Indische Huwelijken

Part 3

Chapter 34,026 wordsPublic domain

„En ik die nog wel dacht dat ik alles gedaan had om je het leven prettig te maken. Ik, die geloofde dat je voor mij en Dolf niet zoo heelemaal onverschillig....”

„Schei toch uit, pa....” en Cecile’s stem beeft.

„Mijn lieveling, ik kan je niet missen.... En je hadt me beloofd dat je niet van me zoudt weggaan!”

„Dat zou ik ook niet. Neen, mijn lief, goed, oud brombeertje, dat zou ik ook niet,” roept Cecile uit, en de armen om haars vaders hals geslagen, kust ze hem op het gebruind gezicht; dan verbergt ze eensklaps het hoofd aan zijn borst, en fluistert: „Dat zou ik ook niet; maar.... o, papa! ik hield zooveel van hem.”

IV.

Door de spanning, waarin hij de laatste dagen verkeerde, had Dorman verzuimd, als naar gewoonte de bedienden kennis te geven van zijn terugkomst, en toen hij in zijn woning aankwam, vond hij in plaats van de lekkere rijsttafel, die hem welkom geweest zou zijn, alles in de diepste rust.

De jongen, die hem vergezeld had, liep naar de bediendenkamers en in afwachting dat het dezen gelukken zou de slapers te wekken, wierp de heer des huizes zich op een divan in de binnengalerij.

Het ongeluk wilde dat hij naar boven keek, naar het plafond; toen rondom zich; toen naar den grond: Hemelsche goedheid! hij wist dat het wanordelijk bij hem toeging, dat er veel vuil en weinig schoon gemaakt werd in zijn huis, maar dat het er zóó smerig, zóó haveloos uitzag, dat had hij nooit geweten.

Zonder te bedenken dat ook bij hem gewoonte tweede natuur was geworden, dat zijn oog weinig of niet meer werd geërgerd door stof en spinrag, vuil en vlekken, vóór hij die weinige weken had doorgebracht in een nette omgeving, maakte Dorman zich zóó driftig, dat hij haast het oogenblik niet kon afwachten waarop hij zijn luie, vuile jongens onder handen zou nemen.

De spen, wreed ontrukt aan de armen zijner gade, nog slaapdronken, en zich slechts ten deele bewust, dat zijn haastig gemaakt toilet volstrekt niet voldoet aan de eischen der zindelijkheid, komt het eerst aanloopen. Maar hij wordt slecht beloond voor zijn ijver.

„Hoe durf je met zoo’n baadje binnenkomen, smeerlap?” is de eerste begroeting, en dan: „Scheer je weg!”

De spen is verplet. Hoe kan hij ook weten dat toewan in den laatsten tijd altijd jongens om zich heen zag, gekleed in het helderste wit?

De kok, verwaand als alle javaansche kokken, zoodra ze iets meer kunnen dan rijst koken, vindt het in het geheel niet zooals het behoort, dat hij gestoord werd in zijn middagdutje, maar zooals het de gewoonte is in jongeheeren-huishoudens, hij stormt naar den goedang, haalt een paar blikken en gaat ze warm maken.... ’t Is hoogst onaangenaam dat mijnheer op zoo’n ongelegen uur komt, maar over een kwartiertje kan kok weer op zijn balé balé liggen.

„Waarom zijn die frikkadellen niet opgebraden?” vraagt Dorman als het eerste gerecht wordt binnengebracht. De bedienden trekken het wezenloos gezicht, dat ze voor zekere gelegenheden gereed houden, maar weldra klinkt het: „Roep den kok!”

Het air van onbeschaamdheid waarmede deze zijn heer wilde tegentreden, maakt voor dat van schrik en bescheidenheid plaats, als hij hem in de oogen heeft gezien; gedreven door een plotseling ontwaakt plichtgevoel, vliegt hij naar de keuken en binnen den kortst mogelijken tijd komt het gerecht op tafel, zooals het behoort.

Dorman proeft en zucht: „O, Cecile! uw frikkadel....!”

