Indische Huwelijken

Part 4

Chapter 44,157 wordsPublic domain

„Ze hadden door het kletteren van den regen—want de bui overviel me reeds op weg daarheen—mijn wagen niet hooren aankomen en—wie vond ik in dat vreeselijk weer op zijn bloote voetjes snikkend, gillend van angst, roepend om binnengelaten te worden?.... Willie! Cecile, ze hadden hem bont en blauw geslagen en toen buiten de deur gezet, omdat ze hem niet wilden hooren schreien....”

„Kassian, kassian! het arme schaap!”

„’t Schijnt dat hij al meer zoo mishandeld is. Maar hij heeft het me eerst nu durven bekennen. Barks had hem wijsgemaakt dat hij in een hol vol tijgers en slangen zou gegooid worden als hij iets vertelde.”

„Maar Otto, ’t is vreeselijk! En dat, terwijl je hen zoo op het hart hebt gedrukt hem goed te behandelen, dat, terwijl we zoo’n hoog kostgeld voor hem betalen!”

„Niet waar? Maar ik heb den ellendeling afgeranseld tot hij voor me lag te krimpen op den grond; ik heb hem voor iederen slag, dien hij mijn lieveling gegeven had, minstens een dozijn toegediend.”

„Flink!” zegt Cecile. „Zoo’n kindermoorder! En het arme ventje?” laat ze er dan meelijdend op volgen.

„Dat heb ik meegenomen.”

„Meegenomen? Toch niet hierheen?” vraagt ze met plotselingen schrik.

„En al was dat zoo?.... Wees niet bang, Cecile, ik weet onder welke voorwaarden je mijn vrouw bent geworden. Maar.... God, het is me nooit zoo zwaar gevallen mijn belofte te houden als vanavond... Cecile, hij drong zijn arm mishandeld lichaampje zoo tegen me aan.... hij smeekte zoo om bij mij te blijven....”

„Waar is het kind?” vraagt ze koel en hard, met afgewend gelaat.

„Bij Swiff, de employé.”

„Hier op de fabriek? Otto, je weet dat ik hem niet zien wil!” en ze springt overeind.

„Dat weet ik. Het is ook maar voor één nacht... Bij Swiff zou het anders goed voor hem wezen; zijn vrouw is een zacht, lief schepsel... en er zijn daar kinderen waarmee hij zou kunnen spelen....”

Hij houdt den smeekenden blik gevestigd op haar half afgewend gelaat: dan grijpt hij haar hand.

„Cecile, o Cecile!”

’t Is een zware strijd die haar boezem hijgen doet en al het bloed terugjaagt naar haar wild kloppend hart.... als ze zich eindelijk tot hem keert, spreekt er zielenangst uit haar blik.... „Otto, Otto, eisch dat niet van me... ik kan, ik wil dat kind niet zien!”

„Maar lieveling....?!”

„Begrijp je dat dan niet? Begrijp je dan niet wat een vreeselijk denkbeeld het voor me is, dat de eerste de beste javaansche vrouw je zoo’n kind geven kon, terwijl ik.... ik....! o God! Juist omdat hij zoo’n mooi aardig jongetje is... Niet dat ik zooveel zou geëischt hebben. In het begin... ja, toen moest ik een mooi, sterk, vlug kind hebben, maar later vroeg ik zooveel niet meer! Als het zwak was, zou ik het wel verzorgd hebben en gekoesterd; als het leelijk was.... wat kwam er dat op aan? ’t Was toch ons kind! Maar dàt zelfs was nog te veel gevraagd! Niets! Niets! Al mijn vriendinnen hebben kinderen.... ik niet! Ik moet alleen blijven.... altijd alleen!”

„Maar Cecile, wat praat je toch? We zijn drie jaar getrouwd en de doctoren zeggen....”

„De doctoren.... o ja! Spreek me niet van de doctoren! Geduld, mevrouwtje! U is nog zoo jong, mevrouwtje! Een reisje naar Europa doet wonderen, mevrouwtje! De monsters!.... Hun vrouwen hebben kinderen!”

„Lieve, wat ik je bidden mag, wind je nu niet op.”

