Part 5
„Neen!” antwoordt deze met een diepen zucht.... „achteruit! altijd door achteruit! Ik heb weer een aanval gehad; vreeselijke benauwdheden, uren lang....”
„Kort na mijn vertrek?”
„Den volgenden dag.”
„Je ligt niet gemakkelijk,” zegt Onno en schikt de kussens terecht en spreidt den plaid over de vermagerde beenen; dan wendt hij het bezorgd gelaat af en beiden staren zwijgend naar het natuurtooneel vóór hen.
Grooter tegenstelling dan tusschen de twee mannen, die daar naast elkander gezeten zijn, is niet licht denkbaar.
In den zacht kwijnenden blik van den zieke weerkaatst zich diep gevoel; in de gitzwarte oogen van den nieuw aangekomene gloeit een somber vuur; als Henri een oogenblik zonder pijn is, speelt er een vriendelijke trek om zijn lippen; Onno’s vastgesloten mond schijnt niet te kunnen glimlachen; het gelaat, omkransd met de weelderige blonde lokken, is, hoewel vervallen, edel van vorm en uitdrukking; dat van den bleeken man met de raafzwarte, sluike haren, is niet goed om aan te zien; er moet bitterheid hebben gewoond in zijn hart; er moeten booze gedachten zijn gegaan door zijn brein vóór die trekken zóó scherp, die rimpels zóó diep werden.
Niettegenstaande dit zijn die beiden vrienden.
De band, die hen vereent, moge niet de schoonste, en hechtste zijn: de vriendschap die ontstaat uit de overeenstemming der zielen; toch hebben ze elkaar hartelijk liefgekregen, Henri terwijl hij edelmoedig weldaden bewees, Onno, terwijl hij ze dankbaar ontving.
„Ik kom met een mooi plannetje,” begint deze eindelijk. „Ik ben niet zooals je dacht naar Soerabaia geweest, maar naar Malang, naar mijn ouden vriend, den dokter. We hebben in het breede over je ziekte en haar raadselachtige verschijnselen gesproken en hij beveelt ten spoedigste verandering van lucht aan. Je weet, dokter Banck is van dezelfde opinie en dus heb ik maar eens heel eigenmachtig gehandeld en plaats besproken in het hôtel: twee ruime kamers met een voorgalerij en het uitzicht op de bergen. Als je het goed vondt, wou ik je voorstellen er morgen reeds heen te gaan. Er valt hier op de onderneming vooreerst niets te doen, waarbij we niet beiden gemist kunnen worden; het logement te Malang is uitmuntend ingericht, het eten goed en het klimaat verrukkelijk.... nu, wat zeg je er van?”
„Dank voor je zorg. Maar.... de kinderen! We kunnen ze niet meenemen en het zal me hard vallen van hen te scheiden.... Wie weet hoe kort ik nog bij hen ben?”
„Juist om de kinderen, juist in het belang van je meisjes moet je ieder middel tot herstel aangrijpen. ’t Is nu geen tijd meer om te aarzelen.... Waarom elkaar iets wijs te maken?.... Henri, je ziekte is ernstig, hoog ernstig; ’t is langzamerhand een strijd geworden op leven en dood.”
Een plotselinge bleekheid bedekt het vermagerd gelaat. Henri drukt beide handen tegen het hart, dat zoo onwillig slaat bij de gedachte aan sterven; dan spreekt hij schor en klankloos: „’t Is goed; ik zal het doen.”
„Waar zijn ze, de nonnetjes? Ik heb prachtige poppen meegebracht!”
„In de achtergalerij, geloof ik. Wil je, als je toch weggaat, het even aan Marie zeggen. Ze moet zorgen, dat mijn goed wordt ingepakt.”————
Een uur later, als Henri zijn versterkend soepje heeft gebruikt, als de kinderen verdwenen zijn, legt de zieke zich weder op den divan, waarnaast Onno’s leunstoel staat, en weldra vervallen de vrienden in den vertrouwelijken toon, dien de heeren nooit beter weten aan te slaan, dan gehuld in de blauwe wolkjes hunner havanna.
