Part 1
INDISCHE HUWELIJKEN
DOOR
ANNIE FOORE.
Tweede Druk.
ROTTERDAM, D. BOLLE.
INHOUD.
Bladz. EEN EIGENZINNIG WEEUWTJE 7 WILLIE’S MAMA 39 GEKETEND 104
EEN EIGENZINNIG WEEUWTJE.
I.
Het is in het begin van den westmoesson.
De regen valt kletterend neêr op stoffige wegen; op arme inlanders, die te vergeefs beproeven zich te beschutten met die meest primitieve aller parapluies, een pisangblad; op pikolpaarden, wier wankelende tred en droef neêrhangende kop getuigen, dat hún tenminste niet kracht naar kruis gegeven wordt; op dichte bladeren, ruischend en suizelend, alsof ze elkaar vertellen wilden hoe goed ze doen, die frissche dronk, dat koele bad.
De regen, of eigenlijk nog meer de rukwind, die nu en dan den regen naar binnen slaat, heeft daar even de van Hoedts verjaagd uit de voorgalerij. Ze hadden zich juist verzameld om de theetafel en er moet bij het opbreken iets grappigs voorgevallen zijn; tenminste al de leden der familie lachen van harte en vooral de vrouw des huizes schijnt dolle pret te hebben in de aardigheid.
Mevrouw de weduwe van Hoedt,—de dikke dame in sarong en kabaai, die daar zoo uiterst gemakkelijk achterover leunt in haar uiterst gemakkelijken stoel,—is een der wel aangename verschijningen, die onmiddellijk op prettige gedachten brengen, als daar zijn: een goede tafel, een welvoorziene beurs en vooral een groote voorraad hartelijkheid, gereed om zich uit te storten in goedaardige glimlachjes, in vriendelijke woorden, maar ook in hulp en troost voor ieder, die ze mocht behoeven.
Haar beide dochters, nauw de kinderschoenen ontwassen en slechts opmerkelijk door wipneusjes en verbaasde ronde oogen, gieren het uit van pret; het jonge mensch, dat, zoo lang als hij is, op den divan ligt uitgestrekt, met het gefatigeerde gezicht en het lorgnet in zijn ééne oog, schijnt zich ook te amuseeren, in zooverre men dat ten minste verwachten mag van iemand, die er zulk een gefatigeerd gezicht op nahoudt.
„Kom, Jenny, lach je ook niet eens mee?” vraagt de oude dame, als ze eindelijk weer in staat is adem te halen, wat haar lang niet gemakkelijk valt na zulk een lachbui. „Nu, kijk eens op!”
De vijfde van ’t gezelschap—de jonge vrouw—tot wie dat vriendelijk woord gericht werd, heft nu haar gelaat op en glimlacht met dien glimlach, waarvan men gevoelt dat hij wel op de lippen, maar niet in het hart is.
„O, zeker, ’t is heel aardig, tante!”
De spreekster gaat haastig voort met hare bezigheid: het arrangeeren van bloemen in een pièce de milieu, dat heden avond prijken zal op de tafel van mevrouw van Hoedt.
„Wat dunkt u er van?” vraagt ze na een kleine pauze, en ze gaat iets verder staan om het effect te zien dat de prachtige bloemenschat te midden van kristal en zilver maakt.
„Beeldig! beeldig!” roepen de meisjes, terwijl mevrouw met goedhartigen glimlach haar goedkeuring te kennen geeft en de heer met het lorgnet langzaam uitbrengt: „Je hebt een talent van bloemenschikken en dineetjes arrangeeren, dat kolossaal is, nichtje. Je schiet maar in één ding te kort: je moest ze zelf bijwonen.”
„O, maar dat zal nicht nú doen! Niet waar, Jenny, vanavond kom je binnen?” roept de oudste der wipneusjes.
„Toe ja, doe het maar!” vleit de tweede; „het zou zoo prettig zijn. En als je dan woudt pianospelen, dan konden we na het eten wat dansen, ja?”