Maar terwijl hij haar tot kalmte vermaant weet hij reeds, dat hier geen vermanen meer baat; de wonde plek is aangeraakt; de schoone oogen gloeien van het somber vuur, de bleeke lippen trillen onder de hardstochtelijke taal die de herinnering aan haar gemis doet opwellen in haar hart.

De vrienden van Dorman en ook enkele van hare kennissen veroordeelen de jonge vrouw om haar hardvochtigheid jegens kleinen Willie, maar Otto verwijt haar niets.

Hij heeft haar strijd gezien.

Eerst de toorn van het bedorven kind, wier wenschen altijd vervuld waren en die nu te vergeefs vroeg om hetgeen de armste vrouw van de fabriek in haar slendang droeg; toen het smachtend verlangen, het wanhopig dwingen; eindelijk het opgeven harer hoop, het afstand doen der hoogste vreugde, gevolgd door een zeker angstig ontwijken, een soort afkeer van diezelfde lieve wezentjes, waarnaar ze zoo vurig had verlangd, een afkeer, die zich nooit sterker openbaarde, dan wanneer er sprake was van den armen, kleinen Willie.

Otto heeft haar strijd gezien.

En hij oefent geduld met haar. En als nu eindelijk de storm bedaart, legt hij haar hoofd aan zijn borst en fluistert: „We hebben beiden ons leed te dragen, Cecile; laat ons elkaar helpen!”

VII.

Een jaar is voorbijgegaan.

En het geluid, dat reeds zoo menig studeerend huisvader tot wanhoop bracht, dat de arme, met drukte overladen huismoeder zuchtend doet oprijzen van haar stoel, het geluid, dat hatelijk is om aan te hooren als het uit buurmans huis komt en toch ook weer zoo liefelijk als uw eerstgeboorne het voortbrengt, weerklinkt door de administrateurswoning van Soeka-Madjoe.

Maar de jeugdige spruit der Dormans heeft het woord niet alleen: ze wordt overschreeuwd door een zwaar donderend stemgeluid.

„Neen, maar heb ik nu van mijn leven!” roept de grootvader. „Dat is nog geen drie maanden oud en gilt en schreeuwt als een mager varken omdat ze haar zin niet krijgt! Wel jou drommelsche meid, wil je je wel eens stilhouden?” Maar dan, daar het kind plotseling zwijgt: „Nu, huil maar toe, mijn dotje! Heeft grootpapa je verschrikt met zijn harde stem? Ja, liefje, grootpapa is een schreeuwleelijk, daar heb je gelijk in, en jij bent een engel....”

Cecile, die bezig was zich te kleeden, hoort het vreeselijk lawaai mee aan en zendt baboe om het kleintje over te nemen. Maar de goede ziel springt wel drie pas achteruit, nu Haakstra haar toebuldert: „Wat wou jij, ouwe totebel? Het kind? Geen kwestie van! Denk je dat we vier jaar op haar gewacht hebben, om haar nu aan de meiden toe te vertrouwen? Waarachtig niet!”

„Ik kom dadelijk, pa,” roept Cecile.

„Geen haast, Non!” is het antwoord. „Ze is goed bezorgd, daar kun je gerust op zijn.”

Maar weinige oogenblikken later treedt Cecile toch naar buiten, bloeiend en blozend, met een lachje om de lippen en een flikkering in de oogen, die den vader herinnert aan de schoonste dagen van haar meisjesleven.

„Is ze lastig geweest, pa?”

„Lastig.... zoo’n engel? En al was ze het, wat dan? Ze heeft het recht om lastig te zijn, zou ik denken!”

„Zeker pa! Geef haar nu maar hier, wilt u?”

„Maar, voor den duivel, wat bezielt jullie toch? Zal ik dan mijn eigen kleinkind niet eens rustig in mijn armen kunnen houden, zonder dat er telkens een vrouwspersoon komt om me haar afhandig te maken?”

„Ik wou haar in slaap sussen.”

„Alsof ik dat niet kon! Kijk, ze doet de lieve lodderoogjes toe, die engel.... Sla de klamboe maar open, Cile; ze is al onder zeil. Zie zoo, daar ligt ze; net een schilderij! Zie me zulke beenen eens.... ’t is een pracht van een meid....”

