Part 6
Hij vindt het niet want op dit oogenblik ligt het op de tafel waaraan dokter Banck is gezeten tegenover Onno.
„Hoe hebt u het ontdekt?” vraagt de dokter.
Onno strijkt met de hand over het voorhoofd als om orde te brengen in zijn verward brein.
„Het is me nu,” begint hij eindelijk, „of ik het altijd geweten heb, altijd. Ik heb die vrouw gehaat van het oogenblik dat ze in zijn huis kwam; ik heb haar altijd gewantrouwd en op den morgen toen hij den eersten aanval kreeg, nu vier maanden geleden, toen wist ik het.... Ik wist het, en ik wist ook dat hij gered zou zijn, als ik hem aan haar macht kon onttrekken; ik heb alles beproefd om hem uit het huis te krijgen.... u weet hoe mijn plannen verijdeld werden!
„Het eenige wat ik doen kon was hem te bewaken. Ik heb vier weken aan zijn bed gezeten.... wat ik in dien tijd niet heb uitgedacht om haar te betrappen! Maar ze was listiger dan ik! En dan—ik kon niet altijd waken.... Eens ben ik vier dagen en vier nachten achtereen wakker gebleven; hij begon reeds te beteren———ik viel in slaap; toen ik ontwaakte lag hij in een vreeselijk toeval.”
„Hoe hebt u eindelijk de zekerheid verkregen?”
„Ik bespiedde al haar gangen, en werd daarin bijgestaan door Arsan, Reijkman’s lijfjongen, die mijn vermoeden deelde. Hij had opgemerkt, dat ze soms ’s avonds, als het heette dat ze een wandeling ging maken, samenkomsten had met haar broeder, en—dat altijd na de bezoeken bij dien broeder een instorting volgde.... En nog kon ik niets bewijzen! O, God alleen weet wat ik heb uitgestaan, hoe het me tot razernij bracht, hoe ik soms, als ze naar binnen sloop en zich over mijn armen vriend heenboog, me geweld moest aandoen om haar niet aan te grijpen en te verwurgen.
„Eindelijk besloot ik tot een laatste wanhopige daad: ik liet Henri met haar alleen. Ik nam den schijn aan alsof zaken mij naar Passoeroean riepen, maar bleef in den omtrek. Drie dagen heb ik, als inlander verkleed, tevergeefs rondom Bastoort’s huis gezworven.... Eindelijk, gisteravond, daar kwam Marie.... Ze spraken lang samen, ze scheidden met hooge woorden; ik wachtte. Tegen den nacht ging Bastoort uit en toen hij het vergif gevonden had....”
„U weet zeker, dat het vergif is?”
„Ik heb een vierde gedeelte van wat hier ligt voor mijn hond gekookt; hij was binnen het uur dood.”
Er volgt een lange stilte.
„Welke reden had ze om zich op hem te wreken?” vraagt dokter Banck eindelijk.
„Ze schijnt er op gerekend te hebben dat hij haar trouwen zou; zijn vertrek naar Europa maakte dit onmogelijk en....”
„Dus het gewone geval.”
„Hadt u vermoedens?”
„Ik heb altijd vermoedens, waar een ménagère is. U weet hoe ik reeds lang geleden ophield hem medicijnen te geven. We hebben geen middelen tegen het vergif van den inlander. Zelfs geen tegengif!”
„Geen tegengif....? Dus moet hij sterven....? Dus moet ik hem voor mijn oogen zien vermoorden?” roept Onno in vreeselijken zielsangst.
„Laat het u tot troost zijn dat zijn lijden kort zal wezen; hoogstens vier, vijf dagen!”
„O Henri! Mijn vriend.... mijn weldoener!”
De dokter keert zich haastig af; hij heeft veel geleerd in zijn dertigjarige praktijk,—niet om een man te zien weenen.