Eerst heeft Jenny eenigszins verwijtend den onvoorzichtigen neef aangezien, die blijkbaar spijt heeft dit onderwerp ter tafel te hebben gebracht; nu zegt ze met hooger blos, half gejaagd, half knorrig: „Neen meisjes, dat moet je me niet vragen. Ik wil graag alles in orde brengen voor het diner, maar bijwonen—neen, dat gaat niet, dat gaat niet!”
„Wat is dat, Jen?” vraagt mevrouw van Hoedt nu, en de lach wijkt een oogenblik van het prettig vollemaansgezicht. „Heb je me laatst niet beloofd, dat je mijn eerstvolgend partijtje zoudt bijwonen—en ga je nu terug krabbelen? Kom, meidlief, dat is maar gekheid, hoor! Dat wordt toch een beetje overdreven! Me dunkt waarlijk dat je schreien en treuren nu lang genoeg geduurd heeft!”
„Lang genoeg? O tante!.... ’t Is pas drie maanden dat hij dood is!”
Er is in den kreet iets zoo treurigs, zoo diep treffends, zoo alsof ze om genade smeekte, dat de zoon des huizes ontsteld opziet en de meisjes besluiten om maar naar de badkamer te gaan:—Ma wou misschien praten met nicht Jenny.
„Kassian, Ma,” zegt de jonge man als de zusjes zich uit de voeten gemaakt hebben, met een verwijtenden blik naar den kant zijner moeder.
„Kassian? Neen, dat is nonsens van je, Gerard! Niemand heeft meer kassian met Jenny dan ik, dat weet ze ook wel. En ik begrijp heel goed dat ze haar man betreurt; dat heb ik ook gedaan ....”
„Ja, Ma?” vraagt de zoon met zulk een ondeugenden trek op zijn bleek lusteloos gezicht, dat hij er tien jaar jonger uitziet.
„Nu ja, ieder doet dat op zijn manier,” zegt de moeder, volstrekt niet geërgerd door die vraag; „maar zooals Jenny doet, dat is overdreven. Om je man huilen is goed, maar het moet niet te lang duren, dan wordt het ongezond en....”
„En vervelend voor de huisgenooten!” barst de jonge weduwe eensklaps los. „Ja, tantelief, zeg het maar, ik weet het wel, het is voor u heel onpleizierig om in uw vroolijken kring nu reeds drie maanden lang zulk een treurig gezicht te hebben. O, ik wenschte....”
„Neen, kind, dat is het niet!” en de oude dame trekt haar zacht tot zich en drukt een echt moederlijken kus op het bewolkt voorhoofd. „Neen, je behoeft je om ons niet te geneeren! Maar, beste meid, geloof me, als ik je aanraad om je wat tegen de akeligheid in te zetten, dan doe ik dat voor je eigen bestwil, nergens anders voor. Arme Jen!” zegt tante nu, terwijl ze haar onder de kin streelt en in het betraande gezichtje kijkt; „je wordt zoo bleek en zoo mager.... En als het nu nog wat hielp;—maar er valt nu eenmaal toch niet meer aan te veranderen....”
Gerard, die reeds een paar maal ongeduldig de galerij heeft op en neêr geloopen, vindt nu het oogenblik gekomen om te zeggen: „Kom, Jenny, je bent niet oud en niet leelijk, je weet, dan kan een vrouw altijd nog pleizier hebben in haar leven.”
„O, Gerard! Och, zeg toch zulke dingen niet!” en het zacht gelaat trekt pijnlijk samen.
„Nu ja, nichtje, ik bedoel er ook niets bijzonders mede.... maar—de tijd slijt, zegt vader Cats, of iemand anders, daar wil ik afwezen.”
„En dit zeg ik maar,” roept mevrouw van Hoedt nu uit, „een mensch kan nooit zoo bedroefd wezen of op den duur wil hij wel vertroost worden.”
„Maar ik, ik wil niet vertroost worden, tante!”
Met fier gebaar heft de weduwe het gebogen hoofd op en herhaalt het nogmaals: „Ik wil niet vertroost worden,—hoe dikwerf heb ik dat reeds gezegd!”
