Part 8
„Reijkman, je weet het nu.... je kunt je nu vrij maken! Wat verhindert je haar aan te klagen.... haar schuld is bewezen en....”
„Stil! ’t is de moeder van mijn kinderen! Ik bid je, spreek daar nooit van. Hoor je, nooit! nooit! Ik mag daar niet aan denken.... Ik mag niet! ’t Zou de naam van mijn kinderen zijn, die ik voor altijd prijs gaf.... Ze hebben immers haar bloed in de aderen.... En toch.... o God!.... als ik haar aanklaagde en ze werd veroordeeld.... Onno! dan zou ik vrij zijn! Vrij! Begrijp je wat dat zeggen wil?.... Vrij om.... maar neen, neen! Ik mag niet! Ze is Edith’s moeder....”
„Mijn arme vriend!”
„Ik moet rust hebben. Ik ben nog niet te bed geweest.... je zult me van morgen waarschijnlijk niet zien in de fabriek.... adieu!”
„Henri, laat me met je meegaan.”
„Waarom?”
„Omdat.... neen, geloof me, ’t is beter dat er iemand bij je is. Je bent overspannen, je....”
„Zeg het maar, mijn jongen, je vreest dat ik me van kant zal maken.... Is ’t niet zoo? Wees gerust Onno. Er komt een oogenblik in het leven waarop het vreeselijkste ons niet meer onvoorbereid vindt, een oogenblik, waarin we door ervaring geleerd, het ergste verwachten! En dan.... laat me je dit zeggen, sinds ik het heengaan van Edith overleefd heb, kan er voor mij geen sprake meer zijn van zelfmoord.”
VII.
De oostmousson is aangebroken en met den oostmousson een reeks van overheerlijk schoone dagen.
De zon verrijst des morgens aan een wolkeloos blauwen hemel en schenkt haar glanzen en stralen aan het heerlijk groenend landschap, kwistig en zonder voorbehoud, als een jong meisje haar lachjes. Tegen de helling van den Ardjoeno liggen de uitgebreide riettuinen zich te blakeren in den gloed; de rechte stammen, in rijen geschaard, gelijken een leger van soldaten met hier en daar de wuivende pluimen der aanvoerders.
Ook voor dit leger nadert de vijand.
Reeds ging er in de laatste dagen als een rilling door de gelederen; er steeg een onheilspellend gerucht op van uit de vlakte en weldra werd de vrees bewaarheid: bij het eerste ochtendgloren naderden de koelies met hunne kapmessen om de schoonste en krachtigste te vellen.
Het was voor het maalfeest; de dag der dagen voor een suikerfabriek, de dag die op Soeka-madjoe met groote plechtigheid, met veel omhaal en drukte gevierd wordt, zooals trouwens past voor zulk een rijke, voorspoedige onderneming.
Reeds gister, en eergister vooral, tegen het vallen van den avond, kwamen de inwoners der naburige dessa’s toestroomen; de nieuwe morgen brengt ze nog steeds in grooten getale.
Aan hun adat getrouw, loopen ze als de ganzen achter elkaar en vormen zoo een bont-gekleurd lint, kronkelend langs de zonnig witte wegen, die, nu stijgend, dan dalend, met het donkergroen van palm en waringin tot achtergrond, met het zilver der kali omboord, een uiterst vroolijk en teekenachtig effect maken.
Jong en oud, rijk en arm, aanzienlijk en gering zijn opgekomen en er is veel toilet gemaakt.
Hooggele en hardblauwe zijde, grasgroen en lilas satijn, helrood katoen, gestreept, geruit of geparsemeerd, ziedaar de geliefkoosde kleuren der mannen; enkelen hebben zich gewaagd aan rose, hemelsblauw of zeegroen, maar de uitwerking daarvan op hun bruinen tint is verpletterend; anderen hebben zich vergaapt aan groote kleurige patronen met het gevolg dat ze op zebra’s en tijgers gelijken of op wandelende stukken weiland, bezaaid met reusachtige boterbloemen.
De vrouwen verkozen stemmiger tinten; de rijken dragen een baatje koeroeng van zwarte zijde, de armen van donkerblauw katoen; jonge, knappe gezichten krijgen iets frisch door vroolijke sitzen of neteldoek kabaiaas; de dansmeiden schitteren boven allen uit door bonte slendangs, voorzien van veel franje en veel goud.
Het systeem getrouw dat aan het toilet der Javanen ten grondslag ligt—alles bedekken en toch zoo min mogelijk te raden overig laten—zijn de fraaigeronde armen als worsten gestopt in nauwe mouwtjes, zijn de goedgevormde beenen der mannen gedrongen in kleedingstukken die ze omsluiten als het vel den paling; is de sarong getrokken om de slanke heupen, als wilde de javaansche het onze Yerseys en corsets cuirasse verbeteren.
Behalve de zwarte oogen en de met dubbele hoeveelheid klapperolie gezalfde hoofden schittert er veel goud en zilver in het zonnetje; ook enkele echte en veel valsche diamanten; de mannen, die er overigens vreedzaam genoeg uitzien, dragen prachtige krissen op zijde, de vrouwen torschen gouden buikbanden, veel ringen en veel spelden in het haar of op de borst, maar de deftigheid, de eigenlijke chic hunner kleeding moet toch in al dat moois niet gezocht worden: die wordt gevonden in den kain.
Er zijn kain kapala en kain pandjang, sarongs en slendangs uit alle oorden van Indië, in de wonderlijkste patronen en bontste kleuren, Palembang en Solo, Djocja en China zijn vertegenwoordigd en straks, als de heeren echtgenooten verdiept geraken in wajang of tandak zullen de dames elkaar van meer nabij bekijken, het doek tusschen de vingers nemen, wrijven, beruiken en ruilingen aangaan, waarvan ze, thuis gekomen, spijt hebben.
Nu en dan ontstaat er in den zich langzaam voortbewegenden stoet een klein oponthoud. ’t Is als een reiswagen reeds van verre zijn nadering aankondigt door geschreeuw en zweepgeklap; ook als een américaine of lichte mylord komt voorbijsnellen met gasten voor den administrateur; soms ook is het een dogcart of bendie, die zijn min of meer bruingetinte vracht afzet voor de nette huisjes der employés; meest echter tjikarveers, volgepropt met Javanen.
Toch wordt eindelijk ook door de laatste voetgangers het doel hunner wenschen bereikt. De groote witte pilaren, waarop in vergulde letters Soeka-madjoe prijkt, komen steeds nader en weldra ligt het uitgebreid terrein, waarop de feestelijkheden zullen plaats vinden, in het helder zonlicht, vroolijk en uitlokkend met zijn talrijke eerepoorten en triomfbogen, met zijn vlaggen en wimpels, zijn juichende menigte.
Ook de weg die van de fabriek naar het woonhuis voert, is versierd en op dien weg zijn aller oogen gevestigd, zoodra de gong zijn negen slagen heeft doen hooren.
Eensklaps barsten de gamelans los in hun vroolijk giro; van de breede marmeren trappen daalt een lange stoet van dames en heeren; de regent en de resident onder hun gouden pajongs, inlandsche hoofden, de geldhebbenden en machthebbenden uit den omtrek, geflankeerd door hunne wederhelften, maar niet, zooals in Holland het geval zou zijn, gevolgd door veelbelovend kroost: de zonen zijn in Europa, de dochters òf nog in broek en baadje, thuis, òf reeds getrouwd.
Drukte en gejoel wordt niet gevonden onder een javaanschen volkshoop, maar als nu onder een opwekkenden marsch der inlandsche muziek de wolanda’s nader komen, ontstaat er een golvende beweging in de veelkleurige massa, en vroolijk dringt alles vooruit, met blijde verwachting op de bruine aangezichten.
Weldra is het doel van den optocht bereikt.
Zooals de bruid wordt getooid voor den gewichtigen stond, waarin ze het zorgeloos jongemeisjes-leven verwisselt voor de ernstige plichten der vrouw, zoo tooit men ook den molen eener suikerfabriek voor den morgen, waarop hij uit zijn rust wordt gewekt om, met inspanning van al zijn krachten, het werk te aanvaarden.
Een tent van rood en wit doek is gespannen over de raderen, die straks in full speed de rietstokken gaan verbrijzelen; bloemruikers, guirlandes, wimpels, vlaggen en vuurwerken hangen in kwistigen overvloed van die tent af.
Ook hier is, als bij zoo menige andere gelegenheid, door den Europeaan een offer gebracht aan het inlandsch bijgeloof.
De toorn der machine—voor den Javaan een machtig wezen, bezield met menschelijke gevoelens en hartstochten—de toorn der machine moet verzoend worden. Hij wil bloed zien... en als niet aan zijn koninklijken wil gehoorzaamd wordt, zal weldra een flink werkman of vroolijk knaapje verpletterd liggen tusschen zijn raderen... Maar de bloedende kop van een karbouw werd boven den topcylinder opgehangen... men kan gerust aan ’t werk gaan.
’t Is den Javaan echter niet genoeg, dat de toorn der booze geesten is afgewend, ook de goede geest moet zijn zegen geven.
De gamelans zwijgen, heeren en dames scharen zich in wijden kring, de inlanders staan rondom, en in de groote plechtige stilte, die eensklaps onder die woelige menschenmassa ontstaan is, treedt een pengghoeloe naar voren.
De priester draagt den oogst en het werk, dat men op het punt staat te beginnen, in Allah’s hooge bescherming op; de Javanen vallen in met hun „Amil, Amil!” het gebed wordt uitgesproken, enkele godsdienstige plechtigheden volbracht en de pengghoeloe heeft het zijne gedaan.
Nu volgt een ceremonie van meer vroolijken aard. Alles dringt dichter naar den molen; de stoom, vooraf opgemaakt, begint te werken, de raderen zetten zich langzaam in beweging en de administrateur van Soeka-madjoe, met de schoonste rietstokken in de hand, nadert den resident.
Hij wil hem de eerste vrucht van zijn oogst aanbieden, maar.... naast den resident staat zijn dochter, een blonde Céres gelijk in haar wit kleed met de frissche korenbloemen—en als door een plotselinge gedachte bezield legt Henri Reijkman den rietstok in hare handen.
Een luid hoera breekt los nu Constance blozend en verlegen naar voren treedt en het riet onder den molen plaatst; de gamelans juichen, de muziek speelt haar vroolijkst airtje en weldra knallen de kurken van de champagneflesschen, terwijl heeren en dames nadertreden om den molen van rietstokken te voorzien.
Eindelijk zal aan de laatste formaliteit voldaan worden. De karbouwenkop wordt afgenomen en in plechtigen optocht met volle muziek, onder het afsteken van vuurwerk, het oorverdoovend geknal van mortions en geweren, op eenigen afstand van den molen gebracht en daar begraven.
Maar dan breekt ook het oogenblik aan, het oogenblik dat voor den inlander het schoonst van den dag is.
Bergen van rijst in verschillende kleuren en vormen, in bladen gevlochten of gevouwen, toebereid met heete spijzen en ongewoon smakelijk door den overvloed van vleesch en visch, die iedere rijstmassa verzelt, verdwijnen als door tooverij, weggespoeld met veel koffie, bier en toebereid ijswater. Het is haast onbegrijpelijk hoe de eigenaars van die meer dan gevulde magen opgewektheid kunnen gevoelen om deel te nemen aan de volksspelen, maar toch! nauwelijks weerklinkt de muziek die hen naar het strijdperk roept of langzaam rijzen de Javaantjes overeind.
Nog langzamer en niet zonder eenige inspanning gorden ze den buikband—dien ze straks gemakshalve losgespten—wederom aan en begeven zich, gevolgd door vrouw en kinderen, met loome schreden naar de arena.
Het is er verre van daan dat hier Olympische spelen zouden gevierd worden. Alle hollandsche grappen en aardigheden zijn op javaanschen bodem overgebracht. Er wordt stroop gelikt, mast geklommen en zak geloopen. Toch—geheel hollandsch is het niet!
De prijzen bestaan hier noch uit hammen noch uit bonte zakdoeken, noch uit baaien inexpressibles, en in plaats van den krachtigen vloek of het ruw bon mot waarmee onze sjouwers en boeren hun gevoel lucht geven, bewaart de inlander een diep stilzwijgen; bij neêrlaag zoowel als zegepraal, drukt de welbeheerschte tronie van den gelukkige, die een kostbaren kain uit den mast haalt, hetzelfde uit als die van den rampzalige, daareven van de boegspriet getuimeld, terwijl hij zonder hoofddoek en met een bedorven baatje staat uit te druipen.
Er is voor de spelen een lommerrijk plekje gekozen, en waar de waringins het dichtst zijn is een aardig tentje opgeslagen opdat de gasten kunnen toezien. Luid gelach en vroolijke scherts weerklinken daar, maar weldra wordt toch het zonnetje zóó warm en het licht zóó schel, dat het voorstel van den administrateur om zijn koele woning te gaan opzoeken, algemeen bijval vindt.
De rijsttafel wacht en nu volgen dames en heeren het voorbeeld hunner bruine broeders; de eetlust laat ook hier niets te wenschen over en ook hier zal na het overvloedig maal een weinig rust niet onwelkom zijn.
Weldra begeven de gasten zich naar hunne kamers om—o woord vol zoete beteekenis voor den Indo-Europeaan!—om zich lekker te maken!
Schoenen en kousen die benauwen, corsetten die al te weelderige vormen beklemmen, halsboorden, die dikke halzen tergen, ze worden losgetrokken en met onverdiende hardheid neergesmeten; haardossen verdwijnen, bedaklagen worden afgewasschen en sarong en kabaia met smachtend verlangen uit de handen der baboes aangenomen.
Ontdaan van alle banden, lang uitgestrekt in het ruime, koele bed in het halfdonker met de gesloten jaloeziën, doen een paar uurtjes rust wonderen; een frisch bad en een geurig kop thee verrichten het overige en tegen den tijd dat de zon wegschuilt, komen dames en heeren met nieuwen glans te voorschijn.
VIII.
Buiten beschijnt de maan het vroolijk tooneel, waar de Javanen zich geschaard hebben om den wajang; binnen verlichten talrijke lampen de ruime galerij, waar de tafel is aangericht.
’t Is een prachtig diner.
Op het fijn damast glinstert zilver en kristal in rijken overvloed; geurige bloemen zijn met kwistige, smaakvolle hand aangebracht; de schatten, die het meer en het woud opleveren, de fijne wijnen en uitgezochte gerechten uit de welvoorziene goedangs, komen achtereenvolgens het verhemelte streelen; het dessert munt uit door ongewone délicatesses....
Jammer dat de heerlijke toebereiding van den reebout, de geur der ragouts, het croquante van het speenvarken enkele heeren telkens herinnert aan de diners op Soeka-madjoe in den tijd, toen mevrouw Reijkman nog Njai Marie was.
Thans zit ze aan het hoofd van de tafel.
Mooi is Marie nooit geweest, maar tien jaar geleden zag ze er vrij aardig uit met haar tengere vormen en rond gezichtje; nu is ze in omvang toegenomen en, ofschoon nog geen vijf en twintig jaar, begint ze reeds tanig en oudachtig te worden, terwijl de groote fonkelende oogen, die vroeger het donker gelaat eenigen glans gaven, tegenwoordig slechts ter sluiks opgeslagen en de witte tanden zelden gezien worden, even zelden als de vroolijke lach.
Zou ze in sarong en kabaia onbevallig zijn, in europeesche kleederdracht is ze leelijk en, wat erger is dan leelijk, belachelijk.
Het parijsch corset is niet gemaakt voor de welgevormde maar korte taille, de lange sleep van den donkerrooden japon slingert op de zonderlingste wijze heen en weer bij haar sarongstap; de voeten bewegen zich moeilijk in de hooggehakte schoenen; het valsch kapsel, waarin ze met moeite haar lang, dik haar dwong, drukt haar de hersens; de geplooide kraag, die den hals omsluit, schijnt door de wraakgodinnen uitgedacht om de gifmengster te herinneren aan de straf, die haar toekomt. Niettegenstaande dit alles geniet ze, geniet ze onuitsprekelijk.
Immers, het is de eerste gelegenheid waarbij ze optreedt als vrouw des huizes; ’t is voor de eerste maal dat het maalfeest gegeven wordt, sedert zij, nu twee jaar geleden, mevrouw Reijkman werd.
De tijd, waarin ze zich schuil moest houden voor de gasten en hen bedienen van achter het groote scherm, is voor altijd voorbij; de hooggeplaatste bezoekers, die toen veinsden haar niet te zien; hunne dames, die toen het hoofd zouden hebben omgedraaid, als ze haar toevallig ontmoetten; de jongelui die toen haar aanstaarden met onbeschaamde blikken, zij allen moeten nu voor haar buigen, zij allen moeten haar nu erkennen als de wettige vrouw van Henri Reijkman.
Wat deert het haar, dat op het eenmaal zoo vroolijk gelaat van haar echtgenoot de diepste wanhoop te lezen staat, dat er geen glimlach heeft gespeeld om zijn bleeke lippen, sinds dat hartverscheurend oogenblik, toen Edith er voor de laatste maal een kus op drukte; wat deert haar zijn koele terughouding, hij kan zijn huwelijk toch niet ongedaan maken!
Wat deert het haar, dat Onno haar noch de achting betoont, noch de beleefdheid bewijst, die hij als eerste geëmployeerde van Soeka-madjoe, aan de vrouw van zijn principaal verschuldigd is? Hij kan haar plagen zooveel hij wil; niet meer benadeelen nu zij eenmaal mevrouw Reijkman is.
Wat deert het haar ook, dat de resident zijn gastvrouw niet schijnt te zien, dat de suikerlords, hoewel zelf vrij beleefd, vergaten hun vrouwen aan haar voor te stellen, dat enkele dames haar uit de hoogte behandelen, anderen gichelen en fluisteren zoodra ze niet langer in haar nabijheid is—ze kunnen haar toch niet verdringen van haar plaats!
Neen! dat alles deert haar niet!
Maar wat haar wèl deert, wat nu en dan een onheilspellend licht doet opvlammen in haar donker oog, wat haar maanden lang reeds vervolgt als een schrikbeeld, wat haar reeds menigmalen, als ze na een bangen nacht eindelijk insliep, knersetandend deed ontwaken, dat is het blonde kind met de blauwe oogen die eenmaal zoo medelijdend rustten op Henri Reijkman’s bleek gelaat, die nu naar hem zijn opgeheven met den vochtigen blik van een dwepend meisjeshart.
De roode frissche lippen lachen zoo onbezorgd, het blanke voorhoofd is zoo rein, geheel de uitdrukking van het fijnbesneden gelaat zoo edel, geheel de vorm van het ranke lichaam zoo meisjesachtig, zoo kinderlijk nog bijna, dat men een Marie Bastoort zijn moet om iets zondigs te zoeken in de verhouding van Henri Reijkman en Constance van Raatshove. Maar zij meent er dat zondige in te vinden en met gebalde vuisten en kloppend hart slaat ze hen gade, en in haar verhit brein komen gedachten op, die haar doen verbleeken en beven te midden van het feestgewoel.
’t Is middernacht.
De sterren flonkeren met gouden glansen aan het azuur van den effen blauwen hemel, de nachtbloemen openen haar kelken en geuren als wisten ze hoe kort haar bloeitijd zijn zal, de vlinders dwarlen halfbedwelmd rondom. Een frissche koelte daalt van den Ardjoeno en komt de verhitte gezichten aanraken van de honderden mannen en vrouwen, die geschaard liggen rondom den wajang of genieten van de bevallige dansen en het onharmonisch gezang der ronggèngs.
Uit de ruime pendoppo der administrateurswoning klinkt vroolijke muziek en de paren zweven op de maat eener wals, die steeds sneller, steeds wilder wordt.
Het is niet alleen de jeugd, die hier danst: oud en jong doet mede; de resident heeft het bal geopend met de gade van den grondbezitter; te zamen dragen ze een eeuw op de schouders, maar het hart bleef jong en de voet vlug; een weeuwtje wier volwassen zoon in Holland gelukkig geen getuige kan zijn van mama’s aanvechtingen naar de vreugden des levens, draait lustig in de rondte met den geëmployeerde, wien het eerste dons om de kin speelt; een grijze overste heeft een piepjong nonnatje gekozen....
Er zijn echter ook andere paartjes, jong en onbezorgd, vroolijk en bevallig, aardig om aan te zien. Maar geen schooner onder die allen dan de forsche en toch zoo slanke gestalte van den gastheer, met zijn dame, die er uitziet als een engel in haar wolken van wit, haar guirlandes vergeet-mij-niet, den krans in de goudglansende krullen.
Ze rust in de armen, die haar omvatten, ze geeft zich geheel over aan het genot van den dans, en hij sluit haar vaster aan zijn borst, en staart in het schitterend blauw dier welsprekende oogen en—had hij tot heden toe slechts een zucht in antwoord op de taal dier oogen, nu fluistert hij en droomt—en in zijn droom hoort hij het rammelen niet van den keten, die achter hem aansleept.
Uit den donkersten hoek van de groote pendoppo volgen een paar ernstige oogen het schoone paar; met warme bewondering maar met teedere bezorgdheid ook.
Eindelijk rijst Onno overeind uit zijn verborgen plekje. Hij treed haastig voorwaarts; hij legt zijn hand op Henri’s arm, zoodra deze zijn dame verlaten heeft.
„Henri!” fluistert hij.
„Wat is er?” vraagt deze eenigszins ongeduldig.
„Marie ziet je!”
„Onno! één avond, één halven nacht van geluk maar!” vraagt Reijkman smeekend.
En Onno laat hem los en treedt naar buiten; hij ziet op naar de sterren, die glimlachen en vroolijk knipoogen, want ze zijn te verre af om het lijden der menschen te zien, en peinzensmoê spreekt hij de vraag uit, die zijn ziel beroert, de vraag die in dit uur als in zooveel andere uren zijn warm, trouw vriendenhart vervult: „Is hij dan gedoemd tot het ongeluk, levenslang?.... Kan er dan niets, niets voor zijn verlossing gedaan worden?....”
Maar de sterren glimlachen en knipoogen steeds voort en antwoorden niet. Wilder klinkt de muziek, luider het gegons der vroolijke stemmen, maar het zijn niet de blijde tonen die hem weer naar binnen drijven: het is het onbestemd voorgevoel van een naderende ramp.
Hij moet weten wat er voorvalt. Henri,—dit heeft hij straks bespeurd aan zijn fonkelend oog, aan zijn koortsig gloeiend gelaat—is zichzelf niet; hij zou in dezen nacht van verrukking en opgewondenheid de grootste onvoorzichtigheid begaan; ook het schoone kind met den krans van vergeet-mij-niet weet niet welk gevaar haar dreigt; maar om Marie’s lippen speelt nu en dan de koude wreede grijnslach, dien hij somtijds heeft gezien in Henri’s ziekenkamer, en hij weet dat er dan gewaakt moet worden....
Hij volgt de donkerroode japon met zijn strakken blik, waarheen zij zich ook beweegt; hij ziet hoe ze orders geeft aan de bedienden, niet flink en bepaald als gewoonlijk, maar verstrooid, hoe ze het eene glas champagne na het andere leegdrinkt en toch niet vroolijk wordt, hoe ze met de zwarte oogen één wit punt volgt in de balzaal....
Weldra komt de wreede koude grijnslach niet meer nu en dan om de bleekblauwe lippen spelen, maar blijft en schijnt zich te verspreiden over geheel het strak gelaat, tot zelfs in de oogen.... als Onno dat ziet, grijpt een groote angst hem aan: hij moet zijn waakzaamheid verdubbelen.
Op eens—daar wordt de roode japon niet meer gezien in de balzaal. Ieder is te zeer met zichzelf vervuld om haar te missen, die daar nu langzaam de breede trappen der pendoppo afdaalt en, als had ze behoefte aan een weinig frissche lucht, den bloemtuin achter het huis begint op en neder te wandelen.
Ze loopt zoo bedaard mogelijk en niet zonder nu en dan eens stil te staan om aan een roos te ruiken of haar kleed beter op te nemen; ze kiest de zijde van het huis door haar bewoond; dáár verdwijnt ze een oogenblik in haar kamers en als ze wederom te voorschijn komt, neemt ze het kleed met de linkerhand te zamen; de rechter is niet meer vrij....
Nu strekt ze haar wandeling wat verder uit; ze neemt den kant van de bijgebouwen; eerst rechts, naar de bediendenkamers; dan links naar de logeervertrekken....
’t Is hier doodstil; geen sterveling beweegt zich, de logées zijn in de balzaal, de jongens en meiden bij de ronggèngs.
Al de kamers zijn gesloten, ook die waarvoor Marie nu stilhoudt. Maar ze weet, dat het knipje van de jaloezie gebroken is, ze duwt er zachtkens tegen aan, het springt open en, daar het venster niet gesloten werd, kan ze nu over het vrij lange kozijn de kamer binnenklimmen.
De half neergedraaide lamp verspreidt een flauw en schemerachtig licht in het vrij ruim vertrek.
Marie kijkt rondom zich. Een paar kleine slofjes staan voor het bed; op de toilettafel ligt een gebroken waaier, een gouden armband; het witte kleedje met de korenbloemen, dat Constance van Raatshove heeft gedragen dien morgen, hangt aan het schutsel.
De kamer ziet er uit, zooals iedere andere waarin een jong meisje zich voor het bal heeft gekleed, met bloemen en kanten en strikken overal verstrooid. Maar in deze kamer is een bedwelmend zoete geur, in deze kamer prijkt op het midden van de marmeren tafel een heerlijke, witte bloemtros.... Marie weet dat het de schoonste en zeldzaamste is der orchydeën, die Henri met zooveel zorg kweekt....
Haar fonkelend oog rust langen tijd op die bloem; dan treedt ze snel en vast nader en scheurt haar van den stengel en trapt haar onder den voet. Een oogenblik nog en de rechterhand, tot nu toe zoo vastgeklemd, opent zich;.... een wit, fijn poeder gaat uit die hand over in den met water gevulden gendie [4].