„En die handjes, pa, die kleine, rose vuistjes.”

„Ja, en dan dat speknekje.... dáár kan ik maar niet afblijven.... Nu, dag lief, lekker diertje!”

„Dag mijn mooi, zoet meisje!”

De grootvader, bang dat zijn stekelige baard het kind zal doen ontwaken, zendt haar uit de verte een kushand toe, de moeder sluit zorgvuldig de gordijnen, dan zien ze elkaâr aan met een gelukkigen lach....

„Willen we een eindje gaan loopen, pa, Otto te gemoet?”

„Goed, kind!”

Als ze buiten gekomen zijn, wandelen ze eerst zwijgend naast elkander voort, dan trekt de heer Haakstra Cecile’s arm door den zijnen en vraagt: „Dat hadden we niet gedacht, ja Non?”

„Neen, o neen, papa!” roept ze uit. „Als ik het maar geweten had! Als ik het maar had durven hopen, dat ik er nog eens eentje zou krijgen, al was het over tien jaar geweest, dan zou ik wel geduld hebben gehad....”

„En je kondt niet eens je beurt afwachten....”

„’t Is waar, pa, ik heb me heel dwaas aangesteld. Ik had niet zoo moeten dwingen om dat eenige wat me ontzegd was; ik bezat toch zooveel! Een goed vadertje, een onbezorgd leven en een man, een man uit duizenden....”

„Zeg het maar.... een volmaakt man!”

„Lach me niet uit, pa, bijna is hij het. Natuurlijk heeft hij zijn gebreken, maar wat hindert dat bij iemand, die zoo goed, zoo edel, zoo flink en verstandig is?”

„Dat is zeker, kind, je apprécieert hem, en dit kan men lang niet zeggen van alle vrouwen die een goeden man hebben.”

„Apprécieeren.... ja! maar toch niet half genoeg! Als ik alleen maar bedenk wat hij voor me geweest is in mijn ziekte.”

„Ja, toen heeft hij zich voorbeeldig gehouden. Ik heb hem dikwijls bewonderd in dien tijd, want—niet dat ik iets tot je nadeel zeggen wil, kind!—maar zoo lief als je zijt in gezonde dagen, zoo lastig kun je wezen als je ziek bent.”

„Nu pa, u weet daar alles van!” roept ze lachend. „En als ik u nu zeg, dat ik ziek nog niet half zoo lastig ben als ik zijn kon in dien tijd, toen de gedachte, dat ik geen kinderen zou krijgen, me bijna krankzinnig maakte, maar dat hij altijd goed en geduldig voor me bleef.... dan zult u me toch toestemmen, dat hij bijna volmaakt is?” vraagt ze met groote tranen in de schitterende oogen.

„Ik wil niets liever gelooven, kind!” zegt Haakstra, en dan: „Non, je verwonderde je gister dat ik alweer gelegenheid gevonden om bij jullie te komen, maar begrijp je dat niet, kind....? ’t Is omdat ik nergens liever ben dan hier, omdat het mijn oud hart goed doet, je zoo gelukkig te zien. Je begrijpt niet, wat dat zegt voor een vader, te weten dat zijn dochter veilig bezorgd is bij een braaf man. Wil je gelooven, kind, soms als ik zie hoe andere jonge vrouwen behandeld worden, dan schiet mijn hart vol, dan weet ik uit dankbaarheid niet....”

„Stil, pa, daar komt hij aan. Laat hem in ’s hemelsnaam niets hooren; de heeren der schepping zijn overal beter tegen bestand dan tegen lof.”

In een oogwenk is Otto van zijn paard. „Wel, dat is een goed idée van je om me te gemoet te komen!” en hij kuste zijn vrouw. „Nonnie sliep zeker?”

„Ja, papa heeft haar in slaap gemaakt.”

„U hebt daar slag van, geloof ik,” zegt Dorman, zich vriendelijk tot zijn schoonvader keerend, „meer dan ik ten minste.”

„Wacht maar, als je er eens een half dozijntje gehad hebt! Jongen, je begint er langzamerhand zoo’n pleizier in te krijgen! En let eens op wat ik je zeg, Otto, met het zesde ben je nog veel gekker dan met nummer een; dat hebben wij ondervonden!”

„Gekker dan we op Nonnie zijn kan het niet!” zegt Cecile. „Is ’t wel, man?”

„Wat zei je, lieve?” vraagt Otto verstrooid.

„Nu, jongelui, ik ga verder! Ik heb mijn twee uur nog niet geloopen vandaag en je wilt zeker liever bij manlief blijven....? Neen, waarachtig niet, kind! ga je gang, ik kan best de zon in het water zien schijnen. Je goede moeder had dat ook voor gewoonte: als ik van de fabriek kwam, stond ze me al van verre op te wachten en dan was ze met geen stokken van me af te slaan. ’k Weet niet hoe het komt, Cile, maar je herinnert me telkens aan je moeder, en vroeger was dat toch niet zoo het geval....”

„Maar ze is in den laatsten tijd ook zoo veranderd,” zegt Otto met een teederen blik op zijn bekoorlijk vrouwtje.

„Gekheid,” roept ze lachend. „Nu, tot straks, pa; hij is naar de tuinen geweest en doodmoê, wed ik.”

„Ja, ik ben moê,” zegt Dorman, als ze, haar arm door den zijne, langzaam naar huis wandelen; „ik ben dood af. Maar toch zal ik geen rust kunnen nemen. Ik kwam alleen thuis om me te verkleeden en je te zeggen dat ik er straks dadelijk weer op uit moet....”

„Maar Ot?”

„Ja, lieve, ’t is vervelend voor je en het spijt me wel dat het juist treft nu pa hier logeert, maar er is niets aan te doen: Willie is ziek. Ik zei je gister al, dat hij zoo gloeierig was; hij ligt nu in een zware koorts.”

„Waarlijk? Dan moet je natuurlijk gaan, man! Kan ik iets voor hem doen...? Heb je al om den dokter geschreven....? Neen? Stel dat toch niet uit! Ik zal maar dadelijk een man te paard zenden, ja?” en ze verhaast haar stap.

„Goed, lieve,” en hij drukt haar arm dichter aan zijn borst, terwijl ze samen het huis betreden.

„Nu, man, ik ga een sterken bouillon klaar maken en dan zullen we ook wat snoeperijtjes inpakken.... je weet wel van die ingelegde vruchten, die hem laatst zoo gesmaakt hebben, toen hij ook ziek was.”

„Valt het je niet op, Cecile, dat Willie dikwerf ziek is in den laatsten tijd?”

„Ja. Ga nu wat op den divan liggen. Hier is een kop thee.”

„Ik begrijp niet wat hem scheelt. Je weet hoe ik er op gesteld was, dat hij bij Swiff zou komen, hoe lief ik het van je vond toen je daar niets meer tegen hadt.... maar wie kon toen denken dat het mensch tweelingen zou krijgen? ’t Is waar, de goede ziel doet wat ze kan; maar ze is zwak en dan dat eeuwigdurend gesukkel met haar eigen kinderen... neen, Willie krijgt niet de zorg, die hem toekomt.”

„’t Spijt me zoo, Otto, te meer omdat ik het arme ventje niet gaarne weer ergens anders heen zou sturen, vooral met het oog op dat telkens ziek zijn. Neen, Otto, zoo kan het niet langer. Er moet een verandering komen in dien toestand, die langzamerhand onhoudbaar wordt,” zegt ze, zich plotseling tot hem keerend.

„Wat bedoel je, Cecile?” en hij richt zich haastig overeind.

„Ik bedoel.... dat het hier koel en stil is en dat je rustig moet gaan slapen en je niet bezorgd maken over Willie, omdat....”

„Omdat....? Nu, Cecile, omdat....?”

„Omdat.... Willie ook nog een mama heeft, al is het tot dusver eene heel slechte mama geweest!”

VIII.

Toen de heer Haakstra, bezweet en vermoeid, terugkwam van de wandeling, die hij sedert tien jaren dagelijks deed in de nooit vervulde hoop, dat daardoor zijn corpulentie verminderen zou, riep hij met luider stem om selterswater, viel hijgend op een stoel neer en bemerkte volstrekt niet, dat zijn dochter niet zoo spraakzaam was als anders.