De oude vrouw zet een gezicht, waarop goedhartig medelijden en ongeloof om den voorrang strijden.
„Nu, nu, houd je maar bedaard, kind! Dat is waar, arme meid, dat Léo een engel van een jongen was.”
„Ja,” zegt Gerard met warmte, „een ferme kerel, dat was hij! En u moogt er van denken wat u wilt, Ma; maar mij doet het goed, als ik zijn weduwe hoor zeggen dat ze niet vertroost wil worden.”
Daar Gerard vindt dat hij zich eenigszins gecompromitteerd heeft door zooveel gevoel te toonen, haast hij zich op forschen toon om zijn jongen te roepen, dezen een onverdiend scheldwoord naar het hoofd te gooien en op zijne beurt voor geruimen tijd in de badkamer te verdwijnen.
„Dat doet je goed, ja?” zegt de oude dame nu, terwijl ze met een wereld van goedhartigheid in den blik, haar zachte hand over die van Jenny heenstrijkt.
„Ja, tante! Och, u zijt allen zoo vriendelijk voor me, zoo hartelijk en lief!”
„Nu, wees jij dan ook eens lief en doe nu wat we allemaal zoo graag hebben, dat je deedt. Kom aan dat diner straks. Ik heb geen pleizier, Jenny, als ik denken moet, dat jij daar alleen zit te treuren. En de meisjes hebben ook geen rust, dat weet je wel! En.... wat het ergste is, er moet muziek zijn vanavond.”
„Misschien wil Gerard wel spelen.”
„Gerard? Och kom, die is na den eten tot alles ongeschikt,” zegt de moeder met een glimlach, die bewijst dat ze deze eigenaardigheid van haar zoon, evenals zijn andere eigenaardigheden, geenszins te misprijzen vindt.
„De meisjes dan?”
„O, dat weet je wel, die zijn veel te maloe, die raken in de war! Kom, Jenny, een mensch moet niet egoïst worden in zijn droefheid; pak je eens aan, wees eens flink! Geloof me, het zal je goed doen. Men moet zich zoo niet toegeven.... Nu, beste meid, wil je tante voor één keer dat pleizier niet eens doen?”
Ze beloofde het. Ze had zooveel verplichting aan de brave ziel, die in dagen van smart een moeder voor haar geweest was, dat ze haar niets weigeren kon.
Tante, op dit groote punt gerustgesteld, moest nu nog even zich gaan overtuigen, dat er niets in de war liep bij kokkie, dat het goed ging met het dekken der tafel, dat de kwee en de agar-agars gelukt waren.—Haar hart was wel twintig pond lichter, toen ze dat alles in de beste orde vond.
Neen, daar hebben ze geen flauw begrip van, onze Amsterdamsche kooplui met hun kolossale fortuinen, zelfs onze Haagsche aristocraten met hun fijnen kunstsmaak niet, hoe het er uit kan zien bij ons, Indischluidjes, als wij partij geven.
’t Is zoo, misschien waren we, een paar jaar geleden, maar arme drommels, die niet gedroomd hadden ooit partijen te zullen geven; misschien gaan we over een paar jaar met een mager pensioentje naar Holland, om het daar, in den Achterhoek, diep te betreuren dat we ooit partijen gaven; maar toch,—als we het doen, dan ziet onze woning er onbeschrijfelijk lief en feestelijk uit, veel feestelijker dan het deftigste granietsteenen gebouw op Keizers- of Heerengracht, bij een dergelijke gelegenheid.
Dáár verkondigt alleen wat meer licht in de gang, het verdubbeld stel witte kuiten, en de gesloten vigilantes die nu en dan komen aanrollen, den voorbijganger dat er gasten worden verwacht, terwijl de zware voordeur zich zoo voorzichtig ontsluit om die gasten in te laten, alsof men vreesde dat er iemand zou kunnen binnendringen, die niet tot de uitverkoren clique, tot de deftige genoodigden behoort.
