In Roemenië De Aarde en haar Volken, 1906
Part 2
Mannen en vrouwen te paard gaan naar de stad; spiernaakte kinderen vluchten bij onze nadering. De dorpen worden grooter; de huizen zijn netter onderhouden, en op de palen van de afsluitingen staan allermerkwaardigste potten en vazen omgekeerd, om uit te lekken en te drogen. Aardewerkfabricatie is inderdaad een der belangwekkendste takken van de roemeensche klein-industrie. Er worden zelfs markten van aardewerk gehouden, en men vraagt zich af, hoe de Roemeniërs zoo'n oneindige verscheidenheid van gebruiksvoorwerpen kunnen aanwenden.
Bij den ingang der stad waren geheele gezinnen aan den wegrand gezeten, in een kring op den grond gehurkt in volkomen sans gêne. Zedigheid is waarschijnlijk niet de hoofddeugd der roemeensche boerinnen; misschien ook bestaan er daar andere begrippen op dat punt dan bij ons, en het is waar, dat hoe meer men het Oosten nadert, des te inschikkelijker wordt men voor het déshabillé.
Wij zijn te Targu Jiul, de eerste belangrijke plaats in Roemenië. Het is een stad van 3000 inwoners, waar een school in aanbouw de aandacht trekt, omdat zij als modelschool aangewezen wordt.
Het hôtel, waar wij afstappen, ziet er zeer goed uit en, hoogst aangename verrassing, de eigenaar spreekt Fransch. Maar wij moeten nu kennis maken met de roemeensche keuken! O, die roemeensche keuken! Zure soepen, waar een half dozijn sardines in drijven. Is dat niet iets, om u op slag den gretigsten eetlust te benemen?... Geen roastbeef, noch biefstuk.... Runderen worden niet geslacht; zij dienen enkel als trekdieren. Varkens loopen op straat rond, maar ze worden evenmin geslacht, in den zomer ten minste niet, onder voorgeven, dat het vleesch maar twee of drie dagen goed blijft. Kippen krijgt men meer dan genoeg, maar die welke ons aan tafel werden voorgezet, zijn magere beestjes, zoo hard gebraden, dat ze bijna geheel uitgedroogd zijn. Schapenvleesch, trossen gekookte maïs en een gerecht, dat koukouroute heet, schijnen de meest aanbevelenswaardige onderdeelen van 't menu.
In de hôtels eet men met muziek. Als gij een orkest van Zigeuners treft, hoort ge woeste, heftige, hartstochtelijke muziek; hebt ge een roemeensch orkest, dan blijven vuur en gloed achterwege, om plaats te maken voor klacht en melancholie. Het is om te schreien, zoo droevig; 't is in muziek omgezette smart.
Midden in den nacht worden wij gewekt door een hevig onweêr, zooals er bij ons zelden voorkomen. Het is een opeenvolging van lange, witachtige bliksemstralen, uitgaande van alle punten van den horizon tegelijk en, in éénen door, de markt en de straten der stad met licht overstroomend. Tegelijkertijd storten de watervallen van den hemel op de aarde neer, en de straten worden tot ware rivieren. 's Morgens waren de straten weer droog, en de lucht was zuiver en geurig.
Niettegenstaande den nachtelijken storm was van vier uur af de markt, die tegenover ons hôtel werd gehouden, buitengewoon druk en levendig. Men kan zich niets aardigers en schilderachtigers denken dan die markten, waar de bewoners uit de naburige dalen samenkomen. Die laatsten komen naar de stad in met een paar ossen bespannen karren, of op den rug van een muilezel, door de vrouwen bereden op dezelfde wijze als door de mannen. Zij hebben vaak een reeks van een vijftiental bijeengebonden kippen bij zich, die er erbarmelijk uitzien. Enkele vrouwen komen op de markt met leêge handen; maar met zeer gevuld jakje. Als ze ter plaatse zijn, steken ze de hand vóór in hun halfgeopend gewaad, dat daar trouwens altijd voor zak dient en halen er, 't zij een kip, 't zij een eend uit; ik heb er zelfs gezien, die uit die bergplaats een speenvarkentje voor den dag haalden, dat daarna moederlijk in de armen werd gedragen.
Doch het origineelste zijn zij, die uit de stad terugkeeren met de meest uiteenloopende voorwerpen in haar geïmproviseerden zak. Die hangt dan zwaar omlaag op den boezelaar, en maakt bij elke schrede een rinkelend geluid van aardewerk of men hoort er den triomfkreet van een haan uit opstijgen, die op de markt een koopster heeft gevonden. De vrouwen staan of zitten er langs de trottoirs met haar koopwaar vóór zich. De verkoop van de producten is niet zeer winstgevend. Men betaalt 30 centimes voor een kip, 10 centimes voor vier eieren, en 15 centimes voor vier liter wijn. Toch zien ze er niet uit, of ze gebrek lijden. Ze zijn vroolijk en vriendelijk en gaan naar de markt als naar een feest.
Haar kleeding, van onberispelijke netheid, is tevens niet onelegant. Zij dragen een zeer wijd linnen hemd, versierd met borduursel van blauwe en roode wol. Vóór en achter wappert een boezelaar, de catrinza, van wol met breede strepen. In andere plaatsen hullen ze zich bij wijze van japon in een stuk geweven stof, die zeer stijf is en rijk versierd met motieven in kleuren. De jonge meisjes loopen altijd blootshoofds met een op den rug hangende vlecht. Alleen de getrouwde vrouwen dragen over het hoofd en de schouders een sluier van zeer lichte stof en in enkele steden hebben zij een mannenhoed op, die niet zeer gracieus staat.
De kleeding van de mannen herinnert aan de oude dracht der Daciërs, zooals zij op de Trojanus-zuil is weergegeven. Zij bestaat uit een hemd van grof linnen, om het middel bevestigd met een breeden leêren gordel, die voor zak dient. Onder het hemd wordt de linnen broek gedragen, gewoonlijk sluitend van de knie tot den enkel.
De Roemeniër uit het laagland, vooral de Walach, heeft zwarte oogen, een gebronsde tint en een zacht, sterk sprekend gezicht. Nog in onze dagen vertoont hij de sporen van het droevig lot, dat hij zoo lang heeft moeten dragen. Hij is tegelijk beschroomd, geduldig, bijgeloovig en fatalistisch.
Al vroeg in den morgen wacht onze met drie paarden bespannen victoria aan de deur van het hôtel, en na ons van mondvoorraad voor den dag te hebben voorzien, gaan wij op weg naar Tismana.
Het landschap, waar we door rijden, is zeer schilderachtig. Op dichte groepen hoog eiken hakhout langs den weg volgen de groote wouden, reuzenbosschen, waar de boomen prachtige afmetingen erlangen. De dorpen zijn armoedig en vuil, en het geeft een bedrukkend gevoel, te rijden door die vruchtbare dalen der Karpathen, en te constateeren, dat er alle sporen van werkzaamheid ontbreken. Maar de arme heeft in dit land bijna geen behoeften; hij heeft maïs in huis en uien en brood, een brok zout en kaas, en hieraan heeft hij genoeg. Het bosch levert hem hout en zijn kleêren worden thuis door de vrouwen gesponnen, geweven en genaaid. Elke woning heeft dan ook haar weefgetouw. Van hennep wordt het grove linnen gemaakt, waaruit in hoofdzaak kleederen van mannen zoowel als van vrouwen zijn vervaardigd. Gesponnen wol dient voor het maken der lakensche mantels voor de boeren en voor huishouddekens. Met meekrap of lakmoes gekleurd, dient die wol ook voor het weven van de veelkleurige boezelaars, die de vrouwen dragen en voor de versiering van de linnen hemden met allerlei curieuse en artistieke borduursels.
Ik kan hier nog bijvoegen, dat tot op den leeftijd van zes à zeven jaar de meeste kinderen geheel naakt loopen, wat practisch en zuinig moet heeten. Des avonds alleen trekt men hun een hemdje aan tegen de koude van den nacht.
Vlak bij Tismana ontmoeten wij talrijke groepen, los en vrij op den grond gelegen vóór hun deuren. Als bij instinct staan ze op, als ze ons zien naderen en blijven staan als teeken van eerbied, tot we voorbij zijn. Die groepen zijn voor 't meerendeel Zigeuners.
De oorsprong van dit eigenaardige ras is lang een punt van strijd gebleven. Het schijnt tegenwoordig vast te staan, dat ze uit Hindostan afkomstig zijn. Oude charters, die te Tismana teruggevonden zijn, spreken al van Zigeuners, die in de 14de eeuw in slavernij naar Walachije werden gekracht.
Werkelijk zijn de Zigeuners in Roemenië eeuwen lang in een toestand van smadelijke dienstbaarheid gehouden, terwijl ze overal elders reeds de vrijheid hadden gekregen. Zij bleven het eigendom van den staat, de Bojaren en de kloosters tot 1827, het jaar van hun bevrijding. Hun aantal is betrekkelijk gering; in heel Roemenië komen er tegenwoordig niet meer dan 260000 voor.
Onder al de wisselvalligheden van hun treurig bestaan hebben de Zigeuners hun type, hun taal en hun gewoonten behouden. Het type is zeer bijzonder en is merkwaardig zuiver door de eeuwen heen bewaard gebleven. De taal, die zij spreken onder elkander, is een hindoesch dialect, dat veel op eenige sanscrietsche tongvallen gelijkt. Eerst sedert hun vrijverklaring komen gemengde huwelijken tusschen hen en Roemeniërs voor. Ze hebben een ovaal gelaat en prachtige, schitterende, zwarte oogen. Het zeer zwarte haar laten zij als een bos groeien en nooit maakt het kennis met een kam. De neus is recht, met een lichte arendswelving; de tanden behouden hun schitterende witheid in alle omstandigheden, zelfs bij het overmatig gebruik van tabak, waaraan mannen en vrouwen zich overgeven.
Velen van hen zijn landbouwers en anderen beoefenen het smids- of het koperslagersbedrijf. Maar ze zijn vooral muzikanten, en zonder eenige theoretische kennis brengen ze met veel gevoel en uitnemend talent de liefelijkste melodieën ten gehoore.
Wij gaan nu door bekoorlijke boschjes, waar aan alle kanten beekjes onder de struiken ritselen, zooals zij neergedaald komen van de naburige hoogten en den stoffigen weg met hun gemurmel begeleiden.
Links van ons wordt het landschap beheerscht door het klooster van Tismana, zooals het daar leunt tegen den dichtbegroeiden berg en op een vooruitspringend gedeelte van de rotsen is aangelegd. Een waterval vloeit schuimend onder het klooster naar beneden en stort zich met één sprong in het dal, waar hij nog trillend van den val in de diepte, zijn loop vervolgt tusschen de donkere boschjes naast ons.
De abdij van Tismana, die vroeger zoo beroemd was, bezit thans geen anderen rijkdom meer dan zijn prachtige ligging en heerlijke omgeving.
Een vijftiental monniken leiden er nog een armoedig bestaan. Sinds de secularisatie van de kloosters in 1864, dat is dus sinds den tijd toen zij beroofd werden van hun bezittingen en kostbaarheden, bepaalt de regeering zich ertoe, aan elken monnik 70 centimes per dag te geven voor hun voeding en 50 francs per jaar voor kleeding. De rijke sieraden en kostbare ikons zijn hun afgenomen en worden thans tentoongesteld in het museum te Boekarest, waar ze hun typische belangrijkheid natuurlijk hebben verloren. Er heerscht dan ook groote ellende in die kloosters, en de cel van een der monniken, waar men ons heen brengt, om van het prachtig uitzicht te genieten over het dal, is een akelig verblijf met geen andere meubels dan een stroozak.
Vroeger, in den tijd van hun grootheid, toen herbergen in Roemenië iets onbekends waren, boden de mannen- en de vrouwenkloosters de ruimste gastvrijheid aan, en vriendelijk werd ieder vreemdeling opgenomen, die aan hun deur klopte.
Zij waren zelfs het doel geworden voor kortere of langere uitstapjes, en de burgerij uit de steden kwam er samen, om er den zomer te slijten. Er slopen allerlei misbruiken in bij dat leven van wereldsche ledigheid, dat daar langzaam aan binnendrong in het kloosterleven en dat zelfs, naar het schijnt, een der redenen was van de secularisatie der kloostergoederen. Tegenwoordig, nu de monniken het armoedig hebben en zelf alle werkzaamheden op het veld moeten verrichten, zijn de kloosters stil en verlaten geworden. Enkele kalme gezinnen, die de hitte in de vlakte willen ontloopen, komen er nog wel eens rust en koelte zoeken. De monniken verhuren hun kamers, maar zij bieden niet anders aan dan een legerstede in die ruimten. De logés moeten zelf in al hun andere behoeften voorzien.
Men komt het klooster binnen langs een vierkant voorplein, waar men de gebouwen ziet, bestemd voor de vreemdelingen. Er zijn op dit oogenblik twee welgestelde families uit Krajowa, waarvan de dames ons vriendelijk als tolk dienden bij den portier, een prachtigen monnik met lange haren en zwarten baard.
Er is een tafel neergezet in het klooster ten gebruike van de vreemdelingen die hun ontbijt in het klooster wenschen te gebruiken. Maar wij mochten ons inderdaad gelukkig achten, omdat wij er aan gedacht hadden proviand mede te nemen, en niet vertrouwd te hebben op den regel, die al zeer oud is en die de kloosters verplicht vreemdelingen drie dagen lang te herbergen en te voeden. De portier, die ons bediende, had zelfs geen brood ons aan te bieden. Alleen had hij ronde, harde, platte beschuiten als enorme medailles, met een afbeelding van het klooster op den eenen en een van den patroon der abdij Sint Nicodemus op den anderen kant.
De monniken houden zich bezig met de eenvoudigste en meest vermoeiende werkzaamheden; maar zij behouden zelfs bij het nederigste werk een waardigheid, die eerbied afdwingt. Armoede is geen schande.
Zij belijden den orthodox griekschen godsdienst. Tot 1864 was de kerk onderworpen aan het patriarchaat van Konstantinopel; sinds dien werd zij een onafhankelijke, nationale kerk. Haar hoofd is de metropolitaan-primaat van Roemenië, die te Boekarest resideert. De roemeensche geestelijkheid wordt in twee categorieën verdeeld, de monniken van den H. Basilius, die aan het celibaat gebonden zijn, en de wereldlijke priesters, die mogen huwen. Uit de eerste categorie alleen wordt de hooge geestelijkheid gerecruteerd. Zelfs onder het turksche protectoraat zijn de Roemeniërs er in geslaagd, het verdrag te doen eerbiedigen, waarbij het verboden was moskeeën op hun grondgebied te bouwen. Nooit hebben de Turken, het zij tot hun eer gezegd, de minste poging gedaan, om dat verbod te overtreden.
II.
Het klooster van Horezu.--Uitstapje naar Bistritza.--Romnicu en de pas van den Rooden Toren.--Van Curtea de Arges naar Kampolung.--Pas van Dimbo-viciora.
Op 25 K.M. af stands van Targu Jiul ligt het klooster van Horezu, onmiddellijk bij het stadje van denzelfden naam. Daar de weg nog al vermoeiend is, heeft men voor ons gewoon klein rijtuigje vier paarden gespannen, alle vóór elkander. Wij volgen juist de tegenovergestelde richting van die naar Tismava; doch evenals gisteren rijden we langs de hooge bergen van de Karpathen en wij steken dwars over een eindeloos aantal dalen, die van de groote hoofdketen afdwalen, om zich in de roemeensche poeszta te gaan verliezen.
De dalen zelf zien er niet merkwaardig uit, maar bij elke hoogte ontdekken wij ruime vergezichten, die den tempel van dichterlijke melancholie dragen. Nu eens gaan we voorbij prachtige eikenbosschen, die kolossale hoogten bereiken, dan langs verrukkelijke berkenbosschen met zilveren stammen en levend loof. Wij houden halt, soms onder een boschje in de diepe schaduw bij een van die groote putten, wier eenige arm ten hemel wijst en waar onze arme paarden met lange teugen zuiver en kristal-helder water drinken, en dan weer bij een bescheiden dorpsherberg, waar we binnengaan, om ons eens te vertreden en ook om van die dorpsbinnenhuizen een voorstelling te krijgen.
En terwijl in de gelagkamer onze koetsier zijn fleschje tzuica drinkt, of pruimelikeur, die uit zeer kleine fleschjes geschonken wordt, in één teug te ledigen, brengt de waard ons naar de achterkamer, de eerezaal. Wij zien er als voornaamste meubel een divan, die als bed kan dienen en in den vloer is vastgeschroefd. Een mooi gestreept tapijt ligt erover en kussens met allerlei borduursels en roode en witte letters. Tegen de muren hangen chromolithografieën, afwisselend met groote strikken van wit linnen, op dezelfde wijze geborduurd en van initialen en datums voorzien. Er is in het geheele huis geen kast, noch in den muur, noch los in de vertrekken. Daarvoor in de plaats staan er langwerpige houten koffers of kisten naar turksch en servisch gebruik, waar men door elkaâr schoenen en vaatwerk en juweelen in bergt, kortom al wat men bezit.
De middenzaal wordt door het gezin bewoond. Men ziet daar de weefstoelen, dan divans, allerlei aardewerk, heel eenvoudig keukengereedschap en een langwerpige tobbe, in den vorm van een boot in een boomstam uitgehold. Die tobbe, die men in alle huizen terugvindt, bewijst de meest verschillende diensten. Het is de draagbare wieg der kinderen, de waschtobbe van de moeders en de etensbak der beesten.
In het algemeen koken de Roemeniërs bij mooi weêr in de open lucht, 's Avonds groepeeren zich geheele gezinnen om een vuur, waarop de mammaliga kookt, de nationale schotel, een dikke brij van maïsmeel in zout water gekookt, en tegen den nacht geeft het roode schijnsel van het vuur, dat al die witte gedaanten, die er zich omheen dringen, verlicht, aan het landschap iets sombers en dreigends.
De waard zet ons, na de honneurs van zijn huis te hebben waargenomen, zijn besten wijn voor, die _entre nous_ niet drinkbaar is, daarna brengt hij ons naar de plaats bij zijn huis, waar een soort van rad is opgericht, een russische schommel, hier het Groote Rad van de parijsche tentoonstelling in zijn eenvoudigsten en meest rustieken vorm. Men ziet die raderen nog al eens, zoowel in Moldavië als in Walachije.
De dorpen, die wij door trekken,--de weinige dorpen, zou men moeten zeggen, want het land is dun bevolkt,--lijken alle op elkander. Het zijn altijd dezelfde boerenhuizen, die men er ziet, met planken daken, en waar varkens van allerlei kleuren voor rondloopen met een driehoekigen ijzeren ring door den neus, dan ganzen en eenden en daartusschen naakte kinderen. Uit die hoeven stuiven vaak groote honden te voorschijn, die tegen het rijtuig blaffen en achter ons aan hollen, tot de koetsier met een flinken zweepslag hen tot orde en welvoegelijkheid roept.
De dorpskerken, alle gelijk, zijn in nieuw-byzantijnschen stijl opgetrokken en trekken van verre de aandacht door hun metalen koepels en hun hooge, achthoekige torens met groote boogvensters. Vele zijn van buiten met groote fresco's versierd, die er een zeer bijzonderen stempel op drukken. De kerkhoven, die meestal afgezonderd liggen te midden van de velden, zijn vol van zware byzantijnsche kruisen, beschilderd en versierd met vrome figuren op gouden fond. Ook langs den weg staan veel kruisen, die niets met graven te maken hebben, kruisen, die als in veel berglanden, door vrome geloovigen zijn opgericht. Zoo ziet men vaak een kruis naast een bron of zelfs wel bij een eenvoudigen put.
Op den middag houden we stil te Podovraj, een aardig plaatsje, middelpunt, van waar uit men verscheiden belangwekkende uitstapjes kan maken. Wij vinden er veel roemeensche familiën, die er hun zomerverblijf hebben opgeslagen.
De Roemeniërs gaan op eenvoudige en goedkoope manier _en villégiatura_. Zij hebben eigenlijk geen ander koel zomerplaatsje dan Sinaïa, de koninklijke residentie, waar de élite van 't gezelschapsleven samenkomt; enkele badplaatsen als Slanic in Moldavië en Calimanesti, en een paar deftige lustoorden in de bergen, als Kampolung, Ocna en nog enkele. Daarom gaan families met beperkte middelen, die de brandende hitte der vlakte willen ontvlieden, bij voorkeur naar de dorpen. Daar gaan ze een accoord aan met de eene of andere Zigeunerfamilie, die hun haar woning voor één of twee maanden afstaat. Men installeert zich dan in zoo'n primitief huis en brengt er de vacantie door te midden der bosschen en der woeste Karpathennatuur, gelukkig als er een herberg in de buurt is, van waar ze hun eten kunnen laten komen. In dien tijd kampeeren de Zigeuners hier of daar; die nemen het zoo nauw niet en hebben hun nomadenbloed behouden.
Te Horezu moesten wij de keus van ons logement aan den koetsier overlaten. Hij brengt ons in een soort van hoeve, die volkomen ledig is. Niemand in de herbergzaal, niemand in de kamers, waar wij haastig en tersluiks een blik in werpen. Maar alles ziet er zoo vuil, zoo afschuwelijk vuil uit, dat wij niet kunnen besluiten, er den nacht door te brengen en op de zoek gaan naar een meer passend verblijf. Na veel zoekens vinden wij een minder voorhistorische, zelfs bijna moderne herberg. De waard laat ons kamers zien, waar de bedden wel door divans zijn vervangen op roemeensche manier, maar waar de lakens van een witheid zijn, die een uitstekend voorteeken is.
Helaas! het voorteeken heeft bedrogen. Den geheelen nacht zijn de springende insecten in de weer. Noch ammonia, noch eau de cologne helpt er iets tegen en slapeloos brengen wij den nacht door.
Het stadje Horezu is bekoorlijk en druk. De huizen, minder op zichzelf staand dan te Targu Jiul, zien er beter uit met hun in de straat naar voren springende balkons. De bewoners, vooral de vrouwen, zien er vroolijker uit, hebben zelfs iets joligs. Des avonds dringen naar het eind van de hoofdstraat, waar wij logeeren, vreemde liederen tot ons door, gezongen door van het werk terugkeerende meisjes. Het zijn turksche melodieën met zeer bijzondere modulaties, en het gezang is werkelijk boeiend, zoo boeiend, dat wij de groepen volgen tot op het oogenblik, dat zij uit ons oog verdwijnen, altijd nog zingend en de echo's voortstuwend van hun trillers en hun hooge noten.
Op twintig minuten afstands van de stad ligt het klooster van Horezu. Men gaat per rijtuig langs den grooten weg tot aan den heuvel, waarboven de indrukwekkende steenmassa's van de oude abdij verrijzen. Daar wordt de weg zoo steil en steenachtig, dat wij te voet verder moeten gaan. Halverwege de helling zien we een monnik van gemiddelde grootte, die met ons den lijdensberg bestijgt. Wij gaan schrede voor schrede achter hem aan, zooals hij ons daartoe schijnt uit te noodigen met den vriendelijken glimlach, zich afteekenend onder den fijnen knevel, en spoedig betreden wij na hem het groote binnenplein van het klooster, waar op dit oogenblik veel menschen bijeen zijn. Een leekenbroeder treedt op ons toe, en na een korte samenspraak met den monnik, die ons had binnengeleid, wendt hij zich tot ons en zegt in zeer correct Fransch: "Mevrouw, de overste noodigt u uit in het salon te gaan." Wij waren grootelijks verrast. Wij wisten niet, dat het klooster van Horezu, dat ten allen tijde een mannenklooster was geweest, een nonnenklooster was geworden, de kleeding en de knevel van de overste hadden ons geheel op een dwaalspoor gebracht. Werkelijk is de kleeding van de nonnen in Roemenië volkomen gelijk aan die der monniken. Zij dragen dezelfde zeer ruime zwarte pij met wijde mouwen met een zwart wollen koord om het middel gesloten. Daaraan hangt de rozenkrans en op het hoofd hebben ze op de kortgeknipte haren hetzelfde stijve, ronde mutsje, iets lager echter dan bij de mannen.
Voor profane menschen, zooals wij, zou de vergissing noodlottig kunnen worden, te meer daar, toen wij de superieure ontmoetten, zij ongesluierd was. De sluier wordt alleen bij plechtige gelegenheden gedragen en bij het zingen in het koor.
Daar zij tegenover ons de plichten der gastvrijheid wil nakomen, gaat zij ons vóór naar de bovenverdieping en brengt ons in een eenvoudig salon, op oostersche wijze gemeubeld, dus langs den geheelen wand voorzien van breede divans. Een jeugdig nonnetje gaat naar turkschen trant rond met een blaadje, waar confituren en glazen ijswater op staan. Na eenige minuten pratens geven wij den wensch te kennen, eenige photografieën te nemen, waarna de overste dadelijk allen om zich verzamelt en wij ze weldra in plechtgewaad vóór den hoofdingang der kerk bijeen vinden.
De abdij van Horezu is een der indrukwekkendste en best in stand gebleven kloosters van Roemenië. Eertijds een mannenklooster, is het nu in een hospitaal veranderd onder leiding van grieksch-orthodoxe zusters. Men moet zich dan ook niet verbazen over den droevigen aanblik, dien op sommige tijden de pleinen en de toegangen van het klooster aanbieden. De menschelijke ellende in haar meest afzichtelijke vormen en van den meest weerzinwekkenden aard komt hier verlichting van haar lijden zoeken. De zusters ontvangen ieder van den staat niet meer dan 35 centimes per dag, terwijl de monniken het dubbele krijgen. De regeering beweert, dat vanwege den van haar gevorderden arbeid zij gemakkelijker in hun behoeften voorzien.