# In Roemenië De Aarde en haar Volken, 1906

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/in-roemenie-de-aarde-en-haar-volken-1906-13869/index.md

Het klooster van Horezu werd gesticht in de laatste helft der 17_de_ eeuw door Constantin Brancovan, voorlaatsten inlandschen woiwode van Walachije, die in het geheim er naar streefde, zijn land van het turksche juk te bevrijden en door de Bojaren aan den sultan werd overgeleverd. Hij stierf te Konstantinopel den marteldood.

Uit de verte lijkt het klooster een middeleeuwsch kasteel, met zijn grooten toren en de overblijfselen van versterkingen. Maar pas heeft men het binnenplein betreden, of alles verandert van aanzien.

Prachtige boomen werpen er hun schaduw over de gebouwen, welker bovenverdiepingen uitkomen op een rijke zuilengalerij, en naast de vroegere appartementen van den vorst springt een keurig klein paviljoentje naar voren.

De kerk staat, als bij de meeste kloosters hier, midden op het plein. Zij is in zeer zuiveren romaanschen stijl opgetrokken, naar ons wordt verzekerd. Feitelijk is het de byzantijnsche, eenvoudig en streng van aanzien, zonder overlading met versierselen. Het portaal is rijk versierd met schilderwerk op gouden grond. Dit mooie kerkje diende met dat van Curtea de Arges als model voor het roemeensche paviljoen op de laatste parijsche tentoonstelling.

Op den weg naar Romnicu waren verscheiden dorpen feestelijk getooid. Er is iets origineels in die kalme feestelijkheden, in dolce far niente gesleten. De vrouwen groepeeren zich aan den eenen kant van den weg, de mannen aan den anderen. Als de tijd voor dansen daar is, voegen zich de groepen te zamen, en men kan zich moeilijk iets bekoorlijkers voorstellen dan die aardige dorpstooneeltjes. Maar de menschen zijn uiterst beschroomd en verlegen, en als men van hun pleizier getuige wil zijn, moet men de grootste discretie in acht nemen.

Wij houden stil in het dorp Tomsani; en omdat het moet, maar ook om de stijfheid uit onze beenen te loopen, leggen wij te voet een visite af in het klooster van Bistritza.

Dat uitstapje, zoo hoog geprezen door onze gidsen, en waarvan het heette, dat er een uur mee gemoeid was, kost ons drie volle uren. Daar wij het midden op den dag waren, in de brandende zon, worden we er haast wanhopig onder.

Maar er is veel schoons in het dal te bewonderen. Hooge, met bosschen bedekte bergen omsluiten den horizon en langs den weg staan boerenhoeven, waarin en waaromheen alles welvaart ademt. Op de rustieke binnenplaatsen zijn in de dichte schaduw vrouwen in haar bijbelsche kleederdracht bezig. Ze hebben volle klossen in de hand en spinnen de voor 't huisgezin bestemde wol.

Maar de aanblik dier bekoorlijke tooneeltjes stelt mij niet schadeloos voor de vermoeienis, die de slecht gebaande weg mij bezorgt, een weg vol kuilen en zonder eenige schaduw.

De abdij van Bistritza, tegenwoordig in een militaire school herschapen, bezorgt ons een heele ontgoocheling. Bij 't binnenkomen krijgt men den indruk van een imposant gebouw, doch het is stijlloos en, laat ons het maar zeggen, onbelangrijk. De dienstdoende officier is daarvan zoozeer overtuigd, dat hij zich ertoe bepaalt, ons een bezoek aan den waterval voor te stellen, die in een holte van de rots achter het klooster neerschuimt. Na de teleurstelling, zoo juist ondervonden, lacht ons die tocht niet toe, en wij keeren haastig op onze schreden terug.

Wij ontmoeten een boer, die na wat heen en weer praten erin toestemt, ons zijn karretje te leenen en zijn paard, terwijl zijn buurman ons een pony zal bezorgen, om de zaak volledig te maken. De kar is een soort van birdj; twee planken, aan beide kanten met touwen vastgemaakt, zijn de banken en bij wijze van tapijt hebben we een dik bed van geurig hooi.

Wij rijden hortend en stootend weg. Bij elken modderpoel, en er waren nog al zoo eenige, worden wij door elkander geslingerd, en tot tweemaal toe werd onze koetsier, een kereltje van een jaar of vijftien, buiten den wagen geworpen; maar hij klemt zich vast aan den dissel en springt weer vlug op zijn plaats met een lenigheid als van een eekhoorn. Wat ons aangaat, wij klemmen ons aan de banken vast met het vooruitzicht, ons als geradbraakt te zullen voelen, wanneer we onze plaats van bestemming hebben bereikt.

