In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 6
Kaap Sagres is eerder een schiereiland dan een kaap. Dat schiereiland wordt afgesloten door oude, lage, massieve vestingwerken, in welker midden een poort door een bastion gekroond is. Het dorp is evenals de kust vol van herinneringen aan den infant Hendrik, die de plaats in 1419 zou hebben gesticht en er werven zou hebben aangelegd en scholen, met het doel, de zeevaart te ontwikkelen en de groote zeevaartkundige ontdekkingen. Men laat u zelfs in Sagres het huis zien, waar hij zou hebben gewoond en waar hij ook gestorven zou zijn; ook merkt men er een marmeren plaat op, die er in 1839 is geplaatst boven de binnenpoort van de plaats op bevel van koningin Dona Maria II, teneinde voor altijd de herinnering levendig te houden aan den grooten Infant. Maar hier raken wij aan een probleem, dat de portugeesche archaeologen lang heeft bezig gehouden en nog niet met rust laat, namelijk waar precies de plek is van die "Villa do Infante".
Er zijn twee inrichtingen; de eene pleit energiek voor Sagres, en de andere, steunend op de termen van een charter van Dom Hendrik, gedateerd van 19 September 1450 en op verschillende andere bescheiden en getuigenissen, bestrijdt die meening en plaatst de stad van den Infant dichter bij kaap Sint Vincent, op de plek, die Beliche genoemd wordt. Na onderzoek van de stukken zouden wij geneigd zijn tot de laatste opvatting. Hoe het ook zij, het staat wel vast, dat op deze kust en binnen een bekenden kring van ongeveer een mijl de infant omstreeks 1460 een dorp heeft gesticht, waaraan hij zijn naam verleende. Dat dorp had ten doel, zoo zegt het charter, hulp en bijstand te verleenen aan de talrijke schepen, die door tegenwind gedwongen waren in deze streken een schuilplaats te zoeken, en waarvan de bemanningen dikwijls op deze kusten aan land werden geworpen. De gedenkplaat van 1839 spreekt bovendien van een beroemde school van cosmographie, van een sterrenkundig observatorium en van werven voor den bouw van oorlogsschepen. Het lijkt dus wel zeker, al blijft nog open de discussie over enkele vragen naar personen, tijden en plaatsen, dat de omgeving van kaap Sint Vincent in vervlogen eeuwen het tooneel is geweest van groote maritime werkzaamheid; dat energieke zeevaarders en misschien groote vloten van daar zijn vertrokken, om verre landen te ontdekken en onbekende streken te leeren kennen. Men gevoelt nog duidelijker dan anders de ijdelheid van de aardsche dingen en de onstandvastigheid van het werk der menschen, als men deze treurige en verlaten streken doorreist, nu de stroom der jaren alles heeft verplaatst en zooveel heeft vernield, na het eerst te hebben opgebouwd.
De ezeltjes hebben bij het verlaten van Sagres hun tragen gang hervat; de doodsche streek ontvangt het laatste licht van den stervenden dag; de nacht valt langzamerhand over de kust en geeft aan de hooge rotsen schimachtige gedaanten, terwijl de maan over de rustig geworden zee een reuzendraperie van zilver legt.
Van Algarvië hebben wij tot nu toe slechts de vlakten en het strand gezien; wij moeten nog, voor we Alemtejo onder handen nemen, doordringen in dien Serra de Monchique, dien men ons als schoon heeft beschreven en waarvan de sierlijke vormen een wonderprachtig belvedère schijnen, geplaatst door de natuur juist aan het begin van ons oud Europa.
De rijweg, die naar de badplaats Monchique voert, gaat van Portimao uit en loopt langs den stijgenden rechteroever der rivier. Het uitstapje, met de onvermijdelijke bestijging van la Foia, het hoogste punt van de bergketen, kan desnoods in een enkelen dag gebeuren; maar als men het onvergelijkelijke schouwspel van den zonsondergang wil genieten, is het te verkiezen, naar beneden te gaan, om te logeeren in het hotel van de badplaats Monchique, van waar men gemakkelijk den volgenden morgen in Portimao terug kan zijn op het uur van het ontbijt. Wij kunnen dit uitstapje niet hartelijk genoeg aanbevelen; het is niet ver en niet vermoeiend, noch kostbaar, ongeveer 2000 of 2500 reis, dus zes of zeven gulden, voor een rijtuig met twee paarden. Maar ook kan men den toerist niet ernstig genoeg waarschuwen voor een vergissing, waarvan hij noodzakelijk het slachtoffer moet worden, als hij zich toevertrouwt aan de aanwijzingen van den officieelen gids der portugeesche spoorwegen.
Men vindt inderdaad in de genoemde gidsen ten zuiden van Beja, op de lijn van Lissabon naar Villa Real de Santo Antonio, een station, dat antwoordt op den naam Saboia Monchique en dat, naar de kaart te oordeelen, vlak bij den Serra moet liggen. Dat is echter een grap en niets anders, of ja, het is meer, en die aanwijzing, die door niets gerechtvaardigd wordt, moest onmiddellijk verdwijnen, want zij stelt er den reiziger aan bloot, om te goeder trouw een allervervelendste vergissing te begaan. Het station Monchique ligt ongeveer vijf uren van het dorp van dien naam, en het is zoo goed als onmogelijk er te komen. Er is inderdaad geen weg, geen pad zelfs; noch paarden, noch rijtuigen, noch ezels kunnen er u brengen door den doolhof van heuvels en dalen. De rampzalige reiziger is genoodzaakt in dat verloren land te wachten op den volgenden trein, dat wil zeggen philosofisch stil te zitten van vijf uur 's morgens tot twee uur in den namiddag, of van twee uur 's middags tot twee uur 's morgens. Hij zal dan leeren begrijpen, dat de kortste weg tusschen twee punten niet altijd de rechte lijn is, want om zijn doel op andere wijze te bereiken, zal hij nog bijna vier uur moeten sporen en drie uur per rijtuig afleggen, samen 90 kilometer.
En nu wij toch op dit onderwerp zijn gekomen, laat ons nu dan zeer luid zeggen, dat die omweg onzin is. Monchique, een prachtig gelegen plaats, een middelpunt, als aangewezen voor een lustverblijf, dat warme, zeer geneeskrachtige bronnen heeft, moest daarheen de toegang niet op alle mogelijke manieren gemakkelijk zijn gemaakt? Zooals de toestand nu is, levert alleen Algarvië de bezoekers, zoodat feitelijk enkel die provincie er van profiteert. Is het dan zoo moeilijk, een weg van twintig kilometer aan te leggen, zelfs in een land met geaccidenteerd terrein, en er een automobieldienst in te stellen, zooals reeds met goed resultaat op veel plaatsen in Portugal werkt? Waarom neemt de staat niet het initiatief tot die onderneming, en waarom is er, als de staat zich onthoudt, niet een groep kapitalisten, die een zaak wil exploiteeren, waardoor Monchique minder dan tien uren van Lissabon zou zijn verwijderd, en die dus een schoone toekomst zou tegemoet gaan?
Nu dit gezegd is, keeren we tot ons onderwerp terug. Na de geheele bovenstad te zijn doorgegaan, verlaat de weg Portimao en daalt in het dal af. De boerenhoeven volgen elkaar op met hun wijngaarden en vruchtboomen. De grondeigendom is zeer verbrokkeld in deze streek. De boomgaarden hebben alle hun vruchtbaarheid te danken aan de noria's, die er vlijtig werken aan de besproeiing. Zoo'n noria is een origineele pomp, gevormd door een primitief rad, op welks schoepen potten of kannen van aardewerk of tin zijn bevestigd of oude inmaakblikken en melkkannen, die elk op hun beurt het water scheppen uit het réservoir. Een ezel, die geresigneerd rond loopt in een cirkel, brengt het toestel in beweging.
De weg loopt over de rivier en gaat dan met een flauwe helling in het dal omhoog, dat nauwer wordt en in den Serra verdwijnt. De rivier, die tot beek wordt, kabbelt onder eucalyptusboomen; de hellingen worden steiler, de horizon wordt wijder en Caldas de Monchique verschijnt in een wonderlijk dichte massa groen.