„Wat zou ik gelukkig zijn!” roept Onno, nadat ze hun reisplan gemaakt en breedvoerig besproken hebben, „wat zou ik gelukkig zijn als dit uitstapje eens het gewenschte resultaat had....”
„En ik dan!” zucht Henri. „Ik heb het nooit zoo geloofd, nooit zoo begrepen, maar.... God! het valt hard van het leven te scheiden! Toch, ’t is niet om mijzelf alleen; ’t is allermeest om de kinderen. Mijn arme meisjes.... voor háár zou mijn dood een verschrikkelijke slag zijn.... En als ik nu nog maar beter gezorgd had voor mijn lievelingen....”
„Maar je hebt immers gedaan wat in je vermogen was.”
„Neen, dat is het juist wat ik me verwijt. Ik had mijn eerste plan moeten volgen, ze veel eer uit deze omgeving moeten verwijderen; ik had ze een jaar geleden moeten wegbrengen naar Europa.”
„Neen, dat kon je niet, dat zou dwaasheid geweest zijn. Wie geeft, als hij dertig jaar is, een lucratieve betrekking, een zekere toekomst op?”
„’t Zou dwaasheid geweest zijn. En toch geloof ik dat ik er toe gekomen was als Marie zich ons aanstaand vertrek niet zoo had aangetrokken. Ja, ik weet Onno, je gelooft niet aan gevoel bij inlandsche vrouwen, maar je zoudt medelijden gehad hebben met de arme ziel;.... ik ten minste had den moed niet haar de kinderen toen reeds te ontnemen.”
Onno lacht een bitteren lach; dan spreekt hij langzaam: „’t Valt me, door ondervinding geleerd, altijd eenigszins moeilijk te gelooven aan de teedere aandoeningen van javaansche moeders. Maar het kan zijn, dat Marie een uitzondering maakt op den regel.”
„Je vergeet dat ze niet geheel een javaansche is. Ze heeft, al is het dan ook bitter weinig, europeesch bloed in de aderen en daarenboven, zooals haar vader me heel fier verzekerde toen hij haar aan mij afstond: ze is Christin! Ze kan wat lezen en schrijven en in de acht jaar, die ze bij me was, heeft ze vrij aardig hollandsch leeren spreken.”
„En—dat alles in aanmerking genomen, verbeeldt ze zich dat het niet meer dan recht en billijk zijn zou, zoo ze mettertijd mevrouw Reijkman werd,” zegt Onno.
Een pijnlijke blos verft Henri’s bleeke wangen rood.
„Dat nooit!” roept hij uit. „O neen, nooit!”
„Je hebt haar daar immers ook geen hoop op gegeven?”
„Wat zal ik je zeggen, Onno? Toen ik nog dacht dat ik hier een vrouw naar mijn smaak zou vinden, was het me een raadsel hoe zooveel Europeanen met een inlandsche huishoudster leven, ja, daarmee, zoo niet gelukkig, ten minste tevreden konden zijn. Zelfs toen ik er eindelijk door de omstandigheden zelf toe gebracht werd, was en bleef Marie niets anders voor me dan een noodzakelijk kwaad. Nadat de kinderen geboren waren, is dat eenigszins veranderd. Zij was goed voor hen; ze heeft ze altijd uitmuntend verzorgd, trouw opgepast....”
„Zie je, dat is de macht van die schepsels, wijl ze moeder zijn,” roept Onno wrevelig uit.
„Ja, ook alleen om de kinderen, alleen dat het me vreeselijk hindert, dat ze als het ware gebrandmerkt zijn door die onechte geboorte, is de gedachte aan een huwelijk wel eens bij me opgekomen. De kracht der samenwoning is anders niet groot gebleken. Marie staat te laag, ook in zedelijken zin, dat ik ooit genegenheid voor haar kon opvatten, en in den laatsten tijd heb ik zelfs iets tegen haar gekregen. Haar tegenwoordigheid maakt me kregel, onrustig!.... ’t is natuurlijk een gevolg van mijn ziekelijken toestand, maar er zijn oogenblikken waarin het me een verlossing schijnt als ze de kamer verlaat.”
