Part 2
De ziel vervuld met bitterheid, verschanst de arme zich weder achter haar boek.
Daar voelt ze hoe een zacht handje het hare grijpt en als ze opziet, ontmoet ze een paar groote grijze oogen, die vol deernis in de hare zien. Ze zegt niet veel, het lieve jonge vrouwtje, dat den vroolijken kring verliet om de weduwe eens toe te spreken; ten minste niet veel meer dan de groote grijze oogen reeds bij den eersten opslag zeiden, niet veel meer dan dat ze het zich zoo begrijpen kan, en dat het, och, zoo bitter, bitter hard moet zijn!
Daar raakt ze met haar zachte vingeren de snaar aan, die een der pijnlijkste is in de ziel der bedroefde. „Och lieve,” zucht ze met een meelijdenden traan, „och lieve, hadt je maar een kindje!”
Jenny staart in de vochtige oogen met verheugden, dankbaren blik. Dan was het ten minste niet zóó onverstandig geweest, die wensch naar ten minste één herinnering aan haar kortstondig geluk. Dan was het toch geen dwaasheid, geen waanzin, die zucht die daar zoo menigmaal was opgestegen naar den blauwen hemel: „als ik maar een kind had!”
De menschen, de verstandige menschen, hadden haar zoo lang voorgehouden, hoe het kinderlooze van hun echt een geluk mocht heeten nu ze onverzorgd achterbleef, dat ze op het laatst dat onderwerp maar niet meer had aangeroerd. Maar zoo was er dan toch nog iemand die gevoelde als zij, iemand die begreep, dat het treurig is om geen kind te hebben, ook al is men onverzorgd achtergebleven!
De jonge vrouw met de grijze oogen had geen haast om naar het vroolijk gezelschap terug te keeren; ze ging voort zachten balsem te gieten in dat arm, gewond hart, vriendelijk te troosten en te bemoedigen, te spreken over het gelukkig verleden, tot de bleeke lippen van haar toehoordster niet meer trilden en de brandende oogen vochtig werden van weldadige tranen.
Jammer dat tante van Hoedt, bijna bezwijkend onder het gewicht van haar fluweelen kleed en de dampen, die het overvloedig diner haar naar het hoofd joeg, op Jenny kwam aanzeilen met verzoek wat muziek te maken. Jenny dankte de vriendin voor haar deelneming en stond op om naar de piano te gaan, toen Gerard haar voorkwam. „Laat mij het voor je doen, Jen! En ga gerust naar je kamer, als het je te zwaar wordt.”
Hoe dankbaar was ze hem daarvoor! Want ja, het werd haar te zwaar; ze kon ter nauwernood staande blijven en ze zou dan ook beproeven of ze niet ongemerkt weg kon sluipen, om rustig te gaan uitweenen in de eenzaamheid.
Maar dat ging niet zoo gemakkelijk. Toch beklaagde zij zich later niet, dat ze een oogenblik langer werd opgehouden; immers nu kon ze het opmerken, hoe kiesch en vriendelijk Gerard, de schijnbaar onverschillige Gerard, voor haar was.
Toen het lieve meisje, aan wie hij,—ieder wist het—niet gaarne iets weigerde, haar gazellenoogen tot hem ophief, en vroeg om toch dat mooie stukje nog eens te zingen van:
„Es ist bestimmt in Gottes Rath, dasz, man Vom liebsten was man hat, musz scheiden!”
toen keek Gerard even rond in den grooten kring, die zich om de piano had gevormd, en toen hij zijn nichtje nog opmerkte onder de toehoorders, zei hij zacht: „Nu niet, straks misschien!” en begon een allerdwaaste potpourri van alle mogelijke en onmogelijke straatdeuntjes.
Eerst vielen de jonge heeren, toen ook de jonge dames in, en weldra was de vroolijkheid zoo algemeen, de pret zoo opgewonden, dat een slanke, zwarte gestalte zich onbemerkt verwijderen kon, om niet meer gezien te worden bij het feest.
III.