Maar toen Cecile, bij een rechtstreeksche vraag, de oogen naar hem ophief, kwam het glas, op weg naar zijn dorstige lippen, tot staan en gilde hij: „Ze heeft waarachtig gehuild! Cile, Cile, wat is er?”

„Ik weet niet pa.... een beetje zenuwachtigheid....”

„Gekibbeld? Is Otto onaardig geweest? Zeg het, Cile!”

„O neen! Zenuwachtigheid, anders niet.”

„Het kind dan?” vraagt de grootvader, ontsteld bij de gedachte.

„Het kind....?” en Cecile slaat de groote oogen naar hem op, „Nonnie.... neen. Maar er is nòg een kind en daar dacht ik aan, aan dat arme kleine ventje. Papa,” en ze legt haar hand op zijn arm en ziet hem in het gelaat, „is het nooit in u opgekomen dat we indertijd slecht en hardvochtig gehandeld hebben jegens Otto’s voorzoon?”

„Neen, Cecile, integendeel!”

„Ik geloof u gaarne, papa! Ik heb onze handelwijze ook nooit in dat licht beschouwd, tot.... kleine Non geboren werd. Maar sinds zij er is, sinds ik haar bezit.... weet ik zeker dat we er heel slecht aan gedaan hebben!”

„Maar kind....?!”

„Neen, word nu niet boos; laat me alles zeggen, pa! ik kan het niet langer zwijgen! Toen ik zoo ziek was en met den dag zwakker werd en eindelijk een gevoel kreeg alsof ik nooit weer beter zou worden, toen heeft me altijd de gedachte vervolgd, dat, als ik stierf, er een andere vrouw zou komen en Non, onze arme kleine Non, behandelen zooals ik Willie behandeld heb.”

„Maar,” barst de oude heer los, „je kondt toch weten dat zoo iets nooit gebeuren zou. Grootpa was er ook nog!”

„Ja,” zegt Cecile langzaam en dof, „dat is zoo. Willie had geen grootpa; Willie had niemand om hem te beschermen, niemand dan zijn vader! En dien hebben wij hem afgenomen.”

Er volgt een lange stilte. Eindelijk begint de oude man:

„Maak je me daar een verwijt van, Cecile?”

„Neen, verre van daar! Ik weet dat u dacht te handelen voor mijn bestwil; ik weet dat u bij alles bestuurd werd door uw groote liefde voor mij. Dat is uw verontschuldiging. En ik wist toen nog niet hoe lief men zijn kind hebben kan.... ik wist toen nog niet, zooals ik het nu weet, wat het zijn moet als ze je kind van je wegnemen.... neen, ik heb het toen niet begrepen, wat mijn arme man daaronder lijden moest.”

„Je vergeet, Cile, dat Dorman onmogelijk voor dien jongen voelen kan, wat jij voor Nonnie voelt bijvoorbeeld.”

„Zeg dat niet. De moeder was bij de geboorte gestorven en hij heeft met een oude baboe altijd alleen voor hem gezorgd. Nu, u weet dat men zelfs van een hond of kat kan gaan houden door hem steeds liefde te bewijzen, hoeveel meer van zoo’n aanvallig kind?”

„Aanvallig? Ken je den jongen dan, Cecile? Ik dacht dat je altijd geweigerd hadt hem te zien?!”

„Ja, zoo dwaas ben ik geweest! Maar, o papa, in den tijd vóór Nonnie’s geboorte, toen ik daar maanden lang stil in mijn kamer liggen moest, toen ben ik over heel veel dingen gaan nadenken.... ’t was of het moederlijk gevoel reeds in me wakker werd, lang vóór ik moeder was, en toen, toen reeds had ik zooveel deernis met het arm verstooten kind. De eerste keer, dat we na mijn bevalling uitreden, heb ik Otto gevraagd me bij hem te brengen. Hij kwam in ons rijtuig en hij heeft me mama genoemd met de armpjes om mijn hals en zijn lief, zacht gezichtje tegen het mijne aan.... sedert kan ik hem niet vergeten.... ik voel me zoo schuldig jegens hem, vooral nu hij ziek is!”

