In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 7
Er kwam nog een naspel bij deze vondst, toen in 1906 een nieuwe bronzen plaat werd opgegraven, die werkelijk de regels der concessie en der exploitatie van de mijn bevatte. Men leerde toen, dat de romeinsche wetgeving in dergelijke zaken zeer veel van de onze verschilde. Er werd toen een stuk grond gegeven aan diengene, die meende er metaal uit te kunnen halen; er werd hem niets gevraagd, maar hij moest graven, graven zonder uitstel het vastgestelde aantal putten, en deelen met den fiscus in gelijke deelen wat zijn exploitatie hem opbracht.
Het belang van den een was dus ook het belang van den ander, en de staat, die de beschikking had over onbeheerde gronden, had, hoe de zaak ook afliep, geen risico, en de concessionaris behoefde niemand uit zijn bezit te verwijderen. De beide platen bevinden zich op het oogenblik in het Museum te Lissabon.
Aljustrel heeft met zijn naam ook een arabisch voorkomen aangenomen, nog te herkennen in de lage huizen, wit en blauw geverfd, die langs de wegen staan, op de manier van de dorpen in Alemtejo. Alleen verheffen zich in den omtrek een paar heuvels, waarop met een zonderling geknars die windmolens draaien, waar Portugal het monopolie van heeft, en waarvan de wieken uitsluitend uit zeilen bestaan. Er is geen spoor meer over van het oude kasteel, dat in de 13de eeuw zijn muren boven Aljustrel verhief.
Alemtejo is een land vol geschiedenis. Wij hebben er zoo juist een bladzij van gelezen, in brons gegrift. Een andere, roemrijker pagina wordt daar dichtbij opgeroepen door den enkelen naam Ourique.
Ourique, een arm en onbeteekenend dorpje, verloren te midden der vlakte, is tegelijk het graf van de moorsche dynastie en de wieg van het koninkrijk.
Ten noorden van het dorp, op de plek tusschen Ourique en Castro Verde, genaamd Campo d'Ourique, verpletterde Alphonsus Henriquez, afstammeling van Hugo Capet, achterkleinzoon van den hertog van Bourgondië Robert, en zoon van Hendrik van Bourgondië, die het "graafschap" Portugal had ontvangen toen hij de dochter van den koning van Castilië trouwde, verpletterde, herhaal ik, die Alphonsus Henriquez in 1139 het muzelmansche leger, dat aangevoerd werd door vijf generaals en dat al de strijdkrachten van het koninkrijk Algarvië in zich vereenigde.
Dat was de genadeslag, aan den Islam toegebracht aan dezen kant van de Guadiana en die een eeuw later werd gevolgd door de overgave van Silves, de hoofdstad, waardoor geheel het grondgebied van de moorsche heerschappij werd bevrijd.
Men kan nagaan, dat zulk een heldendaad den weerklank van een donderslag had en den roem van Alphonsus ten top deed stijgen. Deze, die even handig als dapper was, liet, zegt men, te Lamego een vergadering bijeenkomen van vertegenwoordigers van alle klassen der bevolking. Hij zelf verscheen er met geen andere teekenen zijner waardigheid dan den grooten degen, dien hij te Ourique had gedragen. Hij werd levendig toegejuicht, waarna Lourenco Vigas, de procureur der vergadering, voorstelde, hem den titel van koning toe te kennen, wat vol geestdrift werd aangenomen. De aartsbisschop van Braga zette hem, zoo wordt erbij verteld, de gouden kroon op het hoofd, die door de westgothische koningen gegeven was aan de abdij van Lorvao. Alphonsus begon toen zijn regeering, en de portugeesche dynastie was gegrondvest.
Niets dan een bescheiden obelisk herinnert aan een gebeurtenis van zoo groot gewicht voor de monarchie, voor het portugeesche volk en voor de zegepraal van de arische beschaving. Maar het is een legende, en de geschiedschrijver Herculano is daaromtrent zeer sceptisch gestemd.
Als men Ourique en Aljustrel voorbij is, volgt de vlakte, steeds de vlakte, met velden waar het jonge koren golft tusschen grijze steenachtige plekken. Nu en dan glijden ons eucalyptus-boomen voorbij en teekenen hun ingescheurd gebladerte af op een lucht, die wel gemaakt schijnt van rose en blauwe pasteltinten. Die boomen moeten gezondmakend zijn, vijanden van miasmen; maar het zijn tevens sombere boomen, vooral als ze alleen staan, verlaten in wijde ruimten, die ze vullen met hun kruiderigen geur als van cypressen. Eindelijk vertoont zich op een kleine hoogte, maar van waar men een wijden horizon overziet, een stadje met een hoogen toren, dat is Beja.
Niets doet een fransch oog wonderlijker aan dan die eng begrensde stadjes, waar geen enkel huis uit de rij naar voren springt, waar geen boom wat leven brengt, zonder eenig détail dat het oog rust geeft van de eentonigheid der huizengroep. Het leven schijnt er uitgestorven en de vreugde eveneens. In Spanje zijn zulke dorpen regel, en men gewent eraan, maar in Portugal is alleen Beja zoo triest, gevend den indruk van eenzaamheid en geslotenheid. Ieder raadt het u dan ook af, als ge zegt, naar Beja te willen gaan en er een poosje te willen blijven. Inderdaad, als men er komt, is die lust u ook al vergaan; is men er eenmaal vandaan, dan ademt men vrijer. En toch, ja toch, als men die omgeving van onbegrensde ruimte maar tracht te vergeten, heeft Beja nog wel zijn eigen aantrekkelijkheid. Men hervindt er zijn keurig zindelijk Portugal, vol bloemen; het is als een openbare tuin, netjes geharkt, met overvloed van rozen en welriekende geuren, het is een acacialaan, waar de balsemroke der witte bloemen hangt, het is een kerkje met een sierlijke poort, het zijn witte straatjes, leeg en schoon, aan welker eind men altijd weer den toren van koning Denys te zien krijgt.
Beja's reputatie staat en valt met dien vierkanten toren, die zeer hoog is en nog voorzien van resten van kanteelen en van schietgaten, en die van wit marmer is opgetrokken. Jammer genoeg, is hij leelijk ingesloten tusschen middelmatige gebouwtjes, die het aanzien afbreuk doen; maar als men op eenigen afstand van uit de vlakte ernaar ziet, wordt de toren hooger, beheerscht den omtrek, rijst als het ware uit zijn omhulling vrij omhoog. Hij waakt over Alemtejo. Als het helder weer is, wat dikwijls het geval is, kan men hem tien mijlen ver zien; men onderscheidt hem van af de hoogten van Monchique, op dertig mijlen afstands in vogelvlucht.
Maar de aantrekkelijkheid van Beja is eigenlijk intellectueel en moreel, in zoo ver men hier heeft het stadje met doodschheid en stilte, maar ook met bewaard gebleven oude gebruiken; het stadje, waar niemand komt, waar de vreemdeling niemand onrust of verderf brengt, waar het leven van oudtijds zijn gang is gegaan met zijn vormen en gewoontetjes, zonder dat er iemand om durft te glimlachen of van ancien régime durft te praten, waar men gezichten achter de gordijntjes vermoedt, die tersluiks eens naar buiten kijken.
In zoo'n plaatsje ziet men hier nog den heer des huizes, die vader en echtgenoot, heer en pacha is gebleven, zijn maaltijden in eenzaamheid gebruiken, terwijl het verdere gezin eerbiedig wacht, tot hij, door heen te gaan, aan de anderen vergunt, om op hun beurt te eten. Stellig doet zoo iets aan arabische gebruiken denken, net als andere dergelijke gewoonten, die nog in het Zuiden van Portugal gangbaar zijn. Zoo is het in huizen, waar de meester wel toestaat, dat de leden van het gezin met hem het maal gebruiken, toch nog de gewoonte, dat men na den maaltijd bij het opstaan de dame des huizes groet en kust, of althans haar de hand geeft. Dat doet men zelfs in Lissabon, in de beste kringen.
Het duidelijkste merk teeken, dat de Arabieren hebben achtergelaten, is echter de tegenwoordige plaats der vrouw in de samenleving. Het is waar, ze is niet meer opgesloten, noch gesluierd, maar de traditie leeft toch nog, despotisch en waakzaam, en men moet er rekening mee houden, als men over de Portugeesche een oordeel wil uitspreken, dat geen afkeuring is.
De vrouw neemt bijna geen deel aan het openbare leven, gaat zelden uit in de wereld en komt zoo weinig mogelijk op straat. Vandaar die soort van beschroomdheid, die gegeneerdheid, bijna zou men zeggen, onhandigheid, gaucherie, die men aan haar bespeurt, zoodra ze uit haar gewone doen is. Zij is, wat wij een huissloofje noemen inde volle beteekenis van het woord, ze heeft een zekere onverschilligheid en weinig gevoel voor sierlijkheid en verfijning. Een goed gekleede vrouw in den zin, dien wij, Franschen, daaraan hechten, is in Portugal een groote zeldzaamheid. Weelde doet daaraan niets af; als een dame die ten toon wil spreiden, en zoo zijn er natuurlijk, als ze wil worden opgemerkt, dan verschijnen dadelijk groote veeren, ingewikkelde toiletten, buitensporige juweelen, dat alles tegelijk, met pracht en staatsie, maar zonder oordeel en smaak. Nooit daarentegen van die kleine aardige vondsten, die eenvoudige, maar bevallige bij zonderheden aan het toilet, die overeenkomen met de gestalte en het gelaat van de draagster en met het effect, dat ze wil bereiken.
Zijn er hier geen nieuwere costuumnaaisters, of bestaan er hier geen dames, die deze te voorschijn roepen? Ik los de quaestie niet op. Een feit is het, dat de Portugeesche, door zich over het algemeen slecht te kleeden, zichzelve onrecht doet en, wat erger is, maakt, dat ook anderen haar onrecht aandoen, want er zijn bekoorlijke vrouwen onder de portugeesche, die in haar slecht zittende japonnen een beeldig figuur verbergen.
Zij hebben niet iets zoo gracelijks, zulke vurige oogen met fluweelen blik als haar buurvrouwen in Andaluzië, maar bij vele van haar zijn de proportiën schoon en de vormen heerlijk; doch niets van dat alles komt tot zijn recht, door die stelselmatige vlucht uit de wereld, die wel haar fouten en valschheden heeft, maar die ten minste ons leert, hoe men zich moet kleeden, loopen, gaan zitten, babbelen, de hand geven en glimlachen. Men mag gerust zeggen, dat ook de portugeesche vrouw allen geest van initiatief mist, onmisbaar om de zeer werkelijke hoedanigheden die ze bezit, naar waarde te doen schatten.
Het zittende leven brengt nog dit bezwaar mee, dat het de vrouwen spoedig dik maakt en haar, voordat de jaren het meebrengen, dat zware geven en dat forsche middel, dat oud maakt, te meer daar ze niet zeer groot zijn en forschheid niet best verdragen. Het gelaat wordt dan ook gevulder en het fijne ovaal van vroeger is spoedig niet meer dan een herinnering.
Het geestelijke leven staat met het physieke in verband. Met een groote vriendelijkheid en voorkomendheid gelukt het toch der Portugeesche niet, beminnelijk te zijn, misschien omdat ze niet ontwikkeld is, zeker ook om de afwezigheid van die kunst van zich te kleeden en daarbij den geest te verzorgen, zooals men dat het lichaam doet. Het moet erkend, dat niet alle Parisiennes Aphrodites zijn en dat de Madames de Sévigné niet zoo talrijk zijn, dat men ze alle dagen ontmoet; maar de illusie van een goed toilet en een aardig praatje is te Parijs er algemeen genoeg, om als regel te kunnen gelden. In Portugal zijn dat uitzonderingen. Bovendien ziet men er de vrouw in een toestand van ondergeschiktheid aan den man, die lastig veel aan den Moor doet denken. Hoe voorkomend de heeren ook zijn, ze zijn tegenover de dames ten hunnen huize nederbuigend en tevens uit de hoogte, iet of wat beschermend als een sultan, die een privilege heeft uitgegeven en wenscht, dat men dat niet vergeten zal.
Het spreekt vanzelf, dat deze indrukken vooral zijn verkregen aangaande de Portugeesche van de gewone kringen, en dat de meeste van de vrouwen uit de groote wereld en het hof die in zoo sterke mate niet maken. Die hebben de ervaring van de aristocratische en wereldsche kringen, welke op alle breedten al zoowat eenzelfden geest verwekken en gelijkheid van manieren; boven een zeker niveau heeft men ook hier Parijs met zijn gebabbel en zijn vermaken. Wat het toilet betreft, men moet, om volkomen eerlijk te blijven, met zijn geweten te rade gaan, of bovengenoemd voorbehoud wel mag worden gemaakt. De galanterie moet scheidsrechter wezen en zij maakt uit, dat er in het koninkrijk mogelijk een honderdtal vrouwen zijn, die niet alleen mooi zijn, dat zijn er duizenden, maar van verfijnde élégance en smaak, waardoor ze zich uitstekend kleeden. De verhoudingen zijn nu wel zoo gegeven, dat de portugeesche dames zich nu allen zullen herkennen....
Mooi en aardig waren de weinige gezichten, die ik achter de vensters van de verlaten straten in Beja zag, met de donkere oogen, die den exotischen vreemdeling nakeken. De rust van dit stadje, waar geen vrouw op straat zich vertoonde, was noodig, om iemand het hoofd zoekend te doen rondspeuren om te zien, waar ze gebleven waren die dingen, die van de pool tot den aequator aantrekkelijker zijn dan de schoonste monumenten, de aangezichten van vrouwen, de belangstellende blikken en de bevallig gebogen halzen. In de haast om weg te komen, ben ik, dunkt mij, een beetje litterair geworden; en die witte marmeren toren heeft mij alleen geboeid, omdat ik aan andere dingen dacht.
Nu is ze er weer, de eentonige vlakte; langzamerhand verdwijnt de hoogte van Beja; de toren van koning Denys is nog op een afstand zichtbaar tegen een rosen achtergrond; dan wordt hij op zijn beurt klein en smal, verwasemt en verdwijnt.
Te Casa Branca verandert men van trein in een station met een lichte overkapping, waar papieren fladderen en de geuren van eucalyptus hangen. In de verte teekenen zich heuvels af tegen de lucht; er is daar een berg van 430 meters; het vlakke Alemtejo is gedaan, de dalen beginnen, nog eerst met een zekeren schroom. Nog een klein uur, en men heeft de hoofdstad bereikt, Evora, een oude en merkwaardige stad, die het geheele geheim van haar lange geschiedenis geeft in een reeks van bouwwerken van beteekenis.
Terstond bij aankomst verraden de resten der muren het verleden; men vindt er romeinsche, westgothische en moorsche motieven in een wijden kring bijeen, waar de muren nu eens geheel zijn verdwenen, dan half ingestort zijn, maar het meest nog overeind staan in allerlei vormen, als vierkante torens, opeengestapelde platte steenen, kanteelen, poorten met ijzer beslagen, waaraan men de verschillende stijlen herkent, die elkaar zijn opgevolgd in het oude Ebora. De stad heeft de legioenen van Sertorius gezien, die er zijn hoofdkwartier had; toen ze een romeinsche kolonie was, heette ze Liberalitas Julia. Daarna was ze in het bezit der Mooren, tot de Ridders der Avizorde haar veroverden. Het hof van Portugal heeft er geresideerd, en van dat alles is nog een aartsbisdom overgebleven, dat het derde is van het rijk, na Braga en Lissabon, terwijl er buitendien nog leeft de herinnering aan een niet geheel vervallen grootheid.
Men bespeurt dat de vlakte teneinde is aan de oploopende straten, die golvende lijnen beschrijven als in de hoofdstad van het land, maar toch is de vlakte nog niet ver verwijderd, want Evora ligt aan den rand, als een vooruitgeschoven post van de terrassen, en uit de vensters der hoog gelegen stad ziet men over een onmetelijke vlakte tot in de grijze verte.
De praça do Giraldo is het midden der stad, met arcaden, waaronder de banken en de voornaamste winkels. Op het gladde plaveisel van mozaïek, met zwarte en witte strepen naar portugeeschen trant, wandelen de groepen, rookend en pratend, maar niets dan mannen, de vrouwen stellen zich tevreden met het leven van uit haar vensters gade te slaan.
Van het plein gaan een menigte nauwe straatjes uit, smal en bochtig, dooreengeward en op- en neergaand, afgewisseld door kleine pleintjes, en fonteinen, waaromheen kruiken en watervaten wachten om te worden gevuld. Er is in die fonteinen en in diegenen, die er komen, iets bijbelsch, dat aan het schiereiland eigen is. Aan de altijd vriendelijk stroomende kraantjes komen vooral vrouwen uit het volk, het is haar forum en tevens haar praatsalon, waar nog drukker gebabbeld wordt dan op de Giraldo. Leunend op den rand van het bekken, waarin het frissche water neervalt, met een hand op de heup, de japon hoog opgenomen, houden ze haar steenen kruik vast, die al lang overloopt, eer ze aan het eind van het praatje weg gaan en de kruik opnemen. Dan neemt een andere de plaats in en in het oneindige zoo door, tot de kruiken, die in nette rijen op de straat staan aan eiken kant van de bron, alle gevuld zijn en meegenomen op evenveel hoofden als er vrouwen waren. De rijken en de waterkooplieden komen met ezeltjes, beladen met vier groote kruiken, twee aan elken kant van het zadel. Op bepaalde oogenblikken van den morgen en den avond ziet men bij de toegangen tot de fonteinen veertig of vijftig vrouwen, twintig ezels en legers van kleine kinderen, die er dooreenwoelen, zonder ooit de orde te verstoren in de aarden of metalen vaten, in een rij geschaard tot het eind van het pleintje.
Op het hoogste punt van Evora zijn de beide groote beschavingen vertegenwoordigd door twee gebouwen, den tempel van Diana en de kathedraal.
Hier zij opgemerkt, dat een tempel, waar men niets van weet, bijna altijd een tempel van Diana wordt. Maar te Evora is de vorm toch nog te onderscheiden en uit de rangschikking der zuilen en de inrichting der fondamenten kan men afleiden, dat het een gebouw moet geweest zijn uit de eerste eeuw na Christus. Tot in den laatsten tijd waren de ruimten tusschen de nog staande zuilen aangevuld door muren, en men had den tempel overdekt met een soort van toren, waar binnen een museum was ingericht. Een man van smaak is op het goede denkbeeld gekomen, aan de ruïne haar eigen uiterlijk weer te geven; het dak, de muren en het museum zijn verdwenen, en nu kan men de harmonie der veertien zuilen waardeeren met hun kapiteelen, die nog wel iets te veel zijn gerestaureerd.
Iets lager staat de kathedraal, een stuitende vermenging vertoonend van verschillende stijlen en plannen. De hoofddeelen zijn gothisch, met smalle vensters, dikke muren en kanteelen; er verheft zich in het midden een achthoekige toren met op de acht hoeken acht klokketorens, die, maar in het eenvoudige, doen denken aan den toren van Burgos, met dan nog een massieven steenen kegel er op, die te laag en te dik is.
De gevel mist alle symmetrie, met al die vensters, die op goed geluk schijnen aangebracht, en volkomen onmethodisch. Alleen het versieringswerk aan het portaal is mooi, maar in het inwendige is de kerk overladen, tegen onze verwachting, die aan de soberheid der primitieve gothische kunst gewend is.
Er was ons gezegd, en zeker terecht, dat acht dagen nauwelijks genoeg zouden zijn voor Evora, maar wij hebben niet zooveel tijd en moesten al spoedig naar Villaviçosa vertrekken. Daar komt men in een land van de Schoone Slaapster in het Bosch, in een stadje nog witter, kleiner en stiller dan Beja. Om de waarheid te zeggen, ontwaakt de schoone prinses er niet letterlijk naar het verhaal, maar zij komt er elk jaar eenige weken doorbrengen in het kasteel, waar zij het liefst vertoeft, het oude slot van Braganza. Als zij er is aangekomen, ziet men de koninklijke karossen af en aan rijden, het stadje ontwaakt ten leven, de straten worden druk, het gras op het marktplein verdwijnt en het kasteel wordt verlicht.
De koning en de koningin komen te Villaviçosa jagen en paardrijden; het kasteel is voor hen een echt familieverblijf, en het groote bosch, door muren ingesloten met vijvers en koepels, levert voor zulke vermaken een uitstekend terrein.
Het kasteel is intusschen vervallen van zijn oude pracht, sedert de bezitter, Johan, de achtste hertog van Braganza, het verliet, om als koning zijn intocht in Lissabon te houden onder den naam van Johan IV en in 1640 aldus de nog regeerende dynastie te grondvesten. Het was een groot oogenblik voor den vorst, die nog eens weer de Spanjaarden had verjaagd; maar het arme kasteel heeft er zijn kostbaarheden bij verloren, die bepaald koninklijk waren en eenigen tijd van te voren door den kardinaal Valentinus, pauselijk legaat, waren in oogenschouw genomen. Bijna alles werd naar Lissabon gebracht en verdween in de aardbeving van 1755.
Toch ziet het kasteel er nu nog indrukwekkend uit met den grooten gevel, en de vertrekken hebben bij den grooteren eenvoud gewonnen aan intiemer karakter, dat de koningin aantrekt, wier smaak fransch is. De zoldering van de hertogszaal is verdeeld in een aantal vakken, waar de reeks van alle Braganza's tot op den tegenwoordigen hertog geschilderd zijn; de jonge prins is er als baby afgebeeld, maar daar er geen plaats meer was aan de zoldering, hangt zijn portret aan den wand.
Te Villaviçosa begint het eigenlijke bergachtige Alemtejo. De bergen zijn niet hoog, 512 meter te Estremoz, de naburige stad, waar alle alcaraza's of koelkruiken worden vervaardigd voor het schiereiland. Maar de kusten zijn diep ingesneden en de dalen diep en begroeid, zonder dat veel wegen er den weg in wijzen. Wij reisden verder naar Elvas aan den rand van een andere vlakte, het spaansche Estramadura, en hadden er een uitzicht tot Badajoz. Daar in de buurt troffen we, evenals bij Evora, een romeinschen aqueduct, bestaande uit vele bogen, die wankel genoeg leken, om zeer oud te zijn; maar de waterleiding bij Evora uit den romeinschen tijd vertoonde bogen, die uit de zestiende eeuw dagteekenden.
Onder de interessantste uitstapjes, die men van Lissabon uit kan maken, komen die voor naar Coïmbra en Bussaco. Die tocht, dien men gemakkelijk in twee dagen doet, is dubbel aantrekkelijk, want hij vergunt den toerist, een der schilderachtigste en oudste steden van Portugal te bezoeken, en een der mooiste landschappen van het schiereiland te bewonderen, beroemd om de pracht van het panorama en den rijkdom van den plantengroei.
De express van Oporto, die uit Lissabon vertrekt om half zes 's avonds, is uitstekend geschikt voor dit reisje. Men komt om negen uur te Coïmbra aan, en den volgenden dag kan men dan rustig de stad bezoeken.
Behalve de bekoorlijke ligging heeft de stad Coïmbra, gebouwd tegen de helling van een hoogte langs de rivier de Mondego, haar hooge gebouwen der Universiteit, waarvan de toren blinkt tegen het blauw van den hemel. De geheele omgeving biedt een toerist allerlei zeer levendige herinneringen aan de geschiedenis van Portugal. Daar resideerden bijna alle koningen van de Alphonsische dynastie; daar was eertijds het ware middelpunt van het leven van het land; daar werden de eerste gevechten geleverd tegen de Mooren; daar werden de groote heldendaden verricht en daden van vaderlandslievende opoffering; daar speelden zich de episoden af, zoo romanesk en zoo tragisch, van de liefde van Dom Pedro en Ines de Castro; daar worden vromelijk aangebeden de overblijfselen van de echtgenoote van Dom Denys, Isabella de Heilige; en eindelijk was het deze stad, die de wieg werd van een zevental beroemde mannen, beroemd in de wetenschap, de letteren, de kunsten, en waar de eerste dichters van het land hun inspiratie kwamen zoeken, door den geest van Camoëns erheen gevoerd.
Maar de voornaamste glorie van Coïmbra, de schoonste parel aan de kroon der stad, is haar oude universiteit. Coïmbra is in hoofdzaak stad van wetenschap en studie, die beide begunstigd worden door het overheerlijk zachte klimaat, de poëzie van het landschap en de kalmte van het leven in de stad, en voordat wij den lezer er doen binnengaan, willen we hem iets vertellen van de geschiedenis dezer academie, waar men de heele geschiedenis van het land in kan terug vinden.
Den 12den November 1288 richtten de abt van Alcobaça, de priors van Sainte Croix en Sint Vincent en andere geestelijken, te Monto-Mor-o-Novo bijeengekomen, een verzoekschrift tot den paus, waarin ze mededeelden, dat de koning Dom Denys tot de stichting had besloten van een algemeen college te Lissabon, tot onderhoud waarvan hij bestemd had de opbrengst van twee zijner kloosters en kerken; ze vroegen den paus, een zoo vroom en prijselijk werk wel te willen steunen en zegenen. Het antwoord liet zich bijna twee jaren wachten. Eerst den 9den Augustus 1290 zond paus Nicolaas IV van Orvieto de bul: De statu regni Portugaliae, waarin hij uitdrukkelijk het bestaan erkende van het Algemeen College van Lissabon en er verschillende voorrechten aan schonk.