Een paar dagen later gebeurt er in de vroolijke woning der van Hoedts iets, dat voor geruimen tijd de glimlach doet wijken van mevrouws goedhartig gezicht, ja, wat maar zelden gebeurt, dat haar knorrig en boos maakt.
„Tante,” zeide Jenny, en het viel allen op, hoe bleek ze was en hoe haar lippen beefden; „tante, ik hoop niet, dat u me van ondankbaarheid zult beschuldigen.... maar ik ben besloten.... ik geloof, dat ik best doe met naar Holland te gaan, naar Mama....”
„Kind!?”
Eerst kan mevrouw van Hoedt geen woord uitbrengen. Dan, als ze haar kortademigheid een weinig te boven is, barst ze los in een stroom van vragen: „Wat beteekent dat? Is er iets gebeurd? Zeg me, Jen, heb je het hier niet goed? Is er iemand niet lief geweest? Heeft iemand je beleedigd?”
„Neen, tante! iedereen is goed en lief voor me. En—niemand heeft me beleedigd—of het moest zijn dat hier in den geest, in de manier waarop men over jonge weduwen spreekt, iets beleedigends was.”
„Kom, kind! dwaasheid, hoor! Wat heb je daar in dat akelige schriele Holland?”
„U hebt zelf gezegd, dat Indië geen land is om lang te treuren; dus is het geen land voor weduwen, tante,” zegt de jonge vrouw vast.
De wipneusjes brengen nu haar hartelijke gezichtjes dicht bij dat van haar nichtje en vleien dat ze toch blijven moet. Gerard komt ook naderbij, en verzekert dat hij alles doen zal wat hij kan om haar het leven te veraangenamen.
Ze heeft de goede hartelijke menschen, die de arme weduwe zoo trouw en vriendelijk bijstonden, te zeer liefgekregen, om niet menigen traan te storten bij het denkbeeld van hen te gaan verlaten. Maar toch, haar besluit staat onherroepelijk vast: Indië is een goed land voor gelukkigen, voor bedroefden niet.
Maar, hoe kon ze het hun zeggen wat haar naar Holland trok? Hoe kon ze het hun zeggen, dat ze een onbedwingbaar verlangen gevoelde om de plekjes weder te zien, die de stille getuigen waren geweest van haar jeugdige liefde, om weer te wonen en rond te wandelen in het eenvoudig dorpje, waar Léo haar had gevonden en gekozen om hem te volgen naar het vreemde land?
Neen, ze zouden haar niet begrijpen, niet gelooven, als ze het hun toevertrouwde, dat, te midden van zonneschijn en eeuwigen zomer, in haar hart het verlangen leeft naar gure herfstdagen, die somber en droevig zullen zijn als haar arm, gebroken hart; naar geheimnisvolle schemeravonden, waarin zachte stemmen haar zullen komen verhalen van de vreugde, de zoete liefdeweelden van weleer; naar najaarsstormen, die zullen huilen om moeders eenzame woning en groeten fluisteren van den doode ver over zee; naar donkere nachten vol schaduwen en zuchten, waarin het is of de graven zich openen, waarin het haar zijn zal of de geliefde komt om haar aan het hart te drukken met de gloeiende liefde, die ze gekend heeft in al haar verrukkelijke zaligheid, en die dood noch graf overwint!
Neen, dat alles kan ze hun niet zeggen.
Ze kon slechts dankend hen zegenen en vragen om het haar te vergeven dat ze hen verliet, en hen opdragen om nu en dan eens naar zijn graf te gaan, om de bloemen te onderhouden, die teedere handen daar hadden geplant.
De volgende stoomer voerde het jonge weeuwtje naar Holland. De heeren noemden het domheid, de dames bekenden dat ze het zich niet begrijpen konden, mevrouw van Hoedt schreide—tot ze op het denkbeeld kwam van een groot bal te geven om zich wat te verzetten.
Op dat bal maakte ze met mijnheer Verweijt uit, dat het zonde en jammer was van zoo’n mooi jong ding, en op dat bal declareerde Gerard zich aan het lieve meisje met de gazellenoogen. Hij vernam bij die gelegenheid dat hij algemeen gedoodverfd werd met zijn nichtje, maakte zich erg boos en zei dat Jenny wel gelijk had: de geest in Indië is beleedigend voor jonge weduwen.
