In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904
Part 9
Om van Rostrenen naar Glomel te gaan, volgt men den weg naar Morlaix tot voorbij het gehucht Lanhellen, slaat dan een weg links in, die over het kanaal van Nantes naar Brest gaat boven Trébel en daarna tot het bedoelde dorp doorloopt. Reeds van dezen kant wordt het landschap indrukwekkend met den rijken plantengroei en de lage in 't gebladerte verscholen woningen, waar mesthoopen rondom liggen en stapels boekweit. De gezonde buitenlucht hangt over alles en verjaagt de minder lekkere geuren; de winden strijken over de velden, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, want er zijn geen hoogten in de buurt dan die bij den Coronvijver.
Het dorp was rustig en stil, bestaande uit een paar straatjes en een breede straat, waar de huizen ongeregeld staan. 't Zijn steenen huizen met leien daken, die er nog al comfortabel uitzien. In het midden ligt een groepje winkels van kleine kooplui, kruidenier en bakker, tabakshandelaar en koperslager. Op den drempel van een huis stond een man in meelkleur, met klompen aan de voeten. Hij is bakkersknecht; zijn patroon woont in Rostrenen en heeft hem 't bakken opgedragen van het brood, dat door een zetbazinnetje verkocht wordt. De brave man hier verdient twee gulden per dag; hij is zachtzinnig en vriendelijk en na mij een korteren weg te hebben gewezen, om den Coronvijver te bereiken, biedt hij aan, met mij mee te gaan.
Dat neem ik aan en daar ben ik op weg met den meelman met zijn geschoren gelaat; hij lijkt wel de Pierrot van Glomel. Om bij den vijver te komen, moesten wij een weg vol plassen volgen en een paar kronkelende paden. Maar daar ligt de groote plas met een gemetseld dijkje eromheen, dat 100 M. lang en 12 M. hoog is. Er is een toegang open gebleven waar men een uitzicht heeft op het brugje, onder hetwelk het aanvoerkanaal door stroomt. Rechts heeft men heuvels met dicht kreupelhout, waar 't lichte loof der berken zich mengt met het glanzig groen van de kastanjes en 't doffe blauwgroen van de dennen. Lager liggen moeras en veen. Links ziet men een vlakker terrein en bouwland. In de verte blauwe, met bosch bedekte heuvels, waarachter meer plassen liggen, de vijvers van Botcanou, die ook al dichtbij Sainte-Christine het kanaal voeden. En dichterbij het Kamp.
Om de beteekenis van dit kamp te begrijpen, moet men opklimmen tot den tijd, toen het kanaal van Nantes naar Brest werd aangelegd. Het stuk, dat door Côtes du Nord gaat, waar wij ons nu bevinden, heet het kanaal van Glomel.
De voorbereidende studie voor dezen waterweg dateert al van vóór de Revolutie. De Staten van Bretagne hadden in 1785 aan een groep van geleerden, tot wie Condorcet behoorde, opgedragen, een rapport over de quaestie in te dienen. De uitvoering werd uitgesteld, ten eerste om de kosten en ten tweede vanwege de troebelen, die de provincie verontrustten. Het doel was, in oorlogstijd de haven van Brest van het noodige te kunnen voorzien en in vredestijd den landbouw in deze streken te ontwikkelen, door den afvoer der producten gemakkelijk te maken. De werken werden in 1806 begonnen, maar toen men in de noodzakelijkheid was, het hoogste deel van het kanaal onder handen te nemen, bleken de moeielijkheden van het aanleggen der réservoirs zoo groot, dat men besloot, militaire veroordeelden in het werk te nemen. Op de werven is eraan gearbeid van 1823 tot 1836.
Al dien tijd kampeerden de veroordeelden op deze plaats, die den naam van het Kamp heeft behouden.
In den tegenwoordigen staat heeft de plas een oppervlakte van 76 H. A. en heeft zij een reserve van 2 770 000 kubieke meter water.
