In Roemenië De Aarde en haar Volken, 1906
Part 1
In Roemenië.
Naar het Fransch van Th. Hebbelynck.
I.
Van Boeda-Pest naar Pétrozény.--Een stukje geschiedenis.--Het dal van de Jiul.--De Bojaren en de Zigeuners.--De markt van Targa Jiu.--Het klooster Tismana.
"Zijn de heeren ingenieurs?"
"Pardon, mevrouw."
"Inspecteurs van het boschwezen?"
"Ook dat niet; wij zijn gewone reizigers."
"Toeristen? Hier in Roemenië, en zonder dat er eenig voordeel van te halen is?"
"Geen ander dan de voldoening, interessante zeden en gebruiken waar te nemen, een mooi land te bewonderen en er aangename herinneringen uit mee te nemen."
Zoo ongeveer werden wij op een dag ondervraagd door een deftige dame, vrouw van een roemeensch generaal, die op een bekoorlijk plaatsje midden in het bergland van Walachije en villégiature was. Uit het gesprek blijkt wel, dat de toeristen tot nu toe Roemenië nog onbezocht hebben gelaten, en dat noch de Alpenclub, noch de agentschappen van Cook beslag hebben gelegd op de mooie bosschen van de Karpathen en de schilderachtige dalen, die van daar naar de Donau loopen.
Wij deden onze reis in de maand Augustus 1901. Eerst hebben wij het nog primitieve gedeelte van Roemenië doorreisd, dat tot in deze laatste jaren bijna precies gelijk gebleven is, als het twintig eeuwen geleden was en dat te vinden is in de bergstreken van Walachije. Vervolgens hebben wij een bezoek gebracht aan het moderne Roemenië, dat een industrieel land is, tegelijk met het nieuwe régime ontstaan en waarvan Boekarest de ziel is en het middelpunt.
De kunst heeft in Roemenië door de eeuwen heen slechts zeer zwakke sporen achtergelaten. Alle oude herinneringen, die men zou verwachten in een door de Romeinen gekolonizeerd land, zijn vernietigd geworden door den stroom van barbaren, die telkens over deze provinciën werd uitgegoten in de volgende twaalf eeuwen en die alles heeft weggevaagd en meegenomen. Alleen een paar kloosters, die in de Middeleeuwen onder de vorsten of woiwoden gebouwd werden en waarvan dat van Curte de Arges het beroemdste is, trekken tegenwoordig nog de aandacht. Maar de groote aantrekkelijkheid voor den reiziger is gelegen in het landschap, dat dikwijls grootsch en altijd poëtisch is, verder in de originaliteit der kleederdrachten en in de zeden der bewoners.
Wij vertrekken van Boeda-Pesth naar ons doel. Die stad, de heerlijke hoofstad van Hongarije, neemt sedert 1896 een plaats in onder de schoonste steden van Europa. Er werd in dat jaar door een schitterende tentoonstelling en door de inwijding van veel monumentale gebouwen o.a. het Parlementsgebouw feest gevierd ter eere van het duizendjarig bestaan van Hongarije. Het was tien eeuwen geleden, dat de Magyaren onder Arpad het land vermeesterden.
Bij het verlaten van Boeda-Pesth voert de trein ons door de vruchtbare vlakten van Hongarije, tusschen velden van blonde maïs, die eindeloos ver zich uitstrekken. Reusachtige bergen van koren zijn om de boerenhoeven gegroepeerd, waar dorschmachines aan het werk zijn, en waar men groote scharen arbeiders en arbeidsters, in 't wit gekleed, bezig kan zien. Verderop zagen wij tallooze kudden ossen met groote, wijd uitstaande horens; daarna varkens met lang krullend, zijdeachtig haar, die er onder zulk een vacht allerkoddigst uitzagen en die men, in de verte gezien, voor schapen zou houden.
In die hongaarsche vlakten kregen wij in de buurt van Arad voor de eerste maal tamme buffels onder de oogen. Terwijl de ossen in melancholieke stemming in de wei liepen, waren de buffels met welbehagen bezig, een bad te nemen in het lauwe water der rivier. Die dieren worden op hoogen prijs gesteld in Hongarije en Roemenië. Hun melk is uitstekend; ze zijn gehard tegen vermoeienis, kunnen even goed als ossen worden gespannen voor de karren en wagens der boeren, maar zijn uiterst gevoelig, zoowel voor warmte als voor koude, hebben in den zomer zeer veel noodig en moeten in den winter in speciaal voor hen bestemde stallen een onderkomen vinden. In Transsylvanië en in Roemenië, waar de winters streng zijn, stalt men ze dan ook onder de boerenhuizen in goed beschutte kelders.
Dit gedeelte van Hongarije, het gebied der poeszta's, is zeer dun bevolkt; maar de grond is er wel vruchtbaar en wordt goed bebouwd. De boerenhoeven zijn niet talrijk, maar er behooren uitgestrektheden land bij. Men doet er aan den grooten landbouw in elken zin des woords.
Maar daar zijn we bij de grenzen van de vlakte: we naderen de wouden van Transsylvanië. Te Piski, waar wij onze eerste indrukken krijgen van de woeste bergbewoners, die wij eenige dagen lang van dichtbij zullen kunnen waarnemen, verlaten wij den grooten weg, om in het echte bergland door te dringen en dat deel der zuidelijke Karpathen te bestijgen, dat in zijn geheele lengte slechts één enkelen natuurlijken doorgang biedt, namelijk de IJzeren Poort. Hoe hooger men komt, des te armoediger zien de boerenhuizen eruit. Het zijn allen huizen van leem, gedekt met wat riet of droge maïsstengels, en gegroepeerd om sjofele kerken, geheel van hout opgetrokken. Weldra verdwijnt ieder spoor van menschelijke woningen, en de weg neemt een echt grootsch karakter aan. Het leek wel een chaos, waar wij doorheen moesten.
De eene tunnel volgde op den anderen, en tegen de hellingen der rotsen waren met groote koenheid wegen in de bergen uitgehouwen. Het is avond geworden, als wij stil houden op enkele schreden afstands van de roemeensche grens in een gebied, waar steenkolen gevonden worden, en waar zich rotsen van 2500 M. verheffen. Wij zijn te Pétrozény. De stad ligt op eenigen afstand van het station. Slechts twee of drie fiacres, die dadelijk bezet zijn, staan er ter beschikking van de reizigers, en als een onbekende niet de buitengewone beleefdheid had gehad, om zeer gracieus zijn rijtuig aan te bieden, zouden wij den weg te voet hebben moeten gaan.
Twintig minuten, in vluggen draf door onze paarden afgelegd, en daar zijn we op het groote plein tegenover het voornaamste hôtel van de plaats, waar een vroolijk concert wordt gegeven ten genoegen van de élite der inwoners.
Tegen twee uur in den morgen worden wij met schrik wakker door geroep en kreten van wanhoop. Een reuzenvlam stijgt boven het groote plein omhoog. Een zigeunertent, tegen het hotel aangebouwd, is aan het branden.
Reeds wordt de achtertrap van het hôtel bedreigd, en het personeel stapelt, zonder er aan te denken, dat de reizigers gewekt moeten worden, de corridors vol met kasten, matrassen en tapijten. Met groote moeite banen wij ons een weg er doorheen, om het binnenplein te bereiken, waar wij veilig zijn voor de hitte van het vuur.
De bevolking van Pétrozény is voor een groot deel roemeensch. Maar daar het een industriëele stad is, zijn een menigte vreemde elementen zich onder de oorspronkelijke bevolking komen mengen. Daarom ziet men er naast de frissche en sierlijke roemeensche kleederdrachten een menigte menschen, wier kleeding van geen bepaalde nationaliteit is.
Het stadje is in 't minst niet origineel. Huizen van steen en andere, van leem opgetrokken, wisselen met houten huizen af, en uit elken gevel steken palen naar buiten, waaraan allerlei zaken heen en weer schommelen, hier een uithangbord, daar schapenhuiden, braadpannen, worsten, zelfs hemden. Het is een echte étalagewedstrijd.
Pétrozény heeft een onzindelijk voorkomen. De bewoners hebben geen andere coquetterie dan die van hun gesteven wit linnen. Bij de mannen zijn broek en overhemd van verblindende witheid, en de vrouwen dragen onberispelijke jakjes en sluiers. Alleen de Zigeuner veroorlooft zich linnen van twijfelachtige tint, en ik acht het niet onmogelijk, dat hij zijn onderkleêren pas aflegt als zij het afleggen, dat is, als ze in lompen uiteenvallen. Het inwendige der woningen ontbeert alle gerief. Deze menschen kennen zoo weinig behoeften, dat zij volstrekt geen begrip hebben van de rechtmatige eischen der weinige vreemdelingen, die onder hen verzeild raken.
Het marktplein vertoont een zeer eigenaardige soort van drukte. Men krijgt den indruk van op een groote boerderij te zijn. De ganzen en de varkens hebben er burgerschapsrechten; de laatste zijn er in allerlei verscheidenheden. Er zijn witte, zwarte en rossige in allerlei nuances en allerlei grootte, naarmate zij tot het moldavische of servische ras behooren, of moerasvarkens zijn, zooals men zooveel aantreft in de buurt van de Donau. Die belangwekkende dieren leven in vrijheid en zoeken eikels in de naburige eikenbosschen, waarmee de naburige hoogten bedekt zijn.
Volgens de statistische opgaven van het Ministerie van Financiën bestond de bevolking van Roemenië in 1894 uit vier millioen inwoners. Maar de berekeningen van den heer Stoerdza, die, naar men zegt, nauwkeuriger zijn, komen voor dienzelfden tijd tot 6100000 inwoners.
De geschiedenis van het roemeensche volk is die van een ongelukkige natie, die door onderdrukking, oorlogen en lijfeigenschap alle initiatief heeft verloren, een volk, welks verstand en wilskracht afgestompt zijn onder de eeuwenlange heerschappij der Turken.
Het tegenwoordige Roemenië, dat is Walachije, Moldavië en Dobroedsja, neemt de plaats in van het oude Dacië, dat door Trajanus op het eind der eerste eeuw van de christelijke jaartelling veroverd werd. Daar het land zeer dun bevolkt was ten gevolge van de vele oorlogen, bracht Trajanus er romeinsche kolonisten heen, die zich vermengden met de oorspronkelijke bevolking en het nog tegenwoordig bestaande ras der Daco-Romeinen of der Roemenen deden ontstaan. Later trekken Gothen, Hunnen, Bulgaren, Hongaren, Tartaren beurtelings door het oude Dacië, dat zij verwoesten en plunderen, en terwijl veel van die Daco-Romeinen over de Karpathen gaan en in Transsylvanië een schuilplaats vinden, stemt de andere helft van de jonge natie er na een wanhopigen strijd in toe, het terrein, dat zij den anderen niet weer kan afhandig maken, voortaan met hen te deelen.
In de 13_de_ eeuw overvallen de Tartaren Hongarije en Transsylvanië. Vluchtend voor hun barbaarsche horden, besluiten de Daco-Romeinen, die in Transsylvanië een toevlucht hadden gezocht, tot een nieuwen uittocht. Zij trekken opnieuw de Karpathen over en keeren naar hun vroeger vaderland terug. Radu-Negru, dat is Rudolf de Zwarte, hoofd der kolonne van Togaras, vestigt zich te Kampolung en wordt de eerste woiwode van Walachije, terwijl een ander hoofd, Bogdan geheeten, zich laat uitroepen tot woiwode van Moldavië. Zoo ontstonden de beide onafhankelijke romaansche of roemeensche vorstendommen, maar de onafhankelijkheid was niet van langen duur.
In 1393 wordt Walachije en in 1511 Moldavië een vazalstaat van de Turken. In den aanvang worden die provincies geregeerd door inlandsche hoofden onder de suzereiniteit van de sultans in Byzantium; maar in de 18_de_ eeuw zonden dezen er vreemde vorsten heen, gekozen uit de machtige grieksche financiers van Konstantinopel. Dat is de tijd der Fanarioten van 1716 tot 1822. Zij heeten naar Fanar, een wijk van het oude Konstantinopel, waar na de verovering door de Turken de Grieken bleven wonen. Bij hun troonsbestijging moesten de fanariotische vorsten buiten de gewone jaarlijksche schatting nog een belangrijke som aan de Porte opbrengen. Van toen af ging de bevolking gebukt onder zware lasten, en terwijl zij in naam haar vrijheid behield, werd zij op onmenschelijke wijze uitgezogen.
In 1820 echter werd de Roemeniër het juk moede; hij ontwaakte uit zijn dofheid en stond op tegen den sultan, eischend met een geestkracht, waartoe men hem niet in staat zou hebben geacht, zijn eigen inlandsch bestuur terug te erlangen, hetgeen geschiedde. Die vorsten wisten het nationaal gevoel te doen herleven, en na den Krimoorlog verwierven zij voor de roemeensche provinciën een betrekkelijke onafhankelijkheid, gewaarborgd door de mogendheden, die het verdrag van Parijs in 1856 hadden geteekend.
De vereeniging der provinciën werd in 1861 afgekondigd, en kolonel Couza werd tot vorst gekozen onder den naam Alexander-Jan I. Samen met zijn ministers kondigde hij tegelijkertijd de secularisatie van de kloosters af, die een vierde deel van al het grondgebied bezaten, en de afschaffing der slavernij van de boeren. Maar in 1866 werd hij gedwongen, afstand te doen van den troon, en de Kamers riepen, nadat zij tevergeefs een beroep hadden gedaan op Zijne Hoogheid den graaf van Vlaanderen, prins Karel van Hohenzollern tot vorst van Roemenië uit.
Bij zijn troonbestijging moest alles van voren af aan worden opgebouwd. De steden leverden een schouwspel van volslagen armoede op. Overal heerschten omkooping en diefstal. De vorst hield zich dan ook van het begin af bezig met de reorganisatie van de verschillende takken van staatsdienst, en in 1877, tijdens den turksch-russischen oorlog, was Roemenië reeds met groote schreden vooruitgegaan en kon een machtige steun zijn voor Rusland.
Het werd maar kaaltjes beloond voor zijn edelmoedige hulp. Men gaf Dobroedsja met de haven Constanza; maar in ruil moest Roemenië dat deel van Bessarabië afstaan, dat in 1856 verkregen was, en waar Rusland al sinds langen tijd een begeerig oog op hield gevestigd. Het is waar, dat tevens de volledige onafhankelijkheid van Roemenië door de verschillende europeesche staten werd erkend, en in 1881 verkreeg vorst Karel van Hohenzollern den titel van koning van Roemenië.
In dit geschiedverhaal wordt de uittocht van Fogaras door verschillende schrijvers tegengesproken. Zij houden vol, dat Radu-Negru slechts een legendarische persoonlijkheid is. Volgens hen zouden Tugomer Bassarab, die een dynastie in Walachije stichtte en zijn zoon Alexander Bassarab, die het volk van herders in een zelfbewuste, onafhankelijke natie herschiep, de grondleggers van den staat zijn.
Wij betreden Walachije langs den nieuwen weg, die door de Karpathen leidt en te Targu Jiul uitkomt. Daarna, als wij ons successievelijk hebben opgehouden in de kloosters van Tismana, Horezu, Curtea de Arges en Kampolung, begeven we ons naar Boekarest, de hoofdstad van Roemenië, van waar we een bezoek zullen brengen aan het petroleumgebied van Doftana en aan de mijnen van steenzout van Slanic. Wij zullen den tocht besluiten met Sinaïa, de poëtische residentie van Roemenië's souvereinen.
Tegenwoordig reist men in Roemenië nog per victoria, met twee, drie of vier paarden bespannen. Onder de kap is een ruime bergplaats voor alles, wat men kan noodig hebben onderweg, en er hangt een emmer aan, om den paarden te drinken te geven, want al die dingen kan men onderweg niet krijgen. De zak met maïs, waaruit de paarden gevoerd worden, die maïs in plaats van haver krijgen, bevindt zich naast den koetsier. De laatste neemt ook rijkelijk voorraad mee en is dan eindelijk wel zoo goed, uwe bagage op te laden.
De paarden zijn vlug en opgewekt en bestand tegen groote vermoeienis. Zij leggen 80, soms zelfs 100 kilometer per dag af en 10 kilometer per uur. De koetsiers hebben een eigen, bijzondere manier van hen aan te zetten, door de zweepslagen te doen vergezellen door woeste, zeer eigenaardige geluiden.
Voor vijf-en-twintig jaar was de victoria in het land onbekend; men reisde enkel met de _birdj_, het nationale voertuig, dat nu nog bij de boeren in gebruik is. Het is een kist van houten latten zonder veêren op vier wielen, aan de achterzijde is de onvermijdelijke bak voor berging en een groote huif is er overheen gespannen, ondersteund door breede hoepels. Door een smalle, lage opening stapt men er binnen en heeft daar dan als zitplaats zijn eigen bagage of een hoop hooi.
Het dal der Jiul, dat bij 't vertrek uit Pétrozény voor ons open ligt, werd langen tijd voor volkomen onbruikbaar gehouden, want zelfs de bergbewoners beschouwden het als onbegaanbaar, en om over dit deel der Karpathen heen te komen, gaven zij nog ondanks de hinderpalen van allerlei aard, de voorkeur aan het ruwe pad over den Vulkaan-pas. Maar door groote en vernuftige werken, voor 't meerendeel aangelegd door belgische ingenieurs, loopt er thans een der mooiste wegen door en een der veiligste uit de zuidelijke Karpathen.
Men rijdt er door een nauwe spleet, met aan beide zijden hooge bergen, die van boven volkomen kaal zijn en die in de lagere gedeelten met groote, nog niet geëxploiteerde bosschen zijn bedekt, waardoor de bergen een prachtig maar somber aanzien krijgen. Heel in de diepte van de kloof stuwt de hongaarsche Jiul, gevoed met de roemeensche rivier van dien naam, haar onstuimig water tusschen al de hindernissen door, die in de rotsachtige bedding in den weg komen. Nu eens in het nauw gebracht tusschen rotswanden, schuimt en bruist en springt de rivier voort; dan weer breidt zij zich rustig uit te midden van het groen, dat tot het water voortloopt.
Soms is de rivier zoo woedend, dat zij een stuk van den nieuwen, met groote kosten aangelegden weg met zich mee sleurt. Men kan in West-Europa zich geen denkbeeld maken van dat snelle wassen der rivieren, en het komt niet alleen in de lente voor, als de sneeuw op de bergen smelt, maar ook in het hartje van den zomer.
De weg is wel niet te vergelijken bij de wonderschoone wegen in Zwitserland, maar hij roept de herinnering wakker aan de mooiste dalen van Schwarzwald en Jura en heeft nog woester, grootscher karakter.
Dicht bij den uitgang van het dal staat in een omheinde ruimte het nederige klooster Naïch. Dat witte kloostertje, waarvan het aardige kerkje met de driedeelige vensters van buiten aan alle kanten met mooie fresco's is versierd, wordt op 't oogenblik nog door enkele monniken bewoond.
Weldra worden de bergen lager en staan verder uiteen. De Jiul, die niet langer door rotsen beperkt wordt, stroomt door een bedding, die tienmaal te breed is voor haar wateren, en de wouden verdwijnen, om plaats te maken voor gewoon bouwland. Eerst nadat wij dertig kilometer hadden afgelegd, ontdekten wij enkele houten huisjes met puntige daken op zijn Turksch en bedekt met planken van berkenhout. Hoe armoedig ze ook mogen wezen, alle huisjes zijn van elkander afgescheiden en zijn door een schutting omgeven. In Roemenië zijn, evenals in de meeste oostersche landen, levende hagen onbekend. Men maakt afsluitingen van planken of palen, van doode takken of van rijswerk. Die kleine boerenhoeven hebben, al zien ze er ook nog zoo ellendig uit, toch een echte verbetering gebracht in het lot van den Roemeniër. Hij heeft thans een eigen huis, een stal, een maïszolder, een varkenshok, terwijl hij te voren eeuwen lang onder de heerschappij der Bojaren gewoond heeft in holen, die twee meter diep in den grond waren uitgegraven en onder een dak van rijswerk met aardkluiten belegd. Voor elk van deze woningen ligt nu een veranda, waar het gezin des zomers slaapt, omdat de groote hitte het huis van binnen onbewoonbaar maakt. Des avonds worden er matrassen en dekens neergelegd, die 's morgens weer worden weggenomen.
Oudtijds wilde een vroom gebruik, dat ieder boer vóór de deur van zijn huis een schotel met water plaatste ten gebruike der voorbijgangers en der reizigers; tegenwoordig ziet men vóór elke hoeve een pomp, waarbij ieder naar welgevallen zijn dorst kan lesschen.
De monumentale deur, die de omheining afsluit, is een der sieraden van een roemeensch huis; men vindt zoo'n deur overal, bij de grootste, zoowel als bij de kleinste hoeven, bij de villa's en bij de kloosters. Die deuren zijn op eigenaardige en soms zeer artistieke wijze uitgesneden.
De Bojarenheerschappij werd eerst in het land gevestigd op het eind der 14_de_ eeuw. Radu of Rudolf XIV kwam, met den steun van den griekschen patriarch Niphon, op het denkbeeld een adelstand in het leven te roepen op het voorbeeld van den byzantijnschen adel en veranderde de hofambten zóó, dat ze recht gaven op adellijke titels.
Dit was de aanleiding tot het ontstaan van den stand der Bojaren. Later kwam onder de Fanarioten een stroom van grieksche avonturiers het land binnen, in het gevolg der vorsten, die hen bij voorkeur tot eereambten riepen. Zoo ontstond er in het land zelf een vreemde aristocratie, een lage, verdorven, winzuchtige klasse, die de inboorlingen onderdrukte en ze onbeschaamd uitmergelde. Die nieuwe adel was erfelijk tot in het tweede geslacht.
Elke Bojarentitel gaf recht op een zeker aantal boeren, die alleen aan hun heer belasting hadden te betalen. Zestig duizend gezinnen werden aldus in den dienst der Bojaren gesteld. Die ongelukkige landbouwers, hoewel niet precies gebonden aan den grond, hadden niet het recht, van heer te veranderen en mochten hun grond alleen verlaten met toestemming van den eigenaar.
"Nog in 1856", zegt Elisé Reclus, "waren 5 à 6000 Bojaren heeren en meesters van het land en zijn bewoners. Maar er bestond groote ongelijkheid onder hen; de meesten waren slechts kleine grondbezitters, terwijl 70 vazallen in Walachije en 300 in Moldavië met de kloosters bijna al den grond onderling hadden verdeeld.
In 1864 kwam er, met de secularisatie van de kloosters, ook een einde aan de lijfeigenschap der boeren. Elk gezin verkreeg een stuk land, afwisselend tusschen 3 en 6 H.A., naar gelang het één koe hield, twee ossen en een koe, of vier ossen en een koe. De hectare werd hun eigendom tegen den prijs van 60 gulden, betaalbaar aan den staat in vijftien jaarlijksche aflossingen.
Het aantal boeren, dat op die manier land in bezit kreeg, steeg in 't begin tot 450000, maar in 1880, toen er een nieuwe verdeeling van den grond door den staat plaats had, kwamen er nog 100000 bij.
Ondanks die hervorming behooren de groote bronnen van rijkdom nog aan den staat en de oude Bojaren. De staat exploiteert namelijk zelf de onuitputtelijke zoutmijnen, hij is eigenaar van de petroleumhoudende terreinen; voor het grootste deel zijn de bosschen, die een vijfde van het grondgebied bedekken, in zijn bezit. Wat de Bojaren betreft, zij hebben enorme eigendommen in handen, hun door de woiwoden afgestaan, en waarvan de uitgestrektheid van 4 tot 8000 H.A. bedraagt.
Die eigendommen kunnen niet dan in hun geheel verkocht of vervreemd worden; de wet verbiedt hun verbrokkeling. Buitendien is door art. 7 der grondwet bepaald, dat vreemdelingen geen vaste goederen in Roemenië mogen bezitten. Zij kunnen niettemin van een Roemeniër erven; maar in dat geval heeft de staat het recht, hen te verplichten hun bezittingen te verkoopen, tenzij ze zich laten naturaliseeren. Dat kan geschieden bij Parlementsbesluit na tien jaren verblijf in het land. Er zijn nog andere verzachtingen van de bepalingen, die op vreemdelingen betrekking hebben. Zoo kunnen ze bijvoorbeeld huizen bezitten in de steden, en er bestaat plan, om de verkrijging van vaste goederen mogelijk te maken voor buitenlandsche maatschappijen, in geval de meerderheid der aandeelhouders uit roemeensche burgers bestaat.
De wijze, waarop die groote bezittingen worden geëxploiteerd is nog al eigenaardig. Op een vastgestelden dag roept de burgemeester de gezinnen uit zijn dorp op en verdeelt onder hen, tegen een dikwijls belachelijk laag loon, de gronden, die bebouwd moeten worden. Het loon wordt vooruit betaald, maar de geheele oogst valt toe aan den eigenaar. Behoef ik nog te zeggen, dat de ongelukkige boeren, die vroeger zoo slecht behandeld werden, dat tegenwoordig nog worden? In vele gevallen worden ze lomp bejegend en zelfs wel geslagen.
Verscheiden oude Bojaren, vooral in Moldavië, besturen zelf de landbouwondernemingen op hun goederen en hebben uitgebreide corpsen arbeiders in het werk, terwijl zij tien maanden van het jaar er wonen. Maar in het hartje van den winter gaan ze reizen en gaan hun inkomsten te Boekarest, Weenen en Parijs verteren.
Op den weg van Targu Jiul komen wij groote wagens tegen. Zeven of acht paar ossen, het eene paar achter het andere en bestuurd door in het wit gekleede boeren, trekken landbouwmachines en zware karren met nieuwerwetsche artikelen voor den modernen landbouw. Vroeger ging het dorschen in Roemenië met behulp van ossen, die het koren op den dorschvloer trapten. Tegenwoordig is de dorschmachine er doorgedrongen, en de kleine eigenaars vereenigen zich, om samen stoomdorschmachines te koopen.