Indrukken van Finland De Aarde en haar Volken, 1906

Part 2

Chapter 2 3,931 words Public domain Markdown

Reeds in 1175 kwamen de Finnen met de Zweden in aanraking. Koning Erik de Heilige van Zweden zocht hen te onderwerpen en tot het Christendom te bekeeren. Dit gelukte echter eerst in 1249 door Birger Jarl. Finland werd toen een hertogdom en mocht sedert 1362 afgevaardigden zenden naar Zweden, als daar een koning moest gekozen worden. Dikwijls gebeurde het, dat een zweedsche prins Finland in leen kreeg. Gustaaf Wasa maakte Finland protestant. Telkens hebben de Russen getracht het land te veroveren, maar zij werden gewoonlijk door de vereenigde Zweden en Finnen verslagen. Eerst na het verdrag van Tilsit, 1807, werd de keizer van Rusland groothertog van Finland. Gustaaf IV Adolf van Zweden, n.l. was de tegenstander van Napoleon. Deze wilde door middel van Alexander I den koning van Zweden dwingen, toe te treden tot het Continentale stelsel. Het plan mislukte en Alexander veroverde Finland. Den elfden Februari 1809 beloofden de Finnen op den landdag te Borgå trouw aan den Keizer van Rusland en deze beloofde de rechten en wetten van Finland te eerbiedigen. Zijne navolgers hebben bij hunne troonsbestijging deze belofte moeten herhalen.

Na 1809 is de ontwikkeling van Finland met rassche schreden vooruitgegaan en kwam er tevens eene beweging om het finsche element krachtiger te doen worden dan het zweedsche. Snellmann, de professor aan de universiteit, gaf hieraan den stoot en werd gevolgd door de dichters Rüneberg, Topelius en Lönnrot.

Het was Rüneberg, die het volkslied der Finnen maakte:

Maa isänmaamme suomenmaa, Sei sana kultainen! Ei laaksoa, ei kukkulaa, Ei vettä, rentaa rakkaampaa, Kuin kotimaatää pohjainen Maa kallis isien.

On maamme köyhä, siksi jää Jos kultaa kaipaa ken. Sen kyllä vieras hylkäjää, Mut nuillekallein maa ontää Kauss' salojen ja saarien Se meist on ultainen.

O, land, o vaderland, Klink luid, gij dierbaar woord! Geen berg, die zich naar den hemel verheft, Geen dal, geen groene oever Is meer geliefd, dan ons noorden, Het land onzer vaderen.

En hoe arm dit land ook is Voor hem, die goud begeert, Al gaat de vreemdeling trotsch ons voorbij, Wij blijven aan ons land getrouw Het is ons, met wat het ons geeft, Meer waard dan goud.

Om het gewicht van die finsche beweging te begrijpen, moet men weten, dat het land in verschillende partijen verdeeld is. De zweedsche partij vormen de Zweden, die sedert eeuwen in Finland gevestigd zijn. Zij wonen aan de westkust en staan op goeden voet met de Oud-Finnen. Deze doen alles om de finsche nationaliteit te bewaren, maar zij verzetten zich niet noodeloos tegen Rusland. Dan is er nog de Jong-finsche partij; deze wil Finland geheel op zich zelf houden; daarom is zij èn tegen de zweedsche partij èn tegen Rusland, en noemt de Oud-Finnen zeer conservatief. Maar het streven naar het instandhouden der finsche taal gaat van beide finsche partijen uit. De universiteit te Helsingfors werkt in die richting mede.

Het opwekken van nationaal gevoel is begonnen, toen Rusland pogingen aanwendde om Finland te russificeeren. Waarschijnlijk worden nu twee vragen gedaan: wat is de reden dat Rusland aan Finland zijn vrijheid wil ontnemen, en waarom heeft dat land er tegen russisch te worden? Die vragen heb ik door verscheidene Finnen op de zelfde manier hooren beantwoorden. De kwestie van russificatie, zeggen zij, berust op jaloezie van den kant der Russen. Finland heeft zijn rechten behouden, die het vroeger door Zweden gekregen heeft en heeft daardoor meer vrijheid dan de Russen. Het heeft zich kunnen ontwikkelen en geheel de zweedsche beschaving kunnen volgen. De Russen hebben geen vrijheid, en al wilde de keizer ook toegeven, hij zou niet kunnen, omdat de grootvorsten en de hofpartij het tegen zouden gaan. Deze hebben, om de liberale stemmen in Rusland te smoren, den keizer gedwongen strenger tegen Finland op te treden.

