In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 8
Het College omvatte toen zes leerstoelen, het kanonnieke recht, civiel recht, geneeskunde, dialectiek, taalkunde en muziek. De theologie was buitengesloten van het leerplan, en dat zal niemand verwonderen, als men zich herinnert, dat de godsdienstige orden, vooral die der Dominicanen en Franciscanen, toen het privilege van het onderwijs in theologie hadden, en dat de Universiteit van Parijs, de alma mater studiorum, het monopolie had van de uitgifte der graden voor godgeleerde studiën.
De koning, Dom Denys, liet in Lissabon, in de wijk Alfama een gebouw oprichten, waarin het College werd geïnstalleerd en dat later de Beurs werd. Maar de inrichting te Lissabon had slechts een kortstondig bestaan. De voorrechten, aan de studenten toegestaan, leidden tot oneenigheden tusschen de geestelijke en wereldlijke autoriteiten, en aan den anderen kant werkten de schilderachtige omgeving van Coïmbra, de ligging in het midden des lands, de voordeelen, die het eenvoudige leven daar bood, ertoe mee, die stad te doen kiezen als zetel voor de academie. In het kort, reeds in 1308 was de overplaatsing van het College een feit geworden en ze werd geautoriseerd door twee pauselijke bullen van Clemens V, gedateerd van Poitiers en gericht, de eene aan den aartsbisschop van Braga en den bisschop van Coïmbra, en de andere aan den koning.
De eerste statuten van de universiteit zijn van dezen tijd afkomstig; zij werden goedgekeurd door koning Dom Denys, den 15den Februari 1309. Er worden een paar merkwaardige bepalingen in gemaakt. De tractementen van de professoren bijvoorbeeld waren als volgt geregeld: 21 600 reis per jaar voor den professor in wetgeleerdheid, 18 000 reis voor den rechtsgeleerden professor, 7200 voor den geneeskundigen en dien voor taalkunde, 3600 voor den professor in logica en 2700 voor dien in muziek, wat tegen den tegenwoordigen koers zoowat uitkomt op 14 francs. Twee aanzienlijke burgers der stad, die den titel van conservatoren ontvingen en een jaarlijksch inkomen van 1440 reis, moesten waken voor de handhaving der privileges van de universiteit en den koning raadgeven bij elken aanslag, die erop zou worden beproefd.
De koning Dom Denys stierf den 13den Januari 1325. Zijn opvolger, Alphonsus IV, bracht den zetel der universiteit naar Lissabon over in 1338, maar in 1354 werd hij weer naar Coïmbra overgebracht. Dom Johan I, grootmeester van de Avizorde, door de staten tot koning gekozen, die zijn gunst aan de instelling wilde betoonen, deed de universiteit weer naar Lissabon terugkeeren en bevestigde haar in al haar privileges, terwijl hij haar voor vast in zijn hoofdstad vestigde, waar ze bleef gedurende een tijdsverloop van 160 jaren, namelijk tot 1537. Onder zijn regeering werden de godgeleerde en wiskundige studievakken ingevoerd aan de universiteit, aan welker hoofd werd geplaatst een directeur van de studie, door den koning benoemd.
De latere statuten van de universiteit zijn gedagteekend van den 16den Juli 1431; ze bevatten een menigte belangwekkende bepalingen over de organisatie der studievakken en het verleenen der graden, bijzonderheden, waarin wij hier niet kunnen treden. Laat ons echter toch deze bijzonderheid doen uitkomen, dat het bestuur der universiteit een volkomen autonomie bezat; het inwendig bestuur, de administratieve organisatie, de financiëele leiding, de verkiezing der rectoren en andere ambtenaren was alleen afhankelijk van het corps der leerlingen. In dien tijd werd opgericht een college voor de arme studenten, om hun op die wijze het studeeren gemakkelijker te maken; dat was de oorsprong van de colleges van dien aard, later te Coïmbra met hetzelfde doel gesticht.
Sinds den dood van den infant Dom Henrique in 1460, die de groote beschermer der universiteit was, tot de troonsbestijging van Dom Manuel, was er een openlijke strijd met de kroon, die geleidelijk aan de studenten hun voorrechten ontnam en voor hen in de plaats wilde treden in het bestuur der universiteit. Maar Dom Henrique keerde tot de oude gebruiken terug. De studenten verkozen hem uit dankbaarheid tot beschermheer der universiteit, en van dien tijd af bleef dat protectoraat als een apanage van de kroon bestaan.
Nog later werden voor de derde maal statuten opgemaakt in het begin der 16de eeuw. Ze regelden tot in de kleinste bijzonderheden de studiën en de uitreiking der graden, bepaalden het ceremonieel bij de stellingen of besluiten, die in de kathedraal werden verdedigd, een ceremonieel, dat de eeuwen bij na onveranderd heeft getrotseerd; ze noemden de onderscheidingskleuren voor iedere faculteit, wit voor de theologie, groen voor het kanonnieke recht, rood voor het burgerlijke recht, geel voor de medicijnen, blauw voor de kunsten. Wat de professoren aangaat, zij werden na een examen of concours, dat twintig dagen duurde, en waarin allerlei bewijzen van bekwaamheid moesten worden gegeven en steekspelen met woorden werden gevoerd, gekozen niet alleen door de rectoren en de in functie zijnde professoren, maar ook door de candidaten en studenten van de faculteit, die twee jaar studie achter den rug hadden.
In 1537 werd de universiteit weer naar Coïmbra overgebracht en verliet Lissabon, om er niet terug te keeren. Daar de instelling zich zeer had ontwikkeld, was het moeilijk een huis te vinden, om alle studievakken in onder te brengen. Dus werden voorloopig de faculteiten gescheiden, de faculteiten van het recht, van wiskunde, rhetorica en muziek werden geïnstalleerd in de koninklijke paleizen; de Colleges van Sainte-Croix namen de theologische faculteit op en de lessen in Latijn en Grieksch, geneeskunde en kunst. Maar die indeeling was niet van langen duur, omdat ze nadeel deed aan de goede administratie en de tucht, en vanaf 1544 werden alle faculteiten vereenigd in de koninklijke paleizen. Tot dankbaarheid voor zijn gastvrijheid ontving de prior van Sainte-Croix het voorrecht, de graden van doctor te mogen uitreiken, een privilege, dat eertijds aan den bisschop toekwam. De priors van Sainte-Croix hebben dit prerogatief behouden, evenals den titel van kanselier, tot in 1834.
Ter herinnering aan het verblijf te Sainte-Croix van de theologische faculteit, hield lang een gewoonte stand, die in Coïmbra allerlei schilderachtige vertooningen meebracht. De uitreiking der doctorsgraden in de theologie bleef plaats hebben in de kerk van het Heilige Kruis; voor de andere faculteiten werd de plechtigheid gehouden in de koninklijke paleizen. Maar in beide gevallen was het de prior-kanselier, die de graden schonk in tegenwoordigheid van den rector, de professoren e. a. en dus was er altijd een stoet, die zich naar het eene of het andere punt moest begeven. In het eerste geval ging de stoet van den rector van de paleizen naar de kerk; in het tweede begaf zich de optocht van den prior-kanselier naar de hoogten van de stad, waar de koninklijke paleizen waren. In beide gevallen woonde de oude stad een eigenaardigen optocht te paard bij, vol karakter en schilderachtigheid en ook wel met begeleiding van komische effecten. De doctoren en kanunniken, de dienstdoende geestelijken, kerkeknechten, koorknapen, edelen en anderen, gezeten op fraai opgetuigde muilezels of op paradepaarden, vergezeld door schildknapen en voorafgegaan door trompetters en bekkenslagers, wandelden zoo naar de plechtigheid der viering van een volkomen vreedzame gebeurtenis met een ridderlijke omslachtigheid, die alleen door de traditioneele wijze van ontstaan geheiligd werd.
In dien tijd, ongeveer 1548, werd het College voor de Kunst gesticht, dat zoo beroemd zou worden en eenige jaren later onder de leiding zou komen van de paters Jezuïeten. Dat College, dat in de eerste maanden dichtbij het Heilige Kruis lag, werd eenige jaren later overgebracht naar een lokaal, gelegen op de plek, waar thans het hospitaal der universiteit is.
De universiteit bereikte toen het toppunt van haar glorie, en de geleerden en professoren, die er werden gevormd, waren zoo talrijk, dat ze overal naar andere universiteiten werden beroepen, om er het licht hunner wetenschap te laten schijnen. Zoo straalde in de zestiende eeuw de roem van Coïmbra in Parijs, in Leuven, in Rome, in Pisa, in Bologne, in Montpellier en in Salamanca. Maar kort daarna begon de achteruitgang met de vestiging in Portugal van het Hof van Inquisitie, bij pauselijke bul van Paulus III van 23 Mei 1536, en den toenemenden invloed van het Genootschap van Jezus. Pas in Portugal gevestigd, begonnen de Jezuïeten dadelijk zich meester te maken van alle onderwijsinrichtingen in het land. Het College van de Kunst was het eerste, dat in hun handen kwam in 1555; ze kregen terzelfdertijd gedaan, dat het onderhoud van dat College werd opgedragen aan de universiteit, waar men op deze wijze een zware zorg aan opdroeg. En toen riepen zij ook nog door de stichting van de universiteit van Evora een lastige concurrentie in het leven. Maar laten wij niet te lang stilstaan bij die periode, die meer dan 200 jaren duurde, toen het College van de Kunsten als een strijdmiddel was tegen de oude universiteit. Om op rechtvaardige wijze lof en blaam te verdeden in dien kamp, waaraan de herinnering nu nog het bloed doet koken van de oude kampioenen voor Coïmbra, zou men een grondige kennis moeten hebben van de feiten, die wij niet bezitten. En zoo komen we eindelijk bij de hervorming van markies Pombal.
Door een besluit van 23 December 1770 was er in het leven geroepen een vereeniging, genoemd de "Junta da Providencia litteraria" met het doel, een rapport op te maken over den toestand der Universiteit. Haar streven moest verder zijn de oorzaken op te sporen van het verval der instelling en middelen aan te geven voor de opheffing en den bloei van het oude instituut. Die commissie, onder het bestuur van kardinaal da Cunha en markies Pombal als raadgevers van den koning Jozef I, zette zich aan het werk en zes maanden later gaf ze een Verkorte Geschiedenis uit, waarin ze haar meening gaf. Die uitgaaf werd gevolgd door talrijke vergaderingen, waarin de verschillende artikelen werden besproken van een plan tot reorganisatie. Dat ontwerp werd door het koninklijk charter van 28 Augustus 1772 goedgekeurd en het is bekend als de "Statuten van Pombal."
Volgens dat document wordt de universiteit verdeeld in drieën, namelijk de faculteit der geneeskunde, die der rechtsgeleerdheid met twee onderdeden, en die van wiskunde en wijsbegeerte. Zonder de vorige bepalingen en wetten totaal op zijde te zetten, stellen deze statuten uitvoerige regels vast voor het onderwijs, het professoraat, de graden en de uitreiking van de diploma's. Het voorlezen dezer statuten was een schitterende plechtigheid, waarbij markies Pombal op het eind van September het voorzitterschap bekleedde.
Sedert de hervorming van Pombal tot die van 24 December 1901, die de laatste groep wettelijke bepalingen gaf, hebben de verschillende faculteiten eenige wijzigingen ondergaan, waaronder de belangrijkste zijn die van 1836 en 1844, die tot resultaat hebben gehad, de faculteiten van het kanonnieke en het burgerlijke recht te doen samensmelten, het stelsel der cursussen te veranderen, het aantal leerstoelen te vermeerderen, de inwendige politie, de promoties der studenten en de examens te regelen.
Het decreet van 24 December 1901 over de hervormingen in de studie der universiteit van Coïmbra, verdeelt het onderwijs in vijf faculteiten, de theologie, die 21 leerstoelen omvat en twee annexen, waarin algemeene cursussen worden gegeven en speciale cursussen voor opleiding tot den geestelijken stand; het recht, met 54 leerstoelen met algemeene cursussen en speciale ter voorbereiding voor de administratieve, diplomatieke en koloniale loopbaan; de geneeskunde, met 15 leerstoelen; de wiskunde met 11 en 3 annexen; en eindelijk de wijsbegeerte. Die laatste faculteit omvat, buiten een algemeenen cursus, verdeeld in de twee secties der physisch-chemische wetenschappen, een der natuur-historische, een voorbereidenden cursus voor genie en artillerie, een voor zeeofficieren en twee voorbereidende cursussen voor geneeskunde en pharmacie.
Op den tijd, toen wij Coïmbra bezochten, bestond het personeel der universiteit uit een onderwijzende groep van 76 personen en het universitaire personeel van 151 personen; er waren 1050 studenten. Maar de gebouwen en pleinen waren bijna geheel verlaten, want men was in een periode van crisis, die toen juist ten einde liep en die verscheiden weken de universiteit in spanning had gehouden. Een rechtsgeleerde had bij zijn promotie, toen hij de stellingen moest verdedigen, die hem het doctoraat zouden verschaffen, zich den toegang geweigerd gezien. Daar de stellingen een sterk socialistisch tintje hadden, werd door een aantal studenten heftig geprotesteerd en ze beweerden, dat de beslissing, hoewel met algemeene stemmen genomen, door politieken hartstocht was ingegeven. De candidaat was kundig, de stellingen waren Schitterend, de verdediging onberispelijk en dus de weigering ongerechtvaardigd. Er schijnt in den grond wel een politieke quaestie aan ten grondslag te hebben gelegen, maar als onze inlichtingen juist zijn, was de universitaire beslissing zeker aan den kant van het recht, en de studenten zouden voor hun verzet een verkeerd voorwendsel hebben uitgekozen.
De beweging nam weldra toe in omvang. Van de groep der ontevredenen ging ze over naar de rechtsgeleerde faculteit, van die naar andere faculteiten; van de universiteit bereikte ze andere steden en ging van het hooger onderwijs tot het middelbaar over, en daarna zelfs naar het lager onderwijs. De werkstaking werd algemeen, de studie werd stilgezet in het geheele land, en Portugal zag met schrik dat schouwspel van solidariteit, dat al heel ongewoon was, wanneer men jongens van acht jaar hoorde weigeren naar school te gaan uit overtuiging en esprit de corps en om de eischen der ouderen ingewilligd te krijgen. Ik denk, dat die lieve kleinen er niet rouwig om waren, eenige vacantiedagen te veroveren door het avontuur; enkele strenge kastijdingen, door vaderlijke handen toegebracht, zullen wel spoedig den weerstand hebben gebroken, want de werkstaking der kleinen duurde maar kort. Maar met het hooger onderwijs was het anders; bij ons vertrek duurde de werkstaking nog voort, ofschoon ze op haar eind liep, en de resultaten van het academisch jaar waren voor goed bedorven.
Men zou echter ongelijk hebben, als men om deze kleine revolutie, die aan enkele redenen tot ontevredenheid een einde heeft gemaakt, zich ging voorstellen, dat de studenten van Coïmbra frondeurs en opstandelingen zijn. De geest, die onder de leerlingen heerscht, is integendeel uitstekend, de jongelingschap is vlijtig en heeft de bewustheid, dat in Portugal, nog meer dan elders, het goed onderwezen zijn een verzekerde toekomst waarborgt. En als ze daarenboven jong en wat onstuimig is, als ze er van houdt, zich te ontspannen van de ernstige studie door luidruchtige feesten, waar de vroolijkheid harer twintig jaren uitraast, des te beter.
Het schijnt ook niet, dat de jaren, gesleten in de schilderachtige oude stad, bij de ouderen nare herinneringen hebben achtergelaten. Staatslieden op gewichtige posten, ernstige magistraten, officieren, ingenieurs, advocaten, allen, die wij hebben ontmoet, vatten hun herinneringen samen in het uitdrukkingsvolle woord "saudade", dat wil zeggen "heerlijk", met den melancholieken bij smaak van schoone dingen, die voorbij zijn. Een van hen heeft eenige jaren geleden de ervaringen van zijn jaren aan de academie geboekt in een werkje, waarin het academische leven aan de universiteit van Coïmbra de onderwerpen levert voor bekoorlijke schetsjes, verteld met veel humor en geest.
Hoe vluchtig ook de behandeling is van de geschiedenis, de organisatie, de zeden en gewoonten van de universiteit van Coïmbra, zooals wij die in het voorgaande gaven, onze lezers kunnen er toch een juister denkbeeld door krijgen van de stad, en zij zullen met meer belangstelling de verschillende gebouwen bezichtigen, waardoor ze worden rondgeleid, zoo ooit een gunstige wind hun verzeild doet raken in die bekoorlijke stad.
Als men het station van Coïmbra verlaat of de hotels, die er onmiddellijk bij zijn gelegen, is het eerste, dat de aandacht trekt, de Mondego, die geheel portugeesche rivier, portugeesch van haar bronnen tot haren mond, een onstuimig stroompje in den winter, een kabbelend water in de warme zomerdagen, onder wilgen door stroomend tusschen weelderig begroeide heuvels.
Rechts laat het groote klooster van Santa Clara de eindelooze rijen van zijn vensters zien tegen den achtergrond van den Monte da Esperanza. Daar rust in een zilveren reliquieënkast de Heilige Koningin, een voorwerp van openbare vereering. De stad ligt amphitheatersgewijs aan de linkerhand in een schilderachtige warreling van klimmende straatjes, beheerscht door den toren der universiteit, die meer dan vierhonderd jaar oud is. In de morgenuren is het in de steile straten zeer druk; men ziet oude wagens en karren met zware, knarsende wielen, langzaam door aangespannen ossen getrokken, melkvrouwen, die op het hoofd de metalen waterkannen dragen, boeren met zwarte mutsen, op kleine rosse ezeltjes gezeten, en nu en dan een student, gewikkeld in zijn langen mantel van donkere kleur.
Men stijgt en stijgt maar steeds en gaat voorbij huizen, die eens paleizen waren, tot men komt op het plaveisel vóór een zeer schoon gebouw, de oude kathedraal Se Velha. De gekanteelde muren, de contreforten, de romaansche toren geven er een indrukwekkend en streng voorkomen aan; maar het inwendige is zoo vaak onder handen genomen en hersteld en weer hersteld, dat er van de primitieve constructie van de 12de eeuw niets dan iets zeer ongelijksoortigs is overgebleven. Men doet tegenwoordig pogingen, de bedroevende veranderingen, die er in het gebouw zijn aangebracht, te niet te doen door een restauratie, die met zorg wordt geleid en uitgaat van het verstandige initiatief van den bisschop van Coïmbra. Maar hoe dan ook, de oude kathedraal is nog het indrukwekkendst type van romaansche bouwkunst, dat Portugal bezit.
De nieuwe kathedraal, waar een smalle en donkere straat heen leidt, overwelfd door een boog uit het bisschoppelijk paleis, is vooral belangwekkend door de schoone verzameling gewijde voorwerpen, die haar schatkameren vult. Het gebouw, dat gebouwd werd op het eind der 16de eeuw, om te dienen tot kapel voor het Jezuïetencollege, is tot kathedraal geworden in 1772. De gevel is niet onschoon; wat de altaren betreft, die van goud schitteren, ze zijn interessant, omdat men er de architectuur uit den tijd der Renaissance uit kan leeren kennen, vanaf het zuivere en rustige begin, tot de buitensporigheden van versiering, die van slechten smaak getuigen en de periode van verval getuigen, waarvan ook de voorste kapellen der kerk blijk geven.
De schatkamer is een zaal, waarvan men ons met zware en vele sleutels de deur opent, die met ijzer is beslagen en door drie sloten wordt afgesloten; er is daar een bewonderenswaardige collectie van vazen en gewijde voorwerpen uit de 12de eeuw en ook uit volgende eeuwen, alsook een reeks kazuifels, welker met goud omboorde zijden stoffen aan het oog de harmonische tinten vertoonen van hun onvergelijkelijke borduurwerken. Deze verzameling, bestaande uit voorwerpen, die aan het kapittel hebben behoord, aan het bisdom en aan een groot aantal kloosters, is in het bezit van enkele kostbaarheden, die in de eerste musea der wereld zouden worden beschouwd als dingen van de hoogste waarde om hun zeldzaamheid of om de fijnheid der bewerking. Men kan er de zoo goed als volledige geschiedenis nagaan van de portugeesche zilverkunst vanaf de 12de eeuw.
Van de Sé Nova komt men op het Pombalplein, waarvan het noordelijke eind uitloopt op een terras, dat op het landschap een mooi uitzicht biedt; hier zijn we op universitair terrein. Het gebouw, dat men aan zijn linkerhand heeft, en waarvan de voorgevel, de dorische vestibule, de breede, vorstelijke trap inderdaad iets grootsch zijn, is opgericht door markies Pombal op de plaats van het Jezuïetencollege of dat der Elf duizend Maagden; het herbergt de faculteit der geneeskunde en die der philosophie. Het Museum voor natuurlijke historie bezit een volledige verzameling van de fauna van Portugal, mooi tentoongesteld, en ook van de koloniën; alles wordt geprepareerd in de aangrenzende zalen. Na een blik op het laboratorium voor scheikunde en het hospitaal der universiteit, dat sinds 1754 gevestigd is in de gebouwen van het College der Kunsten en van den H. Jeronimus, na een bezoek aan het bisschoppelijk paleis, een der zeldzame typen van een vorstelijke woning uit de 16de eeuw, die Portugal bezit, wenden we ons naar de universiteit. Haar gebouwen beslaan den geheelen top van den heuvel, en zijn gebouwd rondom een aardige begroeide binnenplaats.
Daar is de ijzeren deur, die zooveel malen door de studenten is gepasseerd, de prachtige bibliotheek met de luisterrijk versierde zalen, waar meer dan 150 000 boekdeelen zijn bijeengebracht; daar heeft men de zalen voor de verschillende cursussen van de faculteiten, de zaal der plechtige samenkomsten, de kapel, waar de professoren den eed afleggen en hun belijdenis doen van het katholieke geloof, naar de formule, voorgeschreven door paus Pius IV in 1564, de karakteristieke toren, die de stad beheerscht, en die onder zijn klokken ook de beroemde klok heeft, die de Cabra of Geit wordt genoemd; daar is eindelijk het observatorium voor sterrenkunde met de mysterieuse instrumenten, die zoo ingewikkeld en samengesteld zijn. Daar moet men komen, om zich van de ligging van Coïmbra rekenschap te geven, daar moet men zijn oogen te gast laten gaan aan het droomschoone tooneel. Rechts stijgen de kronkelende straten der stad tegen den heuvel op; weelderige tuinen loopen naar beneden naar de Mondego met haar heerlijke oevers, aan den horizon bieden de hoogten van den Serra de Lavrao, wiens sierlijke golvingen in de verte verdwijnen, aan het verrukte oog hun met lenteweelde bedekte hellingen aan.
Als men naar beneden afdaalt, heeft de Botanische Tuin in de schaduw van zijn planten een uurtje van aangename ontspanning te bieden. Men kan dan, de stad rondgaand door de nieuwe wijken, zich naar de kerk van het Heilige Kruis begeven; de merkwaardige preekstoel, de monumentale graven, de sacristie en het dichterlijke klooster van het Zwijgen zijn belangwekkende specimina van den gothischen stijl en van dien der Renaissance. Deze kerk behoorde bij het oude klooster van het Sainte-Croix, waarvan de priors, zooals we reeds zeiden, gedurende drie eeuwen kanseliers der universiteit waren. De gebouwen van het klooster worden niet meer gebruikt en zijn ten deele in beslag genomen door het Raadhuis; een bezoek eraan geeft niet veel belangrijks te zien.
Wat de Liefdebron aangaat, die bekleed werd door de verbeelding en door de volkspoëzie met de droefgeestige herinnering aan Ines de Castro, dat is een bekoorlijk doel voor een wandeling. Men gaat de Mondego over langs een brug, van waar het gezicht op Coïmbra prachtig is, dan voorbij de ruïnen van het oude klooster van Santa Clara, waarboven gedurende drie eeuwen de herinnering zweefde aan Elisabeth de heilige, en vervolgens bereikt men langs een schaduwrijken weg de Quinta das Lagrimas, een tuin, waar de geurige oranjeboomen, met gouden appelen beladen, bloeien en waar de beroemde fontein springt met het lustig klaterende en heldere water. Op een gedenksteen gegrift, vertellen de verzen van Camoëns de tragische gebeurtenis van de liefde der schoone Ines en den trouwen Dom Pedro.