In Portugal De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
IN PORTUGAL.
Naar het Fransch van Gérard de Beauregard en Louis de Fouchier.
O, wat zijn die vriendelijke, gastvrije, dienstvaardige Portugeezen wel echt van ons latijnsche ras! De ethnologen, de archaelogen en de physiologen, die met behulp van microscopen en hypothesen de menschen hebben onderzocht, mogen ons al verzekeren, dat er in het bloed der Lusitaniërs iberische bolletjes zweven en suevische, westgothische en karthaagsche, moorsche en zelfs fransche, die wel klein zijn, maar zeer levendig, het blijft niettemin duidelijk, dat het amalgama iets latijnsch is geworden, zooals de amerikaansche wijnstok ten slotte de Vougeot voortbrengt, als hij maar genoeg sappen van de hellingen van den Cote d'Or heeft opgezogen.
Aan wien zal men doen gelooven, dat het oude Lusitanië met zijn vruchtbaren grond, zijn donkerblauwen hemel, zijn stroomend water, zijn rozen, zijn palmen, zijn oranjes en zijn onverstoorbaar goed humeur niet een aartslatijnsch land is?
En bovendien, zonder al te lang stil te staan bij de deugden der Portugeezen, zonder hen al te zeer te prijzen, wat op hetzelfde neer zou komen, als het uitbazuinen van onzen eigen lof, herkennen wij hen als volbloed Latijnen, juist door twee van hun ondeugden.
Vooreerst geven ze graag op zichzelf af net als wij, en bij hen, even als bij ons, is in hetgeen ze beweren, veel overdrijving met een ondergrond van waarheid. Vervolgens houden ze van staatsie, woordenpraal en ostentatie, maar op een naïeve manier, goedaardig, nooit met het doel, om den buurman onaangenaam te wezen of hem zijn kleinheid te doen gevoelen. Zoo is daar ginds ieder illustrissime, en dat gaat zoo ver, dat de officiëele gedrukte stukken, die bestemd zijn, om met antwoorden aan allerlei vragers te worden gezonden, deze uitdrukking als aanspraak dragen. Illustrissime wil niet zeggen illustre, dat is beroemd of doorluchtig. Vasco de Gama is beroemd; men noemt hem illustre, maar gij en ik, wij zijn illustrissime; men moet het weten, om daaruit te besluiten, dat sommige superlatieven een verkleinende beteekenis hebben. Excellentissime is ook druk in gebruik, en men past het woord zonder iemand aanstoot te geven op den eersten den besten schurk toe. Men heeft daaruit afgeleid, dat in Portugal ieder van adel is en trotsch is op zijn hooge geboorte. Maar niets is minder waar. De oude familiën zijn precies bekend, in spijt van de veelheid der namen, waarover ze beschikken, en zij zijn volstrekt niet bijzonder talrijk.
In waarheid is Portugal echter een heerlijk land, en hier doet zich de gelegenheid voor, om opruiming te houden onder een hoop oude geschiedenissen en sprookjes, die in oude tijden zijn rondgebazuind door den een of anderen vroolijken prater, die graag voor gewichtig door wilde gaan en pronken wou met wat hij op zijn reizen had gezien.
Als men geloof wilde slaan aan wat sommige fijngevoeligen vertellen, wonen er in hoofdzaak in Portugal roovers en ongedierte. Wat de eersten aangaat, die zijn, als ze bestaan, al zeer bescheiden, want wij hebben de eenzaamste wegen bezocht en de meest afgelegen provincies, te voet, per rijtuig, per fiets en per ezel, des morgens, overdag en des nachts, bij maneschijn en zonder maan, zonder ooit wat anders te ontmoeten dan vreedzame boeren, op hun ezeltjes gezeten, of karren, bespannen met kleine, goedmoedige ossen, die eerder deden denken aan Berquin dan aan de verschrikkingen van het Ambigu. Wat sterker is, de bedelaars, die men er vindt als overal elders, oefenen hun bedrijf uit met een matiging, waar het zoo lastige en opdringerige bedelvolk van Toledo, Granada en Burgos en zooveel andere steden van het schiereiland een voorbeeld aan kon nemen.
Wat het ongedierte betreft, wij hadden bij het overtrekken van de grens een lichte huivering gevoeld, en vóór onzen geest waren beelden verrezen van witte broeken, die zwart zagen van de luizen, van kamers, bezet door de verschrikkelijkste garnizoenen. Dat kwam, doordat in de stations, in de straten, en zelfs, o teedere oplettendheid, in de hotelvestibules een welsprekend reclamebiljet te zien was, dat een insectenpoeder aanprees, zoo onfeilbaar, dat de teekenaar een kerkhof had voorgesteld, met verschillende grafsteenen, waaronder luizen en vlooien en mijten sluimerden, en onder het prachtigst mausoleum de groote dames der bende, leden van het wandgedierte.
De werkelijkheid geleek in niets op die schildering. Men moet afstand doen van de vuile herbergen, de onsmakelijke vertrekken, de gangen, waar men varkens en andere liefheden ontmoet, alles dingen, die bij ons in Frankrijk nog voorspeld worden aan de waaghalzen, wier lust uitgaat naar zulk een verre reis. Portugal is, zelfs in Algarvië en Alemtejo, een volkomen zindelijk land. Natuurlijk denken wij hier aan de hôtels en inrichtingen, waar men mag aannemen, dat de gewone reiziger vertoeft. Laat men niet aankomen met de slechte luchtjes in die of die straat, de vuilheid van dat of dat huis! Wie Parijs een mooie wereldstad noemt, bedoelt ook niet, dat hij die meening heeft opgedaan in een of ander achtersteegje, die er toch wel zijn. De aan weelde gewende kan in Portugal overal een goed onderkomen vinden, schoone lakens, voldoende maaltijden en een vriendelijke ontvangst, wat niet weinig beteekent.
Het beste jaargetijde voor Portugal is de winter, die bijna altijd windstil en helder is van October af. In April is er veel wind en vaak regen, vooral in het Noorden van het land, terwijl Januari, Februari en Maart prachtig zijn.
Om op de hôtels terug te komen, het moet erkend, dat zindelijkheid niet altijd dezelfde beteekenis heeft als geriefelijk. Vooral aan de bedden mankeerde uit het oogpunt van comfort veel. Ze waren ongeloofelijk hard; een plank met een matras van niet meer dan drie vinger dik, met stroo stijf gevuld, ziedaar het portugeesche bed. Daarbij waren ze zeer kort, zoo kort, dat men, zonder een reus te zijn, er aan twee einden buiten uit stak. Natuurlijk went men er wel aan, net als aan alle dingen; maar het is niet alles een genoegen.
Zelfs te Lissabon blijven de bedden in hun aard volharden en behouden hun onvermurwbaar karakter. Wij logeerden in een groot hôtel, prachtig uitzicht, ruime kamers, lift, baden, electriciteit, gérant met een kaal hoofd, prachtig uitgedoste chasseurs, enfin, alles uiterst modern. Welnu, bij die inrichting bleven toch de bedden naar de traditie, en als ze misschien veêren hadden, waren het erg stijve.
Wat toiletgeriefelijkheden aangaat, de sybariet van over de Pyreneeën heeft nog wel wat te klagen; de waschkommen zijn groot en met bloemen beschilderd; maar er zit een tuit aan voor het leêgen, waardoor ze lastig zijn in het gebruik, terwijl de waterkan niet veel meer is dan een kleine gieter, waar men altijd mee moet morsen. Ze hebben overal hetzelfde model, zoodat men in het paleis van Villaviciosa in de koninklijke vertrekken het gietertje, met kransen versierd, en de kom met de tuit een eereplaats zag innemen. Nog eens, het is alles uiterst zindelijk, en er is niet anders bij noodig, dan dat men er even aan moet gewennen.
Een laatste bijzonderheid zal eenig denkbeeld kunnen geven van de zorg voor netheid en reinheid, die in Portugal bestaat. Overal staan er spuwbakken, dat wil zeggen op de gangen, vóór de deuren, in de hoeken der kamers, ja, het ging zelfs zoo ver, dat er enkele waren neergezet rondom de table d'hôte; wij hebben daardoor afschuwelijke oogenblikken doorleefd in de eerste dagen, oogenblikken, om verwoede, krachtige schoppen te geven aan die instrumenten, die achter onze stoelen stonden.
Men kan ook in het kleinste stadje goed eten, en de ranzige olie is ook een van die sprookjes, die een Marseillaan zelfs moest blozen, te vertellen. Een vet gerecht, dat op alle tafels prijkt is versche stokvisch, in dunne schijfjes gesneden en gebakken in uitstekende olie. Bij ons is die visch wel bekend, maar men geeft er niet veel om. Ze wordt op dezelfde wijze klaar gemaakt. In Portugal is ze het nationale gerecht, bij elken maaltijd gebruikt, en dat als toespijs geldt bij de welgestelden, maar bij de armen het hoofdgerecht uitmaakt. Er worden verbazende hoeveelheden van verkocht tegen drie of vier testons, dat is 75 centen of 1 gulden holl. voor een visch van ongeveer zestig centimeter lengte.
Afgezien van deze eigenaardigheid is er aan de menu's niets kenschetsends. Het vleesch is smakelijk en zacht, en de onvermijdelijke grauwe erwten worden vooral gegeten in de aan Spanje grenzende streken.
Onnoodig te verzekeren, dat oranjeappelen, sinaasappelen en bananen overheerlijk zijn. Daarentegen wordt er niet veel zorg aan groene groente besteed. Jonge groente eet men haast niet; het is altijd rijst, snijboonen, slaboonen, aardappelen, enkele saladesoorten, dat is alles.
In het kort, het gemiddelde hôtel moet er voldoende worden genoemd, dank zij wat er in de laatste tien jaren is verbeterd. De verbeteringen moeten nog worden voortgezet en ze zullen dat door het optreden van de "Maatschappij ter propagandeering van Portugal", een soort van syndicaat, te Lissabon in 1906 gesticht, en werkend in den geest van onze flinke, ondernemende Touring-Club de France.
Wij van onzen kant moeten onzen hartelijken dank betuigen aan die Maatschappij, een vereeniging, waarvan de leden ons op de meest welwillende en doelmatigste wijze hebben geholpen en terechtgewezen, de welwillendheid zelfs zoo ver drijvend, dat ze alle horizons, waar ze ons op wezen, wel in een rooskleurig licht wilden stellen.
Overigens is deze Propagandavereeniging belangwekkend, omdat ze duidelijk blijk geeft van den ernstigen wil, Portugal op te heffen uit den dommel, waarin het ligt verzonken, de vreemdelingen naar het land te lokken, een nieuw leven te beginnen en voor altijd op zij te schuiven dien kwaden reuk van indolentie en traagheid, dien de Arabieren aan hun lusitanische neven hebben nagelaten.
Zij genieten de voordeelen en het gemak van dat temperament. In Portugal geen vreeselijke politieke woelingen, geen permanente schavotten, geen bloedige reacties. Maar ze loopen er ook de gevaren van. Ook bij hen is het gezag niet onaangevochten en dringende hervormingen worden uitgesteld. De ijzeren wil van Hendrik, den Zeevaarder, die de beroemde ontdekkingen voorbereidde en er het bevel toe gaf; de stoutmoedigheid van een Pombal, die vooroordeelen bestreed en de machtigsten durfde aanvallen, wijken meer en meer terug en schijnen tot de tijden der legenden te behooren. Toch laten die mannen zien, wat er te halen is uit den portugeeschen geest, als men dien weet wakker te maken uit zijn dofheid; die geest heeft eveneens getoond, waartoe hij in staat was, toen de onafhankelijkheid zich bedreigd voelde. In de wereldgeschiedenis klinkt nog als ver verwijderde donder het gerucht der groote heldendaden in de overzeesche landen. Men moet ondanks alles aannemen, dat groote lotsveranderingen voor Portugal volstrekt niet zijn uitgesloten en dat het land, dat nu tot de klagers behoort, te eeniger tijd nog wel eens gelegenheid zal vinden tot juichen over triomfen. Een Franschman, die dat van harte wenscht, is in zijn rol van broeder, en een reiziger, die Portugal heeft doorreisd, zal het hem met een gevoel van verplichting en dankbaarheid helpen wenschen....
De Taag is vóór Lissabon een soort van groot, rustig meer, met kalme wateren, overdekt met schepen en omgeven door niet hooge bergen, waar kasteelen en dorpjes tegen aanleunen. Het is alles prettig, mooi en vroolijk, maar van daar tot het optreden als schoonste onder de landschappen van Europa is nog een groote afstand. Lissabon, gezien van de Taag, is een vrij eentonige, witte strook, drie mijlen lang, waar men tevergeefs zou zoeken naar het woud van koepels, klokketorens en spitsen, die het klassieke schilderachtige vormen van een groote stad, die als een amphitheater is aangelegd. Nauwelijks kan men den koepel van Estrella onderscheiden en de campaniles, de spitse klokketorens van Sint Vincent. Alles, wat vroeger zich wat te hoog verhief, is weggemaaid door de verschrikkelijke aardbeving van 1755, en Pombal, die uiterst practisch was, heeft alleen het noodzakelijke weer laten opbouwen, zonder een blik op het azuur door fijne, holle en dure steengevaarten heen noodig te oordeelen.
Men heeft de omgeving van Lissabon met de Golf van Napels vergeleken. Ten onrechte, want het verschil is groot, en het zou kunnen voorkomen, dat men zoekend naar gelijkenis, die niet bestond, of naar schoonheden, die er behoorden te wezen, de wezenlijke verdienste van een panorama over het hoofd zag, dat zijn eigen grootschheid heeft en een eigen bekoring door de harmonieuse lijnen en den wijden horizon.
Inderdaad, de reede van Lissabon is een ruime haven, diep en wel gesloten en toch met gemakkelijken toegang, een ideale haven, waar het altijd druk is, die altijd door een menigte van schepen wordt doorkliefd en waar alle vlaggen van de wereld worden gezien, zelfs de portugeesche. Het lijkt wel een druk kruispunt in den internationalen weg der zeeën, waar ook zij, die er niets te doen hebben, komen uitrusten en zich voorzien van het noodige. Een blik op de kaart toont de onvergelijkelijke ligging, en men behoeft geen der zake kundige te wezen, om te beseffen, tot welke buitengewone ontwikkeling zulk een ligging een plaats kan brengen.
Het zal het geheim der kapitalen en van het initiatief zijn, dat aan te toonen; maar ongelukkig heeft Portugal die beide krachten al te zeer aan anderen ontleend. Des te minder moet men schromen, het te zeggen, dat het land dat thans helder inziet en dat het de eervolste middelen aanwendt, om zich zelf te helpen; Portugal _fara da se_.
De kade langs de Taag verbreedt zich en wordt de Markt, de Praça do Commercio, een groot vierkant, omgeven met bogen en symmetrische gebouwen. Vroeger heette het plein Terreiro do Paço, omdat het Koninklijk Paleis eraan stond vóór de aardbeving. Op den achtergrond leidt een triomfboog van groote pracht naar de verdere stad; in het midden staat het bronzen ruiterstandbeeld met veel versieringen van Jozef I, met een medaillon van Pombal. Het is van een wat koele grootschheid, wat officiëel; het doet denken aan de nieuwe stad, de stad van den grooten minister; maar het verraadt ook een hoofdstad en een stad, die leeft, en waar het onophoudelijk druk is. Bovendien is enkel de aanblik wat officieel, want in het groote paviljoen links van het beeld is het Ministerie van Oorlog; daarna volgen de gebouwen van Openbare Werken, van Financiën, de Posterijen, de Douane, de Beurs enz. In den echten zin des woords is dit plein het Gouvernementsplein.
Evenwijdig gespannen als de koorden van een lier, leiden van de Markt vier straten met hooge huizen, rijke winkels en trottoirs van een wit en zwart mozaïek, naar het plein Don Pedro IV, beter bekend onder de naam van Rocio, dat het echte centrum van Lissabon is. Daar wordt gebabbeld, geflaneerd, gerookt; daar herkent men den echten Portugees. Tramways, fiacres, sjouwers, schoenpoetsers, krantenverkoopers, allen stationeeren of rijden of loopen op den Rocio, in de schaduw der boomen langs den rand, en van de hooge zuil, waar koning Pedro op staat. Het is onze Boulevard, maar verwijd; het is de Puerta del Sol van Madrid, maar vroolijker, het is, om het ineens te zeggen, een heerlijk plekje, waar alles bijna is, dat men voor een leven van vreugde in ledigheid noodig kan hebben.
Daarnaast op een kleiner plein, dat als een verkleinde Rocio is, een dépendance ervan, verrijst de gevel van het Centrale Station, een gevel, waarin alle stijlen zijn terug te vinden, de arabische, de lusitaansche, en die van de moderne Renaissance, en die dus leelijk is als alle namaak. Men heeft er verbeeldingskracht aan geofferd, om mooie dingen na te doen, en men heeft per slot van rekening iets gekregen, dat voor geen enkelen tijd zou passen. Voor een station heeft het gebouw ten minste de verdienste, dat het in het midden der stad ligt, wat wel van groot belang is, en dat er alle treinen aankomen behalve die van Cascaes. Als wij in Parijs iets dergelijks wilden, zouden we een spoorwegstation moeten maken van het Palais Royal. De loketten voor plaatskaarten en bagage zijn beneden, en de lijnen liggen hooger, een inconveniënt, dat bijna niet gevoeld wordt door de liften, die zeer groot zijn. Nog valt op te merken, dat als men in Lissabon met den trein aankomt, men weinig last heeft van chasseurs, portiers, pakjesdragers, bedelaars en andere lastige personen, die het reizen voor den toerist in Spanje zoo lastig maken. Dienstmannen, anders niet, niet eens hôtelomnibussen, voertuigen, die men nergens in Portugal vindt.
De sjouwerlui daarentegen zijn er talrijk en sterk; ze komen meestal uit de spaansche provincie Galicië, want een Portugees zou er niet licht toe overgaan, een pak of zak te dragen op den openbaren weg en evenmin zich met een koffer te bezwaren. Dit onschuldige vooroordeel wordt zelfs zoo ver gedreven, dat iemand die zich een beetje respecteert, nooit iets anders behoort te dragen dan zijn wandelstok of zijn parapluie, zoodat de Portugees daarin lijkt op dien legendarischen franschen kapitein in ruste, die zijn decoratie aflegde, als hij van de Bon Marché een paar handschoenen meebracht in papier gewikkeld, om toch vooral het Legioen van eer geen schande aan te doen. Onze gewoonte, om altijd ons photografietoestel en onze doos met platen bij ons te houden, heeft ons stellig voor weinig bijzonders doen aanzien, misschien voor afstammelingen van Galiciërs. De Spanjaarden, en niet alleen de mannen, vervullen daarom alle inspannende bedrijven, waar de portugeesche onverschilligheid tegen opziet als tegen onaangename karweitjes.
Ook heeft men ons vaak in de tabakskantoren portugeesche sigaren zien koopen voor 15 centimes of dertig reis, welke sigaren niet zwaar zijn, gemakkelijk rooken en geen hoofdpijn geven. Nu zal een heer, of liever een individu, die sigaren rookt zonder bandje, dus wat anders dan zware havana's, daarmee afstand doen van zijn plaats in de wereld en gerangschikt moeten worden onder het plebs. Men kan intusschen met die strenge verplichting wel een beetje de hand lichten. Zoo verzamelen bijvoorbeeld sommige rookers kostbare bandjes, en ik ben geneigd te denken, dat veel van die, welke men van ons heeft gevraagd met den vriendelijksten glimlach, ten behoeve van verzamelaars, die verweg woonden, nog denzelfden avond de gewoonste _charuto's_ met purper en goud gingen omslingeren.
De Portugeezen zijn zoo trotsch op hun Taag, dat, om hun werkelijk genoegen te doen, men te Lissabon moet aankomen langs de rivier. Wij deden dat, helaas, niet. Wij kwamen per spoor aan. Dus laat ons eerst wat vertellen van den trein waaruit wij stapten. Die was uitstekend. Bijna overal op de lange trajecten heeft men gangen langs de wagens. De stiptheid van aankomst en vertrek is onverbeterlijk, evenals de zindelijkheid van waggons en stations.
Wij hadden, ook op dit punt, ons een geheel verschillende voorstelling gemaakt, want de menschen, die alles weten, hadden ons niet anders doen verwachten dan vertragingen als uit een vaudeville, akelige boemeltreinen en vettige spoorwegkussens. Zeker, de snelheid laat te wenschen over; maar wat zou het geven, te haasten bij zoo groote afstanden! Kan men niet even goed morgen aankomen? Er is immers altijd nog tijd genoeg! En toch legt geen enkele lijn minder dan dertig kilometer in het uur af. Er loopen niet zeer veel portugeesche treinen, minstens twee in elke richting, één des nachts en één over dag op de meeste lijnen; vijf tusschen Lissabon en Oporto, twaalf naar Cintra, vijf-en-twintig naar Belem en Cascaes. Dat is niet veel, vooral van die eerste, maar men kan er ten minste op rekenen, als men een reisplan opmaakt, daar er nooit vertragingen zijn, uitstekende aansluitingen daarbij en de beste regelingen. Wij waren deze hulde verschuldigd aan de portugeesche spoorwegen, en het is niet meer dan rechtvaardig, die eer ook uit te breiden tot de talrijke buffetten, waar men zulke lekkere sinaasappelen eet en waar niets, werkelijk niets, met de bekende oude olie wordt klaargemaakt.
Daar zijn we buiten het station; nog een paar schreden, en hier is het hôtel.
Van dat oogenblik af begint een sprookje, ten gevolge van de allervriendelijkste beleefdheid, waarmee ons de graaf d'Arnoso tegemoet komt. Hij behoort tot de naaste omgeving van den koning. Van zijnentwege wachtte ons in de vestibule een lakei in blauw met zilver met een brief met het gouden zegel der Necessidades. Wij werden opgeroepen voor den volgenden dag ten Paleize, waar Zijne Majesteit ons om half twee zou ontvangen. Daar stiptheid bij deze soort van samenkomsten een eerste vereischte is, waren wij precies op het aangegeven uur op den koninklijken drempel.
Het kasteel der Necessidades, gebouwd door Jan V tegen 1750, vrij ver buiten de stad, op een heuvel een eindje van de Taag verwijderd, ligt op de plek van een oude kapel, gewijd aan een genadige Madonna, waar het paleis naar genoemd is, Nossa Senhora das Necessidades, Onze Lieve Vrouw der Rampen. De toegangen zijn niet ruim en groot genoeg, zoodat men slechts met moeite het geheel kan overzien, dat een onregelmatig karakter aanneemt door de verschillende niveau's en de vele bijgebouwen. Het is niet het eigenlijke koninklijk paleis van Lissabon, want dat ligt hooger en verder weg, op den zonnigen Ajudaheuvel. Don Carlos, die reeds de Necessidades bewoonde toen hij kroonprins was, terwijl zijn vader, Louis, te Ajuda resideerde, heeft na den dood van wijlen den koning geen bezit willen nemen van het groote paleis, en wel uit een gevoel van eerbied voor de gewoonten van de koningin-moeder, Maria Pia van Savoye, die er dan ook nog woont met den infant Alphonsus, hertog van Oporto, haar jongsten zoon.
Eerst gaat men onder een boog door, waar twee lanciers te paard de wacht houden, en beklimt dan de groote trap, waar de tweede op uitkomt. Twee hellebardiers in scharlaken uniform met veel goudgalon houden zich op in de antichambre, van waar men de salons betreedt. De versiering der zalen met voor het meerendeel portugeesche schilderijen, oude meubelen en verbleekt verguldsel, is zeer sober en vol harmonie. Door de vensters ziet men de witte gevels van de gebouwen aan het binnenplein, waar de zon op schijnt en waar de schaduwen van palmen over spelen. In de tweede zaal, de wachtzaal, vonden wij te midden van een talrijk gezelschap graaf d'Arnoso, vriendelijk, minzaam, als grand seigneur, met welwillenden glimlach en uitgestoken hand. Een derde zaal, dan een vierde, nog grooter, nog statieuser, behangen met tapijten, waarlangs armstoelen zijn geschikt met veel gouden snijwerk; daar is de koning, staande, gekleed in blauwen dolman.
Carlos I van Braganza, koning van Portugal en Algarvië, is vier-en-veertig jaar oud. Hij is beneden de gemiddelde grootte en hij is minder corpulent dan men verwacht naar de weinig geflatteerde portretten, vooral als men op het gelaat let, waarvan de proporties sterk zijn overdreven. Hij is kalm van geest, maakt weinig gebaren, en met zijn afgemeten stem spreekt hij het Fransch zonder eenig vreemd accent.
De blik, die verrader, die alle zielen verklapt, verraadt hem niet dadelijk. Terwijl hij spreekt, heft hij zijn oogen op en deze schijnen een altijd vluchtenden droom te volgen in het vage, maar dan eensklaps worden ze neergeslagen, dwalen af naar de zijde van den ondervrager, en er springt een ondeugend vonkje over, met een glimlach, een vluchtige aanval van scherts, die is als een revanche op den verplichten dwang, dien een Koninklijke Majesteit zich moet opleggen.