Hier, bij ons Indischlui, is op zoo’n avond het geheele huis, met al zijn opengeslagen deuren en vensters, al zijn goed verlichte galerijen en kamers, al zijn bedienden, al zijn voorraad van dranken en ververschingen, gesteld ter beschikking van de gasten.
Het met bloemen beplante erf wijst als van zelf den weg naar de vroolijk verlichte villa, en de heer des huizes ontvangt zelf de gasten, die door de open rijtuigen worden aangebracht, aan het bordes, om ze bij zijn vrouw of dochters te brengen.
Niet deftig en geregeld maar in prettige wanorde bewegen de dames zich, bijna allen jong, of ten minste jeugdig gekapt en gekleed, door de ruime gaanderijen, en terwijl de heeren gezellig hun sigaar rooken en een kop koffie gebruiken, zooals die in Holland niet geschonken wordt, schoolt de inlander samen voor het erf om te luisteren naar die vroolijke klanken, de muziek en het gelach, om uren lang stil te staan kijken naar het woelig tooneel, dat met zijn bloemen en lichten, zijn beweeglijke gestalten en schitterende tinten zooveel bonte verscheidenheid schenkt.
Ook de ruime, modern gebouwde woning der van Hoedts ziet er allerliefst, bijna uitlokkend uit op dezen avond.
Er is maar één kamer in de villa waaruit geen licht naar buiten straalt, één kamer, waarvan de jaloezieën gesloten en de deuren gegrendeld blijven, hoewel de gasten reeds drukker en drukker komen aanrijden.
Hier mocht niemand binnenkomen; hier durfden zelfs de huisgenooten niet aantikken, om nicht Jenny te herinneren aan haar belofte.
De wipneusjes keken elkaar met hare ronde oogen nog eenigszins verschrikter aan dan gewoonlijk, toen ze in haar witte japonnetjes langs die kamer heenliepen; de gastvrouw hield een oogenblik op in bewondering van haar zwartfluweelen kleed, om zachtjes een „kassian” te fluisteren; Gerard mompelde iets van het altijd „beroerd” te vinden, als iemand bij hem aan huis zijn eigen zin niet kon doen.
’t Is goed ook, dat die deur gesloten blijft, al was het maar om de stemming der gasten. Immers, ze mogen het niet vermoeden, wat daar omging in het hart der jonge vrouw, die straks in hun midden zal verschijnen, om het hare bij te brengen tot het welslagen van den avond. ’t Is goed, dat die deur gesloten blijft; immers, niemand mag het weten, waarom het gelaat, dat de groote toiletspiegel weerkaatst, zoo telkens bleek en rood wordt; waarom die boezem zoo jaagt en hijgt, terwijl ze hem in het keurslijf besluit; waarom die vingeren zoo beven, als ze de blonde lokken om het hoofd slingert.
Wat haar zoo bitter grieft, het is dat dezelfde vrouw, die eenmaal Léo’s liefste tante was, er nu reeds op durft aandringen dat ze afleiding zoeken zal; wat haar het fiere bloed naar het voorhoofd jaagt, het is dat vernederend denkbeeld dat ze niet meer vrij is, vrij om te treuren en alleen te zijn, wanneer ze dat verkiest.
„O ja, ze hebben me gehuisvest en gevoed,” roept ze uit in de overgroote bitterheid harer ziel; „maar hebben ze daarom het recht me te dwingen mee feest te vieren, als mijn hart breekt onder zijn wanhoop; hebben ze daarom het recht me te plaatsen in hun voorgalerij als meubel, dat ze zich hebben aangeschaft tot amusement van hun gasten?”
Tante heeft haar lijfmeid binnen gezonden, met den last te helpen, en de goede Niam maant Mevrouw aan toch voort te gaan met kleeden: al de menschen zijn er reeds.... Jenny gehoorzaamt met koortsachtige haast, maar zonder eenige belangstelling, tot ze eindelijk in den spiegel een slanke gedaante in rouwgewaad, een droevig bleek gezichtje en een paar groote brandende oogen ziet. Zuchtend vraagt ze de meid om een waaier;—dan kan ze ten minste dat gezicht, dat eenmaal het zonnetje van tante’s partijen was, verbergen.