Van daar begaf ik mij naar het gehucht Menhir, zoo genoemd naar den menhir of steenhoop in den vorm van een afgeknotte pyramide, die 11 M. hoog moet zijn geweest, maar nu verzakt is tot ongeveer 8 M. In een boerenhuis, waar ik binnenging, trof ik een man, die zelf ook een soort van menhir is, zoo stijf en strak en rechtlijnig. Hij is bijna honderd jaar, 97 precies, en het is prachtig, hoe kalm verstandig hij praat. Zijn stem is vast; hij kijkt u recht aan met zijn helderblauwe oogen en heeft veel uitdrukking in zijn gezicht, als van een man, die geleefd heeft, die de waarde van het leven kent en kalm het einde afwacht. Hij bood mij melk aan en rookte rustig zijn aarden pijpje, terwijl vrouwen van verschillenden leeftijd, een oude, een jonge, en een meisje, boter karnen en bij den haard bezig zijn. Het eenige vertrek, waar de gestampte grond tot vloer dient en waar kippen in rondloopen, herbergt een vrij talrijke familie, want er zijn drie gesloten dubbele bedsteden en nog een open bed, bij een baktrog staande. Onder den grooten schoorsteen diende een enorme steen tot haard, terwijl er vierels spek en worsten hingen.
Aan de balken van de zoldering hingen andere stukken spek, blazen met reuzel, kannen, broodmandjes, en een broodplank, als in kazernen wordt gebruikt. Het licht kwam erbinnen door twee kleine venstertjes van ongeveer één vierkanten meter. Aan de gewitte muren hingen prenten, eenige photografieën, een meisje, ter communie gaande, een bruid, een matroos, portretten van wie overleden zijn of naar den vreemde togen, een résumé van een nederig bestaan.
Een kruis met een palmtakje en een gekleurd wijwaterbakje hangen tegen de bedstede. Verder zag men er een tafel en banken van dik hout, benevens een lepelbak. Zoo is 't bretonsche intérieur, altijd gelijk gebleven sedert vele eeuwen. De meubels hebben mogelijk aan tien geslachten hun diensten bewezen. De kleeding is met de personen veranderd, maar is niet gewijzigd in snit of kleur. De man draagt nog een wijde broek, geruit vest, kleinen ronden hoed; de vrouwen hebben het mutsje stijf om het hoofd en dragen wijde, zware rokken.
De grijsaard is soldaat geweest onder Karel X en Louis Philippe, en hij spreekt langzaam en duidelijk Fransch, maar de vrouwen verstaan er niets van. Ik praatte met den heer des huizes. Hij herinnert zich nog wel de dwangarbeiders en de soldaten, die hen moesten bewaken met hun vuursteengeweren, de bajonet op den loop, en hoe de jongelieden zich aansloten bij de soldaten van het kamp. Men bespeurt, dat de aanleg van het kanaal de groote zaak in zijn leven is geweest en in het leven van Glomel. Het kanaal heeft volgens hem het land goed gedaan, dat in dien tijd het armste en minst beschaafde van geheel Bretagne was; maar alle bronnen en putten zijn erdoor uitgedroogd, en men moet in tonnen het water aansleepen tot van den rand van het réservoir. Hij vat zijn denkbeelden samen in korte zinnen, op ernstigen toon gezegd, terwijl hij met over elkaâr geslagen armen rechtop stond met de pijp in den mond.
Van Menhir volgden wij door de varens een voetpad, parallel met het aanvoerkanaaltje, dat bij het jaagpad uitkomt. Dit werd beschut door een met gras begroeide helling, met boomen beplant, om aan het terrein stevigheid te geven. Tusschen het gras groeiden veel paddestoelen. Op eenigen afstand woonde een sluiswachter in een bekoorlijk, vierkant huisje met gewitte muren, een leien dak en een tuintje, dat zich in het heldere water spiegelde. Verder volgt de weg. Van dit punt af loopt het kanaal tusschen twee wallen, met boomen van verschillende soort beplant, eiken, berken, sparren, esschen, een echt bosch, dat zich in het rimpellooze water spiegelt.
Hier vindt men volledige eenzaamheid, een volmaakte wandeling, een heerlijke rust langs het kanaal, dat recht voortloopt onder het geurige groen. Zoo loopen wij meer dan twee kilometer, en aan 't einde van de dubbele laan staat weer een sluiswachterswoning; het kanaal maakt een rechthoekige bocht, mengt zijn water met dat van een kleinen vijver en komt weer in de vlakte, een moerassige vlakte, waarin wij vele honderden meters ver moesten loopen, vóór we een weg vonden, die ons weer langs 't Westen naar Glomel bracht, een weg, die in sommige tijden van het jaar in een stroompje verandert. Hier en daar komen uit het groen de daken van kasteelen voor den dag, Saint-Péran, Coatcouraval, Bodennou, Kersaint-Eloy. De beide eerste zijn oude landgoederen, die, als het dorp zelf, eertijds onafhankelijk waren van den koning en van het bisdom Quimper. Toen ik het dorp weer bereikte, zei ik mijn gids vaarwel, die mij in enkele eenvoudige woorden zijn werkleven heeft beschreven, hij bakker te Glomel, zijn vrouw naaister te Rostrenen.