Maar in het dorpje waar een zestal jaren geleden een gelukkige bruid van vrienden en betrekkingen scheidde, om den geliefde te volgen naar het nieuwe vaderland, rustte nu een vermoeid hoofd aan de moederborst, en snikte een gebroken stem; „O, dat doet zoo goed; zoo stil uit te weenen, dat doet zoo goed!”
En dan „U gelooft het, niet waar, moeder, dat Léo’s weduwe niet vertroost wil worden?”
WILLIE’S MAMA.
I.
„En als ik nu eens neen zeide?” vroeg ze lachend.
„Maar je zult niet neen zeggen....”
„Dat weet ik nog zoo zeker niet.”
„Cecile?!”
„Mijnheer Dorman.... Stil, Otto, och!.... laat me toch los. Nu dan, ik zeg niet neen.... Maar.... de melk kookt!”
Dit was de liefdesverklaring van den heer Dorman en de wijze waarop juffrouw Haakstra die liefdesverklaring ontving.
’t Vond plaats op een killen morgen, toen de bergen achter dikke nevels verscholen lagen en de regendruppels met eentonig getik neervielen van takken en daken; ’t vond plaats op de nuchtere maag in het ongezelligst hoekje van het geheele huis, waar ze, ieder met een kop koffie in de hand, stonden te wachten op het koken van de melk....!
Alles zoo prozaïsch mogelijk!
Maar wanneer het anders dan prozaïsch geweest was, wanneer de minnaar gesproken had van gloeiende liefde of eeuwige trouw, dan zou de uitverkorene, losbarstend in haar heldersten lach, zijn weggeloopen van den „mallen kwast”; nu liet ze de melk verkoken, terwijl hij haar kuste en nogmaals kuste, alsof niet papa op zijn koffie wachtte.—
Cecile Haakstra is een der frissche, krachtige bloemen, die op Oosterschen bodem tieren: ze groeien op in de heerlijke berglucht, ze verbranden door het zonnetje, dat de blanke tint bruint, maar warmen gloed roept op de donzige wangen; ze worden gezond en sterk, ze blijven vroolijk en onbezorgd als kinderen, ook dan wanneer de slanke leest, door niets beklemd, zich reeds ontwikkelde tot den vollen wasdom der jonkvrouw.
Schuldeloos en onbevreesd staarden Cecile’s groote eerlijke oogen de wereld in; de lachende mond met de schitterend witte tandjes was nooit om een antwoord verlegen; het aardig wipneusje scheen uit te noodigen tot den strijd, de mooie, kleine handjes waren krachtig en gespierd genoeg om het vurigst paard te mennen; met de fijne voetjes stapte ze moedig over groote keien, desnoods over modderpoelen heen.
Als Otto Dorman iemand had gezocht om in goddelijke maanlichtnachten tochtjes te gaan maken op een Zwitsersch meer, zou hij haar niet gekozen hebben; ook niet om op te zien naar de sterren en te droomen van onbekende werelden of te peinzen over de raadselen des levens; allerminst om te verzinken in liefde’s zaligheid.... ze zou onder zijn teederste omhelzing opspringen als de melk kookte, zooals ze daar straks deed bij zijn eersten kus.
Maar dat alles zocht hij niet.
Hij zocht een vrouw in de beteekenis, daaraan gehecht door iemand, die jaren lang was blootgesteld aan de rampen en tegenspoeden van den vrijgezel.
Reeds lang dacht hij over trouwen, maar trouwen schijnt een zaak te zijn, waarover men niet te lang denken moet wil men er toe komen, en juist begon hij het dan ook op te geven ooit een meisje naar zijn smaak te zullen vinden, toen zaken hem met den heer Haakstra in aanraking brachten. Otto Dorman was namelijk administrateur van een suikerfabriek, waarover, bij afwezigheid van den eigenaar, de superintendentie gehouden werd door Cecile’s vader, een rijk landheer, sedert vijf jaar weduwnaar. Het bestuur der geheele huishouding rustte op de krachtige schouders zijner oudste dochter, die ook de zorg van haar jongste broertje op zich had genomen: de twee andere zoons genoten hun opvoeding in Holland.
