In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 9

Chapter 93,986 wordsPublic domain

Zoo is die stad Coïmbra nog altijd het middelpunt voor letteren, wetenschap en kunst voor geheel Portugal; de intellectueele beschaving wordt er gekoesterd met jaloersche zorg door een keurbende van professoren, die het onderwijs als een heilige zaak beschouwen; de artistieke cultuur bloeit er, dank zij een school, waar al sinds veertig jaren het onderwijs gratis wordt gegeven door den beroemden professor Gonsalver, wiens leerlingen merkwaardig werk voortbrengen. Terwijl de trein ons door een lachende landstreek naar den voet der hoogte van Bussaco voert, groeten wij Coïmbra, dat een aangename herinnering bij ons zal laten; en nu de afstand toeneemt, voelen wij, hoeveel sympathie en belangstelling deze curieuse oude stad bij ons heeft gewekt.

Bussaco heeft de bekoring van de schaduwrijke dreven, de groote bosschen, de rijke verscheidenheid van tinten, de eenzame bosschages, alles, wat tot de poëzie van een woudrijke streek behoort. Van Coïmbra bereikt men de plaats over Pampilhosa en Luso, als men per spoor gaat, maar het is verkieselijk, er in een rijtuig zich heen te begeven, want het ritje is heerlijk. Van het station naar het dorp Luso, dat in de buurt ligt, stijgt de schaduwrijke weg, die de viaduct van den spoorweg links laat liggen, in het dal omhoog, en op dezen schoonen dag is de koelte van het gebladerte des te begeerlijker, omdat de zon met kracht en felheid brandt. Het dennenbosch, dat men niet verlaat vanaf Pampilhosa heeft nu plaats gemaakt voor platanen, en te midden van rhododendrons en rozen komt te Luso het rijtuig aan. Sierlijke villa's liggen aan den weg, met mooie bloemperken ervoor, en dan splitst zich de weg in tweeën.

De linksche, de kortste, gaat naar Bussaco door dicht bosch. Het is een laan als in een park, uitstekend onderhouden, ook al omdat de automobiel van de koninklijke familie er dagelijks of althans dikwijls langs gaat. De weg kronkelt zich tegen den berg op onder reusachtige ceders; men is erop aangewezen, als men per rijtuig het hotel wil bereiken. Maar de voetganger doet beter rechts in te slaan, waar de weg het bosch op zij laat liggen en als corniche omhoog gaat langs en boven het dal op aanzienlijke hoogte, met bij elke bocht de schitterendste uitzichten. Men komt weldra bij een kleine vlakte, waar de muur uitkomt, die het "heilige woud" insluit. Onder dien naam is inderdaad het bosch bekend, dat toebehoorde aan het oude klooster der Carmelieters van Bussaco, zonder twijfel om de zeer strenge bepalingen, die het moesten beschermen tegen beschadiging; een bul van paus Urbanus VIII zou zelfs den ban hebben opgelegd aan ieder, die er iets zou hebben vernield. Misschien was dat al te streng, maar als de maatregel tot resultaat heeft gehad, dezen prachtigen plantengroei te redden en voor ons intact te bewaren, moet men er niet rouwig om wezen.

Een deur, die altijd openstaat, geeft toegang tot het omheinde, en het voetpad, dat we inslaan, stijgt onder heerlijk loover. We komen in een echt maagdelijk woud; de eiken, de platanen, vooral de prachtige ceders strengelen hun takken dooreen, de palmen groeien overal mild en de boomvarens houden de stralen van de zon tegen door het fijne kantwerk van hun bladeren, terwijl aanhoudend vogelengekweel en luid kabbelende beekjes de bekoring van het landschap verhoogen. Het loopje heeft ons te kort geschenen, als het pad uitkomt bij een helderen vijver, waar een bron in uitmondt, een fonte fria, en waar in watervallen zich een beek in neerstort, komend van de hoogten. Een dubbele trap met groen uitgeslagen treden leidt aan elken kant der beek naar het hotel Bussaco.

Dat hotel, dat zich er, en terecht, op verheft een zeer schoon monument te zijn van de moderne architectuur en dat gebouwd is in den weelderigen stijl van Dom Manuel, ligt op een terras, dat opstijgt uit de golven van het woud. Door zijn onvergelijkelijke ligging te midden van dien oceaan van groen, door zijn tuinen vol bloemen, door de weelde van zijn inrichting, en, wat volstrekt niet schaadt, door de bescheidenheid van zijn prijzen zou het hotel van Bussaco, dat bij ieder in Portugal bekend is, verdienen ook buiten de grenzen van dat land de aandacht te trekken. Als men bedenkt, dat Bussaco ligt aan de directe spoorlijn van Parijs naar Lissabon, dat men er zich dus van Frankrijk uit heen kon begeven zonder anderen last dan het noodzakelijke overstappen in Irun op de grens, en dat na in het geheel dertig uren sporens, die snel omvliegen, als de trein goed is, men er reeds is aangekomen, dan betreurt men het, dat dit mooie plekje niet door de Franschen zeer druk bezocht wordt en dat wij het in ons land zelfs niet kennen. Men gaat het dan als een werkelijken plicht beschouwen, de pracht ervan uit te bazuinen en het bezoek ernstig aan te bevelen. Jonge paartjes op de huwelijksreis vinden daar juist iets, dat voor hen geschikt is, want Bussaco is bij uitstek een plaats, om met zijn tweeën te wandelen in de bosschen door de kronkelende paden, onder het groen in die zoo poëtische natuur.

Van het oude klooster, dat in de 13de eeuw door de Carmelieter monniken is gesticht, is nog slechts een kerkje over en eenige cellen, die zijn opgenomen in de inrichting van het hotel. De gebouwen namelijk, die het hôtel vormen, zijn zeer talrijk en omvatten dépendances, die meer ruimte schijnen te hebben, dan voorloopig noodig is. De zaak laat zich verklaren, doordat in het oorspronkelijk plan voor het gebouw aan een koninklijk paleis was gedacht; door verschillende omstandigheden kwam er niets van die onderneming, en de terreinen, die aan den staat behooren, zijn daarna voor een hotel geëxploiteerd. De koning en de koningin hebben altijd veel van de plek gehouden; zij kwamen er vaak per automobiel, en daar 250 kilometer Bussaco van Lissabon scheiden, mag men daaruit wel besluiten, dat de streek prachtig moet zijn.

Het hotel ligt niet op den top van den berg. Om dien top te bereiken, die de Punta de Bussaco wordt genoemd, moet men gedurende bijna een half uur een lommerrijken weg volgen; het is een gemakkelijke wandeling; men heeft er telkens mooie uitzichten over het bosch, en op den top ligt het schoonste panorama voor den reiziger. Van Luso in het Noorden, dat in het groen genesteld is in een stil hoekje van het bergland, breidt het uitzicht zich uit over den kam van het golvend bergland van den Serra de Caramullo tot aan de zee, waar 50 kilometer ons van scheiden; verder kan men de lijnen van het strand volgen en met het oog in de bosschen doordringen, die overal den grond bedekken. Ook is Pampilhosa te zien en het groene dal der Mondego, dan Coïmbra, en voorbij Coïmbra tot verre horizons ligt daar de wijde ruimte in de heldere lucht tot de woeste bergen van den Serra de Estrella.

De hoogten van Bussaco vormen een der eerste deelen van de bergachtige streek van Beira. Zonder zoo belangwekkend te zijn als die van Doura, verdient de spoorlijn van Pampilhosa naar Villar Formoso, die geheel Beira doorsnijdt, dat men haar volgt tenminste tot Guarda. Nadat men over de viaduct van Luso is gereden, loopt de trein over een Cornicheweg door een bergstreek van Serra's, die deels kaal zijn, deels met dennen begroeid. Ter halver hoogte liggen dorpjes boven afgronden, dorpjes met donkere huizen, die sprekend aan de woningen in sommige landschappen van Corsica doen denken. Daarna wordt de horizon wijder en de spoorweg gaat over een vruchtbare vlakte, waar bosschen zijn. Gedurende bijna twee uren volgen de dennebosschen elkaar op, met ter afwisseling bebouwde gronden, en boven de groene naalden verrijst rechts de nog besneeuwde kruin van het Estrellagebergte.

Tusschen Mangualde en Guarda is het land zeer schilderachtig, en de weg, die langzaam is gestegen, biedt zeer schoone uitzichten aan en mooie panorama's, vooral op het dal der Mondego en de andere dwarsdalen. Te Gouvea is een verrukkelijk panorama te genieten. Eindelijk ziet men Guarda verschijnen, trotsch op een hoogte gelegen, den mantel der oude vesting werken, waar de kathedraal boven uitsteekt, als een vooruitgeschoven schildwacht, wat het vroeger was, op het eind der twaalfde eeuw, in den tijd, toen koning Sanchol oorlog voerde tegen de Mooren en zijn koninkrijk versterkte en afrondde.

Als men verder dan Coïmbra en Bussaco naar het Noorden doordringt, wordt het aanzien van het land niet veranderd, wat den algemeenen indruk betreft; altijd dezelfde golvingen van het terrein, begroeid met dennen, dezelfde rijke en vruchtbare dalen, dezelfde lachende landschappen, dezelfde blauwe horizons.

Slechts nu en dan eenige variatie. De lijn van Oporto komt tot dicht aan zee, maar bereikt toch de kust niet. Bij zeldzame oogenblikken bespeurt men de wijde lagune, die wel wat aan de golf van Arcachon doet denken. Ilhavo, Aveiro en Ovar, drie kleine visschershavens liggen er aan, en daar wordt in massa de onvermijdelijke stokvisch gevangen, waar het schiereiland veel voordeel van trekt.

Aan dezen kant is het land vlak, hier en daar ziet men duinen, en men moet zich naar rechts keeren, om op een verren afstand de zaagtanden te herkennen van den Serra do Caramullo of van Gralheira. Die worden al hooger dan 1000 meter, zonder daarom de hoogste van Portugal te zijn.

De Serra de Estrella wordt tot meer dan 1400 meter hoog, en het is niet zeldzaam of vreemd, in de lente op den weg van Pampilhosa naar Spanje bij de toppen aardige, kleine, met sneeuw gevulde kommen te zien, die u van verre tegenschitteren.

Men is dan in de provincie Beira, bestaande uit groote dalen en zacht golvende ketenen, die de matelooze vlakten van Alemtejo gauw doen vergeten. Toch behoeft het Noorden zich niet te verheffen; de beschaving is dezelfde in Beira als in de omstreken van Beja, en de steden zijn er niet vroolijker, noch somberder. Guarda bij voorbeeld, dat voor hoofdstad doorgaat, is een rustig, middelmatig stadje, op de manier van Rodez of Lons le Saulnier.

Na Guarda wordt het land weer vlak tot Villar Formosa, de laatste portugeesche plaats, van waar men in Spanje komt, om het treurige stadje te bereiken, Fuente San Esteban, te midden van een vlakte, die volkomen effen is en die door haar spaanschen trots wel noodzakelijk even verlaten als kaal moet wezen.

Bij Fuente San Esteban gaat de spoorlijn af naar Oporto en Salamanca, waardoor men in Portugal terugkomt, door eenige minuten langs de kust te rijden, halverwege de woeste kloof van de Agueda. Dan ziet men slechts grijze rotsen, die opeengestapeld zijn tot een groote, monsterachtige goot, in welker diepte de Agueda kookt. Er komen al meer tunnels, viaducten, insnijdingen en bochten; de trein draait en keert tusschen den wirwar, die alleen verlevendigd wordt door enkele plekken groen, die, men begrijpt niet hoe, op de rotsen groeien.

Barca d'Alva! Men is in Portugal terug. Hier, brave reizigers, hebt gij een goede dosis geduld noodig en bovendien een dito voorraad levensmiddelen. Het geduld moet u helpen, om de anderhalf uur oponthoud door te komen, die gij er moet doorstaan, en de eetwaren zullen u doen vergeten, dat er geen buffet is op de geheele lijn, en zullen u ook ontheffen van een verschrikkelijke verplichting. Onderweg zagen wij namelijk een heer, medereiziger van een fatsoenlijk voorkomen en uitstekend gekleed, een paar moten schelvisch uit zijn zak halen, die hij in een doek had gewikkeld! Te gaan eten en de helft van zijn maal aan te bieden aan een ander, is één voor een portugeeschen cabalheiro; de aanbieding werd gedaan met den beminnelijksten glimlach. Weigeren zou een beleediging zijn; aannemen was meer dan penibel... Wat te doen? U zult zelf een besluit moeten nemen, als ge er zult zijn.... maar neem in ieder geval zelf eetwaren mee.

Te Barca d'Alva begint weer de bekoring van Portugal. Over een lengte van 150 kilometer volgt de weg de bochten van de Douro; nu eens ver boven de rivier zich verheffend, dan weer geheel beneden rijdend, raakt de trein de oevers. Het bergland, dat hier en daar steil is, maakt het dal zoo eng, dat de wijngaarden boven elkaar op terrassen zijn aangelegd, door muurtjes gesteund, en dat de witte dorpen aan de hellingen schijnen geplakt.

Van Foz-Tua gaat een zijlijn naar Mirandella langs allerlei kronkelpaden, die aan zwitsersche landschappen doen denken, door het dal der Tua, en bereikt dan in een geheelen dag de oude stad Braganza. Daar is men ver van alles en allen verwijderd; men is er vergeten, verloren, dood. Te Braganza waait en sneeuwt het; alles geeft er den indruk, dat men in een land op andere breedte is beland, hoewel het hooge plateau den Serra da Nogueira laag doet schijnen, ofschoon de berg 1318 meter hoog is. De stad is op een heuvel gebouwd, die er geheel door bedekt wordt als door een muts, waarboven de oude toren opsteekt van het fort met de door den tijd verweerde muren. Overigens geen enkel belangrijk monument; niets, dat de voorbijreizenden terughoudt, zoo niet het spoorwegboekje dat doet, dat veel te weinig treinen opgeeft.

Als men Foz-Tua voorbij is, wordt het landschap meer open, levendiger ook en bloemrijker, vooral van Regoa af. Dan ziet men niet anders dan oranjebomen, druiven, citroen- en amandelboomen in massa over de hoogten verspreid, als tapijten over de minder steile hellingen van de Douro-oevers. De weg kronkelt steeds langs de rivier, die glinstert in het licht, terwijl er langzaam de booten over glijden, beladen met vaten. Want wij zijn het Paiz do Vinho, het land van den wijn van het rijke Kanaän, waar men den beroemden portwijn oogst.

Tezelfdertijd dat de wijn een bron van rijkdom is, is hij ook een der uitgezochtste van alle portugeesche wijnen, die portwijn, die alle wijnen der wereld overtreft. In werkelijkheid is het ook maar gelukkig, dat hij zoo lekker is, want Portugal, dat zooveel wijn voortbrengt, is in zake verscheidenheid van wijnen wel zeer ver verwijderd van den rijkdom van Frankrijk. De wijn van Algarvië, die van Collares bij Cintra, die aan onzen Bordeaux doet denken, de "vinho verde" of groene wijn van het Noorden, de portwijn, die alle verschillen in sterkte en kunnen daardoor onderscheiden worden, maar de smaak en geur zijn zoo wat gelijk; het bouquet van den een vindt men in den ander terug.

Bovendien is alleen de portwijn uitstekend, en de Portugeezen zijn de eersten, om dat toe te geven, want van de Minho tot de Guadiana blijft de flesch portwijn een tractatie overdag en bij avond, zonder eenige mededinging te behoeven te vreezen. De echte portwijn is mooi goudgeel, naar het bruine trekkend. Er wordt geen rooden portwijn gemaakt, nog minder die soort, die zwart is als een drankje, en die onder dien naam verkocht wordt aan gentlemen en cockneys in Londen.

Iedereen kent den smaak van port wijn, die veel heeft van dien van madera. Maar men is in het buitenland nooit zeker, dat men den echten drinkt, of men moet hem laten komen door bemiddeling van een dier groote maatschappijen, die te Oporto zoo goed als een monopolie hebben. De prijzen verschillen naar den leeftijd; men kan hebben van jongen datum, die vierhonderd of vijfhonderd reis de flesch kost, dus een gulden of een en een kwart gulden. De wijn van 1815 gaat voor ouden portwijn door, die het edelst is en het fijnst van smaak en hij is dientengevolge het duurst. Er is echte en valsche 1815-port, ongelijk van prijs, als men de prijslijst op de wijnkaart van het Grand Hotel de Porto mag gelooven. De beminnelijke oprechtheid van de mededeeling zal den zwartgalligste ontwapenen, want er staat, dat de Porto secco van 1815 vijf francs kost en de Porto legitimo van 1815 vijftig francs. Er is dus geen bedrog in het spel.

Men presenteert u in Portugal portwijn als bij ons bier, limonade of thee, bij iedereen, naar aanleiding van de meest verschillende omstandigheden, meestal met kleine gebakjes, die bros en lekker zijn, wat samen een allersmakelijkst proefje is. Maar wee hem, wien het is beschoren, veel gasten te zien en veel menschen te ontmoeten; de glazen port volgen de glazen port op, met ter afwisseling nog de portwijn bij de maaltijden, zoodat op enkele avonden in het te zware hoofd nachtmerries verschijnen, die een dans van glazen port brengen, zoodra het dag is weer gevolgd door nieuwe glazen port uit de werkelijkheid.

Maar in ieder geval moet ik erkennen dat hij uitgezocht is, en dat op een afstand gezien, als eenmaal de digestie is afgeloopen en het brein weer opgefrischt is, de herinnering er aan een heerlijke blijft, als aan een geurig misbruik, waaraan men ten slotte het grootste en natuurlijkste genoegen heeft gehad.

Te Oporto beproeft men champagne te bereiden, of ten minste de portwijnen te versnijden tot iets als champagne. De uitkomst is tot hier toe niet zeer schitterend, omdat de verkregen wijnen niet licht genoeg zijn, en een zware en sterke champagne is onzin.

Nadat men het Paiz do Vinho door is, verlaat de spoorlijn de Douro en bereikt Oporto langs Renafiel, door een golvend landschap, dat goed bebouwd is, maar er eentonig uitziet na het lange en bekoorlijke dal.

Porto of Oporto (o Porto, de haven) is met zijn bijna 200.000 inwoners de tweede stad van Portugal en de naijverige mededingster van Lissabon. Daarvoor zijn redenen en voorwendselen genoeg te vinden. Vooreerst is Oporto een stad, die werkt en voortbrengt, dat is niet te ontkennen, en nu zegt men er, dat te Lissabon het geld verkwist wordt, gewonnen in Oporto. Oporto is uit ieder oogpunt een belangrijk middelpunt en het beklaagt zich, dat het niet een daaraan evenredige plaats in de regeering des lands bekleedt. Lissabon bezit een uitmuntende haven, terwijl Oporto er over ontevreden is, dat het niet anders heeft dan zijn Douro, verbazend schilderachtig, maar bochtig, ondiep en moeilijk toegankelijk. In het kort kan men zeggen, dat terecht of ten onrechte Oporto de houding aanneemt van een jongeren broeder, die zijn ouderen broer critiseert en maar kwalijk zijn wensch kan verbergen, om des ouderen plaats in te nemen.

Ofschoon in het Noorden van Portugal gelegen, is Oporto als ons Zuiden, warm van temperament en meer revolutionnair, en als ooit het oproer uitbreekt, zal men eens kunnen zien, waartoe een noordelijk Zuiden in staat is. In dien tusschentijd vreest Oporto het oproer niet, en de republiek wordt er zoowat alle tien jaren uitgeroepen. Als de poging is spaak geloopen, heeft men ten minste de gelegenheid behouden, om weer opnieuw te beginnen. Als men denkt, dat het ooit gelukken zal, moeten alle ministers, alle prefecten, alle gouverneurs uit Oporto zijn, of Oporto zal weer tot opstanden besluiten ten gunste van de monarchie.

Met een enkel woord noemt men dat de oppositie voeren; welnu Porto is in de oppositie. Tot hoever die oppositie gerechtvaardigd is, daarover kan een vreemdeling moeilijk oordeelen. Het schijnt wel, dat Oporto een weinig te ver is gegaan in de laatste manifestatie tegen den President van den Raad, den heer Franco.

Ja, het parlementarisme werkt niet goed in Portugal; de dictatuur is inderdaad de tegenwoordige regeeringsvorm; men kan daarover spreken en betoogen en zich beklagen, maar de Portugeezen moesten op prijs stellen, dat er een energiek man aan het hoofd der zaken staat, die vast is van wil en wiens werk, evenals zijn minachting voor den tegenstand, dien hij uitlokt, hun een opstand kan besparen. Eén goed chirurg doet beter zijn werk dan driehonderd dokters, als hij met vaste hand optreedt en eerlijk is. Het besluit omtrent de ophooping van inkomens door onvervulde betrekkingen, is een eerste goede pil voor de kwalen van den staat.

Maar wij moeten afwachten; aan de vruchten zal men den boom herkennen. [2] En de vreemdeling, die een slecht rechter is, heeft zich te bepalen tot toekijken en aanzien. Voor ons is het beter, ons tot het landschap te beperken, dat rondom Oporto prachtig is.

Er is misschien nergens in Europa een schooner panorama dan van de brug van Dom Luiz op den waterval van huizen en paleizen, die van den top der bergen naar de Douro rolt. De bochten der rivier, die om de vooruitspringende deelen der stad zich heen buigen en een natuurlijke haven voor de stad vormen, bieden de grootste verscheidenheid aan; ieder oogenblik heeft men weer een ander gezicht.

De uitzichttorens zijn overvloedig, om van al de schoone gezichten op Oporto te genieten; vooreerst de brug, van waar men stroomop en stroomaf ver kan zien en waar men zestig meter onder zich de zeilschepen en de wijnbooten kan zien voorbijvaren; dan het Kristallen Paleis, een soort van tentoonstellingsgebouw, waarbij een park met beroemde uitzichten; de toren des Clerigos eindelijk, een slanke, stoute klokketoren, waarvan men op het terras over alles heen kan kijken en een feeëriek schouwspel heeft, waarbij ook de oceaan zijn rol in het panorama op zich heeft genomen.

Natuurlijk is Oporto, dat op verscheiden heuvels is gebouwd, in het bezit van juist zulke klimmende en dalende straten als Lissabon; maar de oude wijken, die hier nooit door een aardbeving zijn verwoest, hebben iets meer karakteristieks. Men heeft er smalle, bochtige, hellende en donkere straatjes; winkels, zoo zwart, dat ze op rooversholen lijken; antidiluviaansche plaveisels, geheimzinnige doorgangen, lompen, die buiten hangen, en in het kort al, wat er bij een volkrijke buurt in een oude, groote stad behoort.

De betere wijken, zooals het Dom Pedroplein, middelpunt voor het verkeer, de San Antoniostraat, de Dos Clerigosstraat of de straat Santa Catharina zijn even druk als te Lissabon, met een meer eigen, plaatselijk karakter. De huizen, die bijna alle balkons en erkers hebben, zijn van uiteenloopende typen en vertoonen niet dat rechtlijnige in de plaatsing, dat de nieuwe wijken van de hoofdstad iets eentonigs geeft. Ook de menigte menschen op straat is er origineeler. Zoo loopen er alle vrouwen, en niet enkel de arme, blootsvoets; enkele dragen kleine houten muiltjes, waar de voet even uit te voorschijn komt en die aardig op het plaveisel klapperen. Op de groote feestdagen, als de klokken luiden, worden de mooie spullen omgehangen en den volke vertoond, en dan dragen de vrouwen op de borst, die in zijde is gestoken, enorme harten en kruisen van filigraangoud, waar de vrouwen van Minho en Douro dolveel van houden en die ze soms in heele kluwens aan hebben. Er zijn er, die ter waarde van 200 000 reis, dat is voor vijfhonderd hollandsche guldens aan zich dragen.

Alle vervoer te Oporto heeft plaats met karren met houten raderen, getrokken door ossen met reusachtige horens. Zulke verdedigingswerktuigen steken sterk af bij de tengere gestalte en de zachte oogen van de dieren die twee aan twee zijn verbonden door een juk, dat soms fraai gebeeldhouwd is. Met uitzondering van enkele fiacres en de trams ziet men in de straten van Oporto niet anders dan zulke karren met bijna geheel dichte raderen, die den Bijbelschen tijd of den tijd der Merovingers waard zouden zijn. Kolen, wijn, groenten, bagage, alles wordt vervoerd met de ossenkar, en het is alleraardigst, in de buurt der haven te gaan kijken naar de reeksen van karren, die in lange rijen staan te wachten achter een verwarde haag van reuzenhoorns, waarvan een enkele voldoende zou wezen, om vier menschen aan te spietsen.

Evenals in vele oude en niet ruim gebouwde steden, zijn er weinig groote tuinen in Oporto. Het Campo dos martyres da Patria en de Quinta das virtudes zijn met het square Dom Henriquez de meest geliefde wandelplaatsen.

Maar daarentegen biedt de stad een paar belangwekkende gebouwen. Dat, hetwelk het meest in het oog valt, is het bisschoppelijk paleis, dat aan de Douro staat en waarvan de groote trap monumentaal genoeg is om de aandacht te trekken. De aangrenzende kathedraal is eerst in romaanschen stijl opgetrokken, daarna is ze gothisch geworden, dan rococo, en dan van de eene restauratie in de andere vallend, is het de goedige, groote kerk geworden, met twee ver uiteenstaande torens, die men thans vóór zich ziet. Gelukkig is er nog het klooster met zijn bogen, die met kleurige azulejo's zijn bezet.