In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 4

Chapter 43,859 wordsPublic domain

Uit denzelfden tijd stamt de koets van Jan V, een beeld van kostbare sierlijkheid. Aangestoken door de dwaze weelde van het hof te Versailles, putte deze vorst, wiens nagedachtenis slechts droevige herinneringen wekt, het land uit door zijn verkwisting en de pracht zijner feesten, waarin hij wedijverde met het hof van Lodewijk XIV. De koets, die ons werd vertoond, is een product van dien geestestoestand en ze heeft stellig nog al eenige diamanten uit de mijnen van Brazilië gekost! De bronzen bekleeding, die overal is aangebracht, is met kunstvaardige hand bewerkt; op het paneel van het portier stelt een fijn schilderstukje, door twee bekoorlijke jonkvrouwen gedragen, een schelp voor, waarin Neptunus reist, de koning der zee, terwijl de godin Ceres hem de eerste vruchten van de aarde aanbiedt. De fransche invloed laat zich terugvinden in het beloop der lijnen en tot in alle bijzonderheden van het koninklijke rijtuig. Laat ons nog ten slotte, want we moeten ons beperken, het rijtuig noemen van Jozef I uit de tweede helft der 18de eeuw, dat niet minder luisterrijk versierd is; de schilderij, die aan de achterzijde het bovenste paneel versiert, stelt de worging voor van een leeuw door een onverschrokken man, terwijl een groep mannen en vrouwen er naar kijken in een mooie landelijke omgeving met donkere wolken aan den horizon. Is het een allegorie, en is de held misschien Pombal? Maar dan hadden er drie leeuwen moeten zijn, de Heilige Dienst, de Jezuïeten en de Adel! En Lissabon na de vreeselijke aardbeving van 1755, die het leven kostte aan 30 000 inwoners, was ook niet voor te stellen door een liefelijk landschap!

Volgen wij nu het hof in de zomerresidenties van Cascaes en Cintra. Zoodra de warmte het verblijf in Lissabon minder prettig maakt, gaat de koninklijke familie naar Cintra, waar het Koninklijk Paleis wordt betrokken door de koningin moeder, en het kasteel van Pena door koning Carlos en koningin Amelia. De adel volgt hen in de verplaatsing, en de families van den hoogen adel in Lissabon hebben bijna alle hun villa te Cintra. Komt dan September in het land, dan vertrekken ze allen naar Cascaes, naar Estoril, waarheen dan het echte seizoen verplaatst is.

Cintra is een stadje van minder dan 4000 inwoners, gelegen op de helling van een berg, die zich bijna loodrecht verheft in de vlakte van Estramadura en waarvan de eenzame ligging den indruk van zijn hoogte versterkt. Er is een weelderige plantengroei; Cintra verdwijnt letterlijk onder het groen. De talrijke villa's, die de eerste kringen van Lissabon herbergen tijdens het verblijf van den vorst, voltooien met hun tuinen vol bloemen de schoonheid van het geheel. De elegantie van de bewoners, de levendigheid en vroolijkheid der feesten, de schoone omgeving maken van Cintra in de maand Juli het mooiste plekje van Portugal, een paradijsje, welks roem geheel Europa door klinkt. Daarbij geven de ligging op 28 kilometer afstands van Lissabon en de gemakkelijke verbinding per spoor er altijd drukte en beweging.

Aan het station van Cintra bespieden tal van rijtuigen den onschuldigen toerist; het lijkt, of men in Napels is, zoo grooten ijver leggen de koetsiers aan den dag. Het eenvoudigste voor den reiziger zonder pretensies, die zijn morgen wil besteden aan een bezoek aan het Koninklijk Paleis en eerst in den namiddag naar Pena wil gaan, is, de tram te nemen in het station zelf; dan bereikt men snel en op niet dure manier het binnenplein van het paleis. Het is een mooie weg; die bij den uitgang der stad een bocht maakt, zoodat men het gezicht op Lissabon krijgt.