„Vous l’avez voulu, George Dandin,” roept hij nu op eens met luider stem. „Vous l’avez voulu,” herhaalt hij nogmaals met de heftigheid van iemand, die zich zoekt te verzetten tegen een hem overmeesterend gevoel; „men moest geen medelijden hebben met Europeanen, die door hun huishoudsters vergiftigd worden, men moest niets anders zeggen dan: „Mijnheer, u hebt het gewild!””
„Dat kan u geen ernst zijn, dokter! U weet zoo goed als ik dat de omstandigheden dikwerf dwingen tot die leefwijze.”
„Wis en waarachtig is het me ernst, mijnheer,” roept Banck, zich meer en meer opwindende. „Waarom trouwen ze niet, dat vraag ik u? Zijn er geen meisjes genoeg misschien? Ik zal u eens iets zeggen, mijnheer. Ik heb nooit geweten hoe jongelui, die huishoudsters nemen, zich bezondigen vóór ik met verlof ging en in Holland al die lieve, aardige deerntjes zag—heele rijen, mijnheer, halve dozijnen in één huis, mijnheer, die zich zaten te verkniezen in een stil dorpje, die in een vervelend landstadje haar eentonig bestaan voortsleepten, en niets liever zouden gewenscht hebben dan brave vrouwen en zorgzame moeders te worden; lieve, verstandige meisjes, mijnheer, enkelen zelfs met een aardig stuivertje, die den hemel zouden danken als er een fatsoenlijk man uit Indië om haar kwam. Waarachtig, als je daar eens rondkijkt en al die vriendelijke gezichtjes lachen je toe, dan spijt het je dat een mensch maar één vrouw tegelijk mag nemen. Ik houd vol, een man, die ongetrouwd van verlof terugkomt, is een wreedaard, wat zeg ik, een monster van wreedaardigheid!”
„U vergeet dat men een goed tractement moet hebben om hier een Europeesche vrouw te kunnen onderhouden.”
„En zoo’n zwart dierage”—dit was de geliefkoosde uitdrukking van den dokter waar het Oostersche schoonen gold—„en zoo’n zwart dierage dan? Alsof die het geld niet met handen vol weggooiden! Alsof die zuinig en overleggend en ijverig waren, zooals een flink Hollandsch wijfje? Maar laat ons aannemen dat het kostbaarder is om getrouwd te leven, hoeveel gelukkiger is het ook niet? En wat wacht den Europeaan hier in de meeste gevallen als hij ongetrouwd blijft? Een eenzaam leven, zedelijke achteruitgang, vaderzorgen zonder vadervreugd of vadertrots, schaamte en onvoldaanheid; dikwerf de vrees, soms zelfs de zekerheid van bedrogen te worden. En—als ze er het leven dan nog maar afbrachten! Maar, mijnheer, als er eens een statistiek werd opgemaakt van de heeren, die, na met een inlandsche vrouw te hebben geleefd, aan onbekende oorzaken stierven, gelooft u niet dat men tot een vreeselijk resultaat zou geraken?”
„Ik geloof het gaarne,” zegt Onno, die maar half geluisterd heeft, „maar om op mijn vriend terug te komen....”
„Waartoe op hem terug te komen? Laat hem rustig sterven.... Hij heeft immers zijn laatste beschikkingen gemaakt; alles is geregeld, niet waar? Ik weet, het is hard.... maar er is geen.... ja, er is nog één middel om hem te redden.”
„Één middel! O dokter, welk?”
De dokter bedenkt zich een oogenblik. Dan spreekt hij langzaam: „Haar trouwen.”
„U bedoelt....?” vraagt Onno verbijsterd.
„Het schepsel trouwen! Vandaag nog! Morgen! Overmorgen is het misschien te laat!”
„Haar trouwen? Marie trouwen? En waartoe?”
„Opdat ze hem tegengif ingeeft. Ik heb meer dan één op die manier zien redden.”
„Maar.... Henri zou op die manier niet gered willen worden. Neen, hij zou liever sterven, dan te leven, gekluisterd aan eene giftmengster!”
„Behoeft hij te weten dat ze eene giftmengster is? Hij vermoedt niets, zegt u? Welnu? Is er geen enkele reden, waarom hij wenschen zou haar vóór zijn dood tot zijn wettige vrouw te maken? Die twee lieve meisjes zijn er immers? Wel, niets is gemakkelijker dan hem aan het verstand te brengen, dat nu het oogenblik gekomen is om „de moeder zijner kinderen” te réhabiliteeren. Ik heb hem—daar hij er op gesteld was, de volle waarheid te weten—gezegd, dat hij niet veel meer dan een week te leven heeft; laat hem haar trouwen om der wille zijner kinderen in de overtuiging, dat hij het doet op zijn sterfbed—wat misschien zal blijken waar te zijn, want hoogstwaarschijnlijk is hij reeds te ver heen om nog te herstellen.”
„In Godsnaam.... Ik wil alles gedaan hebben.... Ik moet het onmogelijke beproeven....”
Weinige dagen later, op een goddelijk schoonen ochtendstond, vol zonneglansen en bloemengeuren, weerklonk in de plechtige stilte van den morgen de vraag: „Henri Johan Reijkman, verklaart ge tot vrouw te nemen Maria Magdalena, dochter van Albertus Bastoort en de Javaansche vrouw Poengoet?”
En ter nauwernood verstaanbaar, schor en zwak was het antwoord: „Ja.”
IV.
Midden tusschen de gezonde jongens en aardige meisjes, die ons huis vervullen met hun luidruchtige vroolijkheid, midden tusschen de goudgelokte, roodwangige cherubijnen, treft ons somtijds een zacht, bleek gezichtje, waaruit twee groote oogen ons aanstaren vol peinzenden ernst. Ze is niet de voorspoedigste, niet de gezondste geweest onzer kleinen. Niet half zoo grappig en schalksch als klein zusje, ook niet zoo flink en vlug als de broers, merken vreemden haar ter nauwernood op en wordt er weinig eer met haar ingelegd, wanneer er bezoek komt; toch—is ze de ouders liever dan een der anderen.
Als papa haar naam noemt, verzacht zich zijn stem; als mama’s oog op haar rusten blijft, is het met onuitsprekelijke teederheid; soms, als de heerlijke starren zoo geheimnisvol schitteren in het bleek gezichtje, zoeken vader en moeder elkaars oogen en lezen ze in elkaars bezorgden blik de verzuchting, die geen van beiden durft uitspreken: „Als we haar maar behouden mogen!”
Ze hebben haar lachend „klein moedertje” genoemd en ze is trotsch op dien naam. Wanneer mama uitgaat, tracht zij den vrede te bewaren onder het jonge volkje en het is vreemd hoe gaarne de wilde jongens naar haar luisteren, de kleintjes bij haar troost komen zoeken; wanneer er zorg woont in huis, weet de moeder het reeds, van wie de zachte voetstap is, die telkens weder gehoord wordt in de ziekenkamer, weet ze het wie die bloemen binnenbracht, wie die kleine oplettendheden heeft gehad; als er een feestje gevierd wordt, is het datzelfde vriendelijk handje, datzelfde lief stemmetje, dat niemand vergeet en allen tot blijdschap stemt.
Met haar droomerigen blik ziet ze half verlangend, half angstig de wijde wereld in; soms is het of haar fijn besnaard gemoed ineenkrimpt bij al de harde en treurige waarheden, die ze er langzamerhand ontdekt; haar opmerkingen brengen ouderen en wijzeren in verwarring; en nu en dan moeten de ouders het antwoord schuldig blijven op haar vragen.
Zelve heeft ze nog geen smart gekend; maar toch kan ze reeds mede gevoelen met hen die lijden; ze weet nog niets van den weemoed die er ligt op den bodem van het menschenhart; maar toch—ze verstaat reeds menschenharten—of ten minste de kunst om tot hen te spreken.
Van een bewolkt voorhoofd kust ze met haar reine lippen de rimpels weg; brandende tranen droogt ze met haar zijden krullen; een verbitterd gemoed brengt ze tot kalmte door haar schuldeloos gekeuvel, haar blijden glimlach; een gelaat, door de zonde misvormd, moge zich vol schaamte afwenden van het hare, met smachtend verlangen vraagt het om een der goddelijke vonken, die daar glinsteren in die heerlijke oogen.
De heilige taak, waarvoor anderen een geheel leven behoeven, vervult zij in de weinige jaren die haar geschonken worden, want—helaas! ze toeven niet lang in ons midden, die vriendelijke afgezanten uit gelukkiger oorden.
Nog luisteren we naar de zilveren klanken der lieve stem als reeds het wiekgeklep wordt vernomen van de serafs, die het schoone zieltje komen ontvoeren; nog drukken we het blonde hoofd aan onze borst, als reeds een aureool het komt omkransen; nog staren we, vol verrukking, in de oogen wier glans niet van deze aarde is, als het duister rondom ons wordt en droevig en ledig.... dan vallen we op het aangezicht en schreien ten hemel: „Heer, we hebben een engel geherbergd!”
Zulk een engel stond aan de zijde van Henri Reijkman in de bange uren van zijn terugkeer tot het leven; zulk een engel werd hem zijn aangebeden oudste, zijn zachte Edith.
Hoewel langzaam, zoo onmerkbaar langzaam soms, dat zijn vrienden de hoop opgaven—hij herstelde: het vergif had vreeselijke verwoestingen aangericht, maar het krachtig lichaam behaalde de overwinning.
Toen er niet meer getwijfeld behoefde te worden aan zijn behoud braken voor dokter Banck moeilijke oogenblikken aan.
„Niet waar, dokter?” vroegen hem de dames, die een onbepaald vertrouwen stelden in hun kundigen geneesheer, „niet waar, het zijn praatjes, dat Reijkman beterend zou wezen? U hebt gezegd dat hij sterven moet en u gelooven wij.”
„Rira bien qui rira le dernier,” sprak de specialiteit in leverziekten, „ik werd zoo uitgelachen, toen ik beweerde dat het de lever en niets dan de lever was.... nu ziet u eens!”
„’t Schijnt, collega, dat ik den bal niet zoo ver missloeg,” sprak de dokter van Soerabaia, die, driemaal in consult geroepen, driemaal beweerd had dat het wel slijten zou.
Dokter Banck zweeg, wat hem niet weinig kostte; bleef zwijgen, ook toen zijn goede kennissen hem lachend op den schouder tikten en vroegen of het haast geen tijd werd om Reijkman te gaan begraven.
Maar toen zijn eigen vrouw, de bezitster van het vriendelijkste der vriendelijke gezichtjes, die hem hadden toegelachen bij zijn verblijf in Holland, toen zelfs zijn eigen vrouw meende te moeten opmerken: „Wat is dat jammer, ventje, dat je je zoo vergist hebt in die ziekte van Reijkman,” toen werd het hem te kras; hij zweeg niet meer, maar raasde en tierde tegen de zwarte dierages in het algemeen en het zwart dierage, genaamd Maria Magdalena, in het bijzonder.
Maar al deze speldeprikken, hoe pijnlijk ook, waren niets vergeleken bij den degenstoot, die het hart van den goeden man doorboorde, toen hij op zekeren middag bij zijn patiënt zat.
„Vrij van pijn en benauwdheid,” had Henri verklaard.
„En de koorts drie dagen achtereen geheel weggebleven,” zei de dokter vroolijk, „nu nog maar flink versterken en alles is in orde.”
„Dokter,” begon Reijkman nu met iets gejaagds in stem en gelaat, „ik had een verzoek aan u. Ik heb Onno reeds herhaaldelijk hetzelfde gevraagd, maar het schijnt wel of hij me niet begrijpt. Dat is de reden, waarom ik u er mee lastig val.”
„Zeg maar wat je op het hart hebt, Reijkman.”
„’t Is met het oog op mijn spoedig herstel; ik geloof niet dat ik gauw beter zal worden, als dat mensch hier blijft....”
„Welk mensch?”
„Mijn ménagère! Neen, u behoeft niet zoo verwonderd te kijken, dokter; ze hindert me! U moogt het den gril van een zieke noemen—misschien is het dat!—maar ik zou veel eer beter zijn, als zij niet zoo altijd om en bij me was. Dat valsche gezicht met die loerende oogen is me een ergernis; het agiteert me, het maakt me zenuwachtig....”
Dokter Banck ziet den zieke ontsteld aan; hij weet niet wat te antwoorden. Eindelijk stamelt hij: „Ik geloof, Reijkman.... ik geloof toch, dat je de koorts hebt....”
„En u hebt daareven zelf geconstateerd, dat de koorts sinds drie dagen niet is teruggekomen....? Neen, dokter, het is geen koortsachtige opgewondenheid, die me tot het doen van die vraag brengt! Het is niet sinds vandaag of gister, dat de gedachte in me opkwam me van dat gluiperig schepsel te ontdoen. Meer nog dan de noodzakelijkheid van de kinderen weg te brengen, was het de wensch om van Marie los te komen, die me dreef naar Europa.”
„Maar dat alles is nu immers veranderd....”
„Ja, dat weet ik: er kan van die reis vooreerst niets komen. Maar ik zie daarin geen reden om iemand bij me te houden, wier tegenwoordigheid me hatelijk is.”
„Reijkman....! Je herinnert je toch....?”
„Wat?” vraagt de zieke, met den doodelijksten angst in zijn gespannen trekken, „wat zou ik me herinneren?”
Maar de dokter wendt haastig het hoofd af en blijft zwijgen. De man was immers half bewusteloos, toen hij het ja uitsprak, waardoor zijn leven gered, maar ook voor altijd van vreugd en geluk beroofd moest worden. Weinige uren na die laatste inspanning lag hij in heete koortsen.... Niemand roerde, sedert hij weer bij kennis was, het pijnlijk onderwerp aan.... Zelfs Onno heeft het niet gewaagd er ook maar uit de verte op te zinspelen.... De hemel weet of hij zich de treurige waarheid bewust is....
„Eén ding, Reijkman,” zegt de dokter eindelijk, „leg je hier nu niet noodeloos op te winden en wacht tot je geheel hersteld zijt, met je over die dingen moeilijk te maken.”
„Ja,” zegt de patiënt volgzaam, „dat was ook eerst mijn voornemen, maar.... het wordt me met elken dag, met elk uur moeilijker! Ze is ook zoo hatelijk geworden in den laatsten tijd. Ze neemt airs aan, alsof ze de vrouw des huizes was....” en weer ziet Reijkman zijn geneesheer aan, met dat angstig vragende in den blik.
„Adieu, Reijkman; mijn zieken wachten me.”
Als Onno hem ontmoet in de galerij en angstig vraagt of Reijkman erger is, ontvangt hij tot eenig antwoord den kreet: „Hadt je mijn raad gevolgd, Onno! Hadt je hem stil laten sterven!”
Onmiddellijk begeeft de trouwe vriend zich naar de ziekenkamer. Schijnbaar vroolijk informeert hij naar den toestand van den nu zoo ongeduldigen lijder.
„Ik wou dat je eens rustig bij me kondt komen zitten, Onno; niet in zoo’n haast alsof je geen oogenblikje missen kunt! Neen, wat dichterbij! Het spreken valt me moeilijk; die schorheid gaat nog maar altijd niet over.... Nu is het goed, nu kan ik je in het gezicht zien en nu zul je me ook eindelijk antwoorden op de vraag, die ik je te doen heb.—Onno, je herinnert je zekere periode in mijn ziekte, toen de krampen en benauwdheden ophielden, maar die vreeselijke ijlende koorts me niet verlaten wilde?....”
„Ja, zeker herinner ik me dat.”
„Welnu. Uit dien tijd van waanzin en visioenen is me één tooneel bijgebleven. Al de andere akeligheden, al de dwaze en vreeselijke gezichten zijn, tegelijk met de koorts, verdwenen, maar dit eene staat me nog altijd voor den geest. Zonderling! al deze lange weken is het me bijgebleven, zelfs in mijn half bewusteloozen toestand.... Ik kan het niet vergeten....!”
„En.... wat is het? Een droom?”
Met groote krachtsinspanning, met doodsbleeke lippen begint Henri zijn verhaal.
„Er rolden rijtuigen.... het deed me vreeselijk pijn in mijn hoofd; toen kwamen er menschen rondom mijn bed staan, met zwarte rokken en witte dassen.... de assistent-resident was er, en de dokter en jijzelf, en de geëmployeerden.... ze waren gekomen om me te begraven, geloof ik.... maar op eens zag ik Marie binnenkomen en.... een dwaas idée, niet waar? toen ze begrepen dat ik nog niet begraven behoefde te worden, vroegen ze me of ik dan met Marie trouwen wilde; zeker”—dit met een akeligen, schorren lach—„omdat ze hun zwarte rokken niet voor niets wilden aantrekken....”
Een ijskoude rilling is den vriend door de leden gevaren. Zijn stem beeft als hij vraagt: „Weet je nog wat je geantwoord hebt, Henri?”
„Neen, dat weet ik niet,” zegt deze met een mislukte poging om onbezorgd te spreken. „Neen, dat weet ik niet. Maar dat doet ook niets ter zake, niet waar?.... ’t Was toch maar een droom, een visioen! Ha! ha! men kan toch op vreemde denkbeelden komen in zoo’n ijlende koorts! Goddank dat het geen waarheid was!... Onno, waarom antwoord je niet? Zeg dan toch ook, dat het alles onzin, alles begoocheling geweest is.... God! Ik heb het gedroomd, niet waar? Gedroomd? Gedroomd?”
Hij heeft in doodsangst de handen van zijn vriend gegrepen; hij staart hem in ’t gelaat en—leest zijn vonnis....
„Henri! Vergeving!... Ik heb haar tot je vrouw gemaakt! Ik kon, ik mocht niet anders!”
„Haar?.... Marie?.... Tot mijn vrouw?.... Haar?!”
„Neen, neen! zeg dat niet zóó! Zie me zóó niet aan! Dàt heb ik niet verdiend! Henri, geloof je, dat ik je liefheb?... Ik mocht niet anders doen. Ik dacht dat je stervend waart. Ik wist dat je voor je kinderen een wettige moeder wenschte, ik meende in je geest te handelen...”
„Door me te binden, voor eeuwig te binden aan dat schepsel, dat ik haat... dat ik verfoei....? Stil, spreek niet meer tegen me; ik gevoel... ik gevoel dat ik sterk genoeg zou zijn om een moord te begaan...”
„O, Henri, vergeving!”
„Nooit! Vloek over je! Vloek! Vloek!....”
Als door een knodsslag getroffen, zoo wankelt Onno naar de deur; een blinde gelijk tast hij naar den knop... hij staat buiten in den vroolijken zonneschijn. Daar hoort hij een kinderstem. Edith nadert, zij slaat de armpjes om zijn hals; ze vraagt, wat hem deert.... O, het doet onuitsprekelijk goed die zachte vriendelijkheid van het lieve kind, maar er is een ander die troost behoeft.
„Papa is ook bedroefd,” fluistert hij.
Het kind heeft geen andere aanmaning noodig; vlug trippelen de kleine voetjes over den marmeren vloer en weldra nemen fijne, rooskleurige vingeren de handen weg, die in doodsangst geslagen werden voor het verwrongen gelaat; weldra ruischt een liefelijk stemmetje door het vertrek, waarin straks vervloekingen weerklonken, en weldra ligt Henri Reijkman te weenen als een kind op het blonde hoofd, dat zich nestelde aan zijn borst.
V.
„Arme papa!”
Ze vermoedde niet welke de smart was die hem folterde, maar ’t scheen of ze alles begreep; ze kon niet weten welke slag hem getroffen had, maar ’t was of een geheime stem haar toefluisterde dat hier een lijdend hart van wanhoop te redden viel, en van nu af wijdde ze zich met al de teederheid van haar warm jong gemoed aan die taak.
Als bij ingeving raadde het kind, wat menige vrouw levenslang verborgen blijft: ze wist wanneer haar vriendelijk gekeuvel hem wekken moest uit sombere gepeinzen, maar ook wanneer hij behoefte had aan rust en niets dan rust; ze wist wanneer ze hem vragen kon deel te nemen aan haar vroolijk spel, maar ook wanneer ze haar hoofdje aan zijn borst vlijen en een opkomenden storm bedaren moest door liefdeblijken.
Toen de krachten terugkeerden was het op háár smeeken dat hij nu en dan eens naar buiten trad in de heerlijke natuur, maar het kostte moeite hem over te halen; daarbuiten scheen het hem nog ondragelijker dan in het halfdonker ziekvertrek; het was hem of de heldere zonneschijn al zijn dwaasheid blootlegde; het was hem of de vogels zongen, of de eenden kwaakten van zijn schande; immers schande, driedubbele schande noemde hij het, dat de naam, dien zijn vader met rechtmatigen trots noemde, den naam die zijn moeder zoo rein had bewaard, nu werd gedragen door Maria Bastoort!
’t Was ook Edith die er hem toe bracht weer eens naar de fabriek te gaan. Wel wist ze het nog niet bij ervaring, dat werken leert vergeten, maar ze bemerkte hoe bezigheid papa goed deed. Het was een zware gang; met warme onverholen blijdschap ontvingen hem zijn ondergeschikten, maar hij kon niet werken met den lust en den ijver van voorheen; immers, voorheen werden de winsten weggelegd voor de reis naar Europa, voor de toekomst als de kinderen groot waren; nu waren alle plannen den bodem ingeslagen; nu was er geen toekomst—dan met Maria Bastoort!
Er was tusschen hem en de vrouw, die de wet tot zijn gade gemaakt had, een vergelijk getroffen. Hij oordeelde dat hij niet het recht had haar verwijtingen te doen; alleen zeide hij haar zacht maar vast, dat ze nooit anders dan in naam zijn vrouw zou wezen, dat ze, toen ze van zijn toestand misbruik maakte om hem te ontrooven wat ze wist dat hij haar nooit vrijwillig zou geofferd hebben, voor altijd zijn genegenheid had verspeeld.
Het was haar tamelijk onverschillig; niet zijn liefde had ze zich gewenscht, maar zijn titel, zijn rang, zijn geld,—en die kon hij haar niet ontnemen. Hij handelde juist zooals ze verwacht had: paarden, rijtuigen, bedienden, ruim huishoudgeld en nog ruimer kleedgeld stelde hij tot hare beschikking.
Maar op zekere voorwaarden.
Het huis was groot en ruim; wilde ze hem verplichten door het linkergedeelte te bewonen, terwijl hij zich tot de rechterzijde bepalen zou? Edith was aan hem gehecht, terwijl Nora háár lieveling heette; wilde ze Edith aan haar vader afstaan? En zou ze over het geheel hem niet tegenwerken bij de opvoeding der beide kinderen?
En eindelijk—nog deze ééne groote gunst—wilde ze beloven hem niet te dwingen met haar uit te gaan?
Neen, dat wilde ze niet!
Waarvoor zou zij haar mooie toiletten koopen, als het niet was om er mee te schitteren in de gezelschappen; waarvoor zou ze alles verdragen, al zijn dwaze nukken inwilligen, wanneer het niet was in de hoop van als mevrouw Reijkman zich te vertoonen in kringen, waarin men vroeger haar naam niet genoemd, veel min haar tegenwoordigheid geduld zou hebben?
Al de fierheid, die in hem was, kwam in opstand tegen het ondergaan van die laatste vernedering; hij smeekte en bad, hij dreigde en beleedigde; te vergeefs! Op dit ééne punt bleef Marie onverzettelijk.