Van Rostrenen moet ik in een zigzaglijn verder reizen om dat deel van Bretagne te onderzoeken, dat het Zuiden vormt van het departement Côtes-du-Nord. Ik stel mij voor, de vier hoeken te gaan zien van den vierhoek Saint-Nicolas-du-Peleur, Goarec, Mur, Corlay, om van daar Quintin te bereiken.
Ik begin dus bij Saint-Nicolas-du-Peleur. Het is een eentonig traject, dat door sommige gehuchten gaat met enkele boerenhoeven. Men ontmoet veel mannen te paard. Dit is het land der paarden. Het dorp Saint-Nicolas ligt op een hoogte, waarboven zich in de 15de eeuw een versterkt kasteel verhief, dat nu verdwenen is. Alleen de herinnering aan een der heeren van het kasteel is blijven bestaan, namelijk aan den beruchten Fontenelle, wiens wreedheid legendarisch is gebleven. Zijn heele leven sleet hij in roof en plundering en moord. Hij had een meisje ontvoerd, dat hij in een klooster liet opvoeden en dat zijn vrouw werd en hem hartstochtelijk beminde.
Als Fontenelle een burcht vermeesterde, zegt een der vertellers uit Bretagne, Pitre Chevalier, "martelde hij den burchtheer, tot deze hem van de eene kamer in de andere leidde en hem al zijn schatten had aangewezen. Dan liet de roover de vrouwe van het kasteel vóór zich komen, zoo zij mooi was, en haar kinderen, als ze die had; hij doorstak den echtgenoot voor de oogen der vrouw, dwong deze hem te volgen en bedronk zich met zijn soldaten te midden der zieltogende slachtoffers." Zulk een droom van bloed en tranen zweeft over dit slapende slot.
De kerk bezit een mooie reliquieënkast; maar interessanter is de kapel van den H. Eloïsius, bedevaartplaats, waar men paarden heen voert, om ze sterk te maken en voor ziekten te behoeden. De legende verhaalt, dat Eloïsius, die zich als hoefsmid in de streek had gevestigd, op zijn uithangbord geschreven had: "Baas boven baas en baas boven allen." Om hem voor zijn hoogmoed te straffen, zond God de Vader hem zijn zoon in de gedaante van een collega-hoefsmid. Niet vriendelijk ontvangen, werd Jezus toch in staat gesteld, zijn kennis te toonen door het beslaan van een kostbaar paard, dat vóór de deur stond. Met een beitel slaat hij het paard het been af bij den hiel, neemt den hoef mee, herstelt dien, zet er een nieuw ijzer onder en brengt den hoef op zijn plaats. Eloïsius wil het hem nadoen, maar het bloed blijft stroomen uit het been van het verminkte paard. Hij vernedert zich tegenover den werkman, die het kwaad herstelt. Een ruw beeldhouwwerk, het Mirakel van den H. Eloïsius, in de kapel geplaatst, herinnert aan dit tooneel.
De weg naar Goarec volgt de rivier, de Corlay, die zich met de Blavet vereenigt. Men loopt langs een zachte helling door weiden, akkers en heidevelden, waar bloeiende distels en varens groeien. Goarec ligt in een diepte, waar de Blavet door stroomt. Het was vroeger een afgesloten land, geheel geïsoleerd bij gebrek aan wegen. Tegenwoordig kan men er gemakkelijk komen langs wegen, die men kloekmoedig door het laten springen van mijnen in de rotsen heeft uitgehold.