Het Paco Real is zeer oud, en de mengeling van moorschen en gothischen stijl doet zien, dat het herhaaldelijk omgebouwd is. Al kan men den juisten datum van den bouw niet vaststellen, men heeft onomstootbare bewijzen, dat het huis van arabischen oorsprong is. De aard van het metselwerk, de azulejo's, die het plaveisel van de kapel vormen met hun mozaïek van zoo groote fijnheid, ook die, welke de kleine poort omgeven, toonen die afkomst. De bestaande overlevering sluit er zich buitendien bij aan, dat de Mooren een alcazar in Cintra hadden; de gekanteelde muren van het Castello dos Mouros, met hun vijf torens en hun kleine moskee, boden hun op den berg een schuilplaats aan in tijden van oorlog; maar het is zeker, dat tijdens den vrede de hoofden naar beneden kwamen, om in de vlakte een gemakkelijker verblijf op te zoeken, en hun alcazar lag naar alle waarschijnlijkheid op de plek van het tegenwoordige paleis.

Nadat de Mooren uit Cintra verdreven waren geworden in 1147, werden de gebouwen, ter belooning, ten geschenke gegeven voor aan de kroon bewezen diensten aan een zekeren Gualdin Paës, van wien ze overgingen naar de Tempeliers; die ridders gaven in het begin der 14de eeuw het paleis aan koningin Isabella, die het als huwelijksgift schonk aan den koning. Sedert dien tijd woonden de vorsten uit de dynastieën van Aviz en Braganza om beurten in het kasteel, ieder van hen er wijzigingen of verfraaiingen aanbrengend.

Het kasteel heeft zijn bekendheid vooral te danken aan de gevangenschap van koning Alphonsus VI. Wat een treurige geschiedenis, onder zooveel andere droevige in het portugeesche vorstenhuis, die van den ongelukkigen prins, die al op driejarigen leeftijd verlamd werd, die zwak bleef en van beperkt verstand, maar die het vermogen tot lijden niet had verloren en over zijn lijden spreken kon, ongelukkige echtgenoot van de kleindochter van Hendrik IV, prinses Marie, Francoise Isabella van Savoye, vervallen van het koningschap bij besluit der Cortes; slachtoffer van zijn broeder, den infant Dom Pedro, zes jaren gevangene in Cintra, waar hij in 1683 stierf, na droevig zijn laatste dagen te hebben voortgesleept. In deze kamer op de tweede verdieping van het kasteel, waar men u nog tegenwoordig de steenen wijst van den vloer, uitgeslepen door de wandelingen van den ongelukkige, bij de kapel, in welker muur een bres was gemaakt, opdat de van zijn waardigheid vervallen koning de mis zou kunnen hooren lezen, zonder door het volk te worden gezien, wat donkere dagen moet Alphonsus VI er hebben doorgebracht! Hij stierf op 40-jarigen leeftijd, bijgestaan door zijn biechtvader, tot wien hij zijn bede richtte: "Kom, mijn Vader, gij ten minste zijt mijn vriend gebleven, geef mij uw hand." In die eenvoudige woorden ligt alle bitterheid opgesloten van dit terecht verbitterde hart.

Wij kunnen den lezer niet door alle zalen voeren van dit kasteel, dat te belangwekkender is omdat het een der weinige oude monumenten van Portugal is. De beschrijving is vaak gegeven, onlangs nog in een werk, te Lissabon verschenen, van graaf Sabugosa. Het is een zeer aantrekkelijk boek, versierd met heerlijke illustraties, met potlood door den koning geteekend. Beroemde zalen zijn de Zwanezaal, de Eksterzaal, de Arabische Zaal en die der Blazoenen, meest genoemd naar de zolderingen met prachtig schilderwerk.

Na het Koninklijk Paleis te hebben bezocht, zal de toerist allicht een beetje streng oordeelen over den bouwtrant van het kasteel Pena, maar welk een verrukking bezorgen hem het uitzicht en de wandelingen! Men kan het uitstapje gemakkelijk op een namiddag doen, en men treft op de markt te Cintra goede rijtuigen, die men zeker liever zal gebruiken dan een ezel. De weg stijgt snel tusschen villa's. Het genoegen en de verbazing nemen gaandeweg toe. Hoe kan een berg of liever een ophooging van rotsen zulk een prachtigen plantengroei vertoonen! De rotsblokken verdwijnen letterlijk onder de varens, hortensia's, camellia's, veldbloemen in duizend tinten, terwijl in elke spleet van het gesteente de boomgroei begint met jonge olmen en ceders, en dennen. Den berg kronend met een krans van kanteelen, verheft de muur van het moorsche kasteel zich boven onze hoofden, een beeld uit andere eeuwen. Bij het naderen krijgt men telkens een ander kijkje op het slot Pena, terwijl de vlakte beneden al dieper daalt, de horizon zich verwijdt en men door het gebladerte Cintra ziet liggen met zijn witte huizen en de schoorsteenen van het paleis.

