# Individualisme en socialisme

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/individualisme-en-socialisme-11739/index.md

Het zal iets wonderbaarlijks zijn, de waarachtige persoonlijkheid der menschen, als wij haar te zien krijgen. Zij zal natuurlijk en eenvoudig opgroeien, als een bloem of een boom groeit. Zij zal met niets in tweedracht zijn. Zij zal nooit betoogen of betwisten. Zij zal niets trachten te bewijzen. Zij zal alles weten. Toch zal zij zich niet druk maken met kennis. Zij zal in het bezit zijn van de wijsheid. Haar waarde zal niet gemeten worden naar materiëelen maatstaf. Zij zal niets bezitten. En toch zal alles het hare zijn, en wat men haar ook ontneemt, haar rijkdom zal onvervreemdbaar blijken. Zij zal zich niet voortdurend bemoeien met anderen, of dien anderen vragen aan haar gelijk te zijn. Zij zal hen liefhebben om hun verscheidenheid. En toch, al zal zij zich niet met de anderen bemoeien, zij zal allen steunen en helpen, zooals iets schoons ons helpt door te zijn wat het is. De persoonlijkheid des menschen' zal wonderwerkend zijn, even wonderwerkend als de persoonlijkheid eens kinds.

In hare ontwikkeling zal zij bijgestaan worden door het Christendom, als de menschen het verlangen; maar mochten de menschen dat niet begeeren, dan zal zij zich daarom niet minder ontwikkelen. Want zij zal niet tobben over het verleden, en zich niet bezorgd maken of bepaalde dingen werkelijk gebeurd zijn of niet. Ook zal zij geen wetten dulden dan haar eigen wetten, en geen gezag dan haar eigen gezag. Maar wel zal zij diegenen beminnen, die haar trachtten op te kweeken en te versterken. En van dezen is Christus éen geweest.

"Ken u-zelf," stond geschreven boven de poorten der oude wereld. Boven die der nieuwe wereld zal men schrijven: "Wees u-zelf." En ook de boodschap van Christus aan den mensch was eenvoudig: "Wees u-zelf." Dat is de geheimspreuk van Christus.