Maar moet ze dan waarlijk naar vóór gaan, waarlijk zich begeven te midden dier feestvierenden, dier dames, nog gelukkig in het bezit van haar echtgenooten, dier heeren soms zoo meedoogenloos in hun spotternijen?
Ja, ze moet het doen. Mevrouw van Hoedt, met al haar goedhartigheid, al haar inschikkelijkheid, zou nu toch boos worden! Immers—Jenny heeft het reeds vóór heden avond bespeurd—’t duurt tante wel wat heel lang met nichtjes droefheid. De goede vrouw was in een opwelling van medelijden alles geweest voor haar; geen moeite, geen opoffering, geen kosten waren gespaard voor Léo’s weduwe: maar nu.... het was al drie maanden geleden!
En drie maanden is een lange tijd om te treuren en te klagen en mede te weenen met de weenenden!
In de eerste smart is dat niet moeilijk; ge valt de bedroefde om den hals; ge zegt, dat ze bij u een thuis heeft; ge roept het uit, dat de arme man zoo goed en lief was en dat ge altijd zooveel van hem hebt gehouden; ge verzekert, dat ze bij u geheel vrij is, dat ze doen kan wat haar het beste voorkomt...
Maar—er zijn niet veel sterke gevoelens, die na verloop van drie maanden niet een weinig verflauwen, en het medelijden behoort zeker niet tot de weinige, die tegen den lijd bestand blijken.
Mevrouw van Hoedt was eigenlijk een weinig teleurgesteld. Natuurlijk dat Jenny bedroefd was en maar liefst alleen thuis wou blijven; natuurlijk dat ze in het begin stil en teruggetrokken bleef en niet meêlachte met de anderen:—maar dat alles zou wel overgaan met den tijd.
Maar de tijd was gekomen en het was niet overgegaan; integendeel, Jenny, de eenmaal zoo vroolijke, levenslustige Jenny, die altijd zoo goed was geweest om den „boel aan den gang te helpen,” ze zat daar neer, alsof de geheele wereld haar onverschillig was geworden, alsof ze nooit meer zou kunnen lachen, veel minder ooit weer den boel aan den gang helpen op tantes partijen.
Ziet ge, dat was ijselijk onplezierig, vooral in een kring als die, waarvan mevrouw van Hoedt het middelpunt uitmaakte, een kring, waarin elken morgen de vraag wordt opgeworpen: „Wat zullen we nu vandaag eens doen om pret te hebben?”
Dubbel onplezierig in een familie, waarin enkele weduwen gevonden worden, die niet zoolang getreurd, neen, zelfs spoedig naar een plaatsvervanger uitgezien hebben.
Jenny doet verkeerd, vindt haar tante. Dat lange treuren is goed in Holland, waarde menschen nog onder weduwkappen loopen, maar Indië is er het land niet voor.
In het laatste heeft ze gelijk.
’t Valt moeilijk om lang te blijven treuren in Indië. Elken morgen komt het blijde daglicht uw kamer binnen stroomen met nieuwe beloften van genot en geluk; elken dag worden deuren en vensters wijd geopend om vriendelijken zonneschijn en frisschen bloemengeur en vroolijke gasten binnen te laten; elken avond worden tal van lampen ontstoken om gezellige tooneeltjes te verlichten; ja, zelfs de nachten zijn opwekkend met hun zachte koelte, hun vriendelijke sterren.
Maar er is een knagende pijn, die niet verdoofd wordt door al het gerucht en geraas der bedrijvige wereld; er is een leegte in het hart, die niet kan worden aangevuld met al de bloemen en zonnestralen der aarde; er is een treurigheid, die al de scherts en vroolijkheid der menschen niet kunnen wegnemen.... En die wonen in den boezem der jonge weduwe, welke thans, met een glimlach om de bleeke lippen, de helder verlichte voorgalerij binnentreedt en vriendelijk en innemend de gasten harer tante begroet.