„Ze was er sterk tegen, dat je naar Europa gingt?” vraagt Onno na eene lange stilte.
„Natuurlijk! Ze was letterlijk wanhopig toen ik verleden jaar het plan maakte en ik moest het toen opgeven. Zooals je weet heb ik deze keer tot het laatst gewacht met haar iets van het voorgenomen vertrek te zeggen.... mijn God, wat is het mensch te keer gegaan, toen ze het ontdekte;.... ik dacht dat ze krankzinnig worden zou....”
„Vreemd hoe, toen ze zag dat al haar dreigen en schreeuwen niets hielp, ze op eens zich zoo kalm in haar lot heeft geschikt!” merkt Onno nu schijnbaar onverschillig op.
„Neen, niet vreemd! Zoo zijn die wezens. Ze gevoelen heftig maar niet diep; daarom duren die hartstochtelijke scènes nooit lang,” antwoordt Henri argeloos.
„Je zoudt er je dan ook niet aan gestoord hebben!”
„O neen! Als ik toen niet op eens zoo ziek geworden was, dan was ik nu reeds in Holland; dan waren Edith en Nora reeds veilig.”
„Nu, maak je daar niet ongerust over, Henri. Je hebt me tot hun voogd benoemd; je hebt me het recht gegeven om voor haar te zorgen.... ze zijn, ook als het ergste gebeuren mocht, goed bewaard.”
„Dat weet ik,” zegt Henri, terwijl hij zijn vriend de hand reikt, „dat weet ik!”
„Maar de gedachte kwelt je toch nog....?”
„’t Is dat ze vroeg of laat zullen begrijpen aan welke verhouding ze haar bestaan te danken hebben! Lag haar toekomst in Indië, dan zouden ze rondom zich toestanden zien, die haar met het denkbeeld vertrouwd maken, zoo niet daarmeê verzoenen konden. Maar, zooals je weet, mijn wensch is niet alleen, dat ze naar Holland gaan, maar ook dat ze in Holland blijven. Och, ik had me zooveel illusies gemaakt omtrent die kinderen. Ik had vooral Edith, mijn fijn gevoelende, ernstige Edith, zoo gaarne gevormd naar het ideaal, dat me altijd is bijgebleven, het beeld mijner moeder. Maar daartoe was allereerst een andere omgeving noodig....”
„Dat je familie zich nu ook de arme meisjes niet wil aantrekken!” zegt Onno met een zucht.
„Ja, als mama nog leefde! Zij zou ze niet verstooten hebben. Voor haar waren het geen bastaards, voor haar waren het mijn kinderen. Maar de anderen,” en de blauwe oogen schieten vonken, „de anderen.... papa negeert eenvoudig haar bestaan; mijn broêr noemt ze bij voorkeur de „vruchten eener ongeoorloofde liefde” of „de kinderen der schande”, mijn zusters durven slechts uit de verte op haar zinspelen.”
„Die huichelaars!”
„Och neen, het is geen huichelarij! Ze gelooven wat ze zeggen: al hun oudhollandsche deftigheid, al hun stijve orthodoxie, al hun met de moedermelk ingezogen vooroordeelen, komen op tegen het bestaan van een wezen, dat de ambtenaar van den burgerlijken stand niet eerst permissie gaf ter wereld te komen!”
„Nu, die ezels dan! Die ezels die zich geen oogenblik van den sleur losrukken, die zich niet één enkele maal uit het hollandsch slib opheffen kunnen, om zich te verplaatsen in een oostersch land met oostersche zeden en oostersche temperamenten vooral! Maar zeg niet dat ze het niet kunnen! Of zouden ze anders met zooveel stichting lezen van Jacob, die Rachel tot zich neemt, en Lea èn Bilha èn Zilpa of hoe ze heeten mogen; zouden ze anders Abraham met zijn Hagar een man Gods en Salomo met zijn duizend vrouwen een wijsgeer noemen? Neen, ze willen alleen niet, waar het hun broeders en vrienden geldt. Of is het klimaat niet hetzelfde gebleven? zijn mannen en vrouwen veranderd sinds Salomo?”
„Laten wij ons niet aan hetzelfde euvel schuldig maken,” zegt Henri kalm, „maar rekening houden met het land waarin ze leven, de begrippen waarin ze werden opgevoed.”
„Ik wil geen rekening daarmee houden!” roept Onno, „ik wil rekening houden met menschelijkheid en met niets anders dan menschelijkheid! De vraag is niet in welk land ze wonen, in welke begrippen ze werden opgevoed, de vraag is of het menschelijk kan heeten om een arm kind, dat niets misdaan heeft, levenslang te laten boeten voor een misdaad door zijn vader gepleegd, een misdaad, die nog daarenboven voor het wetboek der natuur denkbeeldig is! Rekening houden met de heerschende begrippen! Dat heeft mijn moeder gedaan, toen ze haar heer en kind verliet om een die rijker was te volgen; dat heeft mijn vader gedaan, toen hij een hollandsch meisje trouwde en haar verzweeg, dat hij er ook nog zoo iets op nahield als een vóórzoon... Rekening houden met de heerschende begrippen! Dat deed ook mijn stiefmoeder, toen ze me mishandelde en uithongerde en vervolgde, tot ik het ouderlijk huis ontvluchten moest.... Er is maar één geweest, die geen rekening hield met de heerschende begrippen, een, die niet vroeg of mijn vel bruin, mijn geboorte echt was, maar den armen verstooteling tot zich nam, voedde, kleedde.... en tot zijn vriend maakte.”
Het toornig gelaat heeft een zachter uitdrukking aangenomen, de vochtige oogen zien naar Henri op met de dankbaarheid van een trouwen hond.
„Flauwe kerel!” roept deze, „je hebt altijd veel te veel ophef gemaakt van die kleinigheid.”
„Kleinigheid?” herhaalt Onno. „En toch.... ja! ik geloof dat sommigen van die gelukkigen, die levenslang liefde en medelijden ondervonden hebben, ja ’t is mogelijk dat die het beschouwd hadden als een kleinigheid! Maar Henri, voor mij was het de eerste maal—God is mijn getuige—de eerste maal in mijn treurig leven, dat iemand me anders dan met smaad en minachting behandelde. En daarom—neen Henri, het was geen kleinigheid, een diep vernederde zijn gevoel van eigenwaarde, een wanhopende den moed weer te geven!”
„Nu, laten we er niet meer over praten. Je vergeet dat morgen om zeven uur de reiswagen voorkomt...”
„En je bent moe? Ik hoop maar dat ik je niet heb opgewonden door mijn gebabbel?”
„Neen, ik moet toch chloraal nemen. Ah! daar is Marie al.... zij zal me wel verder helpen. Tot morgen dan!”
„Tot morgen!”
II.
„Tot morgen!”
Als het morgen wordt, als de Ardjoeno uit de nevelen verrijst, gekleurd met zachtblozende tinten, gehuld in zilverwitte wolken, ligt Henri Reijkman ten prooi aan de vreeselijke toevallen die elken nieuwen aanval zijner kwaal vergezellen....
De wagen wordt afgespannen en niemand spreekt nu van de reis naar Malang, ieder denkt met huivering aan de groote reis, die hij weldra zal aanvaarden.
Drie doctoren verschijnen beurtelings of gezamenlijk aan de lijdenssponde; ze slaan de duldelooze pijnen, de heftige krampen gade en geven verdoovende middelen; ze verbazen zich over een lichaamskracht, die zoo lang weerstand biedt aan sluipkoortsen; ze laten zich bedriegen door korte vleugjes van herstel, die ze voor werkelijke beterschap houden; ze staan regelrecht tegenover elkaar in hun opinie omtrent de ziekte en lachen grimmig over elkanders vergissingen, maar eindelijk,—na vier weken weifelen en raden—zijn allen het eens op één punt: er is geen hoop meer!
Edith en Nora, die eenmaal zoo gaarne vertoefden in papa’s kamer, ontvluchten het kermen en steunen; jeugd kan zich niet verdragen met lijden; de trouwe Arsan, uitgeput van vermoeienis, heeft verlof gevraagd om in de kampong uit te rusten; Marie, bleek en vermagerd, met holle oogen en akelig strakke trekken, spant haar laatste krachten in om den zieke niet alleen te laten, maar wordt telkens half bewusteloos weggedragen.
Alleen Onno zit nog op zijn oude plek; hij laat zich niet verdrijven. Bij het krieken van den morgen, in de brandende middaghitte, onder het vallen van de schemering, ja, in het holst van den nacht, gevoelt Marie—wier zorg en waakzaamheid, volgens het algemeen oordeel, voorbeeldig zijn—dat twee oogen, die steken als dolken, haar volgen waarheen ze gaat; soms, als ze het waagt die oogen te ontmoeten, vaart haar een koude rilling door de leden als bij naderend gevaar.
Enkele malen op het oogenblik dat ze den zieke de voorgeschreven medicijn wil toedienen, ontrukt zijn vriend haar flesch en glas; soms ook, als ze haar heer verzorgt met de fijne zachte handen, voelt ze zich ruw teruggestooten door dien anderen bewaker; eenmaal, toen ze zich alleen waande en Reijkman toesprak met lieve namen, klonk er een schaterende lach door het vertrek.
Marie heeft Henri’s vriend altijd gewantrouwd, altijd gehaat, maar nu is ze voor hem vervuld van een doodelijken angst; daarom juicht ze als hij eindelijk gedwongen wordt zijn post te verlaten, als ze hoort hoe hij den zieke vertelt dat dringende zaken hem naar Passoeroean roepen, dat hij nog heden vertrekken moet.
„Je komt immers terug; heel spoedig, vóór het te laat is....” fluistert de schorre, zwakke stem.
„Wees gerust, Henri,” hoort Marie hem zeggen, „ik zal bij je zijn wanneer je me noodig hebt!” Maar ze hoort niet wat hij dan zijn vriend toefluistert: „Ik ga niet ver weg.”
Het uur nadert, waarin de slangen en adders zich op het pad begeven, het uur dat de wilde varkens afwachten om het woud te verlaten en hun verwoestingen aan te richten in de riettuinen; het uur waarin de ketjoes elkaar het geheimzinnig teeken geven, dat ze gereed zijn voor een nachtelijken tocht.
Op de breede, goed onderhouden wegen, die Soeka-madjoe omgeven, is het nog licht; maar tusschen het dicht geboomte kan men de smalle paadjes ter nauwernood herkennen.
Toch schrijdt een vrouw daar voort, langzaam en bedaard, als had ze niets te vreezen, als ging ze voor louter genoegen een avondwandeling maken.
Straks echter, als ze aan het eind is van de breede laan, die van de administrateurswoning naar de fabriek leidt, straks, als de smallere paden achter haar liggen, die van de fabriek naar talrijke kleine gebouwen voeren, ziet ze spiedend rondom zich; dan, zeker dat geen nieuwsgierig oog haar volgt, bukt ze haastig, neemt de goudgehakte slofjes van de bloote voeten, doet de fraaie overkabaia af en verbergt ze te zamen onder het dichte loof van eenig kreupelhout.
Ze slaat den zijden slendang om het hoofd, zoodat van haar gelaat weinig zichtbaar blijft en nu ziet ze er in haar sitzen kabaia en rooden sarong uit als een gewone javaansche vrouw.... toch kan ze geen gewone javaansche zijn; aan de hand, waarmee ze den slendang vasthoudt, schittert een kostbaar juweel.
Dan verhaast ze haar tred, meer en meer, steeds meer! tot ze voortrent als een gejaagd hert, de eene steilte op, de andere af; nu eens langs den boschkant, dan weer op de smalle dijkjes der sawahs, soms ook wadend door ondiepe slootjes of springend over hoekige steenen.
Eindelijk geheel buiten adem, staat ze stil.
’t Is voor een klein, net huis, zooals het de inlandsche kinderen bij voorkeur bewonen; met een tuintje er vóór en bloemen in bontgekleurde petroleumblikken langs de perken; met smalle vensters en daarachter witte gordijnen, schuin opgenomen door kleurige strikken; de weinige ruimte, die het houten gebouwtje aanbiedt, geheel ingenomen door meubelen, waarvan de eigenaardigheid daarin bestaat, dat geen enkel stuk gelijkt op het andere.
Op haar zacht kloppen komt de bewoner naar buiten.
Hij is nog jong in jaren, maar toch is er iets oudsch, iets vermoeids in het vervallen gelaat dat slechts spreekt van het dierlijke in den mensch; toch behoeft men die gebogen gestalte op de wankelende, dunne beenen, slechts even aan te zien om te weten welke der goden door hem het ijverigst gediend wordt.
„Goeden avond, Marie!”
Met een gebiedende beweging legt ze hem het zwijgen op.
„Er is niemand,” fluistert hij, „ik ben alleen.”
Maar toch is ze nog niet geheel gerustgesteld. Ze werpt een onderzoekenden blik in de beide ledige kamers; dan speurt ze angstig rond of ze niet gevolgd werd misschien; eerst als ze zeker is dat geen levend wezen zich in hun nabijheid bevindt, trekt ze haar broeder met zich mede naar binnen en zet zich naast hem op de bank.
Een geluid van fluisterende stemmen dringt naar buiten door. Langzamerhand verheffen ze zich... het gesprek, in gebroken hollandsch begonnen, wordt in vloeiend maleisch voortgezet; eindelijk klinkt Marie’s toon schel en gebiedend.... ze opent de deur en, zonder haar broeder te groeten, neemt ze den terugtocht aan.
Maar hij bemerkt dit ter nauwernood; hij lacht en grinnikt als iemand die een goeden koop heeft gesloten; hij ziet zijn zuster na met een zonderlingen blik, terwijl ze daarhenen snelt, den slendang om het hoofd geslagen.... aan de hand waarmede ze dien slendang vasthoudt, ontbreekt het kostbaar juweel.
Alles zwijgt rondom den Ardjoeno.
Eerst hield het geklop der rijstblokken op in de kampong, toen klonken de slagen van den gong luider in de toenemende stilte; het gegons der stemmen werd zwakker en zwakker, tot het eindelijk geheel wegstierf; het eentonig gezang van een teeder minnaar trilde nog op de koelte. Een nachtvogel krijschte; de bladeren op den grond ritselden als een kruipend gedierte daaronder wegschool.... toen werd ook zelfs het ritselen der bladeren niet meer gehoord.
De vriendelijke fee, die in oostersche nachten haar tooverstaf zwaait, treedt nu van achter de blauwe wolken te voorschijn. Ze gluurt door het dichte loof der bosschen; dan zweeft ze over de velden, stoeiend met de wuivende pluimen der maïsstruiken, met de zacht gebogen kopjes der padihalmen; straks blijft ze een oogenblik leunen tegen de glooiing der heuvelrijen om dan te gaan dwalen in de sluimerende kampong.
Dáár herschept ze de hutjes in vergulde paleizen, de bloemtuintjes in lustoorden, de beekjes in vloeibaar zilver; en eindelijk sluipt ze een geopend venster binnen en beschijnt het gloeiend gelaat van den jongeling, aan wiens borst de geliefde rust, wie de koelte zijn minnezang overbracht....
De gong doet zijn twaalf slagen weerklinken in de onafgebroken stilte.... alles rust, alles zwijgt, maar... welk uur is het van den nacht, welk is het plekje der aarde waarin de mensch, de door liefde of haat, door hartstocht of winzucht vervolgde mensch, rust vinden kan?
Uit de kleine nette woning, met de hooggekleurde bloempotten langs de paden, treedt Rudolf Bastoort, Marie’s broeder, te voorschijn; hij draagt het zwart glanzend hoofd ongedekt en helder verlicht de maan het bruin gelaat met de vermoeide trekken en de rood omrande, glurende oogen.
Op bloote voeten, in slaapbroek en kabaia, met een oud flanellen jasje tot overkleed, gaat hij langzaam, steeds dieper en dieper het bosch in, de oogen gevestigd op den grond, waar, uit een dichten humuslaag, tallooze planten en plantjes oprijzen. Weldra bukt hij zich dieper naar den vochtigen bodem en zoekt daar met een ijver of de kiezels, die in het maanlicht glinsteren als diamanten, werkelijk kostbare steenen waren....
Een uur is voorbijgegaan sinds hij het bosch betrad: nog zoekt hij te vergeefs. Nu en dan staat hij luisterend stil. Hoort hij daar geen geritsel....? Het zal een klapperrot of boschhoen geweest zijn, die opschrikten uit hun slaap.... Maar dit....? Dit zijn voetstappen, dicht achter hem! Neen, toch niet; hij moet zich vergist hebben. Een slang of hagedis misschien?
Nu zet hij zich neer aan den voet van een boom en laat in de stralen van het maanlicht een juweel schitteren. Wat heeft het een moeite gekost dien steen Marie afhandig te maken. Wat heeft zij lang weerstand geboden, als hij den ring en altijd weder den ring vroeg tot loon voor zijn diensten?.... En toch, hij moest hem hebben! Met dien ring wil hij tot de schoonste der ronggèngs, tot de lang begeerde Maja gaan, en als hij haar dien in de oogen laat schitteren, zal ze hem toebehooren.... Komaan! gezocht! gezocht!.... Marie’s opdracht moet vervuld worden!
Wederom is een uur voorbij gegaan; daar slaakt Rudolf Bastoort een kreet van vreugde; hij heft zich op uit zijn gebukte houding; in de hand houdt hij een plantje met dikken, saprijken stengel, met donkergroene blaadjes, met fijnen purperen bloesem.
Zonder zich ook nog eenmaal te bukken, zonder nog een enkel oogenblik rondom zich te zien, keert hij terug langs den weg, dien hij twee uur geleden gekomen is. Het is koud geworden, hij huivert; hij meent weer dat geheimzinnig ritselen achter zich te hooren, en verhaast zijn stap....
Daar op eens gevoelt hij hoe een ijzeren vuist hem aangrijpt; hij wordt op den grond geworpen; knuppelslagen vallen in dichten regen op hem neer; vloekend, tierend van pijn verdedigt hij zich, met beide handen grijpt hij naar den aanvaller, maar een laatste slag komt hem op het hoofd neer en velt hem ter aarde.
De maan is schuil gegaan, het eerste morgenlicht doorgebroken, als Rudolf Bastoort eindelijk ontwaakt uit zijn bedwelming: kermend en steunend richt hij het gekneusde lijf overeind en het duurt geruimen tijd voor hij weder geheel tot bewustzijn is teruggekeerd; dan zoekt hij met plotselingen schrik het juweel in zijn vestzakje.
Hij vindt den ring, ook zijn horloge, ook zijn beurs; dus kan de aanvaller geen dief geweest zijn.... Misschien een vijand, misschien een Javaan, die zich wreken wilde....?
Hij zal het ontdekken. Maar nu moet hij beproeven naar huis te komen; verkleumd en gewond als hij is, heeft hij allereerst rust noodig.
Reeds heeft hij enkele schreden gedaan als hij plotseling terugkeert: het plantje, het kostbaar plantje...!
Maar hoe hij ook staart op den grond, hoe hij zoekt en alles doorsnuffelt, hij vindt het niet.
III.