Part 2
Het landgoed van Gunnar Hede: de Monnikshut, lag in een armoedige boschachtige streek, ver weg in de Westerdalen. Een groote, eenzame gemeente was het, de natuur karig en hard; men zag er niets dan steenige heuvels met bosch begroeid en kleine meertjes. De menschen zouden er hun brood niet hebben kunnen vinden, als ze niet het recht gehad hadden, als marskramers het land door te trekken. Maar de heele streek was dan ook vol sagen en legenden van arme boerenjongens en meisjes, die uitgetrokken waren met hun mars op den rug en naar huis kwamen rijden in een gouden koets met wagens vol geld.
Een van de mooiste van die sagen was die van Hede’s grootvader. Hij, de zoon van een armen speelman, was, toen hij 17 jaar oud werd, met de mars er op uitgetrokken. Maar waar hij ook heen trok, had hij de viool als hulp bij zijn koopmanschap en hij had beurtelings het volk bijeen gespeeld om te dansen en hun dan zijden doeken, kammen en haarnaalden verkocht. Al zijn verkoopingen hield hij onder scherts en spel, en zóó goed was alles gegaan, dat hij eindelijk de Monnikshut had kunnen koopen met de mijn en het huis, van een buitenlandsch baron, die het landgoed bezat.
Zoo was hij een heer geworden en was met de mooie dochter van den baron getrouwd. En sinds dien tijd hadden de echtelieden aan niets anders gedacht, dan om hun landgoed te verbeteren en te versieren. Zij hadden het woonhuis overgebracht op het mooie eilandje, dat bij het strand van ’t kleine meer lag, waar omheen hun akkers en mijnen zich uitbreidden. De bovenverdieping was er ook in hun tijd opgekomen, want zij wilden graag veel kamers hebben om veel menschen te kunnen ontvangen en ook de groote stoep met twee opgangen was aangebouwd. Het geheele eilandje dat vol dennen stond, hadden zij met loofboomen beplant. Zij hadden smalle slingerpaadjes in ’t steenige veld uitgehouwen; en hoog boven ’t meer hadden ze kleine priëeltjes gebouwd, die aan vogelnestjes deden denken. Zij hadden de prachtige fransche rozen aan den rand van het terras, de hollandsche meubels, de italiaansche viool op de hoeve gebracht en zij waren ’t ook, die den muur hadden laten bouwen, die den boomgaard voor den noordenwind beschutte, en den wijngaard hadden aangelegd.
Zij waren opgeruimde en vriendelijke, ouderwetsche menschen geweest: de Genadige Vrouw was wel een beetje voornaam, maar de oude heer in ’t geheel niet. In alle pracht, die hem omringde, wilde hij er altijd wel aan herinnerd worden, wat hij geweest was; en op zijn kantoor, waar hij zijn zaken regelde en waar alle menschen kwamen, hingen zijn mars en de roodgeschilderde viool vlak boven den lessenaar van den ouden man.
Zelfs toen hij dood was, bleven de zak en de viool op dezelfde plaats hangen. En iedere keer als zij die zagen, werden zijn zoon en kleinzoon met dankbaarheid vervuld. ’t Waren die eenvoudige werktuigen, die de Monnikshut geschapen hadden en de Monnikshut was toch maar ’t beste wat er in de wereld was. Hoe dit nu ook kwam—misschien wel omdat men meende, dat ’t bij het landgoed hoorde, dat men er goed en vriendelijk gestemd was en vrij van zorgen leefde—de familie Hede hing aan haar bezittingen meer dan goed voor haar was. En vooral Gunnar Hede was zóó aan de plaats gehecht, dat men van hem zei, dat ’t niet juist was te beweren, dat hij een landgoed bezat. ’t Omgekeerde was waar. Er was een oud buiten in de Westerdalen, dat Gunnar in eigendom had.