„Is hij ziek?”

„Ja, Otto gaat van nacht bij hem waken. Papa, als hij eens erger werd.... als hij eens stierf....? Zijn vader zou het ons nooit vergeven en we zouden niet meer goed kunnen maken wat we misdaan hebben.”

„Zou je dat wenschen, Cile?” vraagt hij, niet dan na eenigen strijd met zichzelven. „Goedmaken?”

„Ja,” zegt ze ernstig, plechtig bijna. „Ik zou het wenschen om der wille van het kind en van Dorman en ook....” gaat ze fluisterend voort, „ook om Nonnie’s wil; soms is het me of ik in haar gestraft zal worden....”

„Stil, kind, stil! Zeg toch niet zulke akelige dingen!” roept de oude heer ontsteld. Dan trekt hij zijn lieveling naar zich toe en vraagt zacht: „Meen je dat waarachtig, Cile....? En wat zou je dan willen doen?”

„Wat ik zou willen doen?” roept ze uit. „O goeie, lieve pa, ik zie het aan uw oogen, dat u het al half met me eens zijt! Ik zou naar hem toe willen vliegen en hem hier halen en verzorgen....”

„Wel, jou malle meid!” roept Haakstra nu onder een vervaarlijk snuiten. „’t Is vreemd, zooals je me vandaag aan je moeder denken doet.... Zij zou.... ja, ik geloof dat ze het kind ook zou gehaald hebben.... wat is er, ouwe totebel?” wendt hij zich eensklaps tot Nonnie’s meid.

„Nonnie nangis,” zegt de baboe.

„Ja we zouden haar heelemaal vergeten,” roept Cecile verschrikt, „het arme kind zal honger hebben.”

Maar terwijl ze haastig naar binnen gaat, vindt ze nog een oogenblik tijd om den arm om haars vaders hals te slaan en twee, drie kussen op zijn betraand gezicht te drukken.

Nadat de kleine verzorgd, de bouillon geproefd en goed bevonden, het mandje met versnaperingen gereed gemaakt was, ging het nijver huisvrouwtje manlief wekken met de tijding, dat ze een uur vroeger dan gewoonlijk had laten dekken, en hij dus vóór zijn vertrek naar Swiff den inwendigen mensch wat versterken kon.

Op het punt van aan tafel te gaan, misten ze echter den ouden heer. Kromau verklaarde dat hij was uitgereden, Ketjil dat hij reeds was teruggekeerd, Djan dat hij in het geheel niet uit geweest was, tot eindelijk de baboe kwam zeggen, dat mijnheer in de slaapkamer was.

„In onze slaapkamer?” riep Dorman. „Wat voert hij dáár uit?”

„Hij zal met Nonnie spelen,” zei Cecile.

Maar de heer Haakstra speelde niet met zijn kleinkind. Hij stond, vuurrood en terwijl groote zweetdroppels op zijn gelaat parelden, midden in het vertrek, met beide handen geklemd om de gesloten klamboe van het ledikant.

„Wel, papa, we hebben u overal gezocht.... Wat doet u hier in het heilige der heiligen? En wat verstopt u daar in ons bed?” vraagt Dorman vroolijk.

Maar hij ontvangt geen antwoord.

„Papa, als u het goed vondt, wilden we wat vroeg eten. Dorman moet dadelijk weg,” begint Cecile nu.

„Onnoodig!” spreekt de oude heer op zeer afdoenden toon.

„Integendeel! hoog noodig! Ik moet om acht uur hier van daan,” roept Dorman, die ongeduldig begint te worden.

„Onnoodig zeg ik je.”

„Maar, hoe kunt u nu volhouden....?”

„Je woudt naar je jongske gaan? Nu, ik zeg en ik houd vol dat het onnoodig is...!”

Met één forschen ruk slaat hij de klamboe open en Willie vliegt op zijn vader toe.

Een oogenblik staat Dorman onbewegelijk, het kind in de armen gedrukt; dan spreekt hij met bevende stem: „Willie, geef grootpa een kus!”

„Neen, kind, mij moet je niet kussen,” roept Haakstra, maar steekt toch ondertusschen het aardig knaapje zijn behaard gezicht toe. „En jij ook, kerel, wees niet gek.... ’t is schande genoeg dat ik je kind zoo vervolgd heb, terwijl jij goed en trouw was voor het mijne.... Je begrijpt toch wel wie er achter heeft gezeten....?”

„Cecile! O, mijn lieve vrouw!”

Maar Cecile voert vader en echtgenoot naar het bedje, waarin Nonnie sluimert; dan fluistert ze: „Kust haar, bedankt haar! Zij is de kleine wonderdoenster, die mijn hart heeft verzacht.”

GEKETEND.

I.

De Ardjoeno zetelt in zijn purperen mantel, goudgekroond door de dalende avondzon, omstuwd door zijn vasallen, de zachtglooiende heuvelrijen. Geen zuchtje, geen koeltje komt hem beroeren: Eölus heeft zich verscholen in het dichtst van het woud, waar hij stoeit met de bamboesstruiken, uitrust te midden der boschbloempjes op het geurig mos.

Plotseling wordt hij gestoord in zijn zoete spelen: bloemen en struiken trillen onder een ratelenden donderslag, bliksemflitsen verlichten het door hem verkozen plekje, de witte kelkjes die daar straks luisterend bogen en vriendelijk knikten, verschuilen zich verschrikt; de vogelen, die bij het vroolijk mingekoos hun liefdezang aanhieven, zwijgen, en ’t is vergeefs als hij de wuivende bloemtrossen nasnelt, om ze nog een laatsten kus te ontrooven.

Woedend over die stoornis schiet hij zijn vleugelen aan en snelt heen in dolle vaart; langs de sawahs, die nederig haar smaragdgroene hoofden buigen, langs de bosschen, die kermend genade vragen voor hun bladerdos, langs den bergstroom, die toornt en zijn golven ten strijde roept met klaterend geweld——

Daar wordt hij gestuit in zijn vaart.... ’t is aan den voet van den Ardjoeno; de fiere, de onveranderlijke, die koel blijft neêrzien op het rumoer rondom hem. Maar met woester kracht verheft zich de storm. De wolken, straks blauw en vriendelijk als kinderoogen, zijn nu dreigend als de blik eens moordenaars; ze leggen zich rondom het trotsche berggevaarte, ze verduisteren de lichtende punten; ze strijken neer op de zacht groene oasen, ze omhullen de vriendelijke huisjes aan zijn voet; ze stijgen steeds hooger, zich slingerend om de breede heupen, de fiere borst omklemmend.

Weldra ligt het goud van Ardjoeno’s kroon verstrooid, het purper van zijn mantel verscheurd; de vorst der bergen is een vormloozen klomp gelijk geworden.

Nu—brullend en gierend juicht Eölus in zijn zegepraal, de bliksem speelt en woelt en flikkert door het somber rouwkleed, een dof gloeiend roodkleurig wolkgevaarte daalt af op den hooggeheven kruin en de Ardjoeno staat in licht laaie vlam.

Vanuit de gesloten vensters der administrateurswoning, zoo schilderachtig gelegen aan den voet van den berg, slaan een paar ernstige, droomerige oogen het heerlijke natuurtooneel gade en het is een verzuchting meer dan een uitroep, die eindelijk wordt gehoord: „God, hoe prachtig! En te moeten gelooven, dat ik het weldra voor het laatst zien zal....”

„Wat zijn dat voor sombere gedachten?” vraagt een vriendelijke stem, niet geheel vrij van den tongval, die het inlandsch kind verraadt.

„Onno?!” roept de zieke, terwijl hij zich verheugd opheft in de kussens en den vriend de hand toesteekt. „Ik heb je niet hooren aankomen.”

„Geen wonder met het helsch lawaai, dat het loeien van den wind maakt. En daarenboven, ik ben achter ingereden.”

„Maar,” vraagt de zieke weer, „hoe zie ik je nu reeds terug? Ik dacht dat je minstens een dag of acht op Soerabaia zoudt blijven?”

„Ja, dat had ik je gezegd.... Het is goed, dat ik terugkwam, niet waar? Je bent er niet op vooruitgegaan in de laatste drie dagen, Henri!”