Wanneer Christus van de armen spreekt, bedoelt hij eenvoudig persoonlijkheden, zooals hij met de rijken van wie hij spreekt, enkel menschen aanduidt, die hun persoonlijkheden nog niet hebben ontwikkeld. Jezus bewoog zich in een gemeenschap, die de opeenhooping van den bijzonderen eigendom toeliet, evenals de onze, en het evangelie dat hij predikt, was niet dat het in zoo een gemeenschap een voordeel voor iemand is van karig ongezond voedsel te leven, voddige ongezonde kleêren te dragen, in afschuwelijke ongezonde behuizingen te slapen, en een nadeel om onder gezonde, aangename en voegzame voorwaarden te leven. Zulk een beschouwing zoû door en door verkeerd geweest zijn, evenals zij natuurlijk nu in Engeland nog verkeerder wezen zoû. Want hoe meer de mensch zich in Noordelijke richting beweegt, worden de materiëele behoeften van des te grooter levensbelang, en onze samenleving is oneindig verwikkelder en vertoont veel grooter uitersten van weelde en verarming dan eenige samenleving der oude wereld. Wat Jezus bedoelde was dit. Hij zeide tot de menigte: "Gij bezit een wonderdadige persoonlijkheid. Ontwikkel haar. Wees u-zelf. Verbeeld u niet, dat uw vervolmaking ligt in het opstapelen of bezitten van uitwendige dingen. Wat gij zoekt is binnen in u. Als gij dit slechts kondt beseffen, zoûdt gij niet begeeren rijk te zijn. Wat men gewoonlijk onder rijkdom verstaat, kan iemand ontstolen worden. Werkelijke rijkdom kan dat niet. In de schatkamer uwer ziel zijn oneindig kostbare dingen die u niet ontvreemd kunnen worden. Beproef daarom uw leven zoo in te richten, dat uitwendige dingen u niet kunnen schaden. En beproef ook u te ontslaan van persoonlijken eigendom. Want persoonlijke eigendom brengt minderwaardige beslommering mede, eindelooze bezigheid, onophoudelijk onrecht, en belemmert het individualisme bij elken stap." Het verdient de aandacht dat Jezus nooit zegt dat verarmde menschen noodzakelijk goed zoûden zijn, of welgestelde menschen noodzakelijk slecht. Dat zoû niet de waarheid zijn geweest. Welgestelde menschen zijn, als klasse, beter dan verarmde menschen, zedelijker, intellectueeler, beter van gedragingen. Er is maar éen klasse in de gemeenschap, die meer om geld denkt dan de rijken, en dat zijn de armen. De armen kunnen nergens anders om denken. Dat is de ellende van het arm-zijn. Wat Jezus wel zegt, is, dat de mensch zijn vervolmaking niet bereikt door wat hij heeft, zelfs niet door wat hij doet, maar enkel en alleen door wat hij is. Zoo wordt de rijke jongeling die tot Jezus komt, voorgesteld als een door en door goed burger, die zich tegen geen der wetten van den staat bezondigd heeft, tegen geen der voorschriften van zijn godsdienst. Hij is volkomen "achtenswaardig," in de gewone beteekenis van dat buitengewone woord. Jezus zegt tot hem: "Geef den bijzonderen eigendom op. Het belemmert u uwe vervolmaking te verwezenlijken. Hij is een blok aan uw been, een overlast. Uw persoonlijkheid heeft hem niet van noode. Binnen in u, en niet buiten u zult gij vinden wat gij in werkelijkheid zijt en wat gij werkelijk behoeft." Tot zijn jongeren zegt hij hetzelfde. Hij vermaant hen zich- zelf te zijn, en zich niet voortdurend af te geven met andere duigen. Wat komen andere dingen er op aan? De mensch is volledig in zich-zelven. Als zij de wereld ingaan, zal de wereld met hen overhoop liggen. Dit is onvermijdelijk. De wereld haat alle individualisme. Maar dat mag hen niet storen. Zij moeten rustig blijven en bij zich-zelf bepaald. Als iemand hun rok neemt, moeten zij hem ook hun mantel geven, enkel om te toonen dat materiëele dingen van geen belang zijn. Als de menschen hen honen, mogen zij hun niet antwoorden. Wat beteekent hoon? Wat de menschen van iemand zeggen, verandert hem niet. Hij blijft wat hij is. De openbare meening is van niet de minste waarde. Zelfs wanneer de menschen handtastelijk geweld gebruiken, mogen zij niet op hun beurt gewelddadig zijn. Dat zoû afdalen zijn tot dezelfde laagte. Wel beschouwd, kan iemand zelfs in de gevangenis volkomen vrij zijn. Zijn ziel kan vrij zijn. Zijn persoonlijkheid onverstoord. Hij kan in vrede zijn. En bovenal mogen zij niet bemoeizuchtig zijn tegenover anderen of dezen in het minst veroordeelen. Persoonlijkheid is een zeer geheimzinnig iets. Een mensch kan niet steeds geschat worden naar wat hij doet. Het is mogelijk dat hij de wet betracht en toch een onwaardige is. Hij kan de wet overtreden en toch een edele natuur zijn. Hij kan slecht zijn zonder ooit iets slechts te doen. Hij kan zondigen tegen de maatschappij, en toch door die zonde zijn waarachtige vervolmaking verwezenlijken.

Daar was een vrouw die betrapt werd op overspel. Men verhaalt ons haar liefdesgeschiedenis niet, maar haar liefde moet zeer groot geweest zijn; want Jezus zeide dat haar zonden haar vergeven waren niet omdat zij berouw toonde, maar omdat haar liefde zoo sterk en zoo wonderbaarlijk was. Een tijd later, kort vóor Jezus' dood, toen hij aanzat aan een feestmaal, kwam die vrouw binnen en stortte kostelijk reukwerk op zijn haren. Zijn jongeren trachtten haar terecht te wijzen en zeiden dat het een buitensporigheid was, en dat de prijs van het reukwerk beter besteed ware geweest aan weldadigen onderstand van behoeftigen, of aan iets dergelijks. Jezus deelde hun opvatting niet. Hij wees er op dat de stoffelijke behoeften van den mensen wel groot waren en onafgebroken, maar dat de geestelijke behoeften der menschen nog grooter waren, en dat in een enkel goddelijk oogenblik en door haar eigen wijze van uiting te kiezen een persoonlijkheid haar volmaaktheid kon bereiken. De wereld aanbidt nog altijd deze vrouw als een heilige.

Ja, daar schuilen groote mogelijkheden in het individualisme. Zoo ontneemt, bijvoorbeeld, het socialisme aan het familieleven zijn beteekenis. Met de afschaffing van den bijzonderen eigendom moet het huwelijk in zijn huidigen vorm verdwijnen. Het behoort tot het program. Het individualisme neemt het over en verwerkt het tot iets schoons. Het zet de afschaffing van den wettelijken band om in een vrijheid die de volle ontwikkeling der persoonlijkheid slechts zal kunnen baten, en die de liefde van man en vrouw wonderdadiger, schooner, veredelender maken zal. Jezus wist dit al. Hij verwierp de verplichtingen van het familieleven, ofschoon zij in de gemeenschap van zijn dagen sterk op den voorgrond traden.

"Wie is mijn moeder? Wie zijn mijne broeders?" vroeg hij, toen men hem zeide dat zij hem zochten. Toen iemand, die hem volgen wilde, hem vergunning vroeg om eerst zijn vader te gaan begraven, was zijn vreeselijk antwoord: "Laat de dooden hunne dooden begraven." Hij kon er niet inkomen dat eenig beslag zoû gelegd worden op iemands persoonlijkheid.

Zoo dan is hij die een leven leiden wil in den geest van Christus, de man die volkomen en volstrekt zich-zelf is. Hij kan een groot dichter zijn, of een man van wetenschap, of een jong student aan de hoogeschool, of een die schapen hoedt op de heide; of een schepper van drama's als Shakespeare, of een peinzer over God als Spinoza; of een kind dat speelt in een tuin, of een visscher die zijn net uitwerpt in de zee. Het komt er niet op aan wat hij is, als hij maar de vervolmaking verwezenlijkt van de ziel die in hem is. Alle navolging zoowel op zedelijk gebied als in het leven is verkeerd. Door de straten van Jerusalem kruipt op den huidigen dag een krankzinnige rond met een houten kruis op zijn schouders. Hij is een voorbeeld van de levens die door navolging worden verdorven.

Toen le Père Damien[1] uitging om onder de melaatschen te leven, handelde hij in den geest van Christus, omdat hij in zulk een dienst het beste wat in hem was, ten volle verwezenlijkte. Maar niet méer in den geest van Christus dan Wagner toen hij zijn ziel verwezenlijkte in muziek, of dan Shelley toen hij zijn ziel verwezenlijkte in gezang.

Er bestaat niet éen enkele typos voor den mensch. Er zijn evenveel volmaaktheden als er onvolmaakte menschen zijn. Aan de eischen der liefdadigheid kan men toegeven en toch vrij man blijven, maar voor de eischen der eenvormigheid kan niemand zwichten zonder zijn vrijheid algeheel te verliezen.

Het is dus individualisme, waartoe wij door het socialisme zullen moeten geraken. Als een natuurlijk gevolg moet de staat alle denkbeeld van bestuur opgeven. Dit is noodzakelijk, omdat, zooals eens een wijsman eeuwen voor Christus zeide, het bestaanbaar is de menschheid aan zich- zelf over te laten, maar onbestaanbaar de menschheid te besturen. Alle wijzen van bestuur zijn mislukkingen. Despotisme is onrechtvaardig tegenover iedereen, den despoot meegerekend, die waarschijnlijk voor iets beters geschapen was. Oligarchieën zijn onrechtvaardig tegenover de meerderheid, ochlokratieën tegenover de minderheid. Groote verwachtingen koesterde men eens van de demokratie, maar de demokratie bedoelt niets anders dan het afbeulen van het volk door het volk voor het volk. Ook daar is men achtergekomen. Het werd tijd ook; want alle gezag is volstrekt vernederend. Het vernedert hen die het uitoefenen, evengoed als hen over wie het wordt uitgeoefend. Wanneer men het gewelddadig, grof en wreed aanwendt, heeft het éen goede uitwerking, dat het schept, of in elk geval aan den dag brengt, den geest van verzet en het individualisme dat bestemd is het te dooden. Wanneer het aangewend wordt met een zekere mate van zachtzinnigheid, en er prijzen en beloonigen bijkomen, werkt het schrikkelijk veronzedelijkend. De menschen zijn zich in dat geval minder bewust welk een afschuwelijke druk op hen wordt gelegd, en gaan hun leven door in een soort grofzinnige gemakzucht, als vertroetelde huisdieren, zonder ooit te beseffen dat zij waarschijnlijk andermans gedachten denken, leven naar andermans maatstaf, eigenlijk andermans af gelegde kleêren dragen, en nooit een enkel oogenblik zich-zelf zijn. "Wie vrij wil zijn," zegt een beproefd denker, "moet zich niet aanpassen." En gezag koopt de menschen om tot aanpassen en brengt zoo een zeer bruut soort barbarendom onder ons voort.

Samen met gezag zal straf verdwijnen. Dit zal een groote winst zijn, een winst van onberekenbare waarde. Wanneer men de geschiedenis leest, niet in de gecastreerde uitgaven voor schoolkinderen en leeken, maar in de oorspronkelijke bronnen van elk tijdvak, walgt men niet van de misdaden die de slechten hebben bedreven, maar van de straffen, die de deugdzamen hebben toegepast, en een gemeenschap wordt oneindig meer verbruut door de geregelde toepassing van straf dan door het mogelijke voorkomen van misdaad. Klaarblijkelijk volgt hieruit, dat hoe meer men straf toepast, des te meer misdaad in 't leven wordt geroepen, en de moderne wetgeving heeft meerendeels dit helder ingezien en het haar taak gemaakt de straf te verminderen voorzoover zij dat mogelijk oordeelt. Overal waar zij strafvermindering heeft doorgevoerd, is men tot uitnemende gevolgen gekomen. Hoe minder straf, hoe minder misdaad. Wanneer er heelemaal geen straf meer zal zijn, zal de misdaad òf ophouden te bestaan, òf, als zij voorkomt, zal zij door geneesheeren behandeld worden als een zeer bedroevende vorm van waanzinnigheid, die men met zachtzinnige verzorging moet trachten te genezen. Want wat men tegenwoordig misdadigers noemt, zijn in 't geheel geen misdadigers. Uithongering, en niet zonde, is de moeder der moderne misdaad. Dat is in den grond de reden waarom onze misdadigers, als klasse, uit geen enkel psychologisch oogpunt eenigszins belangwekkend zijn. Het zijn geen verbazingwekkende of verschrikkelijke persoonlijkheden als een Macbeth of een Vautrin. Zij zijn enkel wat gewone, fatsoenlijke, alledaagsche menschen zouden zijn, als zij niet genoeg te eten hadden. Wanneer de bijzondere eigendom zal zijn afgeschaft, zal er geen noodzakelijkheid tot misdaad bestaan, er zal geen vraag naar zijn, en zij zal dus ophouden voor te komen. Natuurlijk zijn niet alle misdaden vergrijpen tegen den eigendom, hoewel dit de misdaden zijn, die de Engelsche wet, welke hooger schat wat een mensch heeft dan wat hij is, met de wreedste en afschuwelijkste strengheid straft (met uitzondering van moord, indien wij tenminste de doodstraf als iets ergers beschouwen dan dwangarbeid, waarover de gevoelens onzer misdadigers, meen ik, uiteenloopen). Maar een misdaad behoeft niet onmiddellijk tegen den eigendom gericht te zijn om toch te kunnen voortkomen uit ellende en blinde woede en neêrgedruktheid, verwekt door ons verkeerd systeem van vermogensbezit, en ook die soort zal dus, als het systeem wordt afgeschaft, verdwijnen. Wanneer een lid der gemeenschap zijn behoeften zal kunnen bevredigen, en niet door zijn buurman wordt lastig gevallen, kan hij er geen belang bij hebben om iemand anders lastig te vallen. Naijver, die bij uitstek een bron van misdaad is in het moderne leven, is een aandoening die in nauw verband staat met onze opvattingen van den eigendom en zal onder de heerschappij van socialisme en individualisme van-zelf uitsterven. Het is opmerkenswaardig dat bij communistische stammen naijver volslagen onbekend is.

Men kan vragen wat de staat, nu hij niet zal behoeven te regeeren, dan zal te doen hebben. De staat behoort een vrijwillige bond te zijn ter organisatie van den arbeid en op te treden als fabrikant en leverancier der noodzakelijke gebruiksartikelen. De staat krijgt te maken wat nuttig is, het individu wat schoon is. En nu ik het woord arbeid genoemd heb, kan ik niet nalaten er op te wijzen hoe tegenwoordig een hoop onzin geschreven en verkondigd wordt over de waardigheid van handenarbeid. Daar is volstrekt niets noodzakelijk waardigs in handenarbeid en meerendeels is hij beslist vernederend. Het is geestelijk en zedelijk krenkend voor den mensch om iets te doen, waarin hij geen vreugde vindt, en vele vormen van handenarbeid zijn volkomen vreugdelooze bezigheden, en behooren als zoodanig te worden beschouwd. Acht uur lang op een dag een modderigen verkeersweg aan te bezemen, onder het blazen van den Oostenwind, is een walgingwekkende bezigheid. Dat te doen met geestelijke, zedelijke of physieke waardigheid komt mij onmogelijk voor. Het met blijdschap te zien doen zoû verbijsterend zijn. De mensch is voor iets beters geschapen dan het opjagen van vuilnis. Alle dergelijk werk behoort door machines te geschieden.

En ik twijfel er niet aan of het zal zoo komen. Tot nu toe is de mensch in zekere mate de slaaf der machine geweest, en daar is iets noodlottigs in het feit, dat, zoodra de mensch een machine had uitgevonden om zijn werk te doen, hij zelf begon gebrek te lijden. Dit is echter een natuurlijk gevolg van ons eigendomssysteem en ons concurrentiesysteem. Eén mensch bezit een machine die het werk doet van vijfhonderd andere menschen. Deze vijfhonderd worden als gevolg op straat gezet, en daar zij geen werk vinden, krijgen zij honger en vervallen tot stelen. De éene man verzekert zich de opbrengst van de machine en houdt die voor zich, en heeft dan vijfhonderd maal zooveel als hij behoorde te hebben, en waarschijnlijk, wat belangrijker is, heel wat meer dan hij in werkelijkheid gebruiken kan. Indien die machine de eigendom van allen was, zoû iedereen er voordeel van hebben. Alle niet-intellectueele arbeid, alle eentonige, vervelende arbeid, alle arbeid die te maken heeft met weêrzinwekkende dingen en onaangename toestanden meêbrengt, moet door machines verricht worden.

Machines moeten voor ons werken in de kolenmijnen, en den geheelen sanitairen dienst verrichten, en stokers zijn op stoombooten, en de straten reinigen, en boodschappen doen op regendagen en alle werk bedrijven, dat vervelend en naargeestig is. Op het oogenblik concurreeren de machines met den mensch. Onder behoorlijke omstandigheden zullen zij den mensch dienen. Het valt niet te betwijfelen of dit is haar toekomst, en volkomen als de boomen groeien terwijl de landeigenaar slaapt, zoo zullen de machines alle noodzakelijke en onaangename werk doen, terwijl de menschheid zich vermaakt of door cultuur verfijnde ontspanning geniet (wat meer dan eenige arbeid het doel behoort te zijn van den mensch), of bezig is schoone zaken te vervaardigen of schoone dingen te lezen of eenvoudig de wereld met bewondering en genot te aanschouwen. Het feit is dat beschaving slaven noodig maakt. De Grieken hadden op dit punt een juist inzicht. Als er geen slaven voorhanden zijn om het terugstootende, afschuwwekkende, oninteressante werk te doen, wordt cultuur en levensbespiegeling zoo goed als onmogelijk. Slavernij van menschen is verkeerd, gevaarlijk en veronzedelijkend. Van de mechanische slavernij, de slavernij der machines, hangt de toekomst der wereld af. En wanneer wetenschappelijke mannen niet langer opgeroepen worden om in een naargeestig East End slechte cacao te gaan uitdeelen en nog slechtere dekens aan uitgehongerde menschen, zullen zij een genotvollen vrijen tijd winnen om wonderdadige en verbazingwekkende dingen uit te denken tot hun eigen verheuging en die van al de anderen. Er zullen groote stapelplaatsen van kracht zijn in elke stad, voor elk uur waarop men kracht noodig heeft, en deze kracht zal de mensch omzetten in warmte, licht of beweging, overeenkomstig zijn behoeften. Luidt dit utopisch? Een wereldkaart die Utopia niet in zich sluit, is het bekijken niet waard, want zij laat het eenige land weg, waar de menschheid telkens weêr landt. En na de landing kijkt men weder uit, en ziet weer een beter land en gaat daarheen onder zeil. De vooruitgang is de bemachtiging van het éene Utopia na het andere. Zooals ik dan gezegd heb, zal de gemeenschap door middel van een georganiseerden machinedienst gebruiksartikelen leveren, en zullen de schoone dingen gemaakt worden door het individu. Dit is behalve de noodzakelijke, tevens ook de eenig mogelijke weg om aan beide of van éen van beide te geraken. Een individu dat dingen te maken krijgt voor het gebruik van anderen en op dezer behoeften en wenschen te letten heeft, kan zijn werk niet vervullen met die belangstelling waardoor hij het beste dat hij in zich heeft in zijn werk leggen kan. Zoo vaak, aan den anderen kant, een gemeenschap of een machtig deel daarvan of een of andere regeering aan den kunstenaar tracht voor te schrijven wat hij te doen heeft, dan gaat de kunst of geheel teloor, of verstart in vormen, of ontaardt tot een lagen en onedelen vorm van handwerk. Een kunstwerk is een op zich-zelf eenige uitkomst van een op zichzelf eenigen gemoedsaanleg. Zijn schoonheid komt voort uit het feit, dat zijn maker is wat hij is. Het heeft niets te maken met het feit dat andere menschen behoeven wat zij behoeven. Van het oogenblik af dat een kunstenaar gaat letten op wat andere menschen behoeven, en de navraag tracht tegemoet te komen, houdt hij feitelijk op kunstenaar te zijn, en wordt een vervelend of vermakelijk handwerksman, een eerlijk of een oneerlijk koopman. Hij verliest zijn recht als kunstenaar te worden aangemerkt. De kunst is de meest felle uitingswijze van het individualisme die de wereld tot nu beleefd heeft, bijna zoû ik zeggen: de eenige wezenlijke uitingswijze. De misdaad, die onder bepaalde omstandigheden een schijn van individualistisch scheppingsvermogen vertoont, moet kennis nemen van anderen en zich met hen bemoeien. Zij behoort tot de sfeer der handeling. Maar alleen, buiten verband met zijn buren, zonder zich met iemand in te laten, kan de kunstenaar schoonheid beelden; als hij het niet uitsluitend voor zijn eigen genot doet, is hij volstrekt geen kunstenaar.

Het verdient de aandacht dat de kunst juist zulk een felle vorm van individualisme is, dat het publiek niet na kan laten te beproeven een gezag over haar uit te oefenen, dat even onzedelijk als belachelijk is, en even verderfelijk als verachtelijk. Het is niet geheel de schuld van het publiek. Men heeft het publiek steeds in alle eeuwen slecht opgevoed. Het vraagt voortdurend van de kunst populair te zijn, zijn gebrek aan smaak te streelen, zijn ongerijmde ijdelheid te vleien, het te vertellen wat het al duizendmaal gehoord heeft, het te vertoonen wat het al lang moede behoorde te zijn om te zien, het te vermaken wanneer het zich bezwaard gevoelt door een te rijkelijk maal, zijn gedachten te verstrooien als het beu is van zijn eigen stompzinnigheid. Maar de kunst behoort nooit naar populariteit te streven. Het publiek behoort te trachten zelf kunstzinnig te worden. Dat maakt een groot verschil. Indien men een wetenschappelijk man zoû aanzeggen dat de uitkomsten zijner onderzoekingen en de gevolgtrekkingen waar hij toe komt, van dien aard behoorden te zijn, dat zij de eenmaal aangenomen volksbegrippen dienaangaande niet zoûden omverwerpen, of het volksvooroordeel niet aantasten, of de gevoeligheden niet kwetsen van menschen die niets van de wetenschap afwisten; of indien men bij een wijsgeer met het verhaal aankwam dat hij volkomen vrijheid had in de hoogste sferen der gedachte zijn stelselen op te bouwen, op voorwaarde dat hij tot dezelfde uitkomsten geraken zoû als die gelden bij hen die nooit in eenige sfeer hebben nagedacht, dan geloof ik dat tegenwoordig de man der wetenschap en de wijsgeer daar hartelijk om zoûden lachen. Toch is het nog niet eens zooveel jaren geleden dat zoowel wijsbegeerte als wetenschap onderworpen waren aan een bruut-optredend toezicht van het publiek, met andere woorden aan gezag: gezag van de heerschende onwetendheid der gemeenschap, gezag van de vrees en machtzucht van een of andere kerkelijke of regeerende klasse. Als elk weet, zijn wij thans grootendeels gevrijwaard voor elken aanslag van de zijde van gemeenschap, kerk of regeering om het individualisme der speculatieve gedachte te hinderen, maar de zucht om het individualisme der verbeeldingskrachtige kunst te dwarsboomen hangt nog steeds in de lucht. Of liever, zij gaat verder, zij treedt aanvallend, beleedigend en bruut-hinderlijk op.