II.
„Uw nichtje heeft wel gelijk, dat ze in den rouw is gegaan,” zegt de dame met de hooge jukbeenderen en het loensche oog, die aan Gerard’s linkerzijde is geplaatst.
„Och ’t is eigenlijk een dwaasheid in ons warm Oostje! Mama heeft er genoeg tegen gepreekt, maar—ze was er op gesteld.”
„En òf ze gelijk had! Het dragen van zwart, te pas of te onpas, is een geheim, waarmede de blondines haar voordeel weten te doen.”
„Om u de waarheid te zeggen geloof ik, dat mijn nichtje tegenwoordig al heel weinig om die soort van dingen denkt,” antwoordt Gerard koel, „daar is ze veel te bedroefd voor.”
„Zoo? Is ze nog bedroefd? Wel, men zou het haar zoo niet aanzeggen; ze amuseert zich nog al, dunkt me, vanavond. Maar komaan, meneer van Hoedt, daar moeten we nu ook niet al te veel van denken; u weet, er zijn twee dingen, die men in Indië niet verwachten kan: eerlijke dispensjongens en ontroostbare weduwen.”
„Dat er geen ontroostbare weduwnaars zijn, zou ik eer gelooven, altijd in aanmerking nemende hoe hartelijk de vrouwen soms wezen kunnen,”—en de heer van Hoedt keert zich eenigszins bruusk van de spreekster af naar zijn andere buurvrouw, een lichtgetint nonnaatje, met gazellenoogen, die hem heel lief zouden aanzien, als ze maar durfden.
Iets verder op is de jonge weduwe ook het onderwerp van discours.
„Ja, mijnheer Verweijt,” zegt de vrouw des huizes, erg in haar schik dat alles zoo uitmuntend marcheert—„dat moogt u wèl zeggen; mijn nichtje is erg afgevallen!”
„Maar ze is er niet minder mooi om; in mijn oog ten minste. Dat vrouwtje heeft van kind af zoo iets liefs, zoo iets interessants gehad....”
„Ja, ’t is een fijn gezichtje.—En, verbeeld u, die wil zich nu gaan opsluiten als een non! Neen, ik ben het eens met Gerard—u weet, die kan soms zoo aardig uit den hoek komen—die zeî van middag tegen haar: „Kom, nichtjelief, je bent niet oud en niet leelijk, en dan kan een vrouw altijd nog plezier hebben in haar leven!”
„Zeker! zeker! Nu, maar dat zal ze zelf ook wel begrijpen, denk ik?”
„Neen, ziet u, dat is het juist! Zij wil maar stil zitten treuren en zich nergens vertoonen. Ik verzeker u, dat ik haar half heb moeten dwingen om binnen te komen vanavond.”
„Zoo, zoo? Wel, u doet verstandig met haar niet toe te geven in die overdreven idées. ’t Zou zonde en jammer zijn, als zoo’n mooi, jong ding nu de wereld reeds vaarwel zei. Kassian, ze begint haar leven pas!”
Mijnheer Verweijt laat telkens weer zijn blik heendwalen naar het mooie weeuwtje, en vraagt dan schijnbaar onverschillig: „Hoe lang is haar man dood?”
„Ja.... pas drie maanden! ’t Is nog niet lang, maar och, een jaar is gauw om, en.... als de tijd maar eenmaal daar is, dan, dáár durf ik voor instaan, minnaars bij de vleet!”
„Het moet een bijzonder gelukkig huwelijk geweest zijn?” vraagt de heer Verweijt op denzelfden onverschilligen toon.
„Ja, Léo was een beste man! Maar wat zal ik zeggen? Er zijn nog meer goede mannen in de wereld. En—als men geen blanc-manger krijgen kan, moet men zich maar met maizena-podding behelpen!”