De jongens hopen nog iets van het oogenblik, dat mijnheer alles zal vergeten in het genot van het eten, maar hun hoop blijkt ijdel: tusschen iedere bete, na elken dronk barsten er vragen los, waarop ze het antwoord schuldig moeten blijven.

„Waarom is er geen mosterd? Kunnen ze geen zuur geven? Schamen ze zich niet om met een kapot tafellaken te dekken....? Waar is de naaister? Niet binnengekomen? Dan heeft ze haar ontslag!”

Een paniek verspreidt zich onder het personeel.

„Wat is er gevaren in hun heer, hun zachtmoedigen heer, op wien ze sedert jaren straffeloos proeven namen, hoe schandelijk ze hem bedriegen, hoe brutaal ze hem bestelen konden, met hoe weinig bediening hij wel tevreden zou zijn....”

„O Cecile,” zucht intusschen Otto Dorman, „wat zag je tafel er altijd uitlokkend uit....”

Nog staan de jongens te rillen en te beven, den angstigen blik gevestigd op het gelaat, dat bleek is van ergernis, als ze het plotseling zien veranderen; een zachte glimlach komt den mond ontplooien, een blijde glans ligt in het somber starend oog....

Ieder keert zich naar de zijde van waar die betoovering kwam... dáár, in de deur der slaapkamer, staat het liefste kind, dat ooit een onwettig vader het hart deed zwellen van teederheid.

’t Was een knaapje van ruim drie jaar, met een blonden krullebol en groote lichtblauwe oogen door zwarte wimpers beschaduwd, met een donkerrooden blos op de bruine wangen en een aardig rond gezichtje, waarin de min of meer dikke lippen en de eenigszins platte neus volstrekt niet misstonden.

„Papa, papa!”

„Willie, mijn lieve Willie.... Ben je blij dat paatje terug is?” en hij sluit het kind aan zijn borst.

„Ja, Willie zoo alleen, Willie zoo sakit hati” [1], fluistert het knaapje, terwijl hij de kusjes van zijn vader beantwoordt.

De spen brengt den hoogen stoel, waarop Willem altijd zit, aan tafel. Maar hij verlaat zijn plaats op papa’s knie niet, hij heeft zooveel te vertellen, zooveel opgespaarde liefdeblijkjes te geven.... Zijn bord en glas worden gebracht, maar hij schuift ze ter zijde, hij wil eten van papa’s bord, drinken uit papa’s glas.

„Pa gaat mee naar bed met Willie?” vraagt hij eindelijk met dat vleiend stemgeluid, dat misschien de grootste bekoorlijkheid van een kind is. „Willie mag slapen in papa’s armen, ja?”

Dit voorstel vindt bijval en weldra liggen vader en zoon in het groote ledikant, dat ze meest samen deelen, hoewel het heet dat Willem in zijn eigen bedje slaapt. In papa’s armen liggen is de geliefkoosde houding van het jongske, en spoedig komt dan ook het woelig hoofdje tot rust, staken de bezige handjes hun spel, krijgt het vriendelijk gezichtje die uitdrukking van ongestoord geluk, van volmaakte tevredenheid, die, helaas! slechts op kindergezichtjes te lezen is!

Maar hoewel vermoeid, hoewel gewoon aan het middagdutje op dit uur, Otto Dorman kan de zoo gewenschte rust niet vinden.

Als wilde horden vlogen hem de gedachten door het hoofd; ze lieten zich niet beteugelen de verlangens, de wenschen.... onstuimig joeg hem het bloed door de aderen bij de herinnering aan die koninklijke gestalte en hoe ze een oogenblik had gerust in zijn armen; bij de herinnering aan dien warmen blik vol zoete beloften, aan de bloeiende schoonheid die hem had kunnen toebehooren....

Wat had hij gedaan....?

Hij schold zich een dwaas.... hij wilde alles herstellen, nog heden tot haar terugkeeren.... zij moet de zijne worden, ondanks alle bezwaren, ondanks alle hinderpalen....

