Part 4
Met den roman is het niet anders gesteld. Gezag door het gemeen geoefend en de erkenning daarvan zijn ook hier noodlottig. Thackeray's "Esmond" is een schoon kunstwerk, omdat hij het boek schreef voor zijn eigen genoegen. In zijn andere romans, in "Pendennis," in "Philip," zelfs in "Vanity Fair," is hij zich bijwijlen te zeer bewust van zijn publiek, en bederft zijn werk door zich onmiddellijk te richten tot de sympathieën zijner lezers of door onmiddellijk met hen den draak te steken. Een waarachtig kunstenaar neemt volstrekt geen notitie van het publiek. Het publiek bestaat voor hem niet. Hij heeft geen opium- of honingkoekjes bij de hand om een monster in slaap of zoet te houden. Hij laat dat aan den populairen romanschrijver. Eén onvergelijkelijken romanschrijver hebben wij op het oogenblik in Engeland, George Meredith. Er zijn in Frankrijk mogelijk beter artisten, maar Frankrijk bezit er geen wiens blik op het leven zoo breed, zoo afwisselend, zoo verbeeldend waarachtig is. Er zijn in Rusland vertellers die een levendiger zin hebben voor levensleed als grondstof ter verbeelding. Maar aan hem behoort de tot verbeelding geworden wijsbegeerte. Zijn menschen leven niet alleen, zij leven in en door de gedachte. Men kan hen zien van myriaden kanten. Zij zijn vol levenswerking. Daar is ziel in hen en om hen. Zij zijn tolken en symbolen. En hij die hen geschapen heeft, deze wonderbaarlijke snelbewegende verschijningen, maakte ze voor zijn eigen genot en heeft nooit het publiek gevraagd wat het wenschte, heeft nooit de moeite gedaan daarachter te komen, heeft nooit het publiek toegestaan hem iets voor te schrijven of eenigen invloed op hem uit te oefenen, maar is steeds voortgegaan zijn eigen persoonlijkheid te verkrachtigen en zijn eigen individueel werk voort te brengen. Eerst kwam niemand tot hem. Dat maakte niets uit. Toen kwamen de weinigen. Dat bracht geen verandering. Nu zijn de velen gekomen. Hij is nog altijd dezelfde. Hij is een onvergelijkelijk romankunstenaar.
Met de sierkunsten is het evenzoo gegaan. Het groote publiek klemde zich met waarlijk aandoenlijke vasthoudendheid aan wat men zoû kunnen noemen de onvervalschte overleveringen van de wereldtentoonstelling van internationale smakeloosheid, met een zoo ontstellend gevolg dat de huizen waarin de menschen leefden, enkel voor blinden bewoonbaar waren. Maar op een goeden dag begonnen er mooie dingen gemaakt te worden, mooie tinten verschenen uit de handen van den verver, mooie patronen uit de scheppende verbeelding der kunstenaars, en de aanwending van het schoone voorwerp in zijn waarde en levensbelangrijkheid nam een aanvang. Het groote publiek was in hooge mate gebelgd. De menschen maakten zich kwaad. Zij zeiden onwijze dingen. Niemand lette er op. Niemand voelde zich maar eenigszins uit het veld geslagen. Niemand aanvaardde het gezag der openbare meening. En op het oogenlik is het zoo goed als onmogelijk eenige moderne woning binnen te komen zonder in zekere mate de erkenning gewaar te worden van den goeden smaak, van de waarde eener aangename omgeving, een of ander teeken van de waardeering der schoonheid. In éen woord, de woningen der menschen zijn in den laatsten tijd over 't algemeen alleszins bekoorlijk. De menschen hebben zich een heel eind laten opvoeden. Toch moet men om eerlijk te zijn verklaren, dat het buitengewone slagen der omwenteling in huisversiering, meubileering en wat daarbij behoort, in den grond niet te danken is aan de meerderheid van het publiek dat een bijzonder goeden smaak in dergelijke zaken zoû ontwikkeld hebben. Wij danken het in hoofdzaak aan het feit dat de vervaardigers van gebruiksvoorwerpen zoo zeer het genot waardeerden van iets schoons te maken, en tot een zoo felle bewustheid ontwaakten van de leelijkheid en platheid van wat het publiek hun vóor dien tijd te leveren vroeg, dat zij zijn smakeloosheid eenvoudig uithongerden. Het zoû op het oogenblik niet mogelijk blijken een vertrek te meubelen zooals dat enkele jaren terug geschiedde, zonder voor het minste ding naar een uitverkoop te gaan van tweedehands-meubelen, afkomstig uit een of ander derderangsch pension. Zulke zaken worden niet meer vervaardigd. Al hebben zij er nog zooveel op tegen, de menschen zijn tegenwoordig gedwongen iets bekoorlijks in hun omgeving te hebben. Tot hun geluk is hun aanmatiging van gezag op dit kunstterrein op een volslagen fiasco uitgeloopen.