Plotseling, _krak_, gaat het, _krak_! De achterbank is gebroken, daar liggen wij op het hooi onder in den wagen. In dien hopeloozen toestand vindt ons eindelijk onze koetsier van Horezu, die, ongerust over ons lang uitblijven, ons tegemoet gereden was, zoo ver als de slechte toestand van den weg het hem vergunde.

Tusschen Pomsani en Romnicu is het landschap prachtig, vol dichterlijke woestheid. Het is een reusachtige steenwoestijn, waar wij doorheen moeten. De hooge keten der Karpathen blijft ons links op zij, en de voorbijgangers zijn al even zeldzaam als de woningen langs den weg. Zwervende honden loopen er rond, en enkelen zagen wij bezig bij het lijk van een onderweg achtergelaten paard. Er is in het landschap iets sombers en doodsch. Eerst als wij het dal der Olt naderen, begint de streek er anders uit te zien, en de groote kruisen, aan den weg geplant, toonen dat er dorpen in de buurt zijn en dat de woestijn ten einde is.

Bij een dier dorpen houden wij stil vóór een boerenherberg, die er vrij onzindelijk uitziet. Bij den ingang liggen bloedende resten van de slacht, en honden, veel honden zwerven er rond, om zich op die walgelijke prooi te werpen.

Maar in het dal der Olt wordt het landschap vroolijk en vriendelijk, en aan den horizon verrijzen met bosschen bedekte bergen. Boerenwagens, met vurige kleine paardjes bespannen en overhuifd door een grooten kap, komen uit de stad terug en uit de wijde vooropening kijken aardige, kleine, bruine gezichtjes, waar groote, zwarte, intelligente oogen uit lichten. Iets verder toonen zware karren met blokken steenzout, dat wij in de nabijheid der beroemde zoutbergwerken van Ocna zijn. Wij hadden ons voorgesteld, er een bezoek te brengen; maar reeds valt de avond, en om zes uur worden de zoutwerken gesloten. Wij zullen bovendien nog gelegenheid hebben, die van Slanic in Prahova te zien, die, naar het heet, de belangrijkste en mooiste uit Roemenië zijn.

Het stadje Ocna, waarvan wij spoedig de eenige en zeer breede straat doorrijden, schijnt wel druk en aantrekkelijk. Mag ik het bekennen? Na het slechte logies van de laatste dagen voelen we ons een beetje treurig, dat wij hier niet bij de geneugten van Ocna kunnen blijven, tusschen die lachende villa's, waar elegante menschen op de balkons en veranda's te zien zijn. Wij hebben echter pas onzen spijt onder woorden gebracht, of daar zijn we alweer in het open veld tusschen gescheurde en vuile en gelapte tenten, waaromheen een dichte menigte Zigeuners krioelt. Zij zien er verbazend woest en onheilspellend uit, en hun optreden verschilt veel van de zachtheid en goedmoedigheid der Zigeuners, die wij tot nu toe in Roemenië hebben ontmoet.

Na drie kwartier rijdens komen we in Romnicu. Dat is een echt roemeensche stad. De hôtels met hun galerijen langs de eerste étage, gebouwd om binnenpleinen als echte, oostersche karavanserai's; de theaters in de open lucht, waar drama's en vaudevilles worden opgevoerd; de restauraties, waar Turken met reukwerk uit het serail rondgaan; tot de nachtwachts toe, die met geregelde tusschenpoozen een scherp en snijdend gefluit doen hooren, dat in de slapende stad de echo's wekt juist als 't geroep der schildwachten in vestingen, dat alles geeft aan Romnicu een zeer bijzonder karakter.

Geleund tegen het gebergte, ziet het stadje de rijke vlakte van de Olt vóór zich uitgespreid met reuzenvelden van tarwe en maïs. Roemenië brengt, naar men weet, in overvloed koren voort en voert jaarlijks een massa daarvan uit. Maar de boeren bebouwen het land slecht; ze verbranden mest en vertrouwen enkel en alleen op de vruchtbaarheid van den grond. Daar zij buitendien in 't geheel geen begrip hebben van sparen of van zuinigheid, komt er, indien de oogsten door overstrooming, hagel of droogte mislukken, dadelijk hongersnood in het land.

In Servië is bij een wet van 1889 vastgesteld, dat in elke landelijke gemeente gemeenschappelijke voorraadsschuren moeten worden aangelegd, die bestemd zijn de gevolgen van schaarschte aan voedingsmiddelen te voorkomen, en die in geval van oorlog ook moeten dienen voor de behoeften van het leger.

Ieder belastingplichtig Serviër moet jaarlijks 90 K.G. maïs en evenveel kilo's graan storten. Als een boer door het een of ander ongeval gebrek heeft aan levensmiddelen, ontvangt hij van den gemeenschappelijken voorraad wat hij voor voeding en zaaisel noodig heeft, op voorwaarde, dat hij het volgend jaar teruggeeft, 't geen hij voor zijn oogenblikkelijke behoeften in voorschot heeft gekregen.

Die instelling bleek van onbetwistbaar nut in den servisch-bulgaarschen oorlog en bij de overstroomingen van 1897, die even noodlottig waren voor Servië als voor Roemenië. Bij de Roemeniërs echter vond men niets van dat alles, en dit gebrek aan voorzorgen plaatst hen op een lager standpunt. Gelukkig is thans een wetsontwerp aangeboden in den geest der servische wet.

Graan is niet het eenige uitvoerartikel uit het district Romnicu. Deze geheele hoek van de Karpathen bezit mineralen in overvloed, goud, zilver, kwikzilver, ijzer, koper, arsenicum en lood; maar tot nu toe worden die schatten bijna niet geëxploiteerd.

Van Romnicu uit wordt meestal het uitstapje gemaakt naar den pas van den Rooden Toren. Die weg is te allen tijde de groote strategische route naar Walachije geweest; hij gaat over de Alpen op de plaats, waar zij hun grootste hoogte bereiken en waar zij den indruk van de grootste woestheid maken. Het is de natuurlijke weg voor invallen in het land, en Trajanus volgde hem, toen hij de Daciërs overwon, evenals de Turken er gebruik van maakten bij de verovering van Hongarije.

Die lange bergpas, waar wij door zullen gaan, is door alle eeuwen der geschiedenis heen telkens getuige geweest van heldhaftigen strijd. Maar van dat verleden vol bloed en vol glorie zijn nu nog maar zeer weinig sporen over.

Vier lustige paardjes, vóór elkander aangespannen, brengen ons in vier-en-een-half uur bij den Rooden Toren, op 64 K.M. afstands van Romnicu. Bij 't verlaten der stad heeft men een zeer ruim uitzicht over het dal van de Olt, dat op die plek bijzonder breed is. Daarna nadert men snel de donkere Karpathen, en welkom is het oponthoud in het aardige, kleine stadje Calimanesti, bekoorlijk gelegen en met minerale, zwavelhoudende bronnen in de buurt en andere, die staal en jodium bevatten, zoodat ze jaarlijks een groot aantal badgasten lokken.

De kleeding der vrouwen heeft in dit deel van het dal een eigen karakter. Haar _castrinza's_ zijn met veelkleurige pailletten bestikt en fonkelen daardoor, als de zon erop schijnt, en haar sluiers, altijd van zeer licht en doorschijnend weefsel, vertoonen allerlei tinten; men ziet ze in groen en geel, in rose en bruin.

Dichtbij Cozia wordt het landschap grootsch; vulkanisch gesteente in zware vreemd gevormde rotsen komt tot dichtbij den weg. Wij passeeren het klooster van Cozia, welks kerkje op de rots ter linkerzijde troont, terwijl rechts zich de oude, nu gerestaureerde en in gevangenis herschapen kloosters verheffen. Voorbij Cozia sluiten hooge, steile rotsen den weg al nauwer in, terwijl de Olt ernaast voorbij bruist, zooals zij ons langs den geheelen pas zal blijven vergezellen.

Aan den anderen oever vestigt de koetsier onze aandacht op de nog zeer duidelijke sporen van den grooten, romeinschen weg op een grooten, afzonderlijk liggenden steen, die, van den berg losgeraakt, over de rivier hangt. Het is de Tafel van Trajanus. De legende zegt, dat boven van dien steen af, waar hij zijn tent had opgeslagen, Trajanus toezag op het voorbijtrekken van zijn zegevierende legioenen.

Arenden zweven boven onze hoofden en dalen langzaam op en tusschen de verbrokkelde rotsen om ons heen. Dichte boomen overschaduwen den eenzamen weg, en de zeer in 't nauw gebrachte Olt bruist en schuimt als een woedende bergstroom.

