In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904

Part 8

Chapter 84,054 wordsPublic domain

Ik ging omhoog naar de kapel van Saint-Michel, een zeer gewoon gebouwtje. Maar niet alledaagsch is het landschap in de buurt en verder in den omtrek. Op den heuvel, die precies 391 M. hoog is, geen boom of struik, niets dan droge heide, dof en roestig dekkleed van den grond en de steenen. Het ziet er verlaten en doodsch uit; maar toch is het een der mooiste natuurtooneelen, die men te zien kan krijgen, want voor onze oogen breidt zich daar in mijlenwijde uitgestrektheid een beeld van grootsche eenheid uit, 't geheele panorama van de Zwarte Bergen en 't Arréegebergte.

Als het helder weêr is, kan men de klokketorens van Saint-Pol-de-Léon zien in 't Noorden, den toren van Carhaix in het Oosten en zelfs, zegt men, in het Westen de reede van Brest en kaap Saint-Mathieu. Die gunst valt mij niet te beurt; maar ik zie de toppen en het bosch, dat ik achter mij heb gelaten aan den kant van Laz en Gourin, en de punten, waarheen ik mij richten moet naar de zijde van Carhaix. Zeker, ik heb hooger bergen gezien in de Alpen en de Pyreneeën en heerlijke natuurtafereelen van grootscher afmeting, de laatste weiden, vóór 't gebied der eeuwige sneeuw begint; de gletschers van schitterