Part 7
Het was, hoe grievend dan ook voor zijn gevoel, een ware verlossing, toen hem van verschillende zijden werd getoond, dat zijn komst altijd hoogst aangenaam zou wezen, maar men liever wenschte van bezoeken zijner vrouw verschoond te blijven;—zij bleef echter loeren op een gelegenheid om den triomf, waarvan zij zoo lang gedroomd had, te genieten.
Weldra deed zich die voor. Er werd een groot feest gegeven door een der rijkste suikerlords uit den omtrek en Reijkman ontving een uitnoodiging voor zich en zijn vrouw.
Hij wilde een voorwendsel zoeken om te weigeren. Maar Marie, wie het thuiszitten verveelde, dreigde alleen te gaan, zoo hij haar niet verzellen wilde.
Hij gaf toe; hij liep de spitsroeden door en ze wondden hem dieper dan de felste zweepslagen ooit een ontblooten rug konden doen; de donkere blikken van de schoone vrouwen, wier liefde hij eenmaal zoo gemakkelijk had kunnen winnen en die nu schenen te vragen: moest ik dáárvoor versmaad worden? de spottende lachjes om meêdoogenlooze lippen, het gefluister van scherpe tongen, het deelnemend groeten of verlegen afwenden van bevriende gezichten....
Er was één paar oogen, blauw en zacht als Insulinde’s hemel, dat telkens rusten bleef op Henri’s gelaat en deelnemend scheen te vragen, waarom het toch zoo treurig stond; er was één frisch, rooskleurig mondje, dat met half kinderlijken schroom hem toesprak; ze behoorden aan Constance van Raathoven, de eenige dochter van Passoeroean’s resident.
Het kind was pas uit Holland terruggekeerd en begreep niet, welk recht de zwarte vrouw kon hebben op dezen jongen man, met zijn edel, blond gelaat, zoozeer gelijkend op het ideaal, dat ze zich gevormd had van den held harer droomen.
Hij ving de zachte blikken op, zoo dikwerf ze op hem rusten bleven, gelijk de verschroeide bloem een dauwdrup opvangt; hij luisterde naar de tonen dier melodieuse stem.... misschien was het juist de blik uit die reine meisjesoogen, misschien waren het juist de woorden van dat schuldeloos kind... die hem het knellen van zijn keten zoo ondragelijk maakten, die zijn wanhoop opvoerden tot razernij....
Het was goed dat het rollen van den wagen over het grint kleine Edith ontwaken deed; het was goed dat ze op haar bloote voetjes kwam aantrippelen en haar armen om papa’s hals sloeg en fluisterde, dat ze zoo koud was en vroeg of ze voor dien éénen nacht mocht slapen in papa’s bed....
Ze sluimerde spoedig in, zooals kinderen dat doen kunnen, maar toch vroeg ze zich den volgenden morgen af, of ze gedroomd had, dat er, o zulke heete tranen op haar voorhoofd gevallen waren.
Intusschen—ook na den bangsten nacht breekt een morgen aan, waarin alles geregeld zijn gang gaat; waarin ieder werkt en handelt alsof er niet zoo iets als smart en wanhoop bestond onder de menschen—en iedere morgen vond den administrateur van Soeka-madjoe op zijn post.
Onno had gedurende de ziekte, die niet minder dan vijf maanden duurde, gedaan wat hij als geëmployeerde vermocht te doen, maar toch viel er nog veel te regelen, dat op het herstel van Reijkman had gewacht.
Hij werkte zooals een man werkt, wiens doel het is zichzelf te ontvlieden; in brandende zonnehitte, in storm en regen steeg hij te paard, en eerst wanneer lichaam en geest doodelijk vermoeid waren, zocht hij rust, in de hoop dat de verdooving die op groote inspanning volgt, de booze droomen, de treurige gedachten zou verdrijven.
Maar eindelijk toch brak de tijd aan dat alle achterstand ingehaald was, de aanplant geregeld, de tuinen in orde, de boeken bijgewerkt, de machineriën nagezien, de suikers verzonden; de tijd waarin den administrateur van een fabriek niet veel anders te doen overblijft, dan te wachten tot de zon den nieuwen oogst heeft rijp gestoofd.
„Papa, nu hebt u het niet meer zoo druk, is het wel?” vroeg Edith op zekeren langen, regenachtigen namiddag, toen haar vader sedert een half uur de voorgalerij op en neder liep.
„Neen, lieve. Waarom vraag je dat zoo?” antwoordde hij, terwijl hij een oogenblik stil stond om de hand langs haar zijden krullen te strijken.
„Omdat.... weet u niet meer, wat u ons beloofd hebt, als de drukte voorbij was?”
„Ja zeker! We zouden een beetje leeren samen—en spelen ook. Goed dat je me er aan herinnert, kind! We zullen dan maar dadelijk beginnen, hé? Maar eerst moet Nora hier zijn. Waar is ze?”
„Bij mama, geloof ik.”
„Nu, ga haar dan roepen.”
„Ik weet niet of zij zal willen komen, papa.”
„O zeker! Zeg maar dat ik een mooi geschiedenisje ga vertellen, een, dat ze nog nooit gehoord heeft.”
Het duurde een geruime poos voor Edith terug kwam. Toen trad ze aarzelend nader, de lange wimpers rustend op de hoogblozende wangen.
„Nora is.... Nora heeft een beetje hoofdpijn, papa! Ze kan onmogelijk komen... zegt mama.”
„Hoofdpijn? Kassian! Is het erg?”
„Neen pa! och neen, het is eigenlijk niets erg,” sprak Edith, meer en meer verward.
„Edith!” vroeg Reijkman streng, terwijl hij zijn doordringenden blik op het kind vestigde, „wat is er?”
Edith bleef zwijgen.
Toen klonk er een droeve klacht van des vaders lippen. „Edith, mijn lieveling, ze hebben je toch niet geleerd te liegen?”
In een oogwenk lag ze aan zijn borst. „O papa, wees niet bedroefd! Geloof me, papa, ik heb gezegd, dat ik niet jokken wilde, maar mama...”
„Sst...” sprak Marie’s echtgenoot, „sst!”
Daarop gaf hij in het javaansch een bevel aan Arsan en weinige oogenblikken later verscheen Nora, met een hoogrooden blos op de bruine kaken, met iets uitdagends in de fonkelende, zwarte oogen. Hij bestrafte haar met geen enkel woord; hij nam haar op zijn knie en begon te vertellen—van een kind, dat gelogen had en de vreeselijke gevolgen van dien leugen. Halverwege moest hij het verhaal afbreken; Edith was in een zenuwachtig snikken losgebarsten; ook van Nora’s donker gezicht was het uitdagende verdwenen, maar toen Reijkman haar aanzag en aan zijn hart drukte met de vraag: „Begrijp je nu hoe slecht het is om te jokken, liefje?” keerde ze het hoofdje om en wilde noch antwoorden, noch schuld bekennen, noch beterschap beloven.
Maar hij was er de man niet naar om door een mislukte poging te worden afgeschrikt.
Met al den ernst, al het geduld die de opvoeding van ieder kind, maar de opvoeding van een indisch kind vooral, eischt, met al de liefde die hij te geven had, wijdde hij zich aan de taak, die gelukkiger echtgenooten zoo gaarne op de schouders der moeder leggen. Hij zou dat trotsche hoofdje buigen, het goede zaad zaaien in dat jonge hartje, het onkruid uitroeien, dat Marie’s leiding zoo welig deed opschieten.
Wat hij niet kon vermoeden, hij deed zichzelf oneindig veel goed door dat geregeld samenzijn met de kinderen; eerst was het hem een inspanning geweest, weldra werd het hem een genoegen; Edith’s ernstige vragen, die van zoo diep nadenken getuigden, verbaasden en verrasten hem; Nora’s aardige, kinderlijke opvatting van alles, wat hij haar trachtte duidelijk te maken, was hem een waar vermaak, en toen hij reeds vruchten van zijn onderwijs begon te zien, toen Nora met haar zoete stem en gracieus gebarenspel een gedichtje voor hem opzeide en Edith haar eersten brief naar Holland schreef, toen kwamen er weer goede oogenblikken in zijn eenzaam leven, toen herinnerde hij zich hoe een vriend eens beweerd had, dat men zich over een ongelukkig huwelijk leert troosten door de vreugde die de kinderen schenken, en hij vond die bewering niet meer zóó onzinnig als te voren.
Waarmede hij de beide meisjes ook trachtte bezig te houden, welke spelletjes en pretjes hij ook bedacht, altijd herhaalden zij de vraag: „Een vertelseltje, papa!”
Gelukkig was zijn auditorium niet moeilijk te voldoen; ’t ging als op de nutslezingen in kleine plaatsen; het deed er weinig toe of het verhaal nieuw was, nog minder of er logisch verband in werd gevonden, het allerminst of het een zedelijke strekking, had, als er maar een bepaalden tijd gesproken werd.
Op een avond dat hij wat vermoeid en misschien daardoor niet zeer helder van hoofd was, wilde het hem maar niet gelukken een vertelsel saâm te flansen.
„Dan maar een sprookje van moeder de Gans,” raadde Edith. „De schoone slaapster in het bosch bijvoorbeeld, pa?”
’t Was lang geleden dat de kinderen dit voor het laatst hoorden en met ingehouden adem luisterden ze, hoe de booze toovergodin verscheen aan het doopmaal; hoe, niettegenstaande alle voorzorgen, de voorspelling vervuld en het mooie prinsesje door de schaar gewond werd.
Eindelijk was de verhaler de slotscène genaderd; de jonge vreemde prins had het prachtig kasteel met zijn onbewaakte schatten en slapende bewoners betreden; hij drukte de koningsdochter den kus op de lippen die haar moest doen ontwaken....
„He, hoe dom!” riep Nora op eens.
„Stil toch!” fluisterde Edith verontwaardigd over die stoornis. „Toe pa, vertel verder!”
Maar Nora’s uitroep had de aandacht van haar vader getrokken. „Waarom dom?” vroeg hij.
„Omdat.... wel, papa, hij had immers alles kunnen wegnemen, het heele huis leêgdragen, als hij haar had laten slapen.”
„Zou je dat in zijn plaats gedaan hebben, Nora?”
„Ja zeker,” sprak Nora, zonder zich een oogenblik te bedenken.
Henri Reijkman liet het kind van zijn knie glijden en toen ze, verschrikt over de uitwerking van haar gezegde, weder op hem toetrad, stiet hij haar terug.
Terwijl Edith, de kleine handjes gevouwen, zat te peinzen en ten volle begreep waarmeê Nora papa zoo ontstemd had, terwijl Reijkman met gejaagden tred op en neer liep en zich afvroeg of dan niets, niets den verderfelijken invloed zijner vrouw onschadelijk maken kon, schaterde Marie het uit van lachen en beloonde het kind met gebak en noemde haar een pintere meid, toen ze het verhaal deed van hetgeen er was voorgevallen.
Nooit was door de goede en booze geesten de strijd om een menschenziel met meer volharding gestreden, dan door dezen vader en deze moeder den strijd om het hart van dit zevenjarig kind.
Nog bleef Reijkman hopen dat de overwinning aan zijn zijde verblijven zou. Nora was leugenachtig en vol listen en streken, maar er was toch ook veel goeds in haar verwilderd hartje; er woonden naast verkeerde gedachten ook betere wenschen en edeler verlangens; met Edith tot voorbeeld en onder ernstige leiding kon er nog iets liefs van haar komen....
O, als hij de vrouw, die hem zijn geluk en zijn vrijheid had ontroofd, nu ook nog de ziel van zijn kind moest afstaan, dat zou te veel zijn! En hij worstelde om Nora’s behoud met de volharding van een man, met het geduld eener vrouw.
Toch zou hij het moeten opgeven.
’t Was in de plotseling gevallen schemering van een druiligen namiddag, dat Henri de beide meisjes zocht om met haar het gewone leeruurtje te beginnen.
Te vergeefs liep hij de vóór- en achter- en binnengalerij door, en juist wilde hij Arsan roepen om ze in den tuin te gaan halen, toen hij achter het groote schutsel in de slaapkamer eenig gerucht vernam.
Hij had in den laatsten tijd meer dan eens opgemerkt dat er in Nora’s zijn iets geheimzinnigs stak; telkens als hij haar onverwacht naderde, schrikte ze op en voortdurend had ze Edith dingen meê te deelen die papa niet hooren mocht....
Zonder bepaald kwade vermoedens te koesteren, verontrustte hem dit en daarom bleef hij nu ook achter het scherm staan, in de hoop van onopgemerkt getuige te zijn van het gesprek.
In de halve duisternis kwam het fijne, edele gezichtje van Edith, met de lange blonde krullen omkranst, teekenachtig uit tegen Nora’s donkergelokt kopje en haar groote fonkelende oogen. Er lag in het gelaat van het oudere zusje nieuwsgierigheid, maar een zekere angst en afschuw tevens, terwijl Nora de gloeiende wang tegen de hare drukte en fluisterde, fluisterde....
Daar trof een woord het oor van den vader, een woord dat nimmer moest worden uitgesproken door reine kinderlippen, een woord waarvan de beteekenis geen kind mocht geopenbaard zijn....
Verschrikt, ontroerd trad hij terug; nooit was hem de zonde zoo afschuwelijk voorgekomen, als nu zij den mond van zijn kind tot tolk had gekozen...
Een oogenblik nog zag hij het roerloos aan hoe de kleine demon zich heenboog over het blonde zusje, gereed om haar de gemaakte ontdekking mede te deelen, toen greep hij Nora bij de schouders en sleurde ze ver weg, als ware ze een venijnig insekt geweest....
De innige vertrouwelijkheid die eertijds tusschen Onno en zijn vriend bestond, had sinds eenigen tijd plaats gemaakt voor een veel koeler verhouding; daarom durfde Onno niet vragen toen hij Reijkman stiller vond dan gewoonlijk; daarom bleef hij zwijgen ook toen hij zag hoe Nora verbannen werd uit de tegenwoordigheid haars vaders, terwijl het Edith ten strengste verboden was in de vertrekken van Marie te komen. Eerst toen Reijkman sprak van een reis naar Soerabaia, vroeg hij of het voor particuliere zaken was.
„Ja,” sprak Reijkman, „voor particuliere zaken maar... vraag niet verder, Onno!”
Toen hij terugkwam, stond Edith hem van verre toe te wuiven; geheel haar lief gezichtje straalde van vreugde en nog vóór hij het huis had betreden, vloog ze hem in de armen.
„Papa, waarom zijt u zoo lang weggebleven? U weet immers, dat ik niet zonder u kan?... En—kunt u dan zonder mij? Zeg paatje, kunt u zonder uw kleine Edith?”
Op eens zag Edith haar vader doodsbleek worden, wankelen... ze riep oom Onno, en toen deze zijn vriend ter hulp snelde, vernam hij een dof snikken, een onsamenhangend gefluister: „Ze moet weg.... mijn lieveling! Naar Europa! Alles is reeds bepaald... over vier weken.... God helpe me!”
VI.
’t Is in onze tropische nachten voor gelukkigen onuitsprekelijk zoet droomen: achterovergeleund in den gemakkelijken zetel, het gelaat tot den flonkerenden hemel gekeerd, terwijl heerlijke geuren opstijgen van de bebloemde aarde naar het wazig blauw der wolken, terwijl het koeltje door de lokken speelt, droomerig en teeder als de vingeren der geliefde, terwijl de sleepende tonen eener verwijderde muziek de gedachten vleugelen schenken en het beekje fluistert van wenschen die vervuld, van idealen, die werkelijkheid werden.
’t Is zoet droomen voor den gelukkige.
Maar ook den minder bevoorrechte, ook den balling, die niets dan teleurstelling vond in het land der vreemdelingschap, is het goed neer te zitten in den kalmen vrede van Insulinde’s nachten.
De koelte moge hem van geen teedere aanraking eener aangebeden hand spreken, hem streelt ze het gloeiend voorhoofd met haar frisschen adem, hem vaagt ze den blos der ergernis van de wangen, hem kust ze toornige woorden van de lippen; de muziek moge hem niet voeren tot peinzen over het genotvol heden, ze voert hem terug tot het blij voorheen, ze verhaalt van een betere toekomst....
En als het vriendelijk beekje ook langs zijn voeten stroomt, is het of hem wordt toegeruischt: Geduld! Geduld! Wij allen hebben onzen strijd op aarde! Ook ik was eenmaal een trotsche bergstroom met niets dan het blauw des hemels boven, het groen der heuvelen rondom me; thans word ik in boeien gekneld door menschenhanden; thans word ik ver van mijn schoone geboorteplek, gevoerd langs dorren zandgrond en kale rotsen en naakte vlakten, maar om eindelijk af te dalen in een vriendelijke vallei! Dáár zal de zon mij tooien met glinsterende juweelen; de kinderen zullen mij met bloemen strooien onder blij gezang, schoone vrouwen zullen haar ranke leden komen toevertrouwen aan mijn liefkoozingen, minnenden zullen neerzitten aan mijn oevers en het geklater mijner golfjes begeleiden met den klank hunner kussen....
Toen Edith was heengegaan en met háár de laatste zonnestraal uit zijn sombere woning, toen ook Nora, om haar aan den verderfelijken invloed der moeder te onttrekken, onder streng toezicht van vreemden geplaatst was, toen de kinderstemmetjes niet meer weerklonken die de eenige juichtoon waren geweest in den droeven treurzang van zijn huiselijk leven, was het Henri Reijkman of hij den last van het bestaan moest afwerpen.
Zijn goede engel had hem verlaten; zijn booze genius moest hem altijd nabij blijven, háár kon hij niet ontvluchten.... Waartoe langer zijn ellendig leven voortgesleept?
’t Was een bange strijd geweest en meer dan eenmaal had hij een wapen in handen genomen en het aangezien met woest verlangen als redder, verlosser.... maar Edith’s geest zweefde nog door de stille woning, Edith’s voetstappen weerklonken nog door de ledige gaanderijen; ’t was hem of haar handjes hem het wapen uit de klamme vingeren loswoelde, of zij hem met zich voerde naar buiten, naar buiten waar aarde en hemel, met denzelfden reinen zilverschijn overgoten, lagen te sluimeren in den schoonen maanlichtnacht.
Dan zat hij daar uren lang tot ieder geruisch had opgehouden in den omtrek, tot alles sliep en alles rustte, tot de bergen toornige titans geleken, en de boomen spookgestalten werden, maar ook de wolken daarhenen zweefden als engelen in hemelschen starbezaaiden dos.
Dan boog hij luisterend het oor en ’t was als ruischte van verre over de eeuwige stilte van den Oceaan, waarop het kind zijns harten zwierf, hem een groet tegen; dan sloot hij de oogen en het was hem als bracht de zefir die als Noordenwind had geloeid om de ranke boot, waaraan haar dierbaar leven was toevertrouwd, hem woorden vol zoeten troost, dan droomde hij van een verre, verre toekomst, waarin de banden niet meer knellen, de ketens niet meer rammelen zouden, waarin hij als vrij en gelukkig man haar zou wederzien!
Hij droomde haar zooals ze dan zijn zoude: een ranke maagd met teedere vormen, de blonde krullen los neervallend om het zacht gebogen hoofd, de blauwe oogen vol dwepende teederheid, vochtig en glanzend, fonkelende starren aan den onbewolkten hemel harer ziel, het vriendelijk mondje altijd bereid tot een lief woord, de zachte wangen gekleurd met den jonkvrouwelijken blos....
’t Was een liefelijk beeld dat hij zich voor den geest tooverde en hij voltooide het langzaam, met innerlijk genot, hij teekende het en iedere penseelstreek deed hij met liefde, en als het beeld gereed was, bleef hij er op staren en legde al de trekken er van weg in zijn hart....
De wind in de bamboestammen doortrilt de lucht als de onbestemde klanken eener Eölusharp; de eenzame woudduif kirt en haar tortel antwoordt uit de verte met een luiden jubeltoon; de zachtklagende tonen van een liefdezaag klimmen op uit de kampong.... nog fluistert de sombere droomer den naam van het aangebeden kind, maar straks, straks als de sterren elkaar zijn geheim reeds verklapten en de maan hem met een spotlach in het aangezicht staart, straks is het hem eensklaps duidelijk geworden wier beeld het is, dat hij draagt in zijn hart en trek voor trek teekent met zooveel liefde als hij zich het ideaal eener jonkvrouw denkt!
Constance.... ach, Constance! Hoe gelukkig, hoe liefelijk moet het leven zijn aan uwe zijde....
Daar verneemt hij het weer, dat afschuwelijk geluid, verzeld van het hoongelach der helgeesten, het ratelen zijner ketens!....
De wachten zijn er reeds aan gewoon hem in het holle van den nacht te zien dwalen rondom het huis; de honden blaffen niet aan, zij kennen dien gejaagden stap; alleen zijn lievelingspaard op stal hinnikt, als verwachtte hij dat zijn meester hem zou bestijgen en met hem voortrennen in wilde vaart, zooals in menig vroegeren nacht....
Maar hij gaat voorbij, den tuin in, het erf op. Eerst een paar uur later keert hij terug; vermoeid, bezweet, maar zonder dàt zou hij geen rust vinden op zijn eenzame legerstede. Hij gaat haastig het huis langs om achter binnen te treden en mijdt nu niet, zooals des daags, het gedeelte door Marie bewoond.
Even blijft hij stilstaan. Is dat niet een mannenstem, die hij daar hoort in Marie’s vertrekken?....
Hij wist niet of zijne vrouw sinds hij haar van zijn zijde verbande, hem de trouw had gehouden die echtgenooten elkaar beloven; maar hij wist dat de hartstochten, die haar beheerschten, niets met de zinnen gemeen hadden en had daarop vertrouwd toen hij zichzelf deed gelooven, dat ze ten minste niet op die wijze den naam, dien ze droeg, tot schande zou maken.
Eén oogenblik trilde hij van woede bij de gedachte; maar toen glimlachte hij; de stem, die tot hem doordrong, was die van Marie’s broeder.
Wie Rudolf Bastoort eenmaal in het laaghartig gezicht, in de listige oogen gezien had, wist, dat die man gewantrouwd moest worden. Reijkman had meer dan één staaltje ontvangen van zijn laagheid. Maar hij had hem, omdat hij de broeder zijner vrouw was—anders had hij hem gaarne zien hangen—uit zekere moeilijkheden gered. Na de laatste „moeilijkheid” echter verbood hij hem het huis, met bedreiging hem als dief en opiumsmokkelaar te doen opvatten, als hij het waagde zijn erf te betreden—vandaar dit bezoek in het holle van den nacht.
„Och, Marie, kassian toch met je broêr,” riep de door drank en uitspatting heesche stem, een wanklank in de heilige stilte van den nacht.
„Kassian met jij,” siste het snerpend geluid Henri zoo wèlbekend uit Marie’s oogenblikken van hevige drift, „kassian met jij? Jij moet zelf weten. Wie schulden maak, die betaal! Jij bent niet gek genoeg om hulp te verwachten van mij?”
„Je begrijp misschien niet, Marie! Ze zetten me in den boei. Ze hebben ampioen gevonden bij mij in huis. Ik moet afkoopen....”
„Ampioen gevonden....? Heel goed! ’k Heb lang verwacht.... ’k Ben blij....”
„Ik moet honderd gulden hebben, Ria! minstens!”
„Al moest je een gobang hebben, jij krijg niet van mij,” zegt de zuster bepaald. „Nu, ga weg!”
De heer Rudolf Bastoort stort thans zijn gevoel uit in een walgelijk dronkemansgeween.
„Waarom moet jij spelen, dronkenlap? Ben je een grooten mijnheer misskien?”
„Neen,” zegt de broeder, terwijl hij eensklaps de onharmonische uiting zijner droefheid staakt. „Maar jij bent een groote mevrouw; jij kunt betalen en.... jij moet.... jij moet....!”
„Moeten?” vraagt ze, ziedend van toorn. „Moeten?”
„Ik zit in de benauwdheid, Ria, ik ben verloren....” kermt hij.
„Tra per doeli!” [2]
„Marie?!”
„Ga weg, zeg ik. Ik roep de jongens! Ga weg, ja?”
„Niet vóór ik het geld heb!”
„Ben je gek, kerel?” gilt ze buiten zich zelve.
„Dat vroeg je niet toen ik je helpen moest om...”
„Diam!” [3] roept Marie gebiedend, maar fluisterend tevens.
„Voor wat diam? Ik geef nergens meer om. Ik ga alles vertellen...”
„Je bent niet brani. Je bent veel te bang.... laffe dronkaard...”
„Bang dat ze jou hangen zullen? Och neen, ik zou het met pleizier zien! Je hebt het aan mij verdiend, nog veel meer dan aan mijnheer Reijkman...”
„Jij hangt ook! Net zoo goed! Jij hebt me de vergift gegeven,” zegt ze met haar valschen lach.
„Maar jij hebt het hem in de soep gedaan en in de koffie! Wat kan mij schelen, of ze me in de gevangenis zetten, daar kom ik toch in!”
„Nu, ik zal... hoorde je daar niets? Ja, ja! een voetstap... ja, ik weet zeker... Als je me hebt verraden... ik vermoor je!”
Pas verbleekten de sterren, pas kraaide de haan, toen Onno uit zijn slaap werd gewekt door het binnentreden van Reijkman. Verbaasd rees hij overeind en nauwelijks had hij bij het matte schijnsel van het morgenlicht hem in het gelaat gezien, of met een kreet van schrik was hij uit het bed gesprongen.
„Henri?! Wat is er gebeurd? Een nieuw ongeluk?!”
„Neen. Het oude ongeluk maar. Onno, geef me de hand! Ik heb je leelijk behandeld, oude vriend... ik heb je miskend...”
„O, dat is niets... laat ons daar niet van spreken.”
„Jawel, ik had het niet moeten doen. Maar ik kon het maar niet vergeten, dat jij het waart, die me met Marie hadt laten trouwen. Ik wist toen niet waarom je het deedt... het was om mij te redden, niet waar mijn jongen?”
„Weet je het?... Hoe heb je het ontdekt?...”
„Ik weet het; laat dat je genoeg zijn. Ze had me vergiftigd, niet waar? Je hebt heldhaftig gezwegen.... en ik heb je schandelijk gegriefd... Kun je me vergeven... mijn oude vriend?”
„Vergeven? Henri!”
„Dwaasheid! Maar.... je kende me zoo goed, Onno, tien jaar lang.... je hadt het kunnen, je hadt het moeten weten dat het leven geen waarde voor me hebben zou als ik het tot dien prijs behield. Ik, verbonden aan een gifmengster! Ik, getrouwd met een moordenares!”