Haastig springt hij overeind.... die beweging doet zijn jongske ontwaken. „Papa.... niet weggaan? Willie niet meer alleen laten!”

„Neen, mijn jongen!”

„Nooit? Nooit meer? Papa moet denken, Willie zoo alleen als papa weg....”

Nog even last het knaapje zijn lieve vingertjes over vaders gelaat glijden; dan zoekt hij zijn hand en brengt die naar zijn lippen.... zoo sluimert hij weer in.

Maar de vader buigt zich dieper en dieper over zijn slapend kind:.... de strijd op het bleek gelaat, in het brandend oog is bedaard; een traan valt op de blonde krullen, als hij fluistert: „Slaap gerust, mijn jongen; papa zal bij Willie blijven.... altijd!”

V.

Dus was het einde van de prozaïsche declaratie bij de kokende melk nog prozaïscher dan het begin: er kon niets van komen, en de jongelui schikten zich voorbeeldig in hun lot.

’t Is waar, de eerste week na die plotselinge scheiding ging wel wat langzaam voorbij...., men heeft toch altijd een onbestemd gevoel alsof het noodlot, het toeval tusschenbeide zal komen;.... ook de tweede week duurde nog lang, in het bijzonder voor Cecile, die, hoe hoog ze haar neusje ook in den wind stak en hoe vroolijk ze zong en hoe druk ze praatte, toch niet nalaten kon ’s avonds als de brieven kwamen, even te zien of er ook een van Soeka-Madjoe bij was.

Maar toen er een maand was voorbij gegaan, keek ze zelfs niet meer naar de brieven; ze wandelde buitengewoon ver en reed buitengewoon wild; ze bedacht allerlei toertjes en toen op een der naburige plaatsen een bal werd gegeven, wilde ze er volstrekt heen.

Ze maakte een prachtig toilet, décolleteerde zich veel meer dan haar gewoonte was, danste druk en,—wat haar anders nooit overkwam—den volgenden dag was ze doodmoê.

Dorman had het altijd volhandig, maar sedert zijn terugkomst werkte hij halve nachten door; hij liet zijn huis met bezemen keeren, joeg de helft van zijn personeel weg, schold de andere helft de huid vol, verspreidde schrik en ontsteltenis onder de werklieden op de fabriek, sloeg de boedjans om de ooren, dat hun hoofddoeken her en der vlogen en was woedend op de employés als deze hem, tot hun eigen verbazing, telkens op een verzuim of vergissing betrapten.

Intusschen geloofde Willie zich in den zevenden hemel.

Zijn vader was altijd goed voor hem, maar zóó werd hij nooit met liefde overladen, met lekkers volgepropt, met speelgoed begiftigd als in deze dagen. ’t Was goed, dat het ventje er niets van begreep, als papa hem dagelijks verzekerde, hoe hij zijn alles was en de rest hem niets kon schelen—maar vreemd moest het schijnen, dat hij minder van het kind kon verdragen dan vroeger.

Zoo was dan alles in orde: Otto kon troost zoeken in zijn zoon, Cecile in de teederheid van papa Haakstra.

Maar de belangen van een onderneming gaan boven de gevoelens van den administrateur, ja zelfs boven die van den superintendent, en Haakstra, die slecht met de pen terecht kon en gewoon was zijn zaken zooveel mogelijk mondeling af te doen, zond op zekeren morgen, toen hem uit de correspondentie bleek, dat de bedoeling van den schrijver volstrekt niet begrepen was—een telegram waarbij de administrateur van Soeka-Madjoe verzocht werd over te komen.

Er was niets aan te doen. Reeds den volgenden dag reed Dorman de breede laan op. Het rijtuig hield stil voor de marmeren trappen der prachtige villa; maar hoewel het tegen zes uur liep, de tijd dat het gezellig wordt in de voorgalerij, dat de lampen branden, de bloemen geuren, de stoelen tot schommelen en luieren noodigen, was er niemand vóór.