Op den inval van deze eenigszins grove aardigheid kwam mevrouw van Hoedt, doordien op dit oogenblik juist de podding werd gepresenteerd, die de plaats van de mislukte blanc-manger moest vervullen. Glimlachend verklaarde nu de gast, dat hij dol van maizena hield en er werd niet meer over Jenny gesproken. Alleen knikte tante haar nu en dan eens bemoedigend toe; ook gaf ze van tijd tot tijd signalen, dat ze toch vooral het discours moest trachten levendig te houden, daar het aan dat gedeelte der tafel, waar zij geplaatst was, wel eenigszins begon te verflauwen.
Mevrouw van Hoedt heeft zich anders niet over haar nichtje te beklagen; Jenny lacht; ze ledigt zelfs herhaaldelijk haar glas om toch maar te kunnen wezen, wat men van haar vraagt: geanimeerd!
Geanimeerd? Terwijl dat gevoel haar aangrijpt met alles overmeesterende kracht, dat gevoel, alsof ze op moest vliegen en vluchten, vluchten ver van al die vreugde, ver van al dat geraas, om in haar eigen stille kamer neer te knielen voor zijn portret en hem te zeggen, dat het niet háár schuld is! Niet háár schuld, als die opgewonden heeren hun bewonderende blikken op haar durven richten; als ze lachen en schertsen moet en antwoorden op de vleiende woorden, die haar zoovele beleedigingen schijnen; niet háár schuld, als de wangen gloeien en de oogen schitteren van overspanning, en ze er daardoor zoo goed uitziet dat ze de algemeene aandacht trekt; niet háár schuld ook, zoo ze daar straks het gesprek heeft aangehoord, dat haar met vurige letters in het hart brandt, van die jongelui die een pari aangingen, dat haar weduwstaat niet lang duren zou....
Eindelijk is het diner afgeloopen; de meeste heeren blijven nog even nazitten; de dames verspreiden zich in vóór- en binnengalerij; de jonge meisjes hebben op zich genomen voor het presenteeren van koffie en thee te zorgen, en Jenny trekt zich in een eenigszins vergeten hoek terug. Ze hoopt een oogenblik aan zich zelve te worden overgelaten.
Maar neen, dat mag niet wezen. Nauwelijks heeft ze een boek of plaatwerk—ze weet niet eens wat het is—opgenomen, om zich daarachter te verschansen, als een grijs heer haar in het oog krijgt en dadelijk op haar toetreedt.
Het is een goede kennis, ze heeft hem nog niet gesproken na Léo’s dood; zijn hartelijke handdruk en lieve manier van troosten verzoenen haar een weinig met de stoornis.
„Wel, wel, mevrouwtje, wat hebben we dáár van opgehoord! Wie had kunnen denken, dat zoo’n flinke, krachtige man mij, oudje, nog vóór zou gaan! Mijn vrouw was er ook heelemaal ontdaan van; ze heeft u geschreven, niet waar?”
„Ja, een heel lieven brief! Mevrouw moet niet denken dat ik er haar niet dankbaar voor ben, maar ik kon niet antwoorden!”
„Wel zeker niet! Wie zou in zulke dagen ’t zoo nauw nemen? We hadden alleen graag eens iets van je gehoord; wat je plannen waren en hoe je achterbleeft. Jullie waart toch in een levensverzekering?”
„Neen.”
Een pijnlijke blos vliegt haar naar het hoofd.
„Wat? En geen pensioen? Niets? Goede God, hoe is het mogelijk? ’t Is toch verschrikkelijk, die jonge menschen van den tegenwoordigen tijd, zóó je vrouw achter te laten!”
De blos is verdwenen van Jenny’s gelaat en het staat strak en koud. „Ik ben volkomen tevreden, mijnheer, over de manier, waarop mijn man me heeft achtergelaten. Dat hij in geen levensverzekering is gegaan, was mijn wensch; ik had altijd gedacht, dat ik niet zou kunnen leven, als hij sterven moest.”
En ze keert zich van den ouden heer af, die eenige malen het hoofd schudt, eenige malen zijn kopje thee opneemt en vergeet te drinken, en eindelijk zich voorneemt eens aan zijn vrouw te vragen of ze daar niet wat aan doen moeten?