Het is dus klaarblijkelijk dat alle gezag op dergelijk gebied slecht is. De menschen vragen iemand wel eens welke regeeringsvorm aanpassend is voor een kunstenaar om onder te leven. Op deze vraag is maar éen antwoord. De regeeringsvorm die het best aanpassend is voor den kunstenaar, is volstrekt geen regeering. Gezagsoefening over hem en zijn kunst is belachelijk. Men heeft wel beweerd dat kunstenaars juist onder het bewind van despoten verrukkelijk werk hebben voortgebracht. Dat is geen zuivere bewering. Kunstenaars hebben despoten wel bezocht, niet als onderdanen, over wie dezen geweld oefenden, maar als rondreizende scheppers van wonderen, als vagebonden van een betooverende persoonlijkheid, die zij onthaalden en voor zich trachtten te winnen en wien zij ongestoorde rust bezorgden om te kunnen scheppen. Ten gunste van den despoot kan men aanvoeren dat hij een individu is en dus cultuur kan bezitten, terwijl de menigte een monster zonder is. Iemand die keizer of koning is, kan zich bukken om een penseel op te rapen voor een schilder, maar wanneer de menigte neêrbukt is het enkel om met vuil te gooien. En toch behoeft zij zich niet zoo diep te bukken als een keizer, of liever, om met vuil te gooien behoeven zij zich heelemaal niet te bukken. Maar het is niet noodig scheiding te maken tusschen alleenheerscher en menigte: alle gezag is gelijkelijk slecht.
Ik onderscheid drie soorten despoten: den despoot die den baas speelt over het lichaam, den despoot die den baas speelt over de ziel, en den despoot die over ziel en lichaam den baas wil spelen. De eerste heet vorst, de tweede paus, de derde het volk. De vorst kan beschaving hebben. Daar zijn vele voorbeelden van geweest. Toch schuilt er gevaar in den vorst. Denk aan Dante en het bittere feest in Verona, aan Tasso en de krankzinnigencel in Ferrara. Het is beter voor den kunstenaar niet met vorsten te doen te hebben. Een paus kan een man van beschaving zijn. Veel pausen bewijzen het, de slechte pausen waren het zeker. De slechte pausen beminden de schoonheid bijna even hartstochtelijk, ja met even veel hartstocht, als de goede pausen de gedachte haatten. Aan de verdorvenheid van verscheiden pausen is het menschdom veel verschuldigd. De deugdelijkheid van vele pausen is tegenover het menschdom schrikkelijk in schuld gebleven. Al heeft het Vaticaan enkel de rhetoriek van zijn donderslagen behouden en zijn bliksemschichten prijs moeten geven, toch is het beter voor den kunstenaar niet met pausen van doen te hebben. Wel was het een paus, die tot een conclave van kardinalen van Cellini zeide, dat gemeene wetten en gemeen gezag niet bedoeld waren voor menschen als hij, maar het was ook een paus, die denzelfden Cellini in de gevangenis wierp en hem daar hield tot hij ziek werd van machtelooze woede, en zich onwezenlijke vizioenen schiep, en droomde dat de gulden zon binnenkwam in zijn cel, en zoo verliefd op haar werd dat hij trachtte te ontsnappen en kroop van ringmuur naar ringmuur, en viel door de duizelige morgenlucht en zich verminkte, en na vele avonturen weêr gevangen genomen werd, totdat het eindelijk aan een beminnaar der schoonheid gelukte hem te bevrijden en in zijn hoede te nemen. Daar schuilt gevaar in pausen. En wat zal ik zeggen van het volk en zijn gezag? Daar is misschien al meer over gezegd dan goed is. Volksgezag is blind, doof, wanschapen, noodlottig, vermakelijk, aandoenlijk en liederlijk tegelijkertijd. Het is den kunstenaar onmogelijk met het volk te leven. Alle despoten doen aan omkooperij, maar het volk koopt om en schent meteen. Wie leerde hun gezag te willen oefenen? Zij waren geschapen om te leven, te luisteren en lief te hebben. De een of ander heeft hun groot kwaad berokkend. Zij hebben zich-zelf verdorven door hun minderen na te apen. Zij hebben den staf van den vorst genomen. Hoe zoûden zij daarmeê kunnen omgaan? Zij hebben de drievoudige tiara van den paus genomen. Hoe zoûden zij haar last kunnen torsen? Zij zijn als een clown met een gebroken hart. Als een priester met een nog ongeboren ziel. Laat al wie de schoonheid beminnen, medelijden met hen hebben. En hoewel zij zelf de schoonheid niet beminnen, laat hen medelijden hebben met zich-zelven. Wie onderwees hun het spelletje der tyrannie?
