegen den avond. Dank zij het zachte, zoele weer kon de verlichting à la giorno uitstekend doorgaan. Alle lampions werden ontstoken en ze schitterden als vurige ballons in het donkerblauwe avondduister. Het was een fantastisch tafereel!
En temidden der feestvierenden bewogen zich zij, die de hoofdpersonen van dit verhaal zijn geweest: Mijnheer en Mevrouw Bergwoude, de goeddoende, liefhebbende vader en moeder van heel deez' gelukkige kinderschare, Meester Hooghuizen en juffrouw Wieler, die hen trouw bijstonden in den moeitevollen, maar dankbaren arbeid, Hans, Flip en Rob, de drie jolige broers, van wie een ieder hield, Jacob Heintze, die den vroeger zoo verwilderden en verwaarloosden Barend allereerst de beginselen van fatsoen en netheid geleerd had! Vervolgens Bram, voor wien Sparrenheide een uitredding was geweest, maar dan was er ook veldwachter Bunze, die vandaag menig plagerijtje over zijn zwaarlijvigheid hooren moest, en moeder Vorstman, die zoo herhaaldelijk met de verschillende personen uit dit boek in aanraking kwam.
Aan het slot van den avond stak Hans zijn vuurwerk af. Knetterend schoten de vuurpijlen omhoog, sissend draaiden de gouden en zilveren zonnen, daverend ontploften de knalpotten.
Ten slotte zette hij 't heele feestterrein in rooden en groenen Bengaalschen gloed. En uit honderden monden klonk het nog eens bij 't afscheid nemen:
Leve Sparrenheide!
Hoera!
INHOUD.
Hoofdst. Bladz.
I. Oorlogsplannen 5 II. Indianen en Bleekgezichten 13 III. In gevecht met de Roodhuiden 23 IV. Een prettig besluit en een vroolijke vertelling 34 V. In den nacht 49 VI. Barend van de Lage Vuursche. Nachtelijke vervolging 53 VII. Allemaal hoofdpijn 63 VIII. Het raadsel wordt opgelost 72 IX. Veldwachter Buikje 82 X. Veldwachter Buikje en de drie jolige broers 90 XI. Waarom Barend niet op Sparrenheide kwam 101 XII. In den nacht 111 XIII. Wat Jacob van veldwachter Buikje hoorde 120 XIV. Veldwachter Buikje en de boschgeesten 129 XV. Bram als leerling op Sparrenheide 139 XVI. Wat Hans van plan was 147 XVII. Hans graaft een kuil voor Bunze, doch valt er zelf in 155 XVIII. Van schoone blouses, een takkebos en een verdwaald meisje 162 XIX. Feestelijke plannen en angstige uren 174 XX. Besluit 183
End of Project Gutenberg's Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude