In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 10
Het is een echt portugeesche uitvinding, die bekleeding met vierkantjes van geëmailleerde steen (aan hollandsche tegels gelijk), waarbij voor de kleuren alleen wit en blauw worden gebruikt. Zonder twijfel hebben de Arabieren die soort van aardewerkfabricage ingevoerd, en de Spanjaarden brengen die nog in praktijk; maar de vondst was, dat er alleen van die twee meest frissche en nog wel hemelsche kleuren van het palet werd geprofiteerd, in plaats van alle tinten van den regenboog te gebruiken. En men moet aan de Portugeezen die eer toekennen. Zij hebben er buitendien in uitgemunt door de oneindige verscheidenheid der teekeningen, door de fraaie omlijsting en de edele compositie, zoodat sommige serieën van azulejo's de belangwekkendheid en de schoonheid hebben van tapisseriewerk, dat tegelijk onverslijtbaar en onverkleurbaar is.
Van de moorsche bloemversiering en de arabeske is men tot geheele schilderijen overgegaan. Tooneelen uit bekende verhalen, met personen ter halve natuurlijke grootte, zijn erop te zien, tusschen smaakvolle guirlanden, die tot omlijsting dienen. Zoo voeren in het klooster van den H. Vincentius en in dat van Sé de Porto azuren ruiters in lapislandschappen hun toeren te paard uit, en brengen in de atmosfeer der witte gewelven iets zachts en liefkoozends, dat de dorre leegheid vult, zonder aan de verhoudingen te schaden.
De volmaaktste azulejo's dateeren uit de 17e en 18e eeuw. Er worden tegenwoordig nog gemaakt, maar zoowel de samenstelling als de te donkere tinten van het blauw en de rechtlijnigheid der omtrekken doen die nieuwere tegels ver afstaan van de fantazie en den smaak der oude. Die van het hotel van Bussaco, die te nieuw zijn, wekken eerder de herinnering aan een badkamer, omdat ze niet ver genoeg zijn voortgezet en teveel het moderne realisme huldigen. Te Evora is er een kerk, die tot aan het gewelf met azulejo's is versierd, waarvan wij reeds de bekoorlijkheid en de groote decoratieve waarde hebben geprezen.
In de straten zijn sommige gevels geheel bekleed met kleurig aardewerk, maar dat zijn dan geen azulejo's; eerder een spiegelende versiering, die zeer zindelijk is en gemakkelijk rein te houden, maar zonder schoonheidspretentie.
Van de Sé-kathedraal gaan donkere straatjes, kronkelend als holle wegen, maar zonder geuren van buitenlucht, naar de Douro, of wel naar de haven. Men ziet dan van beneden de Dom Luizbrug en haar reuzenboog verloren in een netwerk van ijzer, zoo licht en los als kantwerk, waarop nog geborduurd moet worden.
Aan de overzijde van het water ligt de voorstad villa Nova de Gaia, vroeger de Portus Calle, de peetmoeder van Oporto eerst en van het koninkrijk later. Te Villa Nova dezelfde terrassen, dezelfde niveauverschillen als aan dezen kant. Er is van die oneffenheden van den grond gebruik gemaakt, om er de reuzenkelders in te maken, waar de portwijn van eiken leeftijd, ieder merk en elke hoedanigheid, in de duurzame gelijkmatige koelte der dikke gewelven wacht op het oogenblik, waarop hij zal worden ingescheept naar alle landen der wereld.
Er worden intusschen nog veel andere dingen ingescheept; vooreerst landbouwproducten uit den omtrek en dan veel leder, zijde en alles wat het nijvere Oporto voortbrengt, zonder nog te gewagen van de handschoenen en de juweelen.
De kaden der stad worden omzoomd door kleine winkeltjes, waar in een primitieve uitstalling tomaten schitteren of gouden oranjeappelen. Niets levendiger en vroolijker en kleurrijker dan deze oevers, waarboven zich de huizenzee verheft en die bespoeld worden door de Douro met haar zandig water, dat soms woelig en onstuimig wordt of met groot geweld de sneeuw afvoert, die het oude Castilië haar van de bergen toevoert of den overvloed der wateren van Tras os montes.
Vlak bij het water, waaraan hij zijn glorie te danken heeft, is geboren koning Hendrik, Dom Henrique, de groote infant, zoon van Johan I van Aviz, dien wij Hendrik den Zeevaarder noemen. Hij heeft nooit zelf gevaren of ten minste zeer weinig, maar hij heeft uitgerust en voorbereid en bevolen die groote ontdekkingsreizen, die de menschen geleid hebben naar de Kaap, naar Indië en naar Brazilië, waar de portugeesche vlag fier uitwoei. Een indrukwekkend monument is voor hem opgericht in den kleinen tuin, waar de Beurs te vinden is.
De Portuenses zijn zoo trotsch op hun Beurs, dat het jammer zou wezen, er niet over te spreken. Het is een modern gebouw, massief en zwaar, in dien "bankiersstijl" opgetrokken, waar onze tijd zijn eer in stelt. De trappen zijn vorstelijk en van prachtig soliede gesteente; het middenplein is ruim en licht; er zijn comfortabele kantoren, goed geparketteerde zalen voor vergaderingen, die zware houten lambrizeeringen hebben en stralen van electrisch licht; koningen en koninginnen, belasterd door leelijke portretten, hangen er aan de wanden in opzichtige lijsten. Maar het voornaamste, het heiligdom, de mihrab van dezen tempel voor den handel, is de moorsche zaal. Zij wordt u het laatst vertoond, als een apotheose, en er loopen koorden een eind van de wanden, die den profanen bezoeker beletten, het prachtig ingelegde midden van den vloer te ontheiligen. Helaas! De schreeuwende kleuren, het al te duidelijk zichtbare pleister, de gewone vensterglazen, de ongelijksoortige weelde der détails gelijken in het geheel niet op het Alhambra, dat men de pretensie heeft gehad, te willen navolgen. Het geheel zou beter passen bij een Casino van een drukke badplaats, dan voor een paleis, dat menschen van smaak moet bevredigen. Maar mogelijk was dat ook slechts de bedoeling, en als men er het symbool in heeft te zien van de millioenen, die Oporto aan een dergelijk paleis kan besteden, zal men moeten erkennen, dat inderdaad die zaal schatten gelds heeft moeten kosten.
Andere weelde! De kerk van den H. Franciscus, die dicht in de buurt is, met haar vieil or, haar prachtig uitgesneden altaarbladen en allerlei andere antiquiteiten, is op andere manier indrukwekkend. Zij is een wondermooi symbool van de ornamentale weelde, die de Portugeezen van ouds in hun kerken wisten ten toon te spreiden, zonder dat de goede smaak er door werd beleedigd, zonder tot de uitersten van kleur te vervallen, die in onze dagen zoo dikwijls de harmonie verstoren.
In de Das Floresstraat, de straat der juweliers, die de groote gouden harten verkoopen en de zware filigraankruisen, is de kerk Nossa Senhora da Misericordia, waar de sacristie een schilderij bevat, de Levensbron, dat zonder bewijs wordt toegeschreven aan Grao Vasco, den beroemdsten der oude portugeesche schilders.
Men heeft dezen kunstenaar op één lijn willen stellen met de gebroeders Van Eyck en Van der Weide. De authentieke schilderijen van zijn hand kunnen daarop het beste antwoord geven. Oudtijds, even goed als heden, hebben de portugeesche schilders de teekening te zeer verwaarloosd, dan dat zij op gelijken voet kunnen worden behandeld met de groote meesters, vooral met die uit de hollandsche school. Er is altijd bij hen iets onvoltooids, iets verwaarloosds, dat hun kracht van vinding benadeelt. Het lissabonsche museum geeft, wat de ouden betreft, en de versiering der Armeria voor die van heden, op dit punt bewijzen genoeg aan de hand. De officiëele portretten zijn van een flauwe en karakterlooze teekening, tenminste als men enkele weinige uitzondert, bijvoorbeeld dat van Dom Carlos van Souza Pinto, dat in het raadhuis te Oporto hangt.
De beeldhouwkunst komt wat beter voor den dag; maar het onderwerp zou ons te ver voeren. Laat ons alleen zeggen, dat de Portugees uitmunt in caricaturen, waarbij hij veel geest toont met een volmaaktheid van teekening, dat men er zich over verbaast die alleen in dat genre te vinden.
Langs de zee, tot op twee of drie mijlen van Oporto, vindt men een alleraardigst stadsgedeelte. Men kan er het schouwspel van de wijde zee genieten, die in schuim uiteenspat tegen de klippen. Van San Joao de Foz, aan de monding der Douro, tot Matosinhos is de weg, waar een tram langs rijdt, bezet met prachtige villa's, waar badgasten wonen, zoodra maar de zomer in het land komt. Een bosch, dat zich er achter uitstrekt, geeft gelegenheid voor mooie wandelingen.
Aan het eind van die badplaats heeft men de haven van Leixoes aangelegd, een groot, kunstmatig bekken, ingesloten door twee pieren, waar de groote stoombooten aanleggen, die te veel diepgang hebben, om de rivier te kunnen invaren. De inrichting van die nieuwe haven wordt van dag tot dag verbeterd; er is bijvoorbeeld een inrichting tot ontsmetting ten gebruike van de passagiers, die uit warme landen komen, alles in de uiterste perfectie.
Niet heel ver van daar heeft het toeval ons tegenwoordig doen zijn bij het feest van Nossa Senhora da Hora, Onze Lieve Vrouwe van het uur. Dat uur is de verlossing voor jonge moeders. Die komen er vóór en na dien tijd bidden en danken. Het is er altijd vol van vrouwelijke pelgrims. De kleine kerk in het open veld schittert van het licht der kaarsen, door de vrouwen geofferd, door haar, die nog moeder moeten worden en door de slanke schoonen, die het uur reeds hebben doorgemaakt. Buiten zijn tenten van zeildoek, waar gedronken kan worden en waar kleine voorwerpjes van aardewerk worden verkocht, en eetwaren, vooral moten visch, die uit het heete vet worden gehaald. Zoowel geloovigen als ongeloovigen eten daar met den grootsten smaak hun visch, en als dan het uur heeft geslagen, namelijk het uur van vertrek, stort men zich op de trams, die midden door de feestdrukte rijden met een haast, waar onze metro eenig denkbeeld van geeft, als het kermis is te Neuilly.
Laat ons Oporto vaarwel zeggen met de mededeeling, dat de hotels er uitmuntend zijn, met uitzondering natuurlijk weer van de bedden, die door niets verzacht worden.
Als men den tocht naar het Noorden voortzet, door de provincie Minho, is men wel echt in den tuin van Portugal, buiten aanmerking gelaten, dat eigenlijk geheel Portugal een tuin is. Denk u het rijkste en groenste deel van Normandië, de fluweeligste weiden, de liefelijkste dalen, de weelderigste landbouwgewassen, de helderste stroomende wateren, en ge hebt een voorstelling van dit verrukkelijke land.
Zelfs de wijnstok, die elders een eentonig gezicht oplevert, is hier een element van eenvoudige versiering in virgiliaanschen trant. Boomen van allerlei soort staan langs de wegen, overschaduwen de melkerijen en wekken de verbazing over hun overvloedig gebladerte. Als men dan nader treedt, ziet men, dat de stam dubbel is, en dat een dikke wijnstok opklimt tegen den boom tot in de hoogste takken en er zich vasthecht. De bladeren mengelen zich in die mate door een, dat men niet kan zeggen, of een olm of een plataan misschien druiventrossen voortbrengt, dan of mogelijk de wijnstok zich tooit met olmen- of plataanbladeren.
Om het genot der reis nog te verhoogen, zijn de spoorwegwaggons in het Noorden gemakkelijk tot verfijning toe; de stations liggen in boschjes en zijn uiterst zindelijk naar portugeeschen trant. De kleur zelfs, waarnaar onze oogen van Latijnen zoo graag zoeken, is niet afwezig; daar zorgen de boeren voor. Allen hebben in de hand een soort van zak, die naar de behoefte meer of minder groot is, maar die altijd vervaardigd wordt van een kleurige stof, zoodat de menigten op de stationsperrons er niet zoo donker uitzien, zoo vuil en zoo weinig aantrekkelijk als op de meeste andere plaatsen. De een heeft een rooden zak, de ander een heldergelen, of een met oranje strepen of purperen lijnen, of wel met ruiten van een verblindend groen, waardoor een amusante bontheid ontstaat.
Als men eenmaal Santo Tirzo voorbij is, beroemd om zijn mooie vrouwen en zijn sieradiën, verandert het landschap. Er gaapt een kloof, waar een bergstroom in gromt; de zeer steile hellingen bestaan uit rotsblokken van graniet, waar dennen tusschen groeien; daarna wordt de kloof weer een ruim dal; de weg slingert zich door bosch, en men houdt stil bij Guimaraes.
Dat is een heel oude stad, waarboven de ruïnen oprijzen van het kasteel, waar Alphonsus, de eerste koning van Portugal werd geboren, de half fransche vorst, zoon van Hendrik van Bourgondië. Maar even goed als een stad uit de geschiedenis is het ook een stad, waar de legende zich mee heeft bemoeid. Was het niet hier, op dezelfde plek, waar de kerk van Nossa Senhora da Oliveira staat, dat de Westgoth Wamba er slechts in wilde toestemmen, de kroon aan te nemen, die hem werd aangeboden, als zijn wandelstok wortel zou schieten en zich met bladeren zou tooien? De ouden hebben dien nog gezien, den eerwaardigen ouden stok van olijvenhout binnen zijn rasterwerkje. Door onze twijfelzucht afgemaakt, is de wonderstok al lang verdwenen.
Te Guimaraes geeft alles den indruk van exotisme en oudheid. De vensters der huizen, die breed zijn en kunnen opschuiven, schijnen uit een hollandsche of engelsche stad afkomstig, terwijl het klooster van Santo Domingo een menigte oude beeldhouwwerken bevat, niet enkel romeinsche maar iberische, dus zoo oud, dat men er geen datum aan durft geven, en afkomstig uit Citania, waarvan de overblijfselen nog te vinden zijn op enkele mijlen afstands van Guimaraes. Men moet flink klimmen om er te komen, over geitenpaden, maar men wordt rijkelijk beloond voor zijn moeite. Vooreerst vindt men er niemand, want de Cook's toeristen hebben een supreme minachting voor zulke afgelegen plaatsen; verder ziet men de heele provincie vóór zich liggen, in tien opeenvolgende plannen van bergen en dalen, waar al het blauw, waarover de schepping beschikt, in zijn verschillende tinten is vertegenwoordigd, vermengd met het teederste groen, dat men zich maar denken kan. De verspreide dorpen zijn niet te tellen in de dalen, die tot Penafiel op elkaar volgen, welke plaats men op twaalf mijlen afstands in een gaping ziet liggen.
Wat de ruïnen betreft, die zijn merkwaardig, maar niet uitgestrekt; het zijn muren in een vierkant of in een kring, nauwelijks boven den grond uitkomend en dan op de punt van de landtong de aanwijzing van kleine huizen en straten, nog herkenbaar aan het plaveisel. Geen enkel spoor van paleizen of belangrijke gebouwen; het weinige, dat aan kunst deed denken en dat men heeft kunnen vinden, is naar Guimaraes gebracht. Zeker waren de Iberiërs, die dit dorp hebben aangelegd, nog halve wilden, om er niet meer van te zeggen. Maar ze wisten in ieder geval wel een mooi plekje te kiezen.
Bij het naar beneden gaan hoorde ik een vreemd geluid, en ik bespeurde, dat het uit een kerkje kwam aan den voet van Citania. Het was Hemelsvaartsdag; het dorp was naar de mis, en ik trad binnen. Van mijn leven zal ik dat orkest niet vergeten, dat bestond uit een viool, een trombone en een clarinet. Het maakte een geweld van belang en was verschrikkelijk valsch, en het was bepaald een wonder, hoe zoo weinig instrumenten zoo oorverdoovend konden werken, dat de geloovigen, die uit volle borst zongen, er niet boven uit konden schreeuwen. Het was tegelijk helsch en naïef en belachelijk; maar de overtuiging en de ijver van die brave menschen maakten alles goed.
De mannen zaten vooraan bij het koor, en de vrouwen in een samengedrongen massa vulden de overige gedeelten van de kerk en lieten op den rug gezien haar hoofden bewonderen, gehuld in een eenvoudigen doek, in tweeën gevouwen en onder de kin vastgebonden. Nu waren die hoofddoeken ook een orkest, maar van warme en afwisselende tinten, waardoor men de cacophonie van het andere vergat. Voor het overige gaven alle aanwezigen de blijken van het vroomst geloof en ze bleven knielen op de steenen gedurende de geheele mis.
Bij de deur van de kerk stapte ik weer in het rijtuig en in een uur was ik te Braga, na gereden te hebben door het bescheiden zwavelbadplaatsje Caldas de Taïpas.
Braga is alweer een oude en eerbiedwaardige stad, de deken der steden van het koninkrijk in godsdienstige, politieke en sociale beteekenis. In de donkere kathedraal rust onze Hendrik van Bourgondië, waardoor tusschen de Portugeezen en ons nog een soort van neefschap bestaat. De aartsbisschop van Braga is primaat van Portugal en beweert het te zijn van het geheele iberische schiereiland, in spijt van Toledo, dat aan Braga het eigendomsrecht op den H. Johannes betwist, die de stichter moet geweest zijn van de beide bisdommen. De Spanjaarden hebben aan Braga het primaat-generaal toegekend, toen zij over Portugal heerschten, maar, eenmaal uit het land verdreven, kwamen ze op dat besluit terug en brachten op Toledo het primaat-generaal over, dat maar tijdelijk aan Braga heette geschonken te zijn. Tegenwoordig zijn er twee primaten, en niemand is jaloersch.
Braga was herhaaldelijk de hoofdstad; eerst in den nacht der tijden, daarna aan het begin der monarchie. Het is thans een welvarend, levendig stadje, waar men veel doet aan het bewerken van edelgesteenten, en waar de bevolking bijzonder vlijtig en vriendelijk is. De straten en de huizen hebben er hetzelfde noordelijke voorkomen als te Guimaraes, hetgeen verklaard wordt door de drukke aanraking met Holland in het verleden, in den tijd der reizen en der groote krachtsuitoefening van de vloot.
In Portugal is het in het Noorden en in het Zuiden al even heerlijk in de openbare tuinen; men ziet slechts bloemen en frisch groen, met die aardige manier, om overal klimplanten tegen de boomen te laten opklimmen, vooral veel rozen. Er zijn rozenpriëelen, randen van rozen en tot lanen van rozen, want de palmboomen worden overal omstrengeld tot in de hooge kronen door de edelste der bloemenkoninginnen.
Aan den Jardin Public van Braga komen de vensters uit van het voornaamste hôtel der stad. Er zouden openbare bals in de vertrekken kunnen worden gegeven, zoo ruim zijn ze. De behandeling is er uitstekend; er wordt lekker gegeten; maar aan deze kleine reclame moet een waarschuwing worden toegevoegd, namelijk aan de lusitanische hôteliers, dat ze zich eraan moeten gewennen de tarieven van de koetsiers, die in de buurt de bezoekers rondrijden, te kennen en eenvoudig op te geven; laat men ze desnoods in de vestibule ophangen. Op die manier zullen ze niet den schijn op zich laden, van door lange samensprekingen, als ze eenvoudig hebben te antwoorden, den prijs te laten afhangen van het voorkomen der gasten, hetgeen altijd een onpleizierigen indruk maakt. De maatregel zou buitendien heel natuurlijk wezen, daar de prijzen over het algemeen in Braga niet te hoog zijn.
Zou er ook niet iets op gevonden kunnen worden, dat men aan tafel een servet kreeg, die wat grooter was, en vorken en lepels, die ook wat minder microscopisch waren en dan ook nog suiker anders dan in poedervorm? Men krijgt geen stukje suiker te zien in Portugal, en lieve hemel, er zijn soms verbazende hoeveelheden suiker noodig, om een kop koffie zoet te maken.
De klassieke wandeling van Braga is de Bom Jezus, een soort van pelgrimstocht naar een kerk op een hoogte, een kleine mijl van de stad verwijderd. De weg erheen is als een pad uit een sprookje, een reeks van steenen treden, die twintigmaal in het rond loopen tusschen veel hekken en leuningen en balustrades en zuilen en die een wonderlijk boeiend effect bereiken.
Het koele water ruischt aan alle kanten tot rondom de zuilen, in welker binnenste het is opgevangen, om weer naar buiten te komen door gootjes. Bij elke schutting is er een koepeltje, waarin men met levensgroote beelden een tooneel uit het lijden van Jezus heeft voorgesteld. De muren van de gebouwtjes zijn beschilderd; echte planten groeien hier en daar, en zelfs heeft men in sommige van die nagemaakte landschappen bronnen aangebracht, die echt vloeien. Enkele der beelden hebben een merkwaardige uitdrukking; maar de meeste zijn van een gekunsteldheid, die ruw aandoet, zonder nog te spreken van de nieuwe kleuren, die het effect bederven.
Een andere mooie, maar zeer lange wandeling, die men van Braga uit kan doen, is die naar Caldas de Gerez, een badplaats op tien mijlen afstands in het gebergte, op de spaansche grens. Men gaat er heen ondanks de verre reis, want behalve de geneeskracht van het water heeft de plaats het voordeel, dat het dal diep en schoon is, te vergelijken met wat het allerbest is in onze Vogezen en onzen Jura. En daarginds klaagt men niet over de lengte van den weg, die een element is van oefening en vroolijkheid. Zoo komen in Juli de boeren uit Spanje naar Gerez en leggen de 22 kilometer al dansend af. Zooals zich laat denken, is het geen water, dat ze bij aankomst drinken.
Daarna keeren wij naar Braga terug, om Vianna de Castello te bereiken, een klein bekoorlijk havenstadje, beheerscht door een groenen berg, waar de Portugeezen, waardige zonen der Iberiërs, een hôtel hebben neergezet te midden der bosschen en met uitzicht op den Oceaan.
In het oude Lusitanië bestaat er naast het heldendicht van Camoëns een ander episch groot gedicht, dat de geschiedenis van het land in steen heeft geschreven, dat is de historie van Portugals kloosters, Alcobaça, Batalha, Thomar en Belem. Over het klooster van Batalha heeft de vicomte Jean de Condeixa een studie nagelaten, die ons de gelegenheid geeft aan zijn hand iets van dat klooster te vertellen.
Een andere Portugees, de heer Vieira Guimaraes, heeft een geschiedenis geboekt van de orde der Jezuïeten, tevens een lofspraak voor het klooster van Thomar. Sommige monumenten hebben de eer gehad, aanleiding te zijn geweest tot monographieën, die dikwijls te kort en te vluchtig zijn; van andere zijn slechts enkele steenen overgebleven, zooals die van Cellas, die nu in het museum te Coïmbra worden bewaard.
Het is te hopen, dat het volk en de regeering met groote zorg ervoor waken, dat die oude dingen bewaard blijven. Cellas is gesloopt; anderen kunnen verdwijnen, en het moet gezegd, tegelijk met de geschiedenis verdwijnt er in zoo'n geval ook rijkdom. Als ooit het land mocht beven onder politieke woelingen, die elders zooveel wonden hebben geslagen, zouden er redders moeten opstaan, die in stand hielden wat behouden bleef en het wilden redden zoo niet van den hamer des sloopers, dan toch voor vergetelheid en onverschilligheid, die even erg zijn.
Bij zulk een onderwerp als de kloosters van Portugal moet men wel geschiedenis geven, en om te beginnen gaan wij naar Alcobaça, waar we ons haast onder landgenooten voelen.
De stichting dier abdij is zoo goed als het begin van Portugal.
In de elfde eeuw was de graaf van Portus Calle of Oporto afhankelijk van het koninkrijk Castilië. De strijd tegen de Mooren woedde toen hevig, en werd gevoerd als een soort van kruistocht, waaraan men van overal kwam deelnemen. Toen kwam tegen het eind dier eeuw een fransch vorst, Hendrik, vierde zoon van den hertog Robert van Bourgondië, kleinzoon van den franschen koning en achterkleinzoon van Hugo Capet, zijn diensten aanbieden tegen de ongeloovigen. Hij werd goed ontvangen en het aanbod werd aangenomen, en hij was zoo dapper en zoo gelukkig in dien strijd, dat Alphonsus VI van Castilië hem uit dankbaarheid de hand schonk van zijn dochter Theresa en het graafschap Porto-Calle.
Hendrik van Bourgondië nam onmiddellijk bezit van zijn domein en vestigde zich op het kasteel van Guimaraes, waar een zoon werd geboren in 1110. Deze, Alphonsus, was de held van Ourique en de eerate koning van Portugal.
Wij hebben elders gesproken over de zegepraal en over den overwinnaar, die gekozen werd of zichzelven liet uitroepen tot koning van de nieuwe verovering. Het ging echter niet gemakkelijk. Vooreerst is de beroemde bijeenkomst te Lamego, waar hij tot koning zou zijn uitgeroepen, onder sterke verdenking van een legende te wezen, waaruit volgt, dat de kroning door den aartsbisschop van Braga met de kroon der Westgothen op zijn minst problematiek wordt.