Daar zijn nog veel andere feiten waarop ik de aandacht zoû kunnen vestigen. Ik zoû kunnen betoogen hoe de Renaissance groot was, omdat zij niet naar de oplossing van eenig maatschappelijk vraagstuk streefde en zich met dergelijke zaken niet afgaf, maar toeliet dat het individu zich vrij, schoon en natuurlijk ontwikkelde, en dat zij daarom groote en individueele kunstenaars bezat en groote en individueele mannen. Ik zoû kunnen nagaan hoe Lodewijk XIV door het scheppen van den modernen staat het individualisme der kunstenaars verwoestte, en alle dingen monsterlijk leelijk maakte onder de eentonigheid der herhaling, en verachtelijk in hun gelijkvormigheid aan voorschriften, en overal in Frankrijk vernietigde al die schoone vrijheden van uiting, die tot nog toe de overlevering verjongden met nieuwe schoonheid, en nieuwe levenswijzen vereenzelvigden met overoude vormen. Maar het verleden is van geen belang. Evenmin als het heden. Met de toekomst hebben wij te doen. Want het verleden is wat de mensch niet had moeten zijn. Het heden is wat de mensch niet behoort te zijn. De toekomst is wat kunstenaars zijn.
Men zal natuurlijk zeggen dat zulk een plan als hier is opgezet, volkomen onuitvoerbaar is en in strijd met de menschelijke natuur. Dat is volmaakt waar. Het is onuitvoerbaar en in strijd met de menschelijke natuur. Juist daarom verdient het uitgevoerd te worden, en daarom juist wordt het voorgesteld. Want wat is een uitvoerbaar plan? Òf een plan dat reeds verwezenlijkt is, òf een dat zoû kunnen verwezenlijkt worden onder de bestaande toestanden. Maar het zijn juist de bestaande toestanden waar men tegen opkomt, en elk plan dat deze toestanden zoû kunnen aanvaarden, is verkeerd en dwaas. De toestanden zullen worden uit den weg geruimd, en de menschelijke natuur zal zich wijzigen. Want het eenige ding dat wij in werkelijkheid van de menschelijke natuur weten, is dat zij zich steeds wijzigt. Verandering is de eenige eigenschap die wij haar kunnen toekennen. De stelsels die mislukken, zijn degenen die op de standvastigheid der menschelijke natuur bouwen, en niet op haar groei en ontwikkeling. De dwaling van Lodewijk XIV was dat hij meende dat de menschelijke natuur steeds dezelfde zoû blijven. Het gevolg van zijn dwaling was de Fransche Revolutie. Het was een bewonderenswaardig gevolg. Alle gevolgen van regeeringsfouten zijn bij uitstek bewonderenswaardig.
