In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 11

Chapter 111,256 wordsPublic domain

In elk geval moet men bedenken, dat de koning van Castilië, welke verplichting hij ook moge gehad hebben tegenover den vader van Alphonsus, de verheffing van zijn vazal met leede oogen aanzag. Er rezen moeilijkheden, protesten, bedreigingen. Toen herinnerde Alphonsus, die uit kinderlijken eerbied den bijnaam van Henriquez had aangenomen, zich, dat hij aan de Bourgondiërs verwant was. Hij liet den grooten abt Bernard van Clairvaux zelven voor zich optreden, en deze wist van den paus gedaan te krijgen, dat het nieuwe koninkrijk erkend werd, en van toen af protesteerde niemand meer.

Daaruit volgde, dat Alphonsus I Henriquez, koning van Portugal, slechts wisselde van suzerein, maar zijn nieuwe heer was gemakkelijker te dienen dan den eerste. Inderdaad moest hij enkel jaarlijks een schatting van vijftig goudstukken storten aan de abdij van Clairvaux.

Het bleef daar niet bij; na de inneming van Santarem, veroverd op de Mooren, welke plaats had op 15 Maart 1475, besloot hij een abdij van de orde te stichten, waar Bourgondië hem de eerste geestelijken voor zou leveren.

Dat was Alcobaça.

De ligging is prachtig bij de samenkomst van twee dalen, dat van de Alcoa en dat van de Baca, waar de naam van is afgeleid. Van het station van Vallado komt men er, door de heldere Alcoa te volgen langs een kronkelenden weg van een kleine twee mijlen, die langzaam stijgt tusschen boschjes en groen en aan de dalen van Normandië doet denken. Men kan er ook heengaan langs den weg, die van Leiria over Batalha gaat over een met dennen beplant plateau.

Zoodra men is aangekomen op de markt van de kleine nette stad, ziet men eerst vóór zich de eindelooze gevels van het klooster, waar alle stijlen van de voorbijgegane eeuwen in schijnen te zijn vertegenwoordigd.

De muren, die hun rijen vensters vertoonen over een lengte van meer dan tweehonderd meter aan elke zijde van het vierkant, hebben niets karakteristieks. Er is iets onvoltooids in, dat niet aangenaam aandoet.

De kant, waar de kerk is gebouwd, is in beteren staat. Men heeft daar een trap van zestien treden, breed en massaal, leidend naar een ruim bordes. Het zou indrukwekkend kunnen zijn, als de kerk niet alles verdrukte onder haar onrustig rococo uiterlijk, met de opeenhooping van arabesken en luidruchtige versieringen. Een overladen voorgevel ontneemt aan de kerk alle harmonie. Meer dan elders is hier weer het rococo een der verschijningsvormen van het vandalisme, als een ziekte, die de lijnen wegdoezelt en de vormen doet verdwijnen.

Het inwendige van Alcobaça is niet beter. Er is schoon en oud gothisch werk, maar alles gaat schuil onder ongemotiveerde versieringen.

En nadat men heeft gedwaald door de vijftig duizend vierkante meters van de oppervlakte van het klooster, door de twee kilometer van de gangen, onder overweldigend groote schoorsteenen en eindelooze gewelven, keert men toch tot de kerk terug. Daar kan men een andere bladzijde geschiedenis lezen, vermengd met legende en liefde en gruweldaden.

Op de twee sarcophagen van wit marmer, die tegenover elkander zijn neergezet, en bijna gelijk zijn, rusten, de een op dreigende leeuwen, de ander op wonderlijke sfinxen gebeiteld, aan den eenen kant koning Peter en aan de andere zijde zijn vrouw, Ines de Castro.

En die beide namen roepen een gruwelijk drama voor den geest. Tegen het midden van de 14de eeuw huwde de infant Dom Pedro, zoon van koning Alphonsus IV, Constantia Manuel, dochter van den hertog van Penafiel. De jonge vrouw had met zich meegenomen haar nicht, Ines de Castro, die zoo schoon en trotsch was, dat men haar den bijnaam gaf van Collo de garza, dat is reigersnek. Dom Pedro werd verliefd op haar en huwde haar eenige maanden na den dood van zijn vrouw. De gebeurtenis had plaats te Braganza, vóór den bisschop van Guarda, maar als bijzonderheid werd later opgemerkt, dat toen men er de zekerheid van moest hebben, geen enkele getuige meer te vinden was, terwijl de vorst zelf zich niet meer den juisten datum herinnerde.

In het kort, het hof, dat den invloed van de schoone Ines moe was, wist koning Alphonsus IV te overtuigen, dat zij ter dood moest worden gebracht. Edellieden van goeden wille boden zich aan, om de vertraging en het schandaal van een geregelde procedure te ontgaan.

De koning begaf zich, toen dom Pedro op reis was naar Coïmbra, waar de prinses woonde met haar kinderen in het klooster Santa Clara. Hij begon met haar te overreden van haar gemaal afstand te doen, van den in de toekomst haar wachtenden troon, kortom van alles, er bij voegend dat, als zij niet toestemde, haar leven gevaar liep. Of zij zich trachtte te verdedigen, kan men zich voorstellen. Als men Camoëns mag gelooven, gelukte het haar na een lang en pijnlijk gesprek den koninklijken wil te doen buigen. Alphonsus IV, die genoeg van den tegenstand had, keerde terug, toen de hovelingen, wien deze ontknooping niet naar den zin was, tot daden overgingen en de ongelukkige vrouw met hun degens doorstaken. Men kan nog aan de Liefdebron, bij Coïmbra, de roode steenen zien, die, naar de legende wil, gekleurd zijn door het bloed van het slachtoffer.

De infant was woedend over den moord, maar wist zijn woede eerst te verbergen, tot hij, koning geworden, op ondubbelzinnige wijze zijn wrok koelde.

Voorzichtiglijk waren de moordenaars ten getale van drie, naar Castilië gevlucht. Koning Pedro liet er zich twee van uitleveren, de derde Pacheco had zich aan alle vervolging weten te onttrekken. De beide moordenaars werden naar Santarem gevoerd, dat toen residentie was. Er werd een schavot opgericht, en de moordenaars stierven er onder vreeselijke martelingen.

Het klooster Batalha dateert van 1385. De gekozen plaats valt niet te prijzen. Het hoekje in een dal schijnt eerder uitgezocht, omdat het gemakkelijk toegankelijk was en omdat men er veel water had, wat een gemak opleverde voor de monniken, dan om de gebouwen schoon te doen uitkomen. Toch is het een prachtig bouwwerk met smaakvolle versiering van beeldhouwwerk, als de fijnste kant. Het is een meesterwerk, dat aan de kerken van Milaan en Sevilla herinnert.

Wie Portugal bezoekt verzuimt evenmin een bezoek te brengen aan Thomar, weer een bedrijf uit de historie, ook die van de kunst. De toeristen gaan zelden naar Thomar, hoewel het maar enkele kilometers verwijderd is van Payalvo aan den spoorweg naar Oporto. Het was een oude vesting van de Tempelridders, die er een kapel hadden gebouwd naar het model van de moskee van Omar.

Dan wint Belem het in aantal bezoekers, het klooster dicht bij Lissabon, dat ter herinnering is opgericht aan de ontdekking van Indië en de reis van Vasco de Gama. Het is het beroemdste der portugeesche kloosters. De gevel kan ingedeeld worden in vijf deelen, alle van rijke gothische kunst. Rijkdom van sieraden is het hoofdkenmerk van het klooster te Belem; het lijkt meer op een overdadig weelderig paleis dan op een ernstig gebouw, maar prachtig blijft het.

Ook om de kloosters zou men meer naar Portugal moeten gaan. Het blijft onbegrijpelijk, dat het land niet veel drukker wordt bezocht. Goede verkeersmiddelen, de uitstekendste hôtels, schoone monumenten, een heerlijk klimaat, afwisselende landschappen, zon, bloemen en goede wijn, wat wil men meer!

AANTEEKENINGEN

[1] Van die reis krijgt men, zooals de lezers van de reisbeschrijving van den heer Craandijk in onze nommers van 1 en 8 Februari nog hebben kunnen lezen, ongeveer 1000 voor een rijksdaalder, want een real is ongeveer een kwartcent; dus is een jaarabonnement voor een badkamertje in Monchique f 12.50 van ons hollandsch geld.

[2] Hoe tragisch klinkt dat na het gebeurde van 1 Februari. Vert.