Als hij zich niet tot slaaf van een groot, oud woonhuis, van een paar ton akkerland en bosch, en een paar vergroeide appelboomen gemaakt had, zou hij zijn studie wel hebben voortgezet of liever nog zich aan de muziek gewijd, wat toch zijn eigenlijke roeping scheen hier in de wereld. Maar toen hij uit Upsala kwam en alles wat het landgoed betrof, gehoord had;—toen hij werkelijk zag, dat het verkocht zou moeten worden, als hij niet spoedig veel geld zou kunnen verdienen,—toen zette hij alle plannen voor de toekomst op zij en besloot als marskramer de wereld in te gaan, zooals zijn grootvader gedaan had.
Zijn moeder en zijn meisje bezwoeren hem liever ’t buiten te verkoopen, dan er zich op die manier voor op te offeren—maar hij was niet te bewegen. Hij kleedde zich als boer, kocht waren in en begon door ’t land te zwerven als koopman. Hij geloofde, dat hij in een jaar genoeg zou kunnen verdienen om alle schulden af te doen en ’t landgoed te redden.
En voor zoover het zijn buiten betrof, had hij zegen op zijn arbeid. Maar hij haalde zich zelf een vreeselijk ongeluk op den hals.
Toen hij zoowat een jaar had rondgeloopen met de mars op den rug, kwam hem het in den zin, dat hij eens probeeren moest véél geld op eens te verdienen. Hij trok ver naar ’t noorden en kocht een massa geiten, zeker wel een paar honderd. En die wilde hij met een kameraad naar de groote markt in Wermeland brengen, want daar kostten geiten eens zooveel als in het noorden.
Als hij al zijn geiten verkoopen kon, zou hij prachtige zaken doen.
’t Was nog maar in November en ’t veld was vrij van ijs en sneeuw, toen Hede en zijn kameraad met hun geiten op weg gingen. Alles ging goed den eersten dag maar op den tweeden, toen ze in ’t groote bosch waren, dat tien mijlen lang is, begon het te sneeuwen. ’t Werd een felle sneeuwjacht met sterken storm en eindelijk hadden de dieren moeite een weg door de sneeuw te banen. Wel zijn geiten sterke en moedige dieren en ze worstelden lang voort, maar de sneeuwstorm duurde een paar dagen en nachten en ’t werd vreeselijk koud.
Hede deed wat hij kon om de dieren te redden, maar sinds de sneeuw begon te vallen, had hij ze geen voer of water kunnen bezorgen. En toen ze een dag door de hooge sneeuw geloopen hadden was het vel hun van de pooten geschaafd. Dat deed hun zeer en ze wilden niet langer loopen. De eerste geit, die zich aan den weg neerwierp en niet meer wilde opstaan om de kudde te volgen, nam hij op de schouders en droeg haar voort. Maar toen er een tweede en een derde liggen bleef, kon hij ze niet allen dragen. Er bleef niets anders over dan het aan te zien en verder te gaan.
Misschien weet ge niet wat een bosch van tien mijlen zeggen wil. Geen hoeve, geen hut, mijlen ver alleen bosch! Hoogopgroeiend dennenhout! met steenharden bast en hoog zittende takken!—geen jong hout met zachte schors en weeke takjes, die de dieren konden eten. Als de sneeuw niet gekomen was, zouden ze in een paar dagen door ’t bosch gekomen zijn; nu konden ze er in ’t geheel niet doorkomen. Alle geiten bleven daar en ook de menschen waren er bijna omgekomen.
Zij kwamen al dien tijd geen mensch tegen. Niemand kon hen helpen. Hede probeerde de sneeuw weg te schuiven, zoodat de geiten ’t mos konden eten, maar de sneeuw viel dicht en aanhoudend en ’t mos was aan den grond vastgevroren. En hoe zou hij ook op die manier aan tweehonderd dieren voer kunnen verschaffen?
Hij droeg alles moedig tot de geiten begonnen te jammeren.