Na een uur stijgens, dat met den ruwen weg en de steile helling zwaar werk voor de paarden moet zijn, hadden de twee sterke dieren ons gebracht bij den ingang van het pad naar het kasteel der Mooren. Er zijn nu niet anders van over dan met groen begroeide ruïnen van het oude oorlogsfort; maar als bijna ongeschonden wordt u de primitieve moskee getoond, sedert door de Christenen veranderd in een kerk, die van San Pedro de Canafrem, en een waterleiding of eigenlijk waterréservoir, dat al sinds eeuwen daar onder het donkere gewelf slaapt, maar dat is ook de groote aantrekkelijkheid, die ligt in den gekanteelden muur, loopend boven de vlakte en voorzien van torens, die het geweld der tijden hebben getrotseerd. Trappen loopen rondom den muur, noodzakelijk geworden door de oneffenheden van het terrein en de wandelaars in staat stellend, de omgeving van verschillende punten op te nemen. Over een groen heuvelland van allerlei tint ziet men Pena nu zeer dichtbij liggen; Cintra ligt in een diepen afgrond; het land ontrolt zich vrij naar Mafra, en de diepblauwe zee wijst door een smal schuimrandje de plaats van de kust aan.

Van het slot der Mooren bereikt men in enkele minuten het hek van het park van Pena. Er is een fijne smaak voor noodig geweest en tevens groote bekendheid met de kunst om van een terrein partij te trekken, om op zoo doelmatige manier de rotspartij te gebruiken. Het park is bekoorlijk met zijn schaduwrijke lanen, zijn bloeiende heesters, zijn kleurige bloembedden, zijn bronnen, die onder camellia's zich verbergen, zijn rhododendrons en varens. Wat het kasteel betreft, de bouwmeester heeft niet denzelfden goeden smaak aan den dag gelegd, toen hij door allerlei stijlen door een te mengen en ongelijksoortige bouwsels naast elkaar te zetten, het geheel deed gelijken op een middeleeuwsch kasteel, in de 19de eeuw uit bordpapier opgetrokken. Maar laat ons den indruk van dezen schoonen dag niet bederven door over architectuur te gaan praten; laat ons erkennen, dat de plaats goed gekozen is voor een koninklijke residentie. Het grootsche van het panorama, dat de heele provincie Estramadura omvat, wordt door niets overtroffen dan door het uitzicht van Foia op den Monchique in Algarvië.

Wij hebben het genoegen gehad, om tijdens ons verblijf te Cintra in alle bijzonderheden de villa, of laat ons liever zeggen, het paleis te bezichtigen van den vicomte de Monserrate. Het park is hetgeen eigenlijk alleen van de bezitting bekend is, en dat is al veel, want men is er daar in geslaagd, een granietrots te veranderen in een aardsch paradijsje, waar men vereenigd vindt in een groepeering met de gelukkigste tegenstellingen planten van de geheele wereld en uit alle vijf werelddeelen. De zeldzaamste boomvarens staan er naast gewone treurwilgen, en op de bloemperken staan bloemen uit het Oosten en het Westen. Op de groene velden prijken manden met fransche rozen naast die met vreemde buitenlandsche wonderbloemen.

Het park wordt intusschen veel drukker bezocht dan het kasteel, want de vergunning tot het zien van het laatste verkrijgt men niet zoo gemakkelijk. Het is de nabootsing van een indisch paleis, maar een bekoorlijke nabootsing. De vestibule in den vorm van een rotonde komt uit op eene galerij, die door het geheele gebouw loopt; de 30 marmeren zuilen steunen 15 bogen van fijn kantwerk met een groot bekken in het midden en de vertrekken aan beide kanten. Kostbare meubelen, zeldzame bibelots en kunstvolle beelden zijn er vele; de meeste van die mooie dingen komen uit Indië. De overvloed en de rijkdom van die zeldzaamheden weten precies de grens in het oog te houden, die niet moest worden overschreden, of men zou aan een museum denken, en de inrichting van een patriciërswoning zou op een tentoonstelling gaan gelijken.

Als de eerste weken van September daar zijn en de temperatuur iets minder warm is geworden, verlaat het hof Cintra voor het fort Cascaes, en de villa's, die gesloten worden langs de heuvels, worden weer geopend aan de zee.

Cascaes was dertig jaren geleden slechts een gehucht van visschers, op zes mijlen afstands van Lissabon, aan het uiteinde van de groote baai, waar de Taag in uitmondt. In 1879 dacht een man van smaak, de heer Souza Roza, thans gezant van Portugal te Parijs, dat men wel gebruik kon maken van de schoonheid van die plaats en te Cascaes een uitspanningsoord kon inrichten, dat snel tot bloei zou komen door de nabijheid van Lissabon. Er werd een club opgericht met een tennisveld, want het tennis maakte in die dagen opgang in de lusitanische wereld; weldra werden enkele veranderingen aangebracht in de oude citadel der plaats, zoodat het hof de nieuwe badplaats kon komen inwijden; er werden terreinen gekocht, villa's verrezen en de palmen stonden in rijen tot aan het strand. Tegenwoordig zijn Cascaes en zijn buur Mont Estoril modebadplaatsen geworden, waar de elegante menigte zich verdringt en waar prachtige feesten worden gegeven.

Het is niet, dat de ligging van Cascaes zoo bijzonder mooi is; het strand is er heel gewoon en de stad beteekent niet veel; maar van het terras is het uitzicht aantrekkelijk op de zee en de kust bij Lissabon. Diep, helder water bespoelt er de rotsen, en wat het klimaat aangaat, het is verrukkelijk zacht, daar de temperatuur zelden onder 15 graden C. daalt en 30 nooit te boven gaat. Als het niet zoo ver was, zou Cascaes uitstekend geschikt zijn voor internationaal winterstation, daar geen enkele plaats zulke gunstige klimaatstoestanden heeft en de zieken dikwijls veel lijden van de snelle wisselingen in temperatuur in het Zuiden.

Een cornicheweg volgt de kust en voert op een rots, waar de plaats ligt, die Bocca do Inferno heet. Het is een breede, diepe inzinking, in den vorm van een put, dien de natuur heeft uitgeslepen in de rots; de diepte van den kuil staat in verbinding met de zee door een onderaardsche gang, en het schuim der golven bij vloed, de branding, doet een sterke strooming ontstaan en vult onmiddellijk de diepte met schuimend water. Vroeger kon men erin neerdalen met een trap, waarvan de treden in de rots waren uitgehouwen, maar ten gevolge van tragische voorvallen, veroorzaakt door het plotseling stijgen van het water is de toegang verboden. De wandeling van de Bocca do Inferno vormt met die van den Cintraweg de voornaamste aantrekkelijkheid van Cascaes.

Vóór Cascaes ligt nog een andere badplaats, die heerlijk mooi is; wij hebben al van Mont Esteril gesproken. Die plaats bestaat uit drie verschillende wijken, wier inwoners niet met elkaar in aanraking komen, namelijk Sint Jan, bewoond door de burgerij; Sint Antonius, bezocht door ambtenaren, en de Mont, waar vooral de aristocraten hun intrek nemen. Die laatste wijk is vol van weelderige villa's, die wedijveren in den glans en de pracht hunner tuinen; de palmen staan er weelderig, en de bloemen, vooral de geraniums, zijn weergaloos. Estoril heeft zeer goede hôtels, en in een daarvan is onlangs een bekoorlijk klein casino ingericht, met schouwburgzaal, speelzaal en een terras met uitzicht op de zee en de heuvels aan de kust. Toch zien de hôteliers met een zekeren angst uit naar de resultaten van het volgend seizoen. Er is namelijk een besluit uitgevaardigd, dat alle hazardspelen verbiedt op zware straffen, en dus mag men, zonder juist voor het baccarat in de bres te springen, erop wijzen, dat het een der sterkste grondslagen voor het succes van zoo'n casino is. De deftige heeren en dames, die de voorname badplaatsen bezoeken, willen spelen. Men hoopt nog een modus vivendi te vinden, en dat een zachte uitlegging in de plaats kome van het strenge verbod. Wat men ook probeere, het schijnt zeer moeilijk, om, waar ook, onze moderne maatschappij te genezen van die kwaal, die zij van vroegere eeuwen heeft overgenomen. Het volstrekte verbod van spelen in plaatsen, bestemd voor openbaar vermaak, zal dat niet de klanten doen verhuizen naar iets meer verborgen plaatsen, en zal het kwaad er niet door verergerd worden?

.... Wij gaan Lissabon voor vier-en-twintig uur verlaten, want het is volksfeest in Villafranca. Wij willen daarvan gebruik maken, om wat volkstypen te gaan zien en nationale kleederdrachten, en we willen den tocht voortzetten tot Santarem.

Villafranca, waarvan de naam al aanduidt, dat de plaats door Franschen is gesticht, is een stadje van 4000 inwoners aan de Taag, op 37 kilometer afstands van Lissabon. Men kan het per spoor bereiken, maar het is aardiger, om, als men ertoe in de gelegenheid is, langs de rivier te gaan; op bepaalde dagen bestaat er een dienst met een boot, die afvaart van de Markt. De boot vaart de Taag op langs de kaden van Lissabon; het gezicht op de stad en de voorsteden is interessant tot Olivaes, waar de rivier een echte binnenzee wordt; men vaart tusschen de vlakke eilanden Pavoa, Lombo en Alhandra door en dan wordt de rivier weer smaller tot Villafranca. De ontscheping is schilderachtig, als de boot met haar vele vlaggen stopt te midden van al de booten van de kleine haven, die bekende visschersschuiten van de Taag, waarvan de voorsteven sierlijk zich omhoog buigt. Een bonte wemelende menigte beweegt zich langs de oevers, dorpelingen met roode of groene mutsjes, trotsche boeren, campinho's, met schitterend witte kousen, vrouwen met veelkleurige halsdoeken, de heele plaats is uitgelaten vroolijk, en de straten zijn met bloemguirlandes versierd. Wij hebben het schouwspel vóór ons, dat altijd zoo aantrekkelijk blijft voor vreemden, van volksfeesten, waarin mannen en vrouwen zich op hun mooist uitgedost vertoonen.

De mannen dragen vesten met glanzende metalen knoopen, een korte broek en een rooden of blauwen wollen gordel; de vrouwen een kort rood jakje met twee zilveren knoopen, een wit lijfje, een rok met fluweelen linten, en enkele hebben een rijk geborduurden boezelaar van heldere kleur en op de borst een hoop kostbaarheden, bij voorbeeld groote harten, kettingen in drie rijen, kruisen, doekspelden, heele juwelierswinkels. Onder de menigte gaan in elke richting vlugge, kleine paardjes van fijne vormen, die straks in de stierengevechten hun lenigheid zullen vertoonen.

Een uur sporens door de vlakte brengt ons naar Santarem. Die stad ligt op een hoogte boven de rivier, en de rijweg beklimt den heuvel met tallooze kronkelingen, waardoor men eenige mooie kijkjes op het dal krijgt.

Santarem is een zeer oude stad, en de strategische ligging was oorzaak, dat de plaats veel belegeringen heeft doorstaan en dat ze hevige gevechten heeft moeten leveren tegen de Mooren, die haar nu eens in bezit hadden en dan weer verloren. De stad is wel vervallen van haar vroegere grootheid; de versterkingen zijn verdwenen, en het is na een rustig, doodsch stedeke. Een paar kerken zijn het eenige belangwekkende. Maar let eens op! Van welk hout zouden wel die rijtuigen zijn gemaakt? De straten zijn zoo nauw, dat er eigenlijk maar een enkel rijtuig door kan en dat men op onmogelijke manier moet manoeuvreeren, om, als twee wagens in tegengestelde richting zich bewegen, elkander voorbij te komen. Dan volgen herhaaldelijk botsingen, waar echter de bak, noch de veêren van schijnen te lijden. De al te sterke hellingen sleuren de paarden mee, en de glijpartij wordt pas bij een bocht opgehouden door een bons tegen een muur, die, als het riet, wel buigt, maar niet breekt, en de paarden komen eraf met een stoot tegen hun neuzen. Zoo iets komt vaak voor, en de punt van den disselboom is dan ook veelal dik omwonden, om de stooten te breken. Die straten, die in Venetië schijnen thuis te behooren, geven het stadje iets bijzonders, en Santarem is daarvoor wel een bezoek waard, maar toch ook om de schoone panorama's, die men kan genieten van het hoogste punt der stad of van de brug over de Taag.

Wie belang stelt in het visschersbedrijf, moet Setuval bezoeken. Die groote handelstad met 20 000 inwoners ligt ten Zuiden van Lissabon aan de baai van denzelfden naam. De stoomboot van het staats-zuidernet brengt ons naar Barreiro, waar men aan het station wordt afgezet. Het traject per spoor van Barreiro naar Setuval duurt vijftig minuten, en de heele reis legt dus op iets meer dan een uur beslag.

Deze streek van Estrumadura is zeer vruchtbaar. De ommiddellijke omgeving van Setuval wordt gevormd door een heel woud van oranjeboomen en citroenen, vol welriekende bloemen en gouden of roode vruchten; zooals men weet, is het een der eigenaardigheden van oranjeboomen en hun familieleden, dat men aan denzelfden boom bloem en vrucht tegelijkertijd vindt. Een heerlijke geur zweeft over de stad, een voordeel, dat men niet heeft te Douarnenez in Bretagne, de tweelingzuster van Setuval in zake de sardinevisscherij. De stad wordt geheel door de vischindustrie in beslag genomen. Een groote, schaduwrijke laan loopt langs het strand, maar is daarvan gescheiden door een rij huizen en fabrieken. Setuval heeft inderdaad niet minder dan 34 fabrieken voor het conserveeren van sardines, en het product, dat er geleverd wordt, is uitstekend. Verscheiden huizen uit Nantes hebben succursales in die haven, waar meer dan 2000 visschers zich met de vangst der vischjes bezig houden. Hun methode verschilt van die onzer Bretagners, die veel verder in zee gaan visschen en vaak hun aas uitgooien, waar geen visch meer is te vangen. De visscher van Setuval zoekt de sardinenschoolen, en als hij die heeft ontdekt, omgeeft hij ze met reusachtige netten of cerco's en vernauwt langzamerhand den cirkel; de zegen wordt opgehaald midden in zee en de visch is gevangen. Anderen geven de voorkeur aan de armaco's, dat zijn vrij ingewikkelde netten, waar de visch in een wijde ruimte binnenzwemt, en er niet kan ontsnappen. Te Espinho, dichtbij Oporto, wordt ook aan sardinenvisscherij gedaan met cerco's, maar de vischbanken zijn er zoo dicht bij de kust, dat men na de schoolen visch te hebben ingesloten, ze met ossen kan laten ophalen, waardoor de netten met hun inhoud veilig aan den wal worden gebracht.

Een eind buiten Setuval, tegenover Coïmbra bij kaap Espichel, in het diepe water, waar veel haaien zich ophouden, doet de koning op zijn jacht _Amelia_ aan de vischvangst, een genoegen, dat voor hem te grooter is, daar hij er wetenschappelijke studiën mee vereenigt. Don Carlos heeft in de voorrede tot den Catalogus, dien hij heeft uitgegeven, over de verschillende wijzen van visschen, die hij toepast, geschreven, over harpoenen en netten van allerlei vorm; maar daar hij vooral belang stelt in de diepzeefauna, heeft hij daarvoor zijn eigen instrumenten. Die stellen hem in staat, tot op diepten van 1700 meter te visschen en dan een enkelen keer een der groote zeldzaamheden boven te brengen, die het Museum van Necessidades opluisteren.

In den loop van vele methodisch ondernomen excursies met de beste werktuigen en een uitgezocht personeel, zijn zoo onder koninklijke leiding, en gedetermineerd en gerangschikt door een geleerden natuurhistoricus, verzamelingen bijeengebracht, die wedijveren kunnen met de collecties van den vorst van Monaco, in zake oceanographie de mededinger van koning Carlos.

Van de verschillende provincies van Portugal is Algarvië de kleinste, maar ook de origineelste. Gelegen in het uiterste Zuiden van het land, wordt het grondgebied der provincie ingesloten door den Serra de Monchique en den Serra de Malhao, welks golvingen bijna tot Guadiana en tot de zee doorloopen. Algarvië heeft het aan die ligging te danken, dat het beschut is tegen de koude noordenwinden en een gelijkmatige, warme temperatuur geniet. Daarin schuilt het geheim van den plantengroei, met de zee het schoonste sieraad der provincie.