De huizen van leisteen hebben bijna alle tuinen of boomgaarden. In de kerk niets bijzonders. De bekendheid van Goarec ligt, zooals in deze streek meestal, in de paardenfokkerij, die het varkensfokken heeft vervangen. Er worden jaarlijks wedrennen georganiseerd. De eigenaar van het winnende paard ontvangt, al naar den welstand der vereeniging, een os of een schaap. Behoef ik te zeggen, dat die feesten niet op Longchamp en Auteuil gelijken en dat men er geen veelkleurige jockeys ziet? Maar de ruiters zijn flinke kerels, moedig en bekwaam. Goarec is de geboorteplaats van Andrein, een belangwekkend personnage, zooals uit zijn leven blijkt. Hij was eerst onderwijzer aan 't collége te Quimper, dan leeraar aan 't instituut Louis le Grand, afgevaardigde naar de Nationale Conventie voor Morbihan, stemmend voor den dood van Lodewijk XVI. Toen werd hij geestelijke, werd tot constitutioneel bisschop benoemd van Quimper en werd in 1800 vermoord door de Chouans, terwijl hij op reis was naar zijn bisschoppelijken zetel.
De weg van Goarec naar Mur is prachtig en gaat door het bosch van Quénécan, dat 3600 H.A. groot is en waarvan men de donkere massa kan waarnemen van bijna alle punten uit het mooie gehuchtje Bon Repos. Mur, waar deze aardige weg op uitloopt, ligt op een plateau, door eiken en kastanjeboomen omringd en bestaat uit twee gedeelten; waarvan het hoogste Sainte-Suzanne is. De huizen liggen in wanorde rondom een plein, waar zich een hal bevindt. Als de toeristen niet altijd van Mur direct gingen naar de volle stranden en de weeldebadplaatsen, en als zij de bekoorlijkheden van Midden-Bretagne wilden leeren kennen, zou Mur een uitgangspunt kunnen zijn van niet-banale uitstapjes in het golvende, landelijke, woeste land, dat toch zoo bekoorlijk is met zijn steile heuvels en door de Blavet besproeide weiden. Het dal van Pouttangre is zeer geschikt voor zulk een schilderachtig uitstapje.
De naam Mur herinnert aan den tijd, toen het plaatsje versterkt was met een muur, die een belegering of een aanval kon weerstaan. Van al, wat er verteld wordt, is dit mij bijgebleven, dat men vijftig jaar geleden achter een ouden schoorsteen het geraamte heeft gevonden van een ridder in zijn wapenrusting. Toen deed de legende haar werk en voerde ten tooneele den burchtheer van Mur, genaamd Gwengrézangor, zijn vrouw en den bedoelden ridder. Gwengrézangor, wiens voornaamste bezigheid bestond in het plunderen van zijn buren en 't berooven van voorbijgangers, ontdekte eens, dat zijn vrouw een minnaar had. Hij verraste het paar, sloot de vrouw levend in een ton met spijkers en liet haar in den vijver werpen, terwijl de ridder levend in een schoorsteen werd gemetseld. De verbeelding in den dienst der wreedheid. Mur, dat een centrum van verzet was ten tijde der Chouans, is nu een onbeteekenend dorp, waar men zich bezighoudt met de exploitatie van de leisteengroeven in de buurt.
Ik ging van Mur niet dadelijk naar Corlay, maar eerst over Uzel naar Quintin. Uzel beteekent niets behalve op den marktdag, die met de Drievuldigheidsmis samenvalt. Wedrennen met paarden worden dan op den weg van Quintin gehouden bij het bosch van Lorges. Des avonds wordt er gedanst, en de vrouwen komen op het bal met haar origineele coiffure, een muts die al het haar bedekt en onder de kin met twee strikken is vastgehecht. Vele vrouwen hebben niets meer te verbergen, omdat ze haar haartooi hebben verkocht.
Onverschillig of men Quintin binnenkomt langs den weg of door de laan van het station, altijd krijgt men een vreemden, maar toch liefelijken indruk. Tuinen en wandelingen, een calvarium, een vijver, waar de Gouët door stroomt en een half achter groen verborgen kasteel. Hoeveel herinneringen heeft dit eigenaardige stadje, dat zoo onregelmatig is en zoo schilderachtig en dat nu niet meer is dan een bescheiden cantonnaal hoofdplaatsje! De heerlijkheid Quintin was in 1209 in handen van Godfried I. In 1294 werd de plaats ontmanteld; maar later werden de muren weer opgebouwd. In 1347 wapenden zich de tegen Engeland opstaande boeren, namen aan den krijg deel en brachten tweehonderd-vijftig krijgsgevangenen mee, die door de stedelingen vermoord werden.
In 1487 ontnamen Pierre le Long en Yvon de Rouef Quintin aan Pierre de Rohan. De overweldigers werden verjaagd. Er kwam een ander voor in de plaats. In 1592 maakte Mercoeur zich van de stad meester. In 1636 verkocht La Trémoïlle haar aan den markies de la Moussaye, die haar op zijn beurt afstond aan Gui Aldouce de Durfort. In 1691 werd het grondgebied van Quintin gevoegd bij de gronden van Pommerit, Avangour en Ermitage, en samen vormden zij een hertogdom, dat bij Lorges werd gevoegd. Quintin was een echte vesting, in 't Oosten verdedigd door het kasteel en de beide poorten, de Nieuwe Poort en Juliuspoort; in het Noorden door de Roospoort; in 't Westen door de Lieve-Vrouwenpoort met een ophaalbrug en in het Zuiden door 't kasteel Gaillard.
Er golden eertijds te Quintin heerlijke rechten, waarvan enkele vermelding verdienen. In 1519 bij gelegenheid van de kermis van 22 September moest men den heer en zijn officieren een galamaaltijd voorzetten, "gediend door edellieden, met gebraad en witten en rooden wijn en aan het slot warm water om de handen te wasschen en een pond peper benevens een zak van wit leder". Op Allerheiligen moest ieder huis rookgeld betalen, ten einde het recht om een vuur te stoken, te bezitten.
Het oude slot van Quintin, dat wij in het begin zagen en dat ten tijde van de Ligue ontmanteld werd, is in 1662 gedeeltelijk herbouwd door Amaury de Gouyon en op het eind der 18de eeuw voltooid door den vicomte de Choiseul. De werkzaamheden waren opgehouden door den bisschop van Saint-Brieuc, die beweerde, dat het huis arsenaal en fort der Hugenoten behoorde te zijn. Tegenwoordig behoort het weelderig ingerichte kasteel, dat voor bezoekers gesloten is, aan de markiezin de Courtibourne. Het bevat kostbare historische herinneringen, gobelinbehangsels met mythologische schilderingen, als Neptunus uit de zee verrijzend; Phoebus den zonnewagen besturend; de tuinen van Armida; de ontvoering van Proserpina door Pluto; dan portretten en meubels, die toebehoord hebben aan de familie Lorges, blazoenen op gekleurd glas en eindelijk de kamer, waar Turenne logeerde, en 't bed, waarin hij sliep, toen hij Quintin passeerde.
De Onze-Lieve-Vrouwenkerk is in den nacht van 7 op 8 Januari 1600 gedeeltelijk vernield door een brand, ontstaan door de onvoorzichtigheid van den koster, die zijn bed in brand stak. De vlam bereikte de sacristie en breidde zich uit. Een stuk van den gordel der Maagd, uit Jeruzalem meegenomen door Godfried I, werd onbeschadigd gevonden onder het puin, en deze reliek wordt nog in de kerk bewaard.
Langs den Karmelieterweg verlaat men Quintin onder mooie esschen en eiken. Het paard, dat mij naar Corlay moet brengen, ziet er mager uit, en niet erg aanlokkelijk lijkt mij de rit; maar de koetsier zegt, dat het 't beste beest uit het land is. We zullen eens zien. Ik reken op niets en daag hem niet uit, om een prijs te winnen. Wij rijden langs de Gouët, "rivier van bloed", begrensd door wilgen, afgedamd om beweegkracht te leveren aan een fabriek. Dan volgt een prachtig park met groote boomen, een hoeve met een laan van reuzenhulsten en daarna zijn we in het vrije veld.
De zon verschijnt van achter de wolken en baadt het landschap in licht. De bladeren van de boomen, gewasschen door de stortbuien, die den heelen nacht geduurd hebben, zijn donkergroen. 't Zijn kastanjes en sparren. Men kan den Saint-Michel boven het dal der Oust onderscheiden, welker beide bronnen op den Croix en den Frouet ontspringen. Het landschap is met boekweit bebouwd en wordt overschaduwd door appelboomen met roode en gele vruchten. Al het land tusschen de Oust en den weg van Pontivy naar Guingamp is een met groen bedekt, golvend terrein, hier en daar door open ruimten afgebroken, waar men een plas ziet glinsteren tusschen 't heidekruid.
