Part 9
Maar voor hem was ’t een genot haar zoo wild te zien. Er kwam een wonderlijk gevoel van rust over hem en een overweldigende, nederige dankbaarheid. Hier was iets kostbaars en heerlijks, dat tot hem kwam in zijn diepste verval. Dit moest groote liefde zijn, groote liefde!—
Hij zat daar over zijn ellende te jammeren en daar stond de liefde en klopte aan de deur. ’t Was niet zoo, dat hij verdragen zou worden als hij tot het leven terugkeerde, niet zoo, dat de menschen ’t lachen wel zouden kunnen laten.
Hier was werkelijk iemand, die hem liefhad, die naar hem verlangde. Ze sprak harde woorden tot hem, maar hij hoorde haar liefde trillen in ieder woord. ’t Was hem alsof ze hem een koninkrijk aanbood.
Ze zei hem, dat hij, terwijl hij krankzinnig geweest was, haar het leven had gered. Hij had haar uit den dood opgewekt, haar geleid en beschermd. Maar dat was niet genoeg. Ze wilde hem zelf hebben.
Toen ze hem kuste, had hij gevoeld, hoe een lieflijke balsem over zijn zieke ziel werd uitgegoten, maar had niet durven gelooven, dat liefde haar dreef. Maar aan haar toorn en haar tranen kon hij niet twijfelen. Zij had hem lief, hem, ’t arme weerzinwekkende mensch, hem, dien wonderlijken stumperd!—
En voor die groote, ootmoedige vreugde door die gedachte bij Hede gewekt, verdween het duister. ’t Rolde weg als een zwaar ruischend gordijn, en hij zag duidelijk ’t rijk der verschrikking voor zich, waarin hij zoolang had rondgezworven. Maar daar ontmoette hij ook Ingrid, daar hief hij haar op uit het graf, daar speelde hij voor haar in ’t bosch, daar deed ze wat ze kon om hem te genezen.
Maar niet alleen de herinnering aan haar ontwaakte weer. Op ’t zelfde oogenblik kwam ook ’t gevoel terug, dat ze hem had ingeboezemd. Hij voelde een groote liefde zijn ziel geheel vullen. Hij voelde dienzelfden gloed, als op ’t kerkplein te Roglanda, toen ze van hem werd weggerukt.
In dat rijk der verschrikking, in die eindelooze woestijn was toch een bloem gegroeid, die hem met haar schoonheid en geur getroost had. En nu voelde hij hoe de liefde bestendig geworden was. Het wilde woestijnplantje had zich in den levenstuin laten overplanten, had wortel geschoten en groeide en bloeide. En toen hij dat voelde, wist hij, dat hij gered was en dat het donker zijn man gevonden had.
Ingrid zweeg. Ze was moe, als na een inspannend werk; maar ze voelde zich rustig, als een, die zijn werk zoo goed mogelijk gedaan heeft. Ze wist, dat ze de overwinning behaald had.
Eindelijk brak Hede het stilzwijgen.
„Ik beloof je, dat ik het verdragen zal,” zei hij.
„Dank je,” antwoordde Ingrid.
Er werd op dat oogenblik niet meer gesproken. Hede kon haar niet zeggen, hoe hij haar liefhad. Dat kon niet in woorden gezegd, alleen maar iederen dag en ieder oogenblik—heel ’t lange leven door—getoond worden.