Het verdient de aandacht dat het individualisme niet tot den mensch komt met eenig ziekelijk geleuter over plichtsbetrachting, wat niet veel anders bedoelt dan dat men doen zal wat anderen graag hebben omdat het in hun kraam te pas komt, of eenig weêrzinwekkend gekwezel over zelfopoffering, wat niet meer is dan een overleefsel van de zelfverminking der wilden. Het stelt inderdaad geen enkelen eisch aan den mensch. Het komt natuurlijk en onvermijdelijk uit den mensch zelf voort. Het is het punt waar alle ontwikkeling heenstreeft. Het is de verschilsontplooiing waarheen alle organismen groeien. Het is de vervolmaking die eiken vorm van leven is ingeboren, en waarheen elke vorm van leven opdringt. Daarom oefent het individualisme geen dwang op den mensch. Integendeel, het zegt den mensch dat hij niet behoort te dulden dat eenige dwang over hem wordt geoefend. Het tracht de menschen niet te dwingen goed te zijn. Het weet dat de menschen goed zijn wanneer men hen ongemoeid laat. De mensch zal het individualisme uit zich-zelf ontwikkelen. Hij is er nu al mede bezig. De vraag of het individualisme practisch mogelijk is, staat gelijk met de vraag of de evolutie der menschen dat is. De evolutie is de levenswet, en daar is geen evolutie dan in de richting van het individualisme. Waar dit streven niet tot uiting komt, staat men voor een geval van kunstmatig tegengehouden groei, of ziekte, of dood.
Het nieuwe individualisme zal ook onzelfzuchtig zijn en het tegendeel van gemaakt of gekunsteld. Ik heb er al op gewezen, dat éen der gevolgen van de bovenmatige tyrannie van het gezag is dat woorden en benamingen volkomen ontwricht zijn uit hun eigenlijke eenvoudige bedoeling en gebruikt worden om het tegendeel uit te drukken van hun juiste beteekenis. Wat geldt voor de kunst, geldt ook voor het leven. Men noemt bijvoorbeeld iemand opzettelijk gemaakt, als hij zich kleedt naar zijn eigen voorkeur. Maar door zoo te doen handelt hij juist volkomen natuurlijk. Gemaaktheid op dat gebied bestaat in het zich kleeden naar de inzichten van zijn buurman, welke, als die der meerderheid, waarschijnlijk uiterst dom zullen zijn. Een anderen keer noemt men iemand zelfzuchtig als hij leeft op de wijze die hem meest gepast voorkomt voor de volle verwezenlijking van zijn eigen persoonlijkheid, aangenomen dat zelfontwikkeling het hoofddoel van zijn leven is. Maar op deze wijze behoorde juist iedereen te leven. Zelfzuchtigheid is niet zelf te leven zooals men dat begeert, het is veeleer van anderen vragen dat zij leven zullen zooals wij dat begeeren. En onzelfzuchtigheid bestaat in het ongemoeid laten van de levens van anderen door anderen niet te bedillen. Zelfzuchtigheid heeft steeds het doel een volstrekte eenvormigheid van typos om zich in 't leven te roepen. Onzelfzuchtigheid erkent de oneindige verscheidenheid van typos als een heuchelijke vondst, aanvaardt haar en geniet haar. Het is niet zelfzuchtig voor zich-zelf te denken. Iemand die niet voor zich denkt, denkt heelemaal niet. Het is grof zelfzuchtig om van zijn buurman te eischen dat hij op onze wijze zoû denken en dezelfde meeningen zoû hebben als wij. Waarom zoû hij? Als hij tot denken in staat is, zal hij waarschijnlijk anders denken. Als hij daar niet toe in staat is, is het een monsterlijke eisch gedachte van welken aard ook van hem te vragen. Een roode roos is niet zelfzuchtig doordat zij een roode roos begeert te zijn. Zij zoû schrikkelijk zelfzuchtig zijn indien zij begeerde dat al de andere bloemen in den tuin rood en rozen waren. Onder het individualisme zullen de menschen volkomen natuurlijk zijn en volstrekt onzelfzuchtig, en zullen de bedoelingen der woorden weten en die in hun vrije schoone leven verwerkelijken. Ook zullen de menschen niet egoïstisch zijn zooals nu. Want de egoïst is de man die eischen aan anderen stelt, en de individualist zal dat niet begeeren. Hij zal er geen genot in vinden. Als de mensch het individualisme zal behaald hebben, zal hij ook het medegevoel behalen en het vrij en spontaan te pas brengen. Tot op het oogenblik heeft de mensch het medegevoel nauwelijks ook maar beoefend. Hij heeft enkel medegevoel met leed, d.i. niet den hoogsten vorm van medegevoel. Alle medegevoel is schoon, maar medegevoel met lijden is de minst schoone uiting. Zij wordt ontsierd door egoïsme. Zij heeft neiging om ziekelijk te worden. Er is een bepaald bestanddeel van vrees voor onze eigen veiligheid in. Wij worden bang dat wij zelf als de melaatsche of de blinde zoûden kunnen zijn en dat niemand dan voor ons zorgen zoû. Dit medegevoel is ook eigenaardig beperkend. Men behoorde medegevoel te hebben met de algeheelheid des levens, niet enkel met 's levens zeere en zieke plekken, maar met zijn vreugde en schoonheid en geestkracht en gezondheid en vrijheid. Hoe ruimer het medegevoel, hoe moeilijker het natuurlijk wordt. Het eischt hoe langer hoe meer onzelfzuchtigheid. De eerste de beste kan medegevoel hebben met de ongelukken van zijn vriend, maar men moet een bijzonder mooien aanleg hebben--den aanleg inderdaad van een waarachtig individualist--om mede te voelen met zijns vriends welslagen.