Dorman had dikwijls den kleinen Dolf verwenscht, wanneer hij Cecile als haar schaduw volgde en elk tête à tête onmogelijk maakte; toen Dolf nu naar buiten kwam stormen, had hij het kind kunnen zegenen.

„Is je pa niet thuis, Dolf?”

„Neen, pa is exprès uitgegaan, omdat u kwam,” spreekt dit enfant terrible. „Waarom vindt pa het zoo „verduiveld beroerd” dat u hier logeeren moet?” vraagt hij dan nieuwsgierig.

„’k Weet niet, Dolf. Kun je me mijn kamer wijzen?”

„Ja, dadelijk. Maar wilt u Cile niet goeden avond zeggen? Ze is in de binnengalerij, kassian!”

„Waarom kassian?”

„Weet u dat niet? Ze is ziek! Kom maar mee! Cile, daar is meneer Dorman, je weet wel, van dolo....”

Was dat Cecile? Hulpeloos uitgestrekt op den divan, bleek en vervallen, de lange bruine lokken achteloos teruggeslagen op de kussens.

Dorman had zich precies voorgenomen, wat hij zeggen, hoe zij zich houden zou, en, zooals het gewoonlijk in zulke gevallen gaat, hij deed wat hij volstrekt niet had willen doen; hij riep „Cecile?” alsof hij haar nog altijd liefhad.

„Dag mijnheer Dorman!” zei ze met een lachje zoo weemoedig als hij nooit had gezien om haar lippen. „Ik kan u geen hand geven,” voegde ze er verlegen bij.

„Haar hand is gebroken,” verklaarde Dolf.

„Mijn God, Cecile, ’t is toch niet waar?” riep Otto, die op een stoel naast haar rustbank was neergevallen en de andere hand in de zijne hield.

„Neen, ’t is nog niet zeker. De dokter heeft er een gipsverband om gelegd; over vijf dagen wordt het losgemaakt. Maar mijn voet is verzwikt—en o, mijnheer Dorman, ik lig hier al vier weken....”

Hij begreep ten volle wat dit beteekende: Cecile veroordeeld tot vier weken stil liggen!

„Maar mijn hemel, kind! hoe is het gekomen?”

„’t Is mijn eigen schuld geweest! Roméo was dol, het had drie dagen geregend en hij had al dien tijd op stal gestaan: en ik was ook dol; toen zijn we samen aan den haal gegaan—en hij heeft me afgegooid!”

„Dat ellendige beest! Ik dacht wel dat hij nog eens kuren zou uithalen....”

„Arme Roméo,” zeide Cecile lachend. „Hij krijgt van alles de schuld.... pa wou hem doodschieten, mijn mooiste paardje! Maar wilt u niet iets gebruiken, mijnheer Dorman? Of gaat u zich misschien eerst wat opfrisschen? U hebt de kamer van vroeger.”

Als hij een half uur later, gebaad en verkleed, binnenkomt, ligt ze nog in dezelfde houding, met een gesloten boek op haar schoot.

„Leest u niet?” vraagt hij.

„Mijn oogen doen te veel pijn. Ik lees den heelen dag; de letters beginnen me voor het gezicht te dansen.”

Een lange stilte volgt. Eindelijk spreekt Otto terwijl hij het boek opneemt: „Mag ik wat voor je lezen, Cecile?”

„Wil je, Dorman?”

Hij had een melodieuse stem en het was een aandoenlijke liefdesgeschiedenis; toen de heer Haakstra eindelijk thuiskwam, voornemens „den vent die zijn Non voor zoo’n leelijken liplap had opgegeven,” heel onaangenaam te behandelen, bleef hij stom van verbazing in de deur der binnengalerij staan.

Hij zou in de eerstvolgende dagen nog meer gelegenheid vinden om zich te verbazen.

De zaken, die de administrateur met zijn superintendent te bespreken had, waren van dien aard, dat de heer Haakstra meende reden te hebben om nu en dan los te barsten in zware onweersbuien.