En nu, waarom zou Finland niet gerussificeerd willen worden? Ten eerste om zijne nationaliteit niet te verliezen, maar vooral ook, omdat het Rusland ver vooruit is in beschaving. Wij zijn een oud cultuurvolk, zeggen zij. De Russen hebben vele slechte eigenschappen (o.a. het drinken van wotka-brandewijn) en die zouden spoedig door de Finnen overgenomen kunnen worden, als zij in het russische leger moesten dienen. Verder is er het verschil van ras en godsdienst.

De zweedsche Finnen, die veel energieker zijn dan de eigenlijke Finnen, zagen het eerst het gevaar waarin hun land verkeerde en zij begonnen in de steden van het westen lezingen en vergaderingen te houden, ten einde dit gevaar af te wenden. Dadelijk werden zij geholpen door de Finnen, die in Helsingfors studeerden en, op het oogenblik is het voornamelijk de finsche stam, die tracht de boeren in het oosten wakker te schudden. Mannen zoowel als vrouwen (voornamelijk de studenten) werken er op, het volk te laten voelen, welke waarde voor hen de vrijheid heeft. Niet alleen in de steden, maar ook op het platte land worden lezingen gehouden. Dit doen de studenten gedurende de zomervacantie. Zij stellen zich tot doel het volk zooveel mogelijk te ontwikkelen en het schijnt hen ook werkelijk te gelukken, de boeren uit hun flegma op te heffen. Ook worden er volksfeesten gehouden, waar ieder verzocht wordt in nationaal kostuum te verschijnen. De studenten zijn in Finland zeer gezien; alles wat de studentenpet draagt, wordt met zekeren eerbied behandeld. Het is een feest voor geheel Helsingfors, als de pet wordt uitgereikt aan de nieuwe studenten; dat gebeurt op 1 Mei; daarna begint de zomervacantie, die tot September duurt. De nieuwe studenten, jongens zoowel als meisjes, krijgen van elk hunner vrienden een bouquetje, dat zij op de borst vast hechten en zoo, met bloemen behangen, nemen zij deel aan het bal, dat te hunner eere wordt gegeven.

Finland is een zeer democratisch land, er is geen adel en er bestaat weinig verschil van stand. Tot de aristocratie behooren alleen enkele zweedsche families en eenige Russen. De meisjes en jongens gaan samen op de lagere school en blijven ook op lateren leeftijd als student zeer vrij met elkaar omgaan.

Dit alles was het, wat ik bij mijn eerste bezoek aan Finland opmerkte en waardoor bij mij de lust werd opgewekt het land nog eens nader als toerist te leeren kennen.

Bij mijn tweede bezoek kwam ik in Helsingfors van uit Stockholm over Åbo.

Wederom brachten we, ditmaal drie personen, eenige dagen door onder het gastvrije dak van vroeger. Hier kregen we allerlei inlichtingen voor de reis, die we door Finland wilden ondernemen. Met goeden moed om het onbekende land te zien, waar niemand ons zou verstaan, verlieten wij onze vrienden, en den zelfden avond bereikten we de Imatra. Aan het station wachtte ons een soort van omnibus; we stapten er in met verscheidene andere menschen; hoe ze er uitzagen konden we in de duisternis niet zien, hun taal niet verstaan en intusschen kletterde de regen lustig op het gesloten zeildoek van het rijtuig. Eensklaps werd mijne oplettendheid gaande gemaakt door het bruisen van snelstroomend water, toen reden we een brug over en zag ik, even tusschen de reten van het zeildoek door, een woesten stroom die zijn smallen weg baant tusschen twee rotswanden. Eenige oogenblikken daarna hielden we stil voor het hotel, een groot gebouw, geheel naar moderne eischen ingericht.

Toen ik den volgenden morgen de Imatra zag, kwam een gevoel van teleurstelling bij mij op. Zóó had ik me dien beroemden waterval niet voorgesteld en in geen geval zóó smal; men krijgt een gevoel "er over heen te kunnen stappen", want door de diepe bedding lijkt de kloof minder breed, al is zij toch nog een 45 meter; de Imatra is eigenlijk geen waterval maar een stroomversnelling. Misschien bracht ook het nevelachtige weer en het vroege morgenuur er toe bij om den indruk minder grootsch te maken. Daarbij is de omgeving van den stroom in de buurt van het hotel niet gunstig; alle groote boomen zijn weggekapt en daarvoor is jong hout in de plaats gekomen. Van af de brug is de indruk beter; daar ziet men welk een massa water er in de nauwe gang geperst wordt; in woeste vaart spat het op tegen de groote rotsblokken die het trachten te stuiten; de snelheid van den stroom is duizelingwekkend. De Imatra is de afvoer naar het Ladoga-meer, van het water der meren die te zamen het Saimagebied vormen. Zij zijn verbonden door het Saima-kanaal, dat gegraven is tusschen Villmannsstrand en Wiborg (1844).

Om tien uur in den morgen zouden we uit Imatra vertrekken met den eersten en laatsten trein, want na veel moeite werd het ons duidelijk gemaakt dat er maar eens per dag gelegenheid is om van Imatra weg te komen. De slechte communicaties maken het reizen in Finland zeer moeilijk; en was het dat maar alleen; maar de spoorboekjes verschillen soms zeer in de opgaven van vertrek en aankomst. Men weet nooit of een trein ook een half uur eerder of later vertrekt en of er ook eene verandering in de dienstregeling is gekomen, die niet op de lijst van aankomst en vertrek der treinen is opgegeven. Dat alles zou men nog wel gewaar worden, als men de taal van het land kende; we konden ons slechts zeer gebrekkig verstaanbaar maken. Toevallig kende iemand wel eens duitsch, of wel we bedienden ons van enkele zweedsche uitdrukkingen, wat soms nog meer verwarring aanbracht, omdat wij ook deze taal niet voldoende machtig waren. De trein, die ons van Imatra naar Wuoxenissa zou voeren, liet ongeveer drie kwartier wachten. Gelukkig kwamen we nog juist bij tijds aan, om vandaar de boot naar Villmannsstrand te kunnen nemen. Als het niet zoo koud en stormachtig was geweest, hadden we zeker van den boottocht genoten. Ook de koude heeft er het hare toe bijgebracht, dat Villmannsstrand, eene badplaats, ons niet kon bekoren. Die koude in Finland was iets zeer bizonders, gewoonlijk zijn de zomers er zeer warm, hoewel de temperatuur des nachts sterk afkoelt. Van verscheidene kanten hoorde ik, dat men bang was voor een slechten oogst, als de koude bleef aanhouden. Van Villmannsstrand gingen we per boot naar Punkaharju, de plaats die de Finnen als een van de mooiste plekjes van hun land aanduiden en waar tal van Russen den zomer doorbrengen. Om tijd te winnen reisden we ook nu weer des nachts; als men per boot gaat heeft dit weinig bezwaren. Alleen is het zeer onaangenaam om 's morgens vroeg van boot te moeten verwisselen, of op een nog nachtelijk uur op de plaats der bestemming aan te komen, zooals ditmaal het geval was. Om vijf uur moesten we te Nyslott aan wal, om daar tot negen uur op eene boot te wachten. 't Was al weer erg koud, maar de zon scheen lekker. Gelukkig zijn de Finnen goed te vertrouwen, want, daar er bij de landingsplaats der booten niets was dat op een bagage-bureau leek, besloten we, onze bagage maar bij een bank neer te zetten en vervolgens de stad in te gaan. Bij onze terugkomst bevonden we, dat alles er nog lag en dat ook nog iemand anders er zijne reistasschen had bijgevoegd. Nyslott heeft een vriendelijker aanzien dan de andere finsche steden; het heeft niet het sombere en verlatene van Åbo, van Wiborg en Villmannsstrand. Er is een oud slot, dat van binnen nog al merkwaardig zijn moet; maar zoo vroeg in de morgen kon men zich geen toegang verschaffen.

Naar Punkaharju bracht ons binnen weinig uren een bootje, waarop verscheidene passagiers waren, die we al eerder hadden ontmoet, o.a. eene finsche dame met twee dochtertjes. Toevallig raakten we met haar in gesprek en zij deden ons de vraag, die mij vroeger al zoo dikwijls door Finnen werd gedaan, of wij Prof. van der Vlugt uit Leiden ook persoonlijk kenden. Zij vertelde ons hoe haar dochtertje hem in 1900 een bouquet had aangeboden en hoe zij tot dank daarvoor van hem een kus kreeg. "Dat noemen wij nu den historischen kus van Prof. van der Vlugt," voegde zij er bij.

Was de Imatra me tegengevallen, Punkaharju zeker niet. Ik had er echter langer moeten blijven, om er ten volle van te kunnen genieten. Groote wandelingen zoekt men er te vergeefs, telkens stuit men op water. Maar roeien en zeilen kan men er des te meer, en er zijn een menigte van mooie plekjes, waar men van onder de boomen een ver uitzicht heeft over de watervlakte met hare tallooze eilandjes.

Van Punkaharju af volgde een reis van acht uur rijden. In het hotel hadden we zoo goed het kon alles over de rijtuigen, de koetsiers en den prijs afgesproken. Wij zouden met de post reizen, de prijs was 8 cent per kilometer, niet te veel naar ons voorkwam. Van het oogenblik af, dat we in de wagentjes waren gaan zitten, konden we geen woord meer tegen de voerlieden zeggen, omdat zij eenvoudige boertjes waren, die niet anders dan Finsch spraken. Daar zaten we nu, wetend, dat we om vijf uur te Elisenwaara zijn moesten, om den eenigen trein naar Sortavala te halen. We vertrouwden maar op ons geluk, verder viel er ook niets te doen, dan te zorgen, dat men zoo min mogelijk schokte in den wagen, want de weg was slecht en de voertuigen niet de beste. 't Was alweer koud, maar gelukkig niet regenachtig. De paardjes liepen onvermoeid door en we hadden alle hoop op een goede reis. Bij een veer kwam de eerste moeilijkheid: we moesten betalen. Gelukkig is de gebarentaal overal dezelfde en hebben de Finnen nog niet geleerd vreemdelingen te exploiteeren; ze gaven ons dus netjes ons geld terug, toen het bleek dat we te veel betalen wilden.

Gedurende de reis moesten we vijf keer van paarden en koetsier verwisselen. Meestal kregen we vader en zoon mee, en nu was het opmerkelijk dat de weg en de wagens hoe langer hoe slechter werden en de zoons hoe langer hoe jonger. Het laatste koetsiertje was zeker niet ouder dan acht jaar. Hij was een alleraardigst ventje, dat altijd door wilde praten en erg verbaasd was, dat we hem niet verstonden. Tegelijkertijd lette hij goed op zijn paard en was bizonder tevreden over zichzelf, toen hij den vader een heel eind vooruit was. Hij zat op een laag bankje voor ons, maar was zoo klein, dat hij er telkens afzakte. Eindelijk heb ik onzen koetsier maar op schoot genomen.

't Ging als van een leien dakje tot het laatste station. Toen was er geen paard te krijgen. We konden niets zeggen of vragen, en als we boos keken, lachten de boeren ons vriendelijk toe. De boerin vroeg ons zelfs binnen te gaan en deed al het mogelijke om ons goed te ontvangen. Na eenigen tijd van ongeduldig wachten hoorde ik het woord "tule". "Nu komt het paard", zeide ik, want "tule tanne" beteekent "kom hier". En ik had gelijk: daar kwam het aan. Tot aandenken wilde ik de familie photographeeren. Dit was het eenige woord, dat ze van ons begrepen. Nauwelijks had ik "photographie" gezegd, of het heele huishouden kwam aanloopen, ook de grootvader, die zeker nog nooit gephotographeerd was.

Te goeder ure kwamen we in Elisenwaara. De weg, dien we gereden hadden, was slechts bij gedeelten mooi, want witte berken vervelen op den duur, als ze door geen ander hout worden afgewisseld en een meer met dennen er om heen verliest zijn bekoorlijkheid, als twee uur lang geen verandering in het landschap komt. Nog eens, Finland is geen land voor toeristen, maar een land om op één plaats stil te blijven; het is een land om te rusten en te droomen.

De trein bracht ons naar Sortavala, eene stad die op 't eerste gezicht niet aanlokkelijk scheen en ook in werkelijkheid niet anders is dan een kleine, vervelende provinciestad, aan een groot meer, het Ladoga-meer. In verband met het vervolg van onze reis moesten we den geheelen Zaterdag daar doorbrengen. Van geen enkele finsche stad, behalve Helsingfors, heb ik een indruk van levendigheid gekregen, maar Sortavala was het ergst van alle. In de hoofdstraat was niemand te zien en de verlatenheid kwam nog sterker uit doordat de straat, evenals alle finsche en russische straten, buitengewoon breed is. De huizen zijn in de breedte gebouwd en meestal maar van één verdieping, de voordeur is niet te zien, zij ligt achter de houten schutting, die den tuin omgeeft en waar men door een overdekt hek binnenkomt. Aan alles merkt men, dat de Finnen in huis leven, waarvan waarschijnlijk de lange winters de naaste oorzaak zijn. Maar hoe vervelend Sortavala ook is, het heeft een museum van finsche kunstnijverheid, dat zeer de moeite waard is, gezien te worden en een schoolgebouw zoo groot en goed ingericht, dat menige stad bij ons er een voorbeeld aan zou kunnen nemen.

Na Sortavala bezochten we Walamo; zoo heet een eilanden-groep in het Ladoga-meer. Sedert het jaar 992 is er een klooster op Walamo, door russische monniken bewoond. Het werd gesticht door twee priesters van den berg Athos, German en Sergej, die, volgens de legende op een molensteen naar het eiland kwamen drijven; zij vonden het bevolkt met geheimzinnige wezens, die door hen werden verdreven. Er zijn weinig berichten over de eerste tien eeuwen, gedurende welke het klooster bestond. Men kan echter aannemen, dat het toen nog niet streng georganiseerd was en voornamelijk diende als toevluchtsoord voor kluizenaars. Later hebben de monniken getracht den grieksch-orthodoxen godsdienst te verbreiden. Hun bekeeringswerk begon in Karelië in het jaar 1227. In 1350 beproefde de zweedsche koning Magnus Erikson Walamo te veroveren, maar door de gebeden der monniken verging de vloot en alleen de koning wist zich te redden. Hij werd in de kloosterorde opgenomen, maar stierf kort daarna.

Het nieuwe Walamo met zijne groote gebouwen en rijke kerken dateert van 1842 en is gesticht door den Ignumen Damaskin, die toen aan het hoofd van het klooster stond. Hij liet de oude kerken afbreken en er nieuwe voor in de plaats zetten. De monniken kregen een beter woonhuis en er werd een "hotel" gebouwd om de pelgrims te herbergen.

Na langdurig informeeren gelukte het ons te weten te komen wanneer de boot, die tot het klooster behoort en onder directie der priesters staat, van Sortavala naar Walamo zou vertrekken. Men raadde ons echter aan, eenige dagen te wachten op de finsche boot, omdat deze meer comfort biedt. 't Was echter juist ons plan den Zondag op Walamo door te brengen; wij konden dan aan een pelgrimstocht deelnemen en zoodoende verscheidene heilige eilanden in de buurt bezoeken.

De _Walaam_, het priesterschip, waarop we dus terecht kwamen, was alles behalve geriefelijk en daarbij in 't oogvallend vuil. Het eten was er ook niet best en het was moeilijk om de stewardes, die tevens als kellner fungeerde, te beduiden wat we wilden eten; het ging al even weinig gemakkelijk haar aan 't verstand te brengen dat we drie slaapplaatsen noodig hadden. Om haar aan te roepen wisten we niet anders te doen dan het woord "baboushka" te gebruiken, d.i. grootmoeder. Neen, men had ons niet voor niets tegen de _Walaam_ gewaarschuwd. Ook ons reukorgaan werd in 't begin onaangenaam geprikkeld door de lucht van juchtleeren vetlaarzen, die alle Russen dragen, en waarmee de boot als 't ware doortrokken was.

In den avond bezocht ik het ruim, waar de bedevaartgangers een plaats hadden gevonden. Verbaasd bleef ik bij den ingang staan; wat was dat voor een bonte opeen gehoopte menschenmassa in een onverdragelijk warme atmosfeer! Daar zaten zij, dom, genoegelijk, met een passieve uitdrukking op het gelaat, enkelen waren neergehurkt op den grond, anderen zaten op hun bagage. Wat me dadelijk opviel was de geëmailleerde theepot, die in geen van de groepen ontbrak. De russische moeijik neemt dit artikel altijd mee op reis en aan alle stations kan hij voor niets kokend water nemen uit een groot reservoir. Ook hier, op deze boot, was die inrichting voorhanden. Tusschen al die menschen, zoo verschillend van ons westersch ras, bewogen zich de priesters. Zij waren te herkennen aan hun lange haren, die bij sommigen tot aan hun middel reikten, aan de hooge priestermuts en de lange jas met een band om het middel vastgehouden, afhangend tot halfweg de hooge laarzen.

Reeds vroeg in den morgen bracht de "baboushka" ons het ontbijt, dank zij een vriendelijke dame uit Kuopio (Finland), die met de russische taal bekend was. Zij bood zich ook aan om als tolk te dienen op Walamo, en zonder haar hulp zou de dag niet half zoo interessant geweest zijn. Vóór de hoogmis kwamen we daar aan, nadat we al langs verscheidene eilanden gevaren waren, waar hier en daar een kapel haar koepel tusschen de dennen verheft. We liepen met den stroom der pelgrims mee en kwamen zoo binnen de kloostermuren. Eigenlijk had ik verwacht, dat er nog wel wat van het vroegere klooster of van de oude kerk over zou zijn, maar dat is het geval niet; de gebouwen op Walamo zijn banaal-nieuw.

De hoofdkerk, die we binnen traden om de mis bij te wonen, is overweldigend door haar groote afmetingen en het decor van goud.

En nu een enkel woord over de russische kerken in 't algemeen. Haar plattegrond heeft den vorm van het grieksche kruis. Boven het midden-vierkant is een groote koepel en op elke der vier kruisarmen staan kleinere, die evenals de groote koepel gekleurd of van koper zijn. De absis wordt ingenomen door het "Allerheiligste" en afgesloten door den "iconostas", die op Walamo bizonder rijk versierd is. De iconostas is een wand met drie deuren, waarvan de middelste de "heilige deur" is. Geen vrouw mag achter den iconostas komen. Tijdens de mis wordt de heilige deur geopend, en ziet men het altaar.

Beelden komen in de russische kerk niet voor; dat verbiedt de ritus. Wel treft men er geschilderde afbeeldingen aan, die alle volgens een vast type zijn gemaakt. De madonna met het Christuskind ziet men in alle kerken steeds op de zelfde wijze voorgesteld.

De gemeente staat gedurende de godsdienstoefening, (er zijn zelfs geen banken in de kerk); zij stemt niet in met het koor der geestelijken. Men wordt getroffen door den vollen toon der stemmen, die door de gewelven dreunt of die, zacht-mystiek, even de woorden van hem, die de mis leest, accentueert. Een orgel is in de russische kerk niet aanwezig. De liturgie neemt een groot gedeelte van de godsdienstoefening in beslag. Gepreekt wordt er niet, slechts enkele bijbelteksten leest de priester aan de gemeente voor. Na de mis houdt hij een kruisbeeld op, dat door de vrome aanwezigen, die in file langs hem gaan, wordt gekust. Op Walamo zagen wij ook vele pelgrims, na elkaar, dezelfde glasruit waaronder relequien bewaard werden, met de lippen aanraken. Geruimen tijd lagen geloovigen gedurende de mis op den grond, met het voorhoofd den steenen vloer aanrakend; voor een Rus evenwel is dit niets bizonders.

Na de mis trachtte onze vriendelijke tolk uit Kuopio te weten te komen, wanneer de pelgrimstocht naar de eilanden zou plaats hebben. "Als het middagmaal afgeloopen is", antwoordde de priester tot wien zij zich gewend had. Deze monnik, die wat Duitsch kende, stelde zich beschikbaar om ons de naaste omgeving van het klooster te laten zien. Hij vertelde ons allerlei dingen betreffende Walamo. Er wordt hard gewerkt, want het klooster voorziet in zijn eigen behoeften door den landbouw. Ook allerlei andere handwerken oefenen de monniken uit. Wetenschappelijk werk wordt niet noodig geoordeeld; zij staan geheel buiten de maatschappij. De hoogere geestelijken lezen de couranten en vertellen enkele gebeurtenissen, die zij wetenswaardig vinden, aan de overige monniken. Andere dan geestelijke boeken zijn in het klooster niet aanwezig. De bevolking telt ongeveer duizend bewoners. Boter en vleesch wordt door de broeders niet gegeten. Omdat de kloosterorde zeer streng is, sturen de Russen er dikwijls voor eenigen tijd jongens heen, die tehuis moeilijk zijn op te voeden.