In de overspanning van den modernen wedijver en den worstelstrijd om zich een plaats te verzekeren is zulk medegevoel van-zelf zeldzaam, en wordt ook zeer vaak verstikt door het onzedelijk streven naar eenvormigheid van typos en gelijkvormigheid met den regel, dat overal zoo zeer de bovenhand heeft en misschien in Engeland meer kwaad sticht dan ergens anders.
Medegevoel met leed zal er natuurlijk altijd zijn. Het is een der eerste instincten van den mensch. De dieren die individualiteit vertoonen, de hooger aangelegde dieren, hebben het met ons gemeen. Maar men moest bedenken dat, terwijl medegevoel met vreugd de som van vreugde op de wereld verhoogt, medegevoel met leed in werkelijkheid de hoeveelheid leed niet vermindert. Mogelijk maakt het den mensch beter in staat het euvel te verduren, maar het euvel blijft. Medegevoel met tering geneest de tering niet; dat moet de wetenschap doen. En wanneer het socialisme het vraagstuk der armoede zal hebben opgelost, en de wetenschap dat der lichamelijke kwalen, zal het gebied der sentimenteele philanthropie hoe langer hoe meer inkrimpen, en het medegevoel van den mensch zal wijd, gezond en spontaan zijn. De mensch zal zijn vreugde vinden in de aanschouwing van het vreugdevolle leven van anderen.
Want door vreugde zal het individualisme van de toekomst zich ontwikkelen. Christus deed geen poging om de maatschappij herop te bouwen, en dientengevolge kon het individualisme dat hij aan den mensch predikte, slechts door leed en door eenzaamheid worden verwezenlijkt. De idealen die wij aan Christus danken, zijn de idealen van den mensch die de maatschappij den rug toedraait, of den mensch die met de maatschappij in beslisten strijd leeft. Doch de mensch is van nature maatschappelijk. Zelfs de Thebaïde werd ten slotte bevolkt. En hoewel de kloosterling zijn persoonlijkheid kon verwezenlijken, werd het vaak een verarmde persoonlijkheid. Toch oefent de verschrikkelijke waarheid dat het leed een middel is waardoor de mensch zich-zelf verwezenlijken kan, nog altijd een wonderbaarlijke bekoring over de wereld. Oppervlakkige redenaars en oppervlakkige denkers op kansels en spreekgestoelten praten vaak over de aanbidding van het genot door de wereld en gaan daar huilend tegen te keer. Maar zeldzaam is het in de wereldgeschiedenis, dat het wereldideaal er een van vreugde en schoonheid is geweest. De aanbidding van het leed heeft veel vaker de wereld beheerscht. De geest der middeleeuwen, met zijn heiligen en martelaren, zijn liefde voor zelfkastijding, zijn wilden hartstocht voor zelfverwonding, zijn messteken en geeselslagen, is de ware geest van het Christendom; de middeleeuwsche Christus is de waarachtige Christus. Toen de Renaissance opging over de wereld en haar nieuwe idealen medebracht van levensschoonheid en levensvreugde, konden de menschen Christus niet meer begrijpen. Zelfs de kunst bewijst ons dit. De schilders der Renaissance stelden Christus voor als een kleinen knaap, spelende met een anderen knaap in een paleis of een tuin, of achterover in zijn moeders armen, glimlachende naar haar of naar een bloem of naar een glanzenden vogel, of als een edele statige gestalte die zich op edele wijze beweegt door de wereld, of als een wonderbaarlijke gedaante in een soort extase uit den dood verrijzend tot het leven. Zelfs als zij hem aan het kruis maakten, gaven zij hem als een schoonen God wien door booze menschen leed wordt aangedaan. Maar hij nam hen niet volledig in beslag. Wat hen verrukte was de mannen en vrouwen te schilderen, die zij bewonderden, en de liefelijkheid dezer liefelijke aarde aan den dag te heffen. Zij schilderden vele religieuze onderwerpen, eigenlijk veel te veel, en de eentonigheid der typen en motieven is vermoeiend, en schaadde de kunst. Het was het gevolg van het gezag van het algemeen op kunstgebied, en is zeker te betreuren. Maar hun ziel was niet in het onderwerp. Rafaël was een groot kunstenaar toen hij het portret van den Paus schilderde. Wanneer hij zijn Madonna's en Christuskinderen schildert, is hij verre van een groot kunstenaar. Christus' boodschap was niet voor de Renaissance, welke bewonderenswaardig was omdat zij een ideaal bracht verschillend van het zijne, en om den werkelijken Christus voorgesteld te vinden moeten wij tot de middeleeuwsche kunst gaan. Daar is hij een die gekneusd is en geschonden, een die niet lieflijk is om aan te zien, omdat schoonheid een vreugde is, een die niet gaat in heerlijke kleedij, omdat ook dat een vreugde wezen kan--hij is een bedelaar met een wonderbaarlijke ziel, een melaatsche wiens innerlijk wezen goddelijk is, eigendom en gezondheid zijn dingen die hij niet behoeft, hij is een God die zijn vervolmaking verwezenlijkt door lijden.
De evolutie der menschen gaat langzaam; de ongerechtigheid der menschen is groot. Het was noodwendig dat leed op den voorgrond werd gesteld als een wijze van zelfverwezenlijking. Zelfs nu nog is in sommige streken der wereld Christus' boodschap onmisbaar. Niemand die in het huidige Rusland zoû leven, kan bij mogelijkheid zijn vervolmaking tot stand brengen dan door leed. Enkele Russische kunstenaars hebben zichzelf in de kunst verwezenlijkt, in een verbeeldingskunst die middeleeuwsch van karakter is, omdat de hoofdtoon de verwezenlijking der menschen is door lijden. Maar voor wie geen kunstenaars zijn en voor wie dus geen levensvorm bestaat buiten het leven van den dag, is leed de eenige deur ter vervolmaking. Een Rus die gelukkig zoû leven onder het huidige regeeringsstelsel in Rusland, moet òf niet gelooven in het bestaan eener menschelijke ziel, òf als hij dat wel doet, overtuigd zijn dat zij niet waard is ontwikkeld te worden. Een nihilist die alle gezag verwerpt, omdat hij weet dat gezag slecht is, en alle leed welkom heet, omdat hij daardoor zijn persoonlijkheid verwezenlijkt, is een waarachtig Christen. Voor hem is het Christelijk ideaal waar en levend.
En toch kwam Christus niet in opstand tegen het gezag. Hij aanvaardde het keizerlijk gezag van het Romeinsche Rijk en betaalde schatting. Hij duldde het kerkelijk gezag der Joden, en wilde zijn gewelddadigheid door geen enkele gewelddadigheid van zijn zijde weren. Hij had, zooals ik al zeide, geen vastgesteld plan ter wederopbouwing der maatschappij. Maar de moderne wereld heeft dat wel. Zij stelt zich voor de armoede af te schaffen en het lijden dat uit armoede voortkomt. Zij verlangt zich te bevrijden van lichamelijk leed en het lijden dat daarvan gevolg is. Zij vertrouwt op het socialisme en de wetenschap als haar methoden. Haar doel is een individualisme dat zijn uitdrukking vindt door vreugde. Dit individualisme zal ruimer zijn, vollediger en liefelijker dan eenig individualisme ooit geweest is. Leed is niet de opperste wijze van vervolmaking. Het is enkel een voorloopig verzet. Het houdt verband met ongewenschte, ongezonde, onrechtmatige levensomgevingen. Als het ongelijk en het physieke lijden en de onrechtvaardigheid zal weggenomen zijn, zal er voor het leed geen plaats overblijven. Het is een groot werk geweest, maar het is vrij wel voorbij. Zijn sfeer neemt af van dag tot dag.