Dit verlichte hem, want er had zich bijzonder veel electriciteit bij hem opgehoopt: de post van ziekenoppasser was weinig geschikt voor den ouden heer, vooral bij zoo’n prikkelbaar patiënt als Cecile was, want, weinig gewoon aan ziekte of tegenspoed, was haar humeur er niet op verbeterd door het in huis blijven. De vader verdroeg alles; maar als Dorman niet juist bijtijds gekomen was, had hij misschien een beroerte gekregen. Nu ging hij ’s morgens naar het kantoor en kon daar zoo lang en zoo hard hij verkoos razen en tieren. Dorman was bijzonder geduldig en als de gastheer soms een oogenblik bedaarde en opmerkte, dat ze niets vooruit kwamen op die manier, zei de gast, dat het er niet op aankwam, dat hij tijd genoeg had, dat het zijn plicht was aan te hooren welke de meening van den superintendent was in deze hoogst moeilijke zaak.

Niet alleen als bliksemafleider deed Dorman dienst.

„Ik moet je de courant nog voorlezen, Non!” zei Haakstra zuchtend.

„’t Is heel lief van u, pa, maar mijnheer Dorman heeft het al gedaan,” antwoordde Cecile met een licht blosje.

„Als u soms lust hebt in een toertje, mijnheer Haakstra, ik wil met genoegen juffrouw Cecile gezelschap houden,” sprak Otto.

„Laat den tuinjongen maar begaan, pa; mijnheer Dorman heeft al naar de bloemen gezien en me die mooie bouquet gebracht.”

Toen het Zaterdagavond werd, kon de oude heer weer als vroeger zijn vast partijtje maken. Cecile animeerde hem er zelfs toe; pa hoefde volstrekt niet bang te zijn, dat ze zich vervelen zou, ze zou met mijnheer Dorman een spelletje schaken.

Alweer staarde de oude heer haar verwonderd aan; toen hij haar had voorgesteld te schaken, vond ze het vervelend.

Intusschen was de aandoenlijke liefdesgeschiedenis tot een eind gekomen en bij de slotscène, die bijzonder treffend was, hadden Otto en Cecile elkander aangezien.... één oogenblik slechts, want Cecile wilde niet weten dat ze zoo flauw kon zijn van bij een boek te schreien.... maar toch lang genoeg.

Intusschen was ook de dag aangebroken waarop het gipsverband van Cecile’s hand zou worden losgeknipt.

De heer Haakstra was er eenigszins aan gewoon geraakt om door zijn dochter te worden verbaasd, maar wat hem aangreep, toen hij op dien dag onverwacht binnentrad, was meer dan verbazing: het was ontzetting!

„Papa,” riep Cecile, terwijl ze zich blozend losmaakte uit de armen die haar, o zoo vast! omknelden, „papa, de dokter is er geweest; mijn hand is geheel in orde.... ik wist er niets beters meê te doen dan hem aan mijnheer Dorman te geven....”

VI.

Half acht.

Mevrouw Dorman ziet naar de pendule, legt haar boek neer en buigt het hoofd voorover als iemand die luistert. Dan springt ze ongeduldig op van haar stoel, treedt naar het raam en staart naar buiten.

’t Is pikdonker: ze ziet niets, maar ze hoort hoe de regen klettert en neêrvalt in dichte stroomen, hoe de rivier bruist en buldert met onheilspellend geraas.... en ze zucht bij de gedachte dat manlief uit is in zulk een hondeweer.

’t Gebeurt niet dikwerf dat Otto haar wachten laat.

Hij weet daarvoor te goed hoe lang haar de tijd valt in zijn afwezigheid, hij verlangt daarvoor te zeer naar het vriendelijk tehuis, waar zijn vrouw hem tegentreedt met een kus en een lach, altijd opgewekt, altijd vroolijk, keurig gekleed en gekapt, met dezelfde aardige manieren en onschuldige koketterie, die eertijds den vader, nu den echtgenoot, onweerstaanbaar boeien.