Dorman moest een paar dagen bij den superintendent doorbrengen; hij logeerde in nette kamers, at aan een welvoorzienen disch, wandelde door den keurig onderhouden tuin, vertoefde in de comfortable ingerichte woning en kreeg een gewaarwording van welbehagen, zooals hij in zijn eigen wanordelijk huis niet kende.
Als ieder Hollander vatbaar voor zeker geheim verlangen naar orde en netheid, gevoelde hij allerlei onbestemde wenschen in hem opkomen, wanneer hij de lieve gastvrouw, met haar sleutelmandje aan den arm, door huis en tuin zag rondgaan, hier bevelend, daar regelend, nu berispend, dan prijzend, maar altijd vriendelijk en vroolijk, altijd flink en ijverig.
’t Waren maar onbestemde wenschen.
Maar toen hij een geheele week achtereen ’s morgens met haar was uitgereden, ruimschoots in de gelegenheid om het golvend bruin haar en de prachtige taille in het amazonenkleed te bewonderen; ’s middags haar bespied had als ze met een vlugheid en bevalligheid, indische meisjes eigen, zat te tooveren met de naald; ’s avonds haar geaccompagneerd had bij het zingen harer vroolijke liedjes.... toen namen de onbestemde wenschen een zeer duidelijken vorm aan.
Toch zou hij nog geaarzeld hebben, ja misschien was hij nooit tot een verklaring gekomen, als Cecile’s broêrtje, de ondeugende maar aardige Dolf, niet ziek was geworden.
Hij bemerkte met hoeveel liefde en teederheid, met hoeveel moederlijke zorg ze het jongske oppaste, en, daar hij zijne bijzondere reden had om vóór alles iets moederlijks te wenschen in de vrouw die hij zich koos, was zijn besluit genomen. Hij wachtte slechts tot Dolf beter en Cecile weer te spreken was, en verraste haar toen met de declaratie bij de kokende melk.
II.
Herinnerde Cecile met haar frissche schoonheid en vroolijken lach aan een zonnestraal, papa deed denken aan een donkere wolk, zwanger van storm en onweêr.
De man was echter zoo kwaad niet als hij scheen, of liever hij was in het geheel niet kwaad, maar hij nam er den schijn van aan; een slechte gewoonte, waardoor hij zichzelf het meest overlast aandeed, daar niemand zich om zijn gebulder bekommerde en zijn bloedrijk gestel altijd reden gaf om te vreezen voor een beroerte.
„Wat kom je doen, Dorman?” vraagt hij niet onvriendelijk, als deze, na afloop van het ontbijt, zijn kamer binnentreedt, om het verzoek te wagen, dat, zooals Cecile lachend verklaarde, alle kans heeft om te worden afgewezen.
„Goeden morgen, mijnheer Haakstra,” begint Dorman vrij overbodig, daar hij zijn schoonpapa in spe reeds tweemaal dien ochtend ontmoet heeft. „Ik zou het niet gewaagd hebben u te storen, maar zooals u weet, straks.... zou ik weggaan.”
„Is uw vertrek uitgesteld?”
„Neen, dat niet.... maar ik wou u toch vóór dien tijd even spreken, als het niet ongelegen komt....”
„Ik dacht dat we alle zaken hadden afgehandeld!”
„’t Geldt ook geen zaken. ’t Was.... ik heb... de hand gevraagd van uw dochter, mijnheer Haakstra!”
„Wat? Van Cecile?.... Dat had je wel kunnen laten!”
Er is reeds iets van langzaam naderenden donder in Haakstra’s stem. Dorman, beleedigd door dien uitval, antwoordt: „Cecile schijnt op dit punt anders te denken.”
„Hé....? Je wilt toch niet beweren dat ze ja gezegd heeft?”