De weg behoudt dat woeste en grootsche karakter over een afstand van 17 à 18 K.M. Het is altijd de strijd tusschen den stroom, die zich een doortocht banen wil, en de rots, die hem den weg verspert. Vandaar de tallooze bochten en kronkelingen, die wij hebben te volgen in den loop van de rivier.

Daarna treden langzamerhand de bergen weer terug, en armoedige dorpjes krijgen ruimte aan de kalmer geworden Olt. Daar ligt vlak aan de rivier een ruïne van een romeinsch fort, waar een herberg zich geïnstalleerd heeft. Hooger, op den top van een heuvel vindt men de overblijfselen van het kasteel Landskron, van waar het gezicht op het dal buitengewoon prachtig is. Veel kudden ossen, buffels en schapen vinden er uitstekende weiden. Wij komen nu bij de Fogarasbergen, den Surul en den Negoï met scherpe toppen, waarvan de uitgetande vormen somber afsteken tegen een donkeren onweêrshemel. Bij een vernauwing van het dal doen zich, gekleefd aan de rots en over den weg hangend, de ruïnen voor van den Rooden Toren, die zijn naam aan den bergpas heeft gegeven. Volgens de legende was dat fort eenmaal zoo rood van het bloed der Turken, dat de witte muren onder de roode kleur als verdwenen, en ter herinnering aan dien bloedigen dag heeft men de muren helder rood geverfd.

Romnicu is 34 K.M. verwijderd van Curtea de Arges, dat herinnert aan Radu Negru, den eersten woiwode van Walachije, die in 1244 er zijn hof, _curtea_, aan de rivier de Argis vestigen kwam. Hij is echter niet, zooals de overlevering wil, de stichter van het klooster, dat niet hooger dan tot 1512 opklimt. De kerk, gebouwd door Radu Negru, is de "Biserica Domneasca," vorstelijke kerk, in het midden der stad gelegen. Zij dreigt in puin te vallen, en daar ze noodzakelijke reparaties moet ondergaan, wordt zij aan alle zijden gestut.

Maar de parel van Curtea is de prachtige, witte kerk, die schittert onder haar vergulde koepels en, een kwartier van de stad verwijderd, op een alleenstaanden heuvel ligt, de kerk namelijk van het klooster en waarvan beweerd is, dat zij alleen de reis naar Roemenië waard was.

De schepper van dit architectonisch kunstwerk, waarin de byzantijnsche kunst iets moois geleverd heeft, met herinneringen aan arabische en perzische bouwwerken, is vorst Neagu Voda Bessaraba, die in 1513 in Walachije regeerde. In zijn jeugd werd hij als gijzelaar mee naar Konstantinopel genomen. De sultan vatte genegenheid voor hem op en liet hem in de bouwkunde onderrichten door een man van talent, Manoli de Niaesia, met wien hij o.a. een der groote moskeeën van Konstantinopel bouwde. In zijn land teruggekeerd, ontwierp hij de kerk van het klooster. Hij gebruikte er een zeer fijnen zandsteen voor uit de in de buurt zijnde groeven van Albesci.

Behalve haar kerken heeft Curtea de Arges weinig aantrekkelijks voor den vreemdeling. Monniken met lange haren en lange baarden ziet men overal loopen. Hun kleeding is onberispelijk en vormt een sterke tegenstelling met het armoedig aanzien van de monniken der andere kloosters. Zij treden echter zeer eenvoudig op, spreken graag met het volk, dat groote achting voor hen schijnt te koesteren en hen met den diepsten eerbied behandelt.

In de eenige straat van de stad wordt op het oogenblik een groote vischmarkt gehouden. Er waren hoopen kolossale karpers onder zware blokken ijs, karpers, die de Donau bij het hooge water van de laatste dagen in haar zijtakken heeft opgestuwd en die toen spoedig in de netten van de visschers zijn geraakt. Die visschen, waarvan het gemiddeld gewicht tien à twintig kilo bedraagt, worden in groote mooten verkocht. Men betaalt 30 centimes per kilo.

Wij moeten nog een tocht maken, voor we te Boekarest komen, namelijk naar Kampolung. Gewoonlijk gaan de reizigers daarheen per spoor over Pitesci en Golesci; maar wij geven de voorkeur aan den rijweg, die afwisselend en eigenaardig moet zijn.

Om half acht 's morgens zijn we voor de expeditie gereed. Nauwelijks zijn we een uur onderweg, of wij ondervinden een reeks van teleurstellingen. De rivieren, door de laatste regens verbazend gezwollen, zijn niet over te trekken, omdat een paar bruggen zijn weggeslagen, en wij moeten een lastigen omweg maken en toch nog per rijtuig door de bedding van een stroom gaan, waar het water zoo hevig bruist, dat wij kans loopen meegesleurd te worden. Rondom ons is niets dan een zeer armoedige streek, de hoeven en hutten en kapelletjes zijn in den treurigsten staat van verval, en men vraagt zich af, of de een of andere ramp dit stukje aarde geteisterd heeft, waar niets overeind staat en alles aan vernieling schijnt prijs gegeven. Buiten een paar visschers, die naar de rivier zijn afgedaald en groote netten vasthouden, zien wij geen enkelen bewoner. Eerst bij Domnesci begint er weer leven in de omgeving te komen.

Dat is intusschen slechts een arm dorpje, doch bij gelegenheid van den Zondag zijn allen er op hun mooist uitgedost. Zoodra wij onze photografietoestellen voor den dag halen, gaan ze op de vriendelijkste manier om ons heen staan. Wij hebben slechts een wenk te geven, en de brave menschen plaatsen zich in een groepje, blij voor ons te mogen poseeren. Er zijn zelfs enkele jongelui, voor wie het objectief zooveel aantrekkelijks heeft, dat ze ons op den voet volgen, zoodat wij genoodzaakt zijn listen te gebruiken, ten einde hen niet op al onze cliché's terug te vinden. De dorpskerk, sierlijk overschaduwd door een groep groote boomen, staat op een plein, waartoe een poort van eigenaardigen stijl toegang geeft. Ofschoon die poort bij een ellendig dorpje, verloren in de bergen, behoort, is zij versierd met bekoorlijke engelen-figuurtjes en beelden van heiligen met opschriften en bloemslingers, werkelijk van kunstzin getuigend. Ze zijn afkomstig van rondtrekkende kunstenaars, die, door dezelfde figuren herhaaldelijk te maken, er groote geoefendheid in kregen.

De pope van het dorp stak den weg over en kwam juist bij zijn huis met een brood onder den arm. Hij zag er zeer armoedig uit in zijn verkleurd geestelijk gewaad en met zijn hooge, bruine muts, zoodat wij instinctief onze camera op hem richtten. Maar 't was of een beschroomde eerbied ons weerhield tegenover die waardige en fiere armoê, die zich voor onze blikken scheen te willen verbergen. Die dorpsgeestelijken zijn brave, waardige menschen, niet geleerd, meestal bemind bij hun medeburgers, wier droevig lot zij deelen, maar op wie zij gewoonlijk weinig invloed hebben.

Als men de hellingen van het dal van Domnesci bestijgt, bespeurt men bijna op den top van een berg de schitterende koepels van een dorpskerk. Dat is de kerk van Slanic, een net en sierlijk dorpje, dat sterk afsteekt tegen de armoedige en weinig bevolkte streek, die wij pas zijn doorgereden. Dit heele dorpje is een beeld van welvaart en opgewektheid. Groote boerderijen bestaan uit veel gebouwen met flinke binnenpleinen, waar alles goed is onderhouden. Mooie jonge meisjes loopen af en aan, in huishoudelijke drukte, te midden van kippen, eenden en kalkoenen, op 't oogenblik de eenige aanwezige dieren. Gedurende den geheelen zomer is het groote vee afwezig; het graast in vrijheid op de bergen, 's Avonds wordt het binnen omheiningen opgeborgen zonder eenige beschutting tegen het weder.

Zoodra wij Slanic achter ons hebben gelaten, begint weer de eenzaamheid. Herders met hun kudden en troepjes arbeiders, die onder boomen liggen te rusten van den zwaren veldarbeid, zijn de eenige levende wezens, die wij onderweg ontmoeten op het laatste traject, dat ons nog van Kampolung scheidt. De weg loopt door een reeks van poëtische dalen op de Karpathenhellingen, en in de verte zien wij de koeien grazen in de schaduw van forsche berken. Links altijd de wazige en blauwe keten der Transsylvanische Alpen. Maar nergens huizen of hutten, en rondom doodelijke stilte. Eindelijk, tegen vier uur in den namiddag, rijden wij Kampolung binnen.

Dat is een aardige plaats, al belangrijk ten tijde van Radu Negru, den stichter van het vorstendom Walachije. Er bestaan nog slechts enkele sporen van het oude vorstelijk paleis, maar het groote klooster, dat hij aan den ingang van de stad liet bouwen, bestaat nog, al heeft het groote veranderingen ondergaan. Een 40 M. hooge en 6 M. breede romaansche toren geeft toegang tot het binnenplein van het klooster. Die imposante toren, welks stijl den invloed van de Longobarden in de herinnering roept, heeft veel karakter. Het is dan ook een der oudste en beroemdste monumenten in Roemenië. De stad is zoo zindelijk, ligt zoo mooi, en de lucht is er zoo opmerkelijk zuiver, dat jaar op jaar veel burgers uit de groote steden er den zomer komen slijten.

Van de hoogten rondom het plaatsje heeft men een prachtig bergpanorama voor oogen. Wij zijn hier zeer dicht bij de Karpathen, en de dalen, die daarvan uitgaan, zijn evenveel aanleidingen voor afwisselende uitstapjes. Het stadje, hoewel niet groot, heeft toch zijn Zigeunerwijk, een heele straat, niet ver van het klooster. Wat dat een zonderlinge straat is, vooral tegen den avond, als alle woningen wijd openstaan en de roode schijnsels van hun smidsvuren naar buiten werpen, waar schoone vrouwen in lompen, maar met prachtige zwarte oogen in het bleeke gelaat en engelachtige halfnaakte babies voor heen en weer loopen. Groote, magere mannen met gebronsd gelaat slaan in de helle verlichting van de vuren het ijzer; anderen bewegen de blaasbalgen. Dit is de werktijd van die paria's, want hun zware arbeid is niet doenlijk tijdens de hitte van den dag, en eerst tegen het vallen van den avond wordt het levendig in die wijk.

Het uitstapje naar den pas van Dimbo-viciora is de verplichte aanvulling van elk verblijf te Kampolung. Die kloof is een der beroemdste en meest bezochte van dit deel der Karpathen.

Van Kampolung af is het een aanhoudende reeks van prachtige uitzichten, vreemde horizons, waar de bergketenen achter elkander schuiven tot in de verste verte. In het dorp Rocaru rijden wij over de Dimbovitza, die wij naast ons zullen houden op den weg tot aan de grot van Dimbo-viciora. De witte rots, die opstijgt uit de bedding en geheel met groen begroeid is, vormt een aardige omlijsting van dit mooie riviertje met kristalhelder water.

Dan naderen wij snel den hoogen, verweerden muur, die ons al eenigen tijd het uitzicht beneemt en waarin wij den ingang moeten zoeken van de beroemde kloof. Pas zijn wij er binnen getreden, of een wondermooi schouwspel treft ons oog. Torens en spitsen en ruïnen van schoone, lichtrose tint staan om ons heen in de engte der spleet en boven ons hoofd hangen slingers van groen langs de steile wanden.

Bij den uitgang der kloof wordt het landschap rustiger; wij zien er weiden en enkele houten hutten. Bij een dier laatste houden wij stil, en een jonge knaap geleidt ons naar de grot van Dimbo-viciora, weer door een doolhof van rotsen. De opening van de grot ligt in een woeste omgeving, maar de geestdriftige beschrijvingen, die men ervan leest, zijn overdreven en wij vinden haar nauwelijks een bezoek waard. Een paar bergbewoners met dunne kaarsen bieden aan, mee te gaan; men verwacht iets fantastisch en ziet niets dan een hol van 15 à 20 M. diepte, met enkele stalactieten en geelwitte stalagmieten.

Na dit uitstapje, waarvan enkele gedeelten aan de Bastei in Saksisch Zwitserland herinneren, bezoeken wij een klein bescheiden nonnenklooster, de abdij van Namaesci, dat door deze bijzonderheid gekenmerkt wordt dat de kerk geheel is uitgehouwen uit een monolieth. Alleen de toren en een klein voorportaal zijn metselwerk. Al het inwendige is in de rots uitgehouwen, waar men overheen kan loopen en waar men een prachtig panorama vóór zich ziet. Wij zeggen Kampolung vaarwel. Een zijlijn van den spoorweg voert ons naar Golesci, waar wij de groote lijn naar Boekarest terugvinden.

III.

Boekarest, aanzien van de stad.--De zoutmijnen van Slanic.--De petroleumbronnen van Doftana.--Sinaïa, wandeling in het bosch.--Busteni in het kroondomein.