’t Was een vroolijk, uitgelaten, vermakelijk troepje geweest den eersten dag. Hij had de handen vol gehad met op te passen, dat allen de kudde volgden, en elkaar niet met de horens doodstaken onderweg. Maar eindelijk schenen zij te begrijpen dat ze niet meer te redden waren. En toen werden ze heelemaal moedeloos. Ze begonnen te blaten en te klagen—niet zwak en zacht, zooals geiten gewoonlijk doen;—maar sterk en luid, al luider hoe hooger de nood steeg. En toen hij dat blaten hoorde, werd hij bang, dat hij waanzinnig zou worden.
’t Was een woest, eenzaam bosch. Nergens was hulp te vinden. ’t Eene dier na het andere zonk neer aan den weg. Sneeuw warrelde om hen heen en bedekte ze. Toen Hede terugzag op die rij sneeuwhoopen langs den wegkant, die elk een dier verborgen en waaruit men horens en hoeven nog zag uitsteken, begon het te warrelen in zijn hersens.
Hij rende toe op de dieren die neervielen, zwaaide zijn zweep over hen en sloeg ze. ’t Was immers de eenige manier om ze te redden, maar ze bewogen zich niet. Hij nam ze bij de horens en sleepte ze voort. Ze lieten zich sleepen, maar deden zelf geen stap. En toen hij de horens losliet, likten ze hem de handen, alsof ze hem smeekten hen te helpen. Zoodra hij maar bij hen kwam likten ze zijn handen.
Dit alles maakte op Hede zulk een vreeselijken indruk, dat hij voelde, dat hij op ’t punt was waanzinnig te worden.
Toch is ’t niet zeker, dat het zoo slecht met hem gegaan zou zijn, als hij niet, toen alles voorbij was daar in het bosch, dadelijk op reis gegaan was naar iemand, die hij heel liefhad. Dat was niet zijn moeder, maar zijn meisje.
Hij meende, dat hij spoedig naar haar toe moest gaan om haar te zeggen, dat hij zóóveel geld verloren had, dat hij in vele jaren nog aan geen trouwen kon denken. Toch ging hij rustig op weg naar haar toe, alleen omdat hij haar wilde hooren zeggen, dat ze hem innig liefhad, niettegenstaande zijn ongeluk.
Hij geloofde, dat zij de herinnering aan dat vreeselijke bosch zou kunnen wegnemen.
En dat had ze misschien ook kunnen doen maar ze wilde niet. Ze was al ontevreden geweest, omdat hij met de mars rondliep en er uitzag als een boer. Zij vond, dat het daarom al moeilijk was hem lief te hebben zooals vroeger. Nu zij hoorde, dat hij nog vele jaren daarmee moest doorgaan, zeide ze dat ze niet langer op hem kon wachten. En toen verloor Hede zijn verstand.
Hij werd niet bepaald krankzinnig. Hij had nog zooveel verstand over, dat hij handel kon drijven. Hij deed zelfs nu en dan beter zaken dan anderen, want het vermaakte den menschen den gek met hem te steken. Hij was altijd welkom bij de boeren; zij plaagden hem graag; maar dat was in zekeren zin goed voor hem, want hij wilde zoo graag rijk worden. En een paar jaar later had hij genoeg verdiend om alle schulden te betalen en zonder zorg op zijn landgoed te leven. Maar hij begreep dat niet en bleef stompzinnig en onwijs van de eene hoeve naar de andere loopen, en dacht er niet aan, dat hij een heer was.
III.
Roglanda heette een gemeente ver weg in ’t oosten van Wermeland, dicht bij de grenzen der Westerdalen, waar een rijke proost woonde, maar een arme predikant in een kleine pastorie. Maar hoe arm de bewoners van dat kleine huisje ook waren—zóó groot was hun barmhartigheid, dat ze een pleegkind hadden aangenomen. ’t Was een meisje, dat Ingrid heette en ze was daar aan huis gekomen toen ze dertien jaar was.
De predikant zag haar voor ’t eerst op de markt, waar zij zat te schreien buiten een koordedanserstent. Toen was hij blijven stilstaan om te vragen, waarom ze schreide. En zij had hem verteld, dat haar blinde grootvader dood was en dat ze nu heelemaal geen familie meer had. Ze was nu bij een paar koordedansers, die goed voor haar waren; maar ze schreide omdat ze zoo dom was, dat ze nooit op het koord kon leeren dansen en ze helpen geld te verdienen. En er was iets zóó aandoenlijk bedroefds geweest in het kind, dat het den predikant getroffen en bekoord had. Onwillekeurig kwam de gedachte bij hem op, dat hij zulk een klein wezentje toch niet kon laten rondzwerven met die landloopers. Hij ging de tent binnen, waar hij Mijnheer en Mevrouw Blomgren aantrof en bood aan het kind in zijn huis op te nemen.
Het oude kunstenaarspaar begon te schreien en zeide, dat, hoewel ’t meisje geheel onbruikbaar voor de kunst was, zij haar toch graag hadden willen behouden. Maar zij geloofden, dat zij gelukkiger zou worden in een echt tehuis bij menschen, die ’t heele jaar door op dezelfde plaats woonden, en daarom zouden ze haar aan mijnheer den dominé afstaan, als hij maar wilde belooven dat hij haar als zijn eigen kind zou behandelen.
Dat had hij beloofd en sinds dien tijd had het meisje in de pastorie gewoond. Ze was een stil en zacht kind, rijk aan liefde en teere zorg voor allen om haar heen. Den eersten tijd hielden haar pleegouders veel van haar, maar toen zij ouder werd, ontwikkelde zich bij haar een sterke neiging tot droomen en fantasieën. ’t Rijk der verbeelding en der visioenen ging voor haar open en bekoorde haar in hooge mate. En midden op den dag kon ze haar werk in den schoot laten zinken en zich in droomen verdiepen. Maar de dominésvrouw, een vlugge, nuchtere persoonlijkheid, die alleen hard werken hoog stelde, zag dit met leede oogen aan. Zij klaagde over de luiheid en traagheid van het meisje en behandelde haar met zulk een strengheid dat ze heelemaal schuw en ongelukkig werd.
Toen ze negentien jaar geworden was, werd ze ernstig ziek. Men wist niet precies wat haar scheelde, want dit gebeurde lang geleden, in den tijd, dat er nog geen dokter in Roglanda was. Maar ’t ging niet goed met het meisje. Men merkte spoedig, dat ze zoo ziek was, dat ze sterven zou.
Zij zelf deed niet anders dan bidden, dat ze niet meer zou behoeven te leven. Ze wilde zoo graag sterven, zei ze.
En toen was het, alsof Onze Lieve Heer eens probeeren wilde of ze ’t wel ernstig meende. Op een nacht voelde ze, hoe ze stijf en koud werd door ’t geheele lichaam en dat een zwaar gevoel van slaap over haar kwam. „Dat moet zeker de dood zijn,” zei ze tot zichzelf.
Maar ’t wonderlijkste was, dat ze haar bewustzijn niet verloor. Ze wist, dat ze dood was, dat ze haar aflegden en in de kist neervlijden, maar ze voelde geen vrees of angst voor begraven te worden, hoewel ze leefde. Ze had maar één gedachte, dat ze blij was, dat ze dood was en dit moeilijke leven verlaten mocht.
Ze was alleen maar bang, dat ze zouden ontdekken, dat ze maar schijndood was en haar niet begraven. Wel moet het leven bitter voor haar geweest zijn, dat ze zóó vrij was van alle vrees voor den dood.
Maar niemand ontdekte dat ze nog leefde. Ze werd naar de kerk gereden, naar buiten, naar ’t kerkhof gedragen en in ’t graf gezet.
