In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 3
Wij hebben herhaaldelijk in den loop onzer reis gelegenheid gehad, in aanraking te komen met die gemeenteraden. Zonder dat onze tocht eenigszins een officiëel karakter had, waren onze bewegingen door Portugal in de pers vermeld geworden met veel weelde van bijzonderheden, en onze doorluchtige personen vonden telkens op hun verplaatsingen hun komst voorafgegaan door artikelen, die de indrukken van den vorigen dag resumeerden en die van den volgenden vermeldden, altijd met de grootste welwillendheid. En zoo was het niet zeldzaam, dat bij onze aankomst aan het eindpunt voor een dag, we daar op de markt de notabelen van de plaats bijeen vonden, die met den pastoor aan het hoofd gekomen waren om hun welkomstgroeten te brengen aan de vreemdelingen. De pastoor, in civiel, onderscheidde zich door zijn statigheid en welgedaanheid; hij trad op als de woordvoerder van zijn gemeenteraad in uitstekend Portugeesch, waar wij op antwoordden in niet minder uitstekend Fransch, dat we zeer getroffen waren; en men begreep elkaar vrij goed, terwijl er handen werden gedrukt. Dat sympathieke in de ontvangst had soms iets roerends, zooals bij dien notabele van Monchique, die door ziekte verhinderd, aan zijn zoon opdroeg, erop te letten, als wij passeerden, ten einde zijn geheele huis te onzer beschikking te stellen; of die magistraat van Portimao, die tot één uur in den nacht wachtte op het rijtuig, dat de twee Franschen moest terugbrengen, omdat hij erop gesteld was, hun vóór hun vertrek de groeten van zijn gemeenteleden over te brengen. Dat gebeurde in Algarvië, de minst bekende streek van Portugal, maar misschien wel de interessantste.
Omdat wij van den gemeenteraad hebben gesproken, moet ik enkele woorden wijden aan de geestelijkheid in Portugal en haar hiërarchische indeeling. Al is de uitoefening van den godsdienst vrij in Portugal, de Roomsch-Katholieke is staatsgodsdienst, en de geestelijkheid van die kerk oefent er grooten invloed uit, vooral op het platteland. Het koninkrijk bevat drie aartsbisdommen, dat van Lissabon, dat van Braga en dat van Evora. De aartsbisschop van Lissabon, die den naam van patriarch draagt, heeft de waardigheid van kardinaal. Die aartsbisdommen omvatten elf bisdommen en bijna vier duizend gemeenten.
Alleen de aartsbisschoppen en bisschoppen worden evenals de kanunniken door den staat bezoldigd; de gemeentelijke geestelijkheid wordt betaald uit de inkomsten der kerk, uit wat toevallig inkomt en uit een bijzondere gemeentelijke belasting. De kerkelijke plechtigheden worden met groote plechtigheid gevierd; de kosten worden gedragen door broederschappen.
De ouderwetsche gebruiken bij doopplechtigheden, trouwpartijen en begrafenissen hebben overal de neiging om te verdwijnen en in overeenstemming te zijn met wat men elders ziet. Toch treft men nog wel dikwijls bij doop en huwelijk in de provincie aan wat genoemd wordt de "trincheria's", dat is dat een zijden lint van verschillende kleuren aan elk eind gedragen door twee jonge meisjes, gespannen wordt vóór de kerkdeur; om er voorbij te gaan, moet de stoet een muntstuk van koper of zilver offeren. En de trincheria's komen dan telkens weer voor tot aan het huis, waar het feest is voor doop of huwelijk. Om de linten naar beneden te doen gaan, moeten er iederen keer gaven worden geschonken aan de jonge meisjes.
Op sommige plaatsen in het land was nog lang in gebruik een soort van nagemaakte roof van de bruid; elders werd de godsdienstige plechtigheid gevolgd door enkele ritueele gebruiken, bijvoorbeeld door het breken van een aarden kruik of het drinken van een teug wijn door de verloofden uit denzelfden beker, die dan werd leeggeworpen. Die oude gewoonten, vaak zoo schilderachtig, verdwijnen langzamerhand; maar de dansen verdwijnen niet, die genieten bij bruiloften en doopfeesten nog algemeene populariteit. Op dat punt zijn de gebruiken echter niet overal gelijk; er zijn streken, waar de bruid met ieder der gasten mag dansen, en andere, waar het haar alleen geoorloofd is met haar man te dansen. Die dansen worden begeleid door volksliederen en romances, gezongen bij de guitaar.