„Hebt u iets tegen me, mijnheer Haakstra?” vraagt Dorman, plotseling kalm en rustig geworden tegenover dien ruwen toon.
„Natuurlijk heb ik iets tegen je,” barst de oude heer los. „Dàt komt je je eenigste weghalen, je lieveling, je hulp en steun, en dàt vraagt je dan nog met een uitgestreken gezicht: „„Hebt u iets tegen me, mijnheer Haakstra?””
„Ik weet,” begint de minnaar nu gemoedelijk, „hoe onmisbaar Cecile voor u is en ik begrijp volkomen hoe hard het u vallen moet haar af te staan, maar....”
Een ratelende donderslag.
„Afstaan?” buldert de bedreigde vader. „Afstaan? Cecile! Neen, zoover zijn we nog niet! Ik heb het nu vier jaar lang tegengehouden, en ik kan het nog langer tegenhouden ook! Maar nu een andere vraag, mijnheer Dorman. Wat zijn uwe antecedenten, dat u om mijn dochter komen durft?”
De man, reeds lang rood van woede, wordt donkerpaars in zijn verweerd gezicht, maar Dorman is doodsbleek en zijn lippen beven, als hij fier het hoofd opheft en zijn tegenstander in de oogen ziet.
„Mijn antecedenten zijn van dien aard, dat ze mij het volste recht geven uw dochter tot vrouw te vragen, mijnheer! U kent mijn familie,” gaat hij kalmer voort, „ik geloof dat ze wel met de uwe gelijk staat. U weet ook dat ik een weinig fortuin te wachten heb. Ik heb altijd in beschaafde kringen geleefd en een wetenschappelijke opvoeding genoten; aan de Militaire Academie te Breda officier geworden, heb ik vijf jaar gediend; niet zonder eer, dat bewijst mijn Willemsorde....”
„Alles goed en wel,” spreekt Haakstra een weinig ter neer gezet; „maar de vraag is: waarvan moet Cecile leven?”
„Toen ik den dienst verliet om administrateur van Soeka-Madjoe te worden, is me een tractement van ƒ 600 ’s maands toegestaan, benevens de gewone voordeelen, vrije woning, en zoo voorts! Ik maakte tot dusver jaarlijks tien- à vijftienduizend gulden aan procenten....”
Een nieuwe slag, zwaarder dan de vorige.
„Maar voor den duivel, als je dat alles hebt, dan kun je kiezen. Waarom moet je dan juist om mijn Non komen?”
„Ik ben niet om Cecile gekomen: het toeval heeft ons saâm gebracht. Toch.... toch, mijnheer Haakstra, heb ik nog lang geaarzeld eer ik haar vroeg.... toch durfde ik haast niet op uwe toestemming rekenen.... Er is één groot bezwaar tegen ons huwelijk, waarop ik het mijn plicht acht u te wijzen vóór we verder gaan.... Ik heb een kind!”
Als had een slang hem gestoken, zoo springt Haakstra overeind. „Een kind! Wel vervloekt.... Hoe kom je dááraan?”
Dorman acht het overbodig die vraag te beantwoorden.
„Een kind!” buldert de superintendent weer. „Een kind! Schaam je je niet, jou kijk in de wereld!”
Een flauw lachje speelt om Otto’s lippen, als hij antwoordt: „Ik ben dertig jaar, mijnheer!”
„Schande te meer! Iemand op dien leeftijd moest zulke dwaasheden niet begaan! Een kind.... God bewaar me! En waarvoor wou je dan mijn Cecile hebben? Om haar door een jaloersche ménagère te laten vergiftigen?”
„De moeder is dood!”
„Zoo? Je zegt het waarachtig of het je spijt! Dat is ten minste nog een geluk bij een ongeluk! Je zoudt... je zoudt dat kind natuurlijk de kampong in sturen?”
„Neen, dat zou ik niet!”
„Naar Holland dan?”
„Neen! Mijn plan is mijn zoon bij me te houden.”
„Bij je houden? Als je met Cecile getrouwd bent?”
„Ik hoop dat zij een moeder zal willen wezen voor mijn arm jongske; ik verwacht dit van haar...”
„Eén woord, mijnheer Dorman. Al was Cecile er toe te bewegen,—maar dat is ze niet, want ze heeft een afschuw van dat zwarte goedje,—maar al was ze er toe te bewegen, dan zou ik nooit—verstaat u me, nooit! mijn toestemming geven. De jongen moet weg.”
„Ik mag, ik wil mijn eigen vleesch en bloed niet verstooten,” spreekt Dorman even vast als de heer Haakstra sprak.
„De jongen moet weg! Als u wezenlijk van mijn dochter hieldt, zoudt u geen oogenblik aarzelen om voor haar dat kleine offer te brengen....”
„Een klein offer.... o Mijnheer, hoe kunt u, die zelf vader zijt, zoo iets zeggen?...”
„Daar kom ik niet in. De jongen moet weg. Mijn Non met een vóórkind op te schepen! Alsof er niet reeds genoeg huwelijken ongelukkig zijn geworden door die verwenschte vóórkinderen.... Neen, de jongen moet weg!”
„Is dat uw laatste woord, mijnheer Haakstra?”
„Mijn laatste woord.... Om je de waarheid te zeggen, Dorman, het spijt me. Als ik Non dan toch moest afstaan, dan zou ik het nog maar liever aan u doen, dan aan een ander. Maar stuur dien aap weg!”
„Hij is geen aap! En ik stuur hem niet weg! Mijnheer Haakstra, ik geloof dat ons onderhoud verder nergens toe leiden kan. Er rest mij niets dan u dank te zeggen voor de genoten gastvrijheid; wilt u mijn groeten en de betuiging van mijn innig leedwezen overbrengen aan juffrouw Cecile?”
Reeds houdt hij den knop van de deur in zijn hand, als Haakstra hem toeroept: „à propos, Dorman.... zeg er eens.... hm, hm, je bent zoo schrikkelijk heet gebakerd.... Ik wou alleen maar weten.... hm.... heeft Cecile je gezegd dat ze veel van je hield?”
„Ja.”
„Zou ze het zich aantrekken, denk je?”
„Ik denk het wel!”
„Als je dan nog eens niet in de zaak besliste? Als je het nog eens een veertien dagen in beraad naamt en een goede gelegenheid zocht om dat zwartje kwijt te raken....”
„Het spijt mij, mijnheer, maar.... ik mag het zelfs niet in beraad nemen.”
„Loop dan naar den duivel!”
III.
Wat de oude heer volstrekt niet bedoeld had, toen hij donderslag op donderslag ratelen deed, was gebeurd: de bliksem sloeg in; eenige drukte in het logeergebouw en het voorbij rollen van den wagen, waarmee Dorman zich naar het nabijgelegen spoorwegstation laat brengen, bewijzen het.
Het geklikklak van een paar damesslofjes wordt gehoord op den marmeren vloer der voorgalerij, de deur is geopend, iemand is genaderd, zeer dicht genaderd, maar de heer Haakstra is zóó verdiept in zijn schrijfwerk, dat hij niets hoort.... och, er zijn oogenblikken, waarin die groote man zoo klein is.
„Papa!”
Hij weet dat ze vóór hem staat, de donkere oogen fonkelend van drift, de kleine handjes tot vuisten gebald; hij kent zijn dochter en.... hij is bang voor haar.
„Ja, Non, ja! Stoor me nu niet, lieve, ik heb een massa werk....” vraagt hij dringend, smeekend bijna.
„Ik moet u spreken. Leg die pen maar neêr, pa!”
„Waarlijk, Cecile....”
„Papa.... ik ben volstrekt niet in een stemming om me met praatjes te laten afschepen.”
Ze neemt hem de pen uit de handen, alsof hij een ondeugend kind geweest was dat tot zijn plicht moet gebracht worden. „Mag ik van u weten, papa, wat er tusschen u en mijnheer Dorman is voorgevallen?” vraagt ze dan.
„Ja zeker, lieve. Maar ga toch zitten. Je bent zoo schrikkelijk opgewonden, kind!”
„Wilt u me zeggen wat u mijnheer Dorman geantwoord hebt....? Of neen: doe het niet! Laat ik u eerst eens iets zeggen, papa.”
„Ga je gang, kind, ga je gang!” roept Haakstra, verheugd over het uitstel dat hem geschonken wordt.
Een gloeiende blos komt Cecile’s gelaat bedekken en haar stem is veel minder vast dan daareven, nu ze voortgaat: „Papa, Dorman heeft me gevraagd, dat weet u. En ik heb hem aangenomen, dat weet u ook. Maar.... wat u niet weet is dat er deze keer niets tegen te doen valt.”
„Mijn lieve kind, niemand zal beproeven er iets tegen te doen. Dorman is een beste kerel en ik had hem graag tot schoonzoon gehad, waarachtig! Maar....”
„Maar?”
„Cecile, mijn lieve Non, je weet zeker niet dat hij.... een kind heeft?”
Ze wordt doodsbleek en staart haar vader verschrikt in het gelaat. „Is dat waar, pa?”
„Ja, lieve, maar al te waar,” antwoordt de oude heer.
„Dat is erg jammer,” zegt het meisje na een lange stilte.
„Niet waar? O, ik wist wel, dat je het een vreeselijk bezwaar zoudt vinden.”
„Ja, dat is zeker. Ofschoon.... ziet u, er zou wel iets aan te doen zijn.... Hij kan het wegsturen.”
„Maar dat is het juist! Ik sprak natuurlijk ook dadelijk van wegsturen, de kampong in, of naar Holland, of de Hemel weet waarheen! Maar daar wil hij niets van hooren; het kind moet bij hem blijven.”
„Is hij gek?” vraagt Cecile, die enkele kernachtige uitdrukkingen van papa heeft overgenomen.
„Ja, kind, dat mag je wel vragen.”
„Maar hij zal toch wel tot andere gedachten te brengen zijn.... Als ik zelve eens met hem sprak, misschien....”
„Denk dat niet, Cecile! Het schijnt dat hij dol is op dien jongen. Hij houdt idolaat van hem.”
„Meer dan van mij ten minste,” zegt Cecile en bijt zich op de lippen en dringt een lastigen traan terug.
„Je moet niet denken, Non,” begint nu de oude heer verteederd, „dat ik je dit verdriet niet gaarne zou bespaard hebben.... Ik heb gedaan wat ik kon... ja, toen alles reeds was afgehandeld, heb ik hem zelfs teruggeroepen en gevraagd of hij het dan ten minste niet veertien dagen in beraad wou nemen....”
„En?”
„O, hij maakte zich woedend, alleen bij de gedachte. Toen ik zijn jongen een zwartje noemde, werd hij zoo bleek als een doek. Hij wou naar geen rede hooren. Eindelijk heb ik gezegd dat hij naar den duivel kon loopen.... Dat vind je immers goed?”
„Goed? U hadt het wel wat beleefder kunnen uitdrukken,” antwoordt Cecile met een flauw lachje.
„Nu ja. Maar je bent het toch met me eens? Niet waar, poes, je zult je er niets van aantrekken?”
„Daar kent u me toch te goed voor, pa! Als hij zoo gemakkelijk afstand kan doen van mij, dat hij het niet eens in beraad wou nemen, zou ik dan om hem treuren?”
„En dat om zoo’n ellendigen njo, ’t is godgeklaagd!” roept de heer Haakstra nu. „Neen, het zou al te dwaas zijn als je er je iets van aantrokt, Non! Als je trouwen wilt, dan zijn er plenty goede partijen in de buurt. En mijn mooi meisje kan immers kiezen....”
„Maar ik had nu al gekozen, pa! En u weet, bedorven kinderen krijgen graag hun zin....”
„Ja. Maar Cile, hoe is het nu toch mogelijk? Je kent dien man nog geen veertien dagen en je zou voor hem je armen ouden vader gaan verlaten....?”
„Pa, niet aandoenlijk worden....!” zegt Cecile.