’t Graf werd toch niet gesloten boven haar, want volgens ’t gebruik in Roglanda was ze op Zondagmorgen vóór de hoogmis begraven. De lijkstoet ging naar de kerk na de begrafenis en liet de kist in ’t open graf staan. Maar zoodra de Godsdienstoefening voorbij was, zou men komen en den doodgraver helpen de aarde op de kist te werpen.
’t Meisje wist alles wat er gebeurde, maar ze voelde geen schrik. Ze had geen beweging kunnen maken om te toonen, dat ze niet dood was, al had ze ’t ook nog zoo graag gewild, maar ze zou zich stil gehouden hebben, ook al had ze zich kunnen bewegen. Ze was steeds blij omdat ze zoo goed als dood was.
Men kon ook niet zeggen, dat ze leefde. Ze had geen gevoel en ook haar gewone bewustzijn niet. ’t Was maar een deel van haar ziel, dat in haar leefde—dàt gedeelte dat ’s nachts droomt.
Ze kon niet eens zoover denken, dat ze begreep hoe vreeselijk ’t voor haar zijn zou, wakker te worden, als ’t graf gesloten was. Zij had niet meer macht over haar verstand als een droomende.
„Ik zou wel eens willen weten,” dacht ze, „of er iets is, dat er mij weer toe zou kunnen brengen te willen leven.”
Zoodra ze dit gedacht had, was het haar alsof het deksel van de kist en ’t laken, dat over haar gezicht lag, doorschijnend werden. En vóór zich zag ze geld en mooie kleeren en heerlijke boomgaarden met sappige vruchten. „Neen, ik geef niets om dat alles,” zei ze en ze sloot de oogen voor al die heerlijkheden.
Toen ze weer opzag was dat weg, maar in plaats daarvan zag ze duidelijk, dat een engeltje op den rand van ’t graf zat.
„Dag engeltje van God,” zei ze tegen hem.
„Dag Ingrid,” zei ’t engeltje. „Terwijl je hier zoo ligt en niets te doen hebt, zal ik wat met je praten over vroeger dagen.”
Ingrid hoorde duidelijk ieder woord wat de engel sprak, maar zijn stem klonk heel anders dan wat ze ooit vroeger gehoord had. Die leek veel op snarenspel en de tonen waren woorden. ’t Was geen gezang, maar viool- of harpmuziek.
„Ingrid,” zei de engel, „weet je nog wel, dat je eens, toen je grootvader nog leefde, een jong student hebt ontmoet, die met je meeging van de eene hoeve naar de andere en den heelen dag op je grootvaders viool speelde?”
’t Gezicht van de schijndoode werd door een lach verhelderd. „Meen je dat ik dat vergeten heb?” vroeg ze. „Er is sinds dien tijd geen dag voorbij gegaan, dat ik niet aan hem gedacht heb.”
„En geen nacht, dat je niet van hem droomde.”
„Neen, geen nacht, dat ik niet van hem droomde.”
„En nu wil je sterven, hoewel je je hem nog zoo goed herinnert,” zei de engel, „dan kun je hem immers nooit meer zien.”
Toen hij dat zei, kwam het de schijndoode voor alsof ze het geluk van de liefde voelde, maar zelfs dàt kon haar niet bekoren. „Neen, neen,” zei ze, „ik ben bang voor het leven. Ik wil veel liever sterven.”
Toen wenkte de engel met de hand. En Ingrid zag een groote, eenzame zandwoestijn voor zich.
Er waren geen boomen, de grond was onvruchtbaar, droog en heet, en strekte zich eindeloos voor haar uit. Op ’t zand lag hier en daar iets wat op ’t eerste gezicht op verspreide rotsen leek, maar toen ze beter toezag, waren ’t dieren, monsterachtige, levende wezens met geweldige klauwen en groote muilen vol tanden;—zij lagen op het zand en loerden op roof. En tusschen al die verschrikkelijke dieren kwam de student aan. Hij liep daar zorgeloos, zonder te vermoeden, dat die gestalten om hem heen leefden.