De bergketen van Monchique heeft twee alles beheerschende toppen, den Foia van 903 meter en den Picota van 780 meter hoogte. Op de zuidelijke helling van den Picota liggen de baden of caldas van Monchique ter hoogte van 250 meter, en op zes kilometer afstands van de stad van denzelfden naam. De badplaats ligt aan den ingang van een ravijn, waar zes warme bronnen ontspringen; het badhuis bezit alle moderne hydrotherapeutische inrichtingen; de talrijke badkamers hebben ieder op de deur een aanwijzing in groote witte cijfers, hoeveel het abonnement kost, een prijs, die niet voor alle gelijk is. Van de bronnen is die van Sint Jan de voornaamste, waarvan de opbrengst in 24 uur 280.000 liter bedraagt; het water werkt vooral goed op aandoeningen van rheumatischen aard en huidziekten. Het aantal baders wisselt af tusschen zes- en zevenhonderd.
Behalve dat er veel stukken en documenten bestaan, die vaststellen, dat de warme baden van Monchique al sinds de eerste jaren van de portugeesche monarchie werden gebruikt, hebben ook de opgravingen uit den jongsten tijd een vrij groot aantal romeinsche munten aan het licht gebracht, en ook arabische, waardoor blijkt, dat de exploitatie al zeer oud moet zijn. Maar de wijze van exploitatie moet wel zeer veranderd wezen sedert den tijd, toen koning Johan II in 1394 er zijn waterzucht kwam genezen, en er is een groot verschil tusschen het algemeene bassin, dat men nu nog kan zien, en de nette kamertjes van 5000 reis. [1]
De ligging van de badplaats is verrukkelijk. Van het badhuis zelf is het uitzicht beperkt; maar wanneer men slechts vijftig meter is gestegen op de helling der bergen, door de lanen van een park vol bloeiende mimosa's, kan men een heerlijk panorama genieten, dat telkens wijder en schooner wordt bij elke bocht van den weg. Op den voorgrond zware bosschen, waarin lichtgekleurde optrekjes zich in het groen verbergen. Verder daarachter een ware zee van bergen, die onmerkbaar dalen en waarin het spel van het licht zonderlinge tegenstellingen vormt; dan de breede gordel van den kustzoom van Algarvië, bestippeld met tal van dorpen, en eindelijk de zee, zich aan den horizon aansluitend bij het blauw des hemels.
Van de badplaats bereikt men in een uur het stadje Monchique, in de schaduw der kastanjes en acacia's. Op de zonnige hoogvlakte, vruchtbaar gemaakt door vele bronnen, zijn overvloedige tuinen van oranjeboomen, en de tuinbouw levert er in het algemeen prachtige resultaten. Monchique voorziet Algarvië van de beste groenten, de heerlijkste vruchten, en het tuinbouwbedrijf is een bron van rijkdom voor het land. De waarde is meer dan vertienvoudigd in de laatste jaren; terreinen, die vroeger verkocht werden voor eenige honderden francs brengen nu 5000 francs en meer als koopsom op. De bevolking is toegenomen in rechte reden met den rijkdom; ze heeft zich in dertig jaren verdubbeld.
Het stadje is bekoorlijk met zijn Dos Chorocsplein, waar een honderdjarige eik staat, zijn straten, die den heuvel beklimmen, het kerkje met de eigenaardige, uit de hand bewerkte deur en de terrassen bij de woningen vol oranjebloesem en andere bloemen. Wij hebben reeds elders gesproken over de hartelijkheid van de ontvangst door den gemeenteraad, de overal ons toegestoken handen, de aanbiedingen van gastvrijheid, treffend van eenvoud en die openhartige blijdschap van menschen, die gelukkig zijn met een bezoek en dat niet verbergen.
En nu op weg, vlug op weg, om vóór zonsondergang het hoogste punt van den Serra te bereiken, den Foia. Een cavalcade van ezels is gauw klaar met het onvermijdelijke geroep en gelach, de dwaze vertooningen en nuttelooze aanmoedigingen. Arr burro!
Arr burro! Ondanks dien keelklank, die bedoelt, hen aan te zetten, nemen de kalme beesten een kalmen gang aan met een hardnekkigheid, een zacht verzet, dat misschien niet onpolitiek is. Van tijd tot tijd wappert de staart en de ooren gaan overeind staan, en het dier schijnt ons te willen zeggen: "Harder loopen? Dat zou ik u wel eens willen zien doen!"
Inderdaad stijgt het pad verschrikkelijk en de ezels raken buiten adem. Na anderhalf uur ongeveer van geradbraakt worden op een zadel van een onmogelijke breedte, bereikten wij de obelisk op den top. Welk een prachtig tooneel! Geheel Algarvië en Beneden Alemtejo liggen aan onze voeten, als een aardrijkskundige reliefkaart; in het Zuiden van kaap Sint Vincent tot kaap Sainte Marie; in het Noorden tot de hoogten van Coïmbra en kaap Espichel breidt het land zich tot in het oneindige uit over wel twintig districten. Maar het glanspunt is de zee, waar de wijde ruimte vóór ons ligt. In het Westen gaat de zon onder, de golven stralen in goud, purper en oranje, en de gouden bol daalt langzaam in het water in een apotheose van stralen, een uiteenspatting van vonken. Toen het donker was, daalden wij naar beneden, naar Monchique, nu onder den indruk van het landschap bij maneschijn.
Zoo is dat zoo goed als vergeten Algarvië. Het land is het waard, dat men er veel dagen vertoeft, en wij betreuren het, dat ons de tijd maar schraal is toegemeten, de tijd, die snel voorbij is, en dat wij al van het mooie land afscheid moeten nemen.
Alemtejo is ook al belasterd, de provincie, die met Algarvië het Zuiden vormt in Portugal, en dus de streek van achterlijkheid en primitieve toestanden, naar men in het overige land denkt. Alemtejo beteekent "over de Taag", met een ietsje van minachting. Men zou kunnen denken aan een mooie dame, die met een minachtend lachje zou spreken over een "zekere wereld", een van die plaatsen, waar men geen goed gezelschap aantreft, en waarheen men zich slechts begeeft, om aalmoezen uit te deelen of kiezers op te scharrelen.
Laat ons eerlijk zijn. Alemtejo is vlak, zeer vlak over twee derden van zijn oppervlakte, met een vijfde geheel onbebouwd. Het is de provincie van bouwland en van groote domeinen, landgoederen, waar de portugeesche markiezen van Carabas niet in een enkelen dag hun bezittingen kunnen rondrijden. De hertog van Palmella is bijvoorbeeld een van die grondbezitters.
De indruk van eenzaamheid is des te sterker, daar de spoorweg zelden dicht langs de steden en dorpen gaat. Sommige stations liggen op twee of drie mijlen verwijderd van de plaatsen, waarbij ze behooren, met wegen, die uit den tijd der Westgothen stammen, om ze ermee te verbinden. Die uitgestrekte, dorre, schaduwlooze streken, zonder water en ver van de zee, zijn de warmste van het land, maar men kan er veel warmte verdragen, daar de lucht er niet vochtig is; 35 graden Celsius verdraagt men met gemak, soms 40 graden, terwijl aan de kust 25 of 30 graden iemand al doodop maken.
Dit geldt natuurlijk voor den zomer, want in den winter daalt de thermometer in den zonneschijn en bij de heldere lucht dikwijls tot 7 of 8 graden. Dan bibberen de reizigers in de derde klasse, die als in de open lucht reizen in wagens zonder glas in de vensters, en ze droomen van het tropenland bij het wapperen der gordijntjes. De nachten zijn trouwens nooit te warm, en de toeristen zullen goed doen, er aan te denken, dat alleen in de koudste maanden een mantel noodig is. In elk geval zijn de waggons eerste klasse even goed en even dicht als bij ons, zonder nog te spreken van het rijtuig met zijgang, dat tusschen Lissabon en Villa Real de Santo Antonio rijdt.
Dus in tegenstelling van Frankrijk is het Noorden van Portugal verheven boven het Zuiden, dat, het is waar, er geen roem op draagt het monopolie te hebben van de groote mannen, ministers, zangers, schrijvers, generalen, noch zelfs dat van de vele wijnen.
Bij den eersten aanblik begrijpt men den trots van het Noorden, maar als men beter toeziet, acht men dien toch oppervlakkig en ongegrond.
Vooreerst heeft de Portugees aan Alemtejo het witste brood te danken, dat hij eet, en de paarden krijgen van daar hun haver. Niet veel gouden appelen en weinig rozen, het is waar, maar graan en koren in overvloed, die dan toch een kracht zijn in het leven. De boerenhoeven zijn zoo groot en het bedrijf wordt zoo goed gedreven, dat men ze nergens zoo vindt dan misschien in Engeland en Hongarije. Het zijn groote ondernemingen, waar men een talrijk personeel onderhoudt, in ruime gebouwen, in aantal genoeg om aan een gehucht te doen denken.
Men moet aan de stations of in de steden de boeren en de herders zien, met hun zware gordels, hun breedgerande hoeden, hun korte, gegalonneerde buizen en hun wijde broeken, om een denkbeeld te krijgen van hun beteekenis en hun rijkdom. Daarbij zijn ze ook forsch en gebruind, stevig van bouw; ze dragen het hoofd hoog; hun baard is goed geschoren, hun kleeding onberispelijk, hun zindelijkheid tot bij het kleingeestige af. Of de heeren van het Noorden het goed vinden of niet, zulke boeren hebben al heel weinig van Zoeloes of Botokoeden, en ze hebben dat nog minder, als men in de gelegenheid is, hun welwillendheid en beleefdheid op de proef te stellen.
Alemtejo heeft nog meer in zijn grond, namelijk koper. Een rijke ader loopt er in door, van de spaansche mijnen van Tharsis en Rio Tinto. Santo Domingo en Aljustrel zijn de beide voornaamste mijnen der provincie.
De eerste, dichtbij de grens van Spanje, wedijvert met haar machtige buren en zendt haar product langs een eigen spoorweg naar Pomarao aan de Guadiana, waar de groote stoombooten ze laden voor Engeland. De exploitatie wordt aan de vrije lucht gedreven in een reusachtige uitgraving onder leiding van een engelsche maatschappij. Aljustrel behoort aan een belgische maatschappij en zendt haar koper vooral naar Duitschland. Zooals men ziet heeft de Portugees in dezen geen geest van initiatief getoond, hoewel hij anders niet zoo lui is, als de legende wil, en wel degelijk werkt en bouwt en oogst, en daarbij geen moeite spaart. Van die beide mijnen, waaruit men reeds voor honderden millioenen, misschien voor milliarden heeft getrokken, behoort de eene aan Engelschen, de andere aan Belgen, of met andere woorden, van die fortuinen blijft er in het land, dat ze voortbrengt, niet anders dan de loonen van de arbeiders en de uitgaven van het hoogere personeel. Al het overige gaat het land uit en gaat den buurman verrijken, hetzij in den vorm van dividenden, hetzij in dien van bestellingen van machines.
Het is zonderling op te merken, hoe alles, wat voordeel kan opleveren, in handen is van vreemdelingen. De Portugees heeft geen ondernemingsgeest, of als hij die wel heeft, kan hij geen geld krijgen om hem te helpen. Er zijn weinig kapitalen, dat is zeker, maar het is vooral, dat die, welke er zijn, het rechte vertrouwen missen, en daardoor mislukt bijna elke nationale onderneming. Die soort van apathie vol vrees verklaart ook de ongeschiktheid van den Portugees voor bestuursfuncties. De wil, de vaste wil, die tot nauwlettende studie voert, die tot een beslist oordeel en tot snel besluiten leidt, ontbreekt bij den Portugees. En men moet vandaag leven, dat is waar, maar wat morgen aangaat, dat kunnen we dan wel zien! De haven van Lissabon, die door een fransche maatschappij aangelegd en geëxploiteerd is, kwam den 7den Mei j.l., bij het afloopen der concessie, onder een portugeesche directie. Niemand twijfelt er aan, of het loopt spaak, en op een goeden dag zal men moeten terugkeeren tot den ouden staat van zaken, zoo overtuigd is men, dat het nieuwe stelsel maar tijdelijk zal wezen.
Tevergeefs beproeft de regeering daartegen te reageeren. Te Santarem heeft zij een franschen practischen ingenieur laten komen voor de rectificatie van den alcohol. Er is een fabriek gebouwd met moderne machines voor meer dan 250 000 francs. Men wilde een nieuwe industrie in het leven roepen en leerlingen vormen. Maar de practicus in quaestie heeft noch een leerling, noch een klant gekregen, en hij is moeten vertrekken, toen zijn engagement was afgeloopen, de machines prachtig gepoetst achterlatend, die, als er weer eenige jaren zullen zijn verloopen, een goede voorraad oud roest zullen zijn.
De Koninklijke Spoorwegmaatschappij wordt bestuurd door een fransch ingenieur, aan wien ze haar ordelijken toestand en haar voorspoed te danken heeft; de trams te Lissabon loopen met geld en ijzer uit het buitenland: fransch is de groote brug van Santarem; belgisch de brug van Dom Luiz te Oporto, een der glories van die stad; engelsch, duitsch of fransch bijna alle scheepsgelegenheden... zoo is het met alles... Maar wij waren aan de mijnen; keeren we daarheen terug.
Ze zijn onderworpen aan de regelen van de fransche wet van 1810, dus wordt er onderscheid gemaakt tusschen den eigendom van de oppervlakte en van den ondergrond. Maar als de eigenaar van den ondergrond een put zou willen graven aan de oppervlakte, moet hij zich natuurlijk ook het bezit daarvan verzekeren. De eigenaar van de laatste kan zich daar niet tegen verweren, want er wordt spoedig tot onteigening overgegaan, maar dan met de verzachtende omstandigheid, dat de bezitter van den bovengrond het dubbele ontvangt van de geschatte waarde.
Men kan wel nagaan, dat de beide groote mijnen van Alemtejo een groote waarde vertegenwoordigen, in dezen tijd, nu het koper zoowel om de reëele waarde, als voor de speculatie zoozeer op prijs wordt gesteld. Met koortsachtige belangstelling wordt dat metaal gezocht en de opbrengsten zijn verbazend toegenomen.
De mijn van Aljustrel geeft aan 400 mijnwerkers arbeid, tegen een dagloon van 3.50 francs in vijf putten, en aan 1400 andere arbeiders tegen 2.50 francs per dag. Het syndicaat, zooals het bij ons te lande werkt, is er nog onbekend. Er bestaat alleen een coöperatie, in April 1907 gesticht voor de verschaffing van levensmiddelen en een hulpkas, die van Februari dagteekent. Daardoor heeft elke werkman tegen een storting van twee francs per maand recht op geneeskundige hulp, geneesmiddelen en verpleging in geval van ziekte.
Zoo de Aljustrelmijn interessant is uit het oogpunt van moderne exploitatie in Portugal, ze is dat nog meer uit een ander oogpunt, namelijk als vindplaats van zeer belangrijke overblijfselen van den arbeid der Romeinen.
Vipasca, dat thans bekend is onder den arabischen naam van Aljustrel, was een der belangrijkste kopermijnen en tevens waren er zilvermijnen in den romeinschen keizertijd. In 1876 ontdekte men onder de slakken en het puin van den mijnput van Algaras een bronzen plaat, O.78 meter hoog, O.52 meter breed en O.08 tot O.13 meter dik, waar een latijnsch opschrift op te lezen was.
Daar waren de oudheidkundigen klaar met hun lorgnetten.
Want inderdaad, hier was iets buitengewoons te lezen. Men kreeg nu niet, zoo dacht men te hooren, de voor de eeuwen vastgelegde edelmoedigheid van den een of anderen goedigen rijkaard, die een groote som offerde, om in de tijden van Hadrianus de leegloopers te vermaken, maar men zou het reglement van de mijn leeren kennen, en dus inzicht krijgen in het openbare of particuliere leven van de bevolking in den omtrek, die van de mijn leefde. Als er toen een Bond van den Arbeid had bestaan, wat zou die daar een ervaringswijsheid hebben kunnen opdoen! Welk een tribune voor zijn ontevredenheid! Wat zou de sabotage daar hebben kunnen uitwerken. Om de waarheid te zeggen, de vrijheid van handel en bedrijf zou gevaar hebben geloopen.
Maar het bleek, dat de tekst over eenvoudige dingen handelde. Na de bepalingen omtrent den honderdsten penning, te betalen bij iederen verkoop in het openbaar, en over het uitstel van drie dagen, waarna de kooper dubbel zal moeten betalen, bepaalt het geschrift bij voorbeeld, dat men zich alleen mag laten scheren en haarknippen door zijn slaaf, als men een vrije is, of door zijn medeslaaf, als men zelf onvrij is. Elke barbier, die van buiten komt tegen het bevel, moet boete betalen, verliest zijn gereedschap en moet de Vicus Vispascensis verlaten. De kleermakers, schoenmakers en dergelijke mogen slechts hun bedrijf uitoefenen onder stipt vastgestelde voorwaarden. De bestuurder der baden, die de zegeningen van een wekelijkschen rustdag niet mag kennen, moet dagelijks, ook des Zondags zijn vuur, zijn water, zijn stoom enz. gereed houden.