Acht uur.

Ze neemt haar plaats op het aardig stoeltje bij de marmeren tafel wederom in en slaat het boek, dat ze straks zoo knorrig neêrwierp, open, maar lezen kan ze niet; ze luistert naar den stormwind daarbuiten.

Jammer dat hij zoo laat komt!

Den geheelen langen, regenachtigen dag had ze zich verheugd op een gezellig avondje; er was een groote trommel gekomen van het Leesgezelschap, ze had met hem de illustraties willen zien, en dan was er die roman van Ebers, die zooveel opgang maakte; hij zou er haar een paar hoofdstukken uit voorlezen, had hij beloofd.....

Als hij maar geen ongeluk gekregen heeft! Het is zoo donker en men kan zoo licht van den weg afraken.... links waar dat akelige diepe ravijn is.... o God.... hij zal toch niet?.... Maar neen; dat is het geraas van wielen, heel in de verte nog, maar toch naderend, steeds naderend.... ja, Goddank! daar is hij!

Reeds is ze naar voren gevlogen, reeds heft ze het verheugd gezichtje tot hem op om den welkomstgroet te ontvangen.

„Dag man! Ben je daar eindelijk?”

„Dag kind! Ik heb je lang laten wachten, hè? Buiten mijn schuld, lieve.”

„Wat een weêr.... Otto, is er iets gebeurd?”

Eerst nu hij onder het volle licht der lampen kwam, heeft ze gezien hoe bleek hij is, hoe strak en somber zijn gelaat staat.

„O God!” roep ze op eens, „er is bloed aan je handen, bloed aan je kleêren....”

Verwonderd ziet hij haar aan. „Bloed? heb ik waarlijk zijn kop tot bloed geslagen? Nu, Cecile, maak je daar niet ongerust over, ’t is een beetje schurkenbloed.... Kom, geef me wat verwarmends te drinken.... dan ga ik me verkleeden!”

Met bevende hand schenkt ze een glas cognac in, dan volgt ze hem naar de kleedkamer en als ze de deuren gesloten heeft, achter den jongen die mijnheers natte laarzen uittrok, zegt ze op vasten toon: „Ik moet weten wat het is.”

Het duurt lang voor er antwoord komt; hij werpt het eene natte kleedingstuk na het andere van zich; eerst als hij ze voor slaapbroek en kabaia heeft verwisseld, valt hij op den divan neer en zegt: „Wat het is? Ik heb een schurk afgeranseld.... half dood geslagen.... dàt is het!”

„Dat is niet alles, Otto!”

„Neen. Maar het overige....”

„Is het iets akeligs?”

„Akelig?” vraagt hij met een zonderlingen lach, „akelig! o neen! Je vader zou het ten minste niets akelig vinden.... ’t geldt immers maar zoo’n leelijken lippert....”

„O, Otto....”

„’t Is waar, er is een arm, hulpeloos wezentje mishandeld! God! wie weet hoe lang en hoe vaak reeds mishandeld.... Maar dat komt er immers niet op aan? Het was een kleurling, begrijp je, een onecht.... och, hoe noemt je vader dat ook weer.... een zwarte aap.... Maar Cecile! die zwarte aap, die onecht, die kleurling, dat is mijn kind.... mijn kind! mijn arme, lieve, kleine Willie....”

Ze naderde hem en nam de handen weg, die hij voor het gelaat had geslagen; toen kuste ze het klamme voorhoofd, streek de vochtige haren terug van de slapen en zeide vriendelijk: „Je bent overspannen, Otto. Je hebt je veel te veel vermoeid; en dàt terwijl je den geheelen dag nog niets gebruikte.... kom, laten we verstandig zijn en eerst kalm gaan eten, dan kun je me straks vertellen wat er gebeurd is.”

Hij liet zich gewillig naar de pendoppo voeren, waar hun een dier uitstekende dinéetjes wachtte, waarvan Cecile het geheim bezat; maar hij deed haar tafel weinig eer aan.