„Maar waarschuw hem, waarschuw hem dan toch,” riep Ingrid den engel toe, vol van onuitsprekelijken angst. „Zeg hem toch dat ze leven, dat hij voorzichtig moet zijn.”
„Mij is niet vergund tot hem te spreken,” zei de engel, met zijn klankvolle stem. „Je moet hem zelf waarschuwen.”
De schijndoode voelde met ontzetting, dat ze daar verlamd neerlag en niet weg kon ijlen om den student te redden. Ze deed de eene vruchtelooze poging na de andere om op te staan, maar de onmacht van den dood hield haar gebonden. Maar toen eindelijk—eindelijk, voelde zij hoe haar hart weer begon te kloppen, ’t bloed weer door haar aderen voortdrong, en de stijfheid van den dood weer uit haar lichaam verdween. Zij stond op en snelde naar hem toe....
IV.
Niets is zoo vast en zeker, dan dat de zon de open plaatsen voor de kleine dorpskerkjes liefheeft. Is er niemand onder u, die heeft opgemerkt, dat men nooit zóóveel zonneschijn bijeen vindt, als onder de hoogmis, voor een kleine witte kerk?
Nergens is er zulk een dicht net van lichtstralen, nergens is er in de lucht zulk een eerbiedige stilte. De zon staat daar goed op te passen, dat de menschen niet buiten de kerk zullen blijven staan praten. Zij wil dat ze behoorlijk in de kerk zullen zitten en naar de preek luisteren, daarom laat ze zulk een rijkdom van stralen vallen buiten den kerkmuur.
Misschien kan men er niet vast op rekenen, dat de zon alle Zondagen wacht houdt voor de kleine kerkjes, maar zooveel is zeker, dat ze op dien morgen, toen de schijndoode in ’t graf gezet was op ’t kerkhof te Roglanda, een gloeiende hitte verspreidde op ’t pleintje buiten de kerk. Zelfs de kiezelsteenen zagen er uit alsof ze vuur konden vatten, zóó glinsterden ze in de wagensporen; het armoedige, platgetrapte, korte gras krulde zich om, zoodat het er uitzag als dor mos, terwijl de gele paardebloemen, die ’t grasveld versierden, zich uitspreidden en op hun lange stengels opzwollen, zoodat ze bijna zoo groot als asters werden.
Daar kwam een man uit de Westerdalen, zoo’n dwaas, die rondliep om messen en scharen te verkoopen, den weg af. Hij was in een langen pels van wit schapenvel gekleed, en op den rug had hij een grooten, zwart leeren zak. In dat kostuum had hij al uren lang geloopen, zonder eenige warmte te voelen, maar toen hij den grooten weg verliet en dat kerkplein opkwam, duurde het geen minuut of hij moest den hoed afnemen om het zweet van zijn voorhoofd te vegen.
Toen de man daar met zijn bloote hoofd stond, zag hij er goed en verstandig uit. Hij had een hoog en blank voorhoofd, diepe rimpels tusschen de wenkbrauwen, een goedgevormden mond met dunne lippen. Hij droeg het haar recht over den schedel gescheiden, in den nek rond afgeknipt; het hing over de ooren en krulde aan de punten. Hij was lang en sterk gebouwd, niet grof, maar over ’t geheel goed gevormd. Maar ’t was jammer, dat zijn blik onrustig was; zijn oogappels verdwenen telkens bijna in de ooghoeken, als om zich te verbergen.
Om den mond waren trekken, die verwrongen en waanzinnig leken, iets idioots en slaps, dat niet bij dat gezicht paste.