In de provincie Minho bestaat nog de gewoonte, de begrafenissen te doen volgen door een doodenmaal, dat overvloedig is en waar de geplengde wijn gedronken wordt onder snikken en zuchten. Ook is het gebruikelijk, bij die gelegenheid aan het hoofd der familie een kabeljauw aan te bieden, zoo gelegd op een met een servet bedekten schotel, dat alleen de staart te zien komt. In de dorpen van Beira wordt de overledene door al zijn buren en vrienden in den nacht met licht gehuldigd; ieder brengt zijn kaars aan, steekt die aan en zet ze langs den muur tegenover het lijk, om dan zijn plaats in te nemen onder de wakers aan de baar.
Bij de zomerfeesten kan men de volksoverleveringen in hun aantrekkelijksten vorm terugvinden. De feesten van de Heilige Maagd, die in het geheele land hoog wordt vereerd, dan die van Sint Jan, van den H. Petrus, den H. Antonius en de verschillende schutspatroons der gemeenten zijn vol karakter en hebben veel schilderachtigs. Op de avonden van Sint Jan en den H. Petrus worden altijd op de marktpleinen der dorpen kleine vuurtjes gestookt van geurige planten, die geregeld onderhouden worden. Jongens en meisjes dansen eromheen tot het aanbreken van den dag, onder het zingen van klaagliederen, vol van liefde en kinderlijk geloof. Die beide heiligen zijn namelijk voor het portugeesche volk twee zeer goedige heiligen, die de minnenden beschermen. De dauw, die in die nachten valt, heeft een weldadigen invloed, en het water, dat men aan de fonteinen drinkt voordat de zon op is gegaan, wordt beschouwd als een echte liefdedrank en als een talisman voor het geluk!
De H. Antonius, de strenge heilige uit de Middeleeuwen, is buitendien door het volksgeloof veranderd in een echten makelaar in huwelijken; hij geniet hier als overal elders buitendien den roep van verloren voorwerpen te kunnen doen terugvinden. Maar het portugeesche volk houdt niet van omwegen; als het tot den heilige gerichte gebed niet onmiddellijk verhoord wordt, neemt men tot krasse middelen zijn toevlucht. Het beeld van den heilige wordt stevig aan een touw gebonden en neergelaten in een put; het bad duurt tot de heilige genadig is, en het verlangde wordt verkregen.
Bij alle volksfeesten behooren liederen, begeleid door guitaar, viool of harmonium. Het muzikale karakter der liederen verandert met de streek. In het Noorden is het rhythme levendig en vlug; in het hart der bergen en in de vlakten van Alemtejo is het zwaarmoedig en langzaam; in het gebied van Neder Beira heeft het een wiegende cadans als de golven der zee. Het meest algemeen verspreide lied is de fado, een droevige muziek, die ontroert, door accoorden van de guitaar begeleid. Met de lang aangehouden en kwijnende tonen is de fado een weerspiegeling van de portugeesche volksziel, waarop de arabische invloed een indruk van sentimentaliteit heeft achtergelaten en een levensopvatting, die iets fatalistisch heeft.
Terwijl wij al de voorafgaande bijzonderheden vernamen van een vriendelijken geleider, liepen wij vlug door die eindelooze straat van 24 Juli, die langs de Taag loopt van het Maritieme Arsenaal tot Belem, en wij naderden het koninklijk Necessidades, het doel onzer wandeling. Onderweg ontmoetten we veel regimenten, muziek voorop, stevig doorstappend, jagers en voetvolk, het geweer op den schouder, de witte draagband eronder, die ondanks hun krijgshaftige houding hun een verwaarloosd uiterlijk geeft, dat eerst verrast. Het was het uur van de aflossing der wachtposten, en wij volgden een der regimenten tot het paleis, onder het geluid der fluiten en bronzen trompetten. Vóór het paleis aangekomen, stond de wachtcompagnie stil en schaarde zich op een rij, juist toen uit een dwarsstraat jagers te paard en lanciers aankwamen. De muziek hief het koningslied aan, en de plechtigheid der overneming had plaats. Wij zagen bij die gelegenheid, uitgezonderd de artillerie, de bijna volledige verzameling van alle typen der verschillende portugeesche wapens.
De haven van Lissabon, waarvan de ligging uit het oogpunt van schilderachtigheid zoo opmerkelijk is, is de ruimste haven van Europa. De reede, door de monding van de Taag gemaakt, levert veel overeenkomst op met de fransche haven van Brest; Almada en Barreiro doen denken aan Roscanvel en Lanvéoc, en de Barra Grande tusschen Lissabon en Olivas herinnert aan de Goulet. Dat kanaal, dat meer op een zeearm gelijkt dan op een rivier, biedt voor schepen van allerlei diepgang een prachtigen toegangsweg tot de haven; de diepte is veertig meter in het midden, en is nergens beneden de tien meter bij den laagsten waterstand. Wat de baai van Lissabon aangaat, die 30 kilometer lang is en 12 kilometer breed, dat is zeker de wijdste haven der wereld.
Als men bedenkt, dat Lissabon dat punt van Europa is, dat het dichtst bij de westkust van Afrika is en bij het amerikaansche vasteland; dat die haven is gelegen op den weg van Indië en China; dat de oude natuurlijke schuilhaven sinds vele jaren plaats heeft gemaakt voor een moderne haven, voorzien van de beste maritieme inrichtingen, muren en kaden, die in elk seizoen en alle zeeën toegankelijk zijn voor schepen van elke tonnen maat, en dat over een lengte van meer dan vier kilometer; dat er dokken zijn, waarvan één 180 meter lang is en 25 meter breed, reparatie-inrichtingen, hydraulische kranen van 40 ton, drijvend dok en voortreffelijke entrepôts, sporen, die alle kaden verbinden met de lijnen van de Koninklijke Spoorwegmaatschappij, kan men zich bijna niet verklaren, dat die buitengewoon gunstige omstandigheden niet beter benut worden ten behoeve van den handel, en dat Portugal den vreemdeling het meeste voordeel ervan overlaat. Het moet zeer luid gezegd worden, de haven van Lissabon zou tot een schitterende toekomst geroepen kunnen zijn. Laat ons hopen, dat het staatsbestuur, dat voor de exploitatie nu het fransche huis Hersent opvolgt, dat tot heden concessionaris was, met voorzichtigheid, zuinigheid, orde en verstand van zaken de belangen der haven zal behartigen, eigenschappen, zonder welke noodzakelijk elke industriëele onderneming mislukken moet.
De aanwas der beweging in de haven van Lissabon is langzaam maar geregeld geweest sedert twintig jaren. Zij vertegenwoordigt jaarlijks 3 300 000 tonnen; ook het reizigersverkeer is steeds toegenomen; het grootste contingent wordt geleverd door de lijnen op Zuid-Amerika. Sinds de Zuid-express dagelijks rijdt tusschen Lissabon en Parijs, blijkt het meer en meer, dat die lijn bepaald is aangewezen voor het snelle vervoer.
In den zeehandel bekleeden wij, Franschen, ver van de eerste plaats, en het doet weemoedig aan, om in een land, waar de fransche denkbeelden altijd ingang vonden, waar onze invloed in allerlei dingen zich openbaart, waar de sympathie ons nooit wordt onthouden, om daar op te merken, hoe door gebrek aan initiatief, door een te dikwijls ongerechtvaardigd wantrouwen en een sleur, waar de mededingende volken van profiteeren, wij ons hebben laten voorbijstreven. Een lid van het bestuur der haven van Lissabon deelde ons mee, wat hoogst belangrijk was, vooral omdat een Franschman het ons zeide, dat een van onze fransche groote stoombootmaatschappijen, wier schepen geregeld de haven van Lissabon aandoen, stelselmatig en bij verscheiden gelegenheden weigerde, coli's mee te nemen bestemd voor havens, die zij bedient, onder voorwendsel dat zij geen tijd heeft te verliezen voor zoo weinig vracht. De koopwaren, die haast hebben, hoopen zich op de kaden op en nemen van dag tot dag toe tot op den dag dat het een of ander engelsche schip of een duitsch, die beide minder kieskeurig zijn, er hun voordeel mee doen.
Hierbij moet nog worden opgemerkt, dat er te Lissabon een Kamer van Koophandel is, die voor onze reeders en kooplieden steeds de uitvoerigste en nauwkeurigste inlichtingen beschikbaar heeft; maar wij verzuimen, daar gebruik van te maken, terwijl anderen er voordeel van weten te trekken en onze landgenooten dag aan dag klagen over dwalingen en vergissingen, die den achteruitgang der fransche zaken bespoedigen.
Aan vischvangst wordt in Portugal veel gedaan. Volgens de laatste statistieken houdt zij meer dan 40 000 visschers bezig, beschikt over meer dan 6000 visschersschepen, en de opbrengst gaat de 20 millioen te boven. De rivieren en de kusten zijn zeer vischrijk; sardines worden langs de geheele kust gevangen, en de tonijn op de kust van Algarvië. De bloei van de vischvangst gaat den koning zeer ter harte.
Overigens beteekent de nijverheid niet veel in Portugal; de textielindustrie en de mijnbouw komen nog het eerst in aanmerking. Linnenweverij en spinnerij houden veel vrouwen in Lissabon bezig, evenals te Oporto, Coïmbra, Guimaraes, Santarem en Torres Novas; de waarde van de gemaakte fabrieksgoederen overtreft jaarlijks de 15 millioen francs. Behalve voor weefsels is het vlas ook de grondstof voor een nationale industrie, die terecht beroemd is, het kantwerken, dat vooral wordt uitgeoefend in Vianna, Lagos, het schiereiland Peniche en te Setuval. Al in hun prilste jeugd leeren de meisjes met de spoelen omgaan, en in veel kantwerkscholen wordt de vaardigheid verhoogd.
Wat den mijnbouw aangaat, al heeft Portugal geen mijnen, die in rijkdom van opbrengst kunnen wedijveren met de mijnen van Rio Tinto in Spanje, toch zijn er mijnen van beteekenis. Koper vooral is er in overvloed in de provincie Alemtejo, waar de Sint-Domingomijnen en die van Aljustrel een goede opbrengst hebben. IJzer, tin, lood, antimonium worden op vele plaatsen gevonden en de mijnen worden geëxploiteerd door meer dan 350 concessionarissen.
Maar de ware rijkdom van Portugal ligt in zijn landbouw. Herhaaldelijk zal men in dit te vluchtige reisverhaal beschrijvingen ontmoeten, die van den weligen plantengroei op portugeeschen bodem gewagen. Alleen het gezicht van die verschillende landschappen onder hun uniform en diadeem van groen kan een denkbeeld geven van de mildheid van Portugals bodem. Van de oevers van de Minho tot die van de Guadiana heeft men het gevoel, door een onafgebroken tuin te gaan of door een uitgestrekt park. Alemtejo zelfs, hoe vlak en kaal het schijne, vooral in vergelijking met de naburige streken, ziet er met zijn groene weiden en onmetelijke korenvelden bloeiend uit.
Veel bosschen, waarin eiken overheerschen, maar allerlei boomsoorten voorkomen, beslaan een oppervlakte van 1 200 000 hectaren. De druif, gekweekt overal in het koninkrijk, bezorgt het land een bloeienden uitvoerhandel. De oppervlakte aan wijnbergen is ongeveer 220 000 hectaren en de jaarlijksche opbrengst bij de zes millioen hectoliter. De wijn heeft een aangenamen smaak; maar een wat te sterk alcoholgehalte voor ons verwend gehemelte; ik herinner hier terloops aan den portwijn, die wereldberoemd is.
In een zoo vruchtbaar land vindt men natuurlijk veel vee, daar het overal voldoende voedsel kan krijgen, aan den landbouw onschatbare diensten kan bewijzen, en het aangewezen middel van vervoer is in streken, waar de rivieren niet goed bevaarbaar zijn en de spoorweg nog slechts een klein terrein bestrijkt. Daar komen dan ook bijzonder mooie exemplaren voor van paarden, ezels, muilezels en vooral van runderen. Die laatste zijn er in groote verscheidenheid; ze munten uit door de hoedanigheid van het vleesch, den melkrijkdom en de groote kracht. Het Barrova-ras munt boven dat van alle andere streken uit door den vorm van den kop en de buitengewone ontwikkeling der horens. Onder de herinneringen aan de buurt van Oporto komt op den voorgrond die aan deze beesten, met hun intelligente oogen en zachtgewilligen aard, twee aan twee onder een juk gespannen en loopend met gekruiste horens. Reuzenkudden van schapen en geiten brengen levendigheid in de bergachtige streken; en in het land van Tras os Montes, Minho, Beira speelt het varken de groote rol, die het bij ons in Bretagne heeft. In het kort, volgens een nog pas verschenen statistiek bereikt het aantal stuks vee ongeveer 6 400 000, zoo wat 70 per vierkanten kilometer en 1262 per duizend inwoners.
Het zal dus geen verbazing wekken, dat de uitvoerhandel, die zoowat 200 francs per jaar bedraagt, vooral steunt op landbouwproducten; alleen het vee is er voor bij de 20 millioen in betrokken en de wijnen voor meer dan 60 millioen. Bij den buitenlandschen handel overtreft niettemin de invoer den uitvoer; maar wij, Franschen, komen daarbij eerst op de zesde plaats, ver achter Engeland en Duitschland.
Zoo is ongeveer de economische toestand van Portugal. Nu heeft het land zware crisissen doorstaan, en zijn financiëele toestand heeft dikwijls groote teleurstellingen verwekt; maar al kan het er dan geen aanspraak op maken, om in de toekomst den rang te hernemen, dien het innam in den roemvollen tijd, toen zijn vlag over alle zeeën wapperde, toen zijn stoutmoedige zeevaarders voor hun vaderland een onmetelijk koloniaal rijk hadden veroverd, het zou onrechtvaardig wezen, de bronnen van rijkdom over het hoofd te zien, die Portugal een zeer eervolle plaats kunnen verzekeren onder de volken van Europa.
Men zou zich intusschen kunnen afvragen, of er geen groote bezuinigingen zouden zijn aan te brengen in het bestuur der publieke zaak, of het aantal militaire betrekkingen niet ver de behoefte te bovengaat, of er wel een boven alle kritiek verheven strenge plichtsbetrachting bij alle ambtenaren heerscht; maar welk land kan zich in al deze dingen vrij pleiten? Zou het land er niet bij winnen, als er een vaster hand aan het bestuur was, als de koning in de geregelder bijeengeroepen Cortes meer zijn invloed liet gelden? Zou een zakenkabinet niet ver te verkiezen zijn boven een politieke regeering in een land, waar de politiek zoo dikwijls rampen over het land heeft gebracht? O, die eeuwige verdeeldheid, waar de besten in ondergaan, terwijl het land er geen voordeel van heeft! Conservatieven, regenerado's, progressisten, en dat terwijl er een republikeinsche partij voor de deur loert, slechts wachtend op een gelegenheid, om te profiteeren van de verdeeldheid der tegenstanders en het roer in handen te nemen.
Wij wenschen van harte aan het sympathieke Portugal een wijze regeering, die enkel het algemeen belang op het oog heeft en industrie, handel, landbouw weet te doen vooruitgaan, die de latente rijkdommen van het land weet te exploiteeren, die eindelijk met de Kamers samenwerkt, om de orde in de financiën te herstellen en aldus voor Portugal een weg tot voorspoed opent.
De groote hoofdsteden zijn lang niet alle even goed bedeeld, wat haar omstreken betreft. Uit dit oogpunt bezien, bieden de beide hoofdsteden van het Iberisch schiereiland wel een bij zonder scherpe tegenstelling. Zoo kaal en doodsch en eentonig de omstreken van Madrid zijn, zoo heerlijk veel schaduw, kleur en verscheidenheid bieden die van Lissabon aan. Terwijl Madrid in een omtrek van tien mijlen buiten het Pardo (en hoe dan nog) geen enkel mooi plekje voor uitstapjes heeft aan te bieden, biedt Lissabon aan reizigers en toeristen in een kring van veel geringer uitgestrektheid de lachende stranden van Estoril en Cascaes, het wonderschoone landschap van Cintra, zonder nog te gewagen van de wandelingen aan de Taag, met de mooie uitzichtspunten, van de kust van Setuval en van de uitstapjes in de streek van Estramadura, waar de schilderachtige kleederdrachten in het aardige landschap des te beter uitkomen.
Op die verschillende wegen, waar wij de lezers denken te brengen, zullen de koninklijke paleizen ons als bakens dienen. Al laat hun bouwtrant soms wat te wenschen over, het moet erkend, dat de plaatsen met smaak zijn gekozen en dat de natuur voor alle een onvergelijkelijk kader oplevert. Er zijn er niet minder dan zes, in Lissabon en in de onmiddellijke omgeving. Necessidades, Ajuda, Belem, Cascaes, Koninklijk Paleis en Pena te Cintra, en nog moeten erbij gevoegd Queluz, Villa Viciosa en Mafra, waarover wij te gelegener tijd iets zullen zeggen.
Voor de poorten van Lissabon, men mag wel zeggen in Lissabon, want de grenzen der stad zijn moeilijk precies aan te geven, staat op een hoogte boven Belem het kasteel Ajuda, de gewone residentie van de koningin-moeder Maria Pia. Deze weelderige woning, met haar edelen gevel, is nog niet voltooid. Het oorspronkelijke plan was te weidsch, en de uitvoering zou zulke uitgaven hebben noodig gemaakt, dat na de voltooiing van den zuidelijken vleugel en den oostelijken gevel de koninklijke schatkist er genoeg van had. Een bevel van hoogerhand moet den bouw plotseling hebben doen staken midden in het werk, want de bogen aan de westzijde van het eereplein zijn blijven hangen in het ledige en hun vreemde silhouetten geven aan het paleis een atmosfeer van stilte en verlatenheid.
Het Ajudapaleis onderscheidt zich door de grootschheid en den rijkdom van de zalen, waarvan de mooie parketvloeren van verschillend gekleurd hout de sierlijkste arabesken vertoonen. De zalen beneden zijn maar matig interessant, maar die van de eerste étage hebben iets werkelijk koninklijks door hun omvang, de hoogte der plafonds en de schoone harmonie der verhoudingen. Op de wachtzaal, de grootste van alle, volgen de salons van Jan IV en Jan VI; de troonzaal, met de drie koninklijke zetels onder een prachtigen fluweelen troonhemel, neemt den zuidelijken hoek van het paleis in. Het gezicht, dat men er heeft op Lissabon en de Taag is onbeschrijfelijk mooi. In een complex van huizen en tuinen vertoont zich de stad op de zeven heuvelen; wij zien hier neer op de onmetelijke haven met haar schepen van allerlei soort en de drukte der kaden; heel aan den horizon wordt het wijde estuarium van de Taag nauwer en verliest zich in de velden; van de hoogten van Palmella daalt de blik naar Barreiro, half verborgen door kaap Cacilhas en den heuvel Almada, volgt dan den tegenoverliggenden oever van de rivier en dwaalt af naar de zee, terwijl aan onze voeten de sierlijke toren van Belem zich in de golven van de Taag spiegelt, en de bevallige koepel van het klooster van Jeronimus zich afteekent tegen de lucht.
Door de eindelooze Ajudastraat dalen wij weer af naar Belem. Het kasteel van Belem heeft iets bescheidens en de appartementen zijn eenvoudig en deftig.
Ofschoon het nauwelijks de moeite van een bezoek loont, is alleen de verzameling rijtuigen een lang bekijken waard. Er zijn twee zalen voor bestemd; een, aan den zuidkant van het kasteel aan het Ferdinandsplein, bevat de koetsen van de oude koningen; de andere daarnaast de galarijtuigen van het hof. De negen in die laatste zaal, voor het meerendeel van engelsch fabrikaat, zijn prachtige exemplaren van de moderne carosserie; met de breede zittingen van rood damast en de sobere, smaakvolle versieringen; maar de zaal van de oude koetsen is een wonder; de 21 daar bijeengebrachte wagens vertegenwoordigen een geheel, dat een volkomen eenige collectie vormt; de meeste der rijtuigen dateeren uit de 18de eeuw.
Het oudste is dat van Filips II, koning van Spanje en Portugal, dus uit het eind der 16de eeuw; de vorm is eenvoudig, en de lederen banden, waarmee de groote koets van buiten bekleed is, zijn versierd met een groot aantal spijkers van verschillende grootte, wat een origineele decoratie oplevert. Men staat ook onwillekeurig stil vóór den triomfwagen, die aan de spits reed bij de officiëele ontvangst van den markies de Fontes, Don Rodrigo de Menezes, gezant in diplomatieken dienst naar het hof van paus Clemens XI; de mooie allegorische groepen, die er voorop en achterop staan, de rijke bekleeding, waar de wielen zich onder verschuilen, vormen een tegenstelling met den eenvoud van den bak; er waren twintig paarden noodig, om het enorme rijtuig te trekken.