Bleef Otto’s gelaat somber en droevig, Cecile scheen alle treurige gedachten van zich te hebben geweerd om geheel het vriendelijk, zorgend huismoedertje te wezen; ze bediende haar man zelve, ze animeerde hem om toch een goed glas wijn te drinken, na dien akeligen tocht door storm en regen; ze vertelde opgewekt de kleine gebeurtenissen van den dag, in één woord, ze gebruikte al de middelen, die een vrouw ten dienste staan om haar man in betere stemming te brengen.

Toen het eten was afgeloopen, liet ze het theeblad in haar kamer, haar lief gezellig boudoir, gereed zetten, nam een werkje in handen, zette zich op de canapé, trok Dorman’s lagen luierstoel zoo dicht mogelijk tot zich en schonk hem een kopje in.

Niet zoodra had hij aan de stomme en toch zoo welsprekende uitnoodiging gehoor gegeven of ze vroeg: „Nu, Otto, zeg me nu wat er gebeurd is? Kom, man, wat maakt je zoo bedroefd?”

En als hij zwijgen blijft: „’t Moet wel iets buitengewoons zijn, dat het je zoo onrechtvaardig kon maken jegens papa....”

„Ja, ik had dat niet moeten zeggen; ik weet dat het je grieft, Cecile. Maar onrechtvaardig! onrechtvaardig? Neen! Of spreekt hij niet altijd met zoo’n minachting over vóórkinderen. Heeft hij niet altijd allerlei bijnamen gereed voor die arme schepsels, alsof het hun schuld was dat Europeanen leven met inlandsche vrouwen, alsof zij er iets aan konden doen dat hun moeder een javaansche was? Neen, Cecile, onrechtvaardig is het niet! Of heeft hij je niet opgebracht in datzelfde vooroordeel? Zou je mijn arm jongske zoo wreed verstooten hebben als je vader het niet had gewild? Neen, kind, daar ben je te goed voor! Maar.... o, ik weet het.... hij heeft je het hoofd warm gemaakt; je hebt je laten opstoken; je hebt er je door hem toe laten gebruiken om me over te halen tot het doen van die belofte, die vervloekte belofte, waarbij ik mijn eigen kind, mijn vleesch en bloed verloochen....”

Een donkere blos komt het gelaat der jonge vrouw verven.

„Dorman, wat draaf je weer door! Mag ik weten tot het doen van welke belofte ik je heb overgehaald? Je bent met papa overeengekomen dat je zoon erkend zou worden, dat er dertig duizend gulden op hem zou worden vastgezet, dat hij over een paar jaar met ons mee zou gaan naar Holland om daar als een groot heer te worden opgevoed, dat je hem tot zoolang in je nabijheid kondt houden....”

„En dat ik hem zou verbannen uit mijn huis.”

„Juist. Als je je dat nog herinnert, was je er toen bijzonder op gesteld om iemand anders in je huis te brengen.... heb je soms berouw van den ruil?”

Ze doet die vraag, het blozend gelaat met een allerliefsten, uitdagenden blik tot hem gewend en een oogenblik vergeet hij alles om in vervoering uit te roepen: „Neen, o neen! Dat weet je wel, ondeugd! Cecile,” gaat hij dan ernstig voort, „God alleen weet wat het me gekost heeft hem weg te zenden; je hebt me echter zijn gemis ruimschoots vergoed! Ook zou ik er niet over denken; maar, o Cile, ik heb een vreeselijke ontdekking gedaan.... hij wordt mishandeld, mijn arm, klein ventje....”

„Neen, man?” vraagt ze ontsteld. „’t Is toch niet waar?”

„Ik heb het met mijn eigen oogen gezien!”

„Ben je dan vandaag op Djember geweest?”

„Ja. Ik weet wel, Cecile, we hadden afgesproken, dat ik er niet zoo dikwerf meer heen zou gaan, maar och, soms grijpt me een onweerstaanbaar verlangen aan om hem....”

„Ga voort. Wat zag je op Djember?”