Goed wijs kon hij ook niet zijn, want hij liep met dien zwaren zak te slepen op Zondag. Als hij bij zijn volle verstand geweest was, zou hij geweten hebben, dat dit onnoodige moeite was, omdat hij toch niets verkoopen zou. Van alle andere dalbewoners, die door ’t land zwierven was er geen, die op Zondag den rug boog onder den zak, maar zij gingen naar Gods huis, vrij en rechtop, zooals alle andere menschen.
Deze stumper had zeker in ’t geheel niet geweten, dat ’t een heiligendag was, als hij niet op ’t kerkpleintje was blijven stilstaan en ’t gezang in de kerk gehoord had. Maar zóó wijs was hij toch nog, dat hij toen al gauw begreep, dat hij dien dag geen handel zou kunnen drijven. En toen was het voor zijn arme hersens een geduchte inspanning om uit te vinden, hoe hij dan zijn dag door moest brengen.
Lang stond hij voor zich uit te kijken. Als alles ging zooals gewoonlijk, kon hij zich best redden. Hij had verstand genoeg om de heele week van de eene hoeve naar de andere te gaan en op zijn zaken te passen. Maar aan den Zondag kon hij maar niet wennen. Die kwam altijd over hem als een groote onverwachte zorg.
De oogen stonden nu stil in zijn hoofd en de aderen aan zijn voorhoofd zwollen op.
’t Eerste wat in zijn hersens opkwam, was de kerk in te gaan en naar het gezang te luisteren. Maar daar kon hij niet toe besluiten. Hij wilde wel graag het zingen hooren, maar hij durfde de kerk niet binnengaan. Hij was niet bang voor de menschen, maar in sommige kerken waren van die wonderlijke, gevaarlijke platen, die wezens voorstelden, waar hij liever niet over denken wilde.
En nu kwamen zijn hersens met moeite zoover, dat hij begreep dat er, daar hier een kerk stond, ook in de buurt een kerkhof wezen moest. En als hij maar op een kerkhof kon komen was hij klaar. Als hij er een zag van den weg af op zijn zwerftochten, dan ging hij er heen en bleef er een poosje zitten, al was het ook midden in de week.
Toen hij nu naar het kerkhof wilde gaan, stuitte hij op een nieuwe moeilijkheid. De begraafplaats te Roglanda ligt namelijk niet vlak bij de kerk, die op een rotsachtigen heuvel staat, maar op een veld achter de kerkeraadskamer. En hij kon niet bij den ingang komen, zonder langs een weg te gaan waar de paarden van de kerkgangers stonden vastgebonden.
Alle paarden stonden met den kop diep neergebogen over de hooihoopjes of haverzakken, te eten, zoodat het voer onder hun tanden kraakte. Er was geen sprake van, dat ze den man eenig kwaad zouden doen, maar hij had nu zijn eigen meening over het gevaar van langs zulk een rij dieren te loopen. Twee, drie keer probeerde hij ’t; maar de moed begaf hem en hij moest terug keeren. Hij was niet bang, dat de paarden hem zouden bijten of trappen. ’t Was al meer dan genoeg, dat ze zoo dichtbij waren, dat ze hem zien konden. ’t Was al meer dan genoeg, dat hij ze kon hooren rammelen met hun tuig of met de hoeven over den grond schrapen.
Eindelijk kwam een oogenblik, dat alle paarden den kop neêrbogen en om het hardst schenen te eten. Toen begon hij zijn tocht. Hij hield zijn pels vast, dat die niet zou losfladderen en hem verraden en hij liep op de teenen, zoo goed hij maar kon. Als een paard de oogen opsloeg, bleef hij dadelijk staan en groette. Hij wilde graag beleefd zijn tegen dat geheimzinnige, gevaarlijke wezen, maar ’t dier moest toch billijk zijn en begrijpen dat hij niet buigen kon met een zak vol ijzerwaren op den rug. Er bleef hem niets anders over dan te groeten.