De binnenkomst in Corlay is weer schilderachtig. De ruïnen van het kasteel spiegelen zich in een vijver. Dat is hoog Corlay, op 1 K.M. afstands van het dorp. Corlay behoorde in de 16de eeuw aan de Rohans, vazallen van het vorstendom Guéméné. In 1592 werd de bewaking van Corlay toevertrouwd door Mercoeur aan Spaansche troepen, 't geen niet belette, dat de plaats in 1593 vermeesterd werd door de Franschen onder Sourdéac. Het volgend jaar verraste de vreeselijke partijganger der Ligue, Fontenelle, 't slot en het dorp, verwoestte het land en versterkte er zich zoo goed, dat een groot deel van het leger van maarschalk d'Aumont noodig was, om hem eruit te verjagen.
Het kasteel, waar al die gebeurtenissen zich afspeelden, was al in 1195 begonnen door Henri van Corlay. Voor de eerste maal werd het gesloopt in den successie-oorlog van Bretagne; maar het werd in 1495 weer opgebouwd door Jean de Rohan. Het had den vorm van een ruit met vier torens en er was een gevangenentoren bij, die Toren der Geliefden heette. Om alles heen liepen grachten. In geval van nood kon men vluchten langs twee onderaardsche gangen, een naar Castel-Coz en een naar 't park Ar-Golifet. De hoofdtoren was de gevangenis, waar opgravingen een halve eeuw geleden menschenbeenderen en wapens aan het licht brachten. Men vertelt, dat, toen het slot in de macht was van Fontenelle, deze een bal gaf, waar zooveel menschen kwamen, dat de vloer instortte en Fontenelle een been brak. Twee legenden houden zich met het kasteel van Corlay bezig. De eerste heeft betrekking op de vrouw van Fontenelle, wier geest elk jaar op Kerstmis verschijnt. Ze is te herkennen aan haar droevig gelaat en haar kwijnenden gang van ontroostbare weduwe. De andere verhaalt, dat een vreemdeling, die eenige jaren vóór de Revolutie vergunning had gekregen, om de onderaardsche gangen te bezoeken, daar met een kaars zou zijn binnengegaan en nooit zou zijn teruggekomen noch te Ar-Golifet, noch te Castel-Coz verschijnend.
Het portaal van de kerk van Corlay is niet zonder sierlijkheid. Het dateert van 1575. Vóór de kerk wordt elken Zondag, eer de mis begint, een markt gehouden van boter, eieren, melk en aardewerk. Kooplieden in den tempel dus, waarover men reeds las in overoude tijden. Die gewoonte vindt men terug in veel andere gemeenten van Côtes-du-Nord, met name te Uzel, te Hermitage, te Grâce, Saint-Caradec en elders. Maar meer dan elders is hier te Corlay paardenteelt de hoofdzaak; het ras, dat er gefokt wordt, stamt nog af van dieren, ten tijde van de Kruistochten ingevoerd. Verscheiden malen in het jaar hebben wedrennen plaats. De twaalf groote jaarmarkten zijn paardenmarkten, en rondom de plaats is alles weide; men vindt er weinig bouwland. Op de wegen ontmoet men steeds ruiters, die paarden afrijden of zich in de edele rijkunst oefenen. 't Is een land van reuzen. De jongelui dragen de locale dracht, breeden hoed, buis Louis XVI open op een vest met dubbele rij knoopen, leêren broek en rijlaarzen met sporen. De vrouwen zijn geen reuzinnen; zij spinnen graag en het garen, dat zij maken, is zoo fijn en regelmatig, dat het gezocht is in de kant-industrie.
Van Corlay sloeg ik den weg naar Callac in, om het land tusschen Carhaix en Belle-Ile-en-Terre te onderzoeken. Niet ver van Callac, op den rand van het bosch van Duault bij de kapel Saint-Gervais, werd er gevochten tusschen verschillende dorpen, om den heilige gunstig voor zich te stemmen, en gruwelijke verminkingen werden er bedreven, een verhaal zooals er meer zijn in de godsdienstige geschiedenis van Bretagne.
Ik begaf mij naar Bulat, waar men een zachter eeredienst kent. Daar staat midden in de heide een kerkje met een mooi open gewerkten klokketoren en men vindt er een doodenhuisje, waar een doodendans op is uitgehouwen. De naam van den kunstenaar staat erbij: "Den derden dag van April 1552 werd dit werk begonnen door Fouquet Jehannou, meester". In den toren boven de sacristie heeft men de "kamer van de kluizenaars", waar twee broeders metselaars, die aan het gebouw hadden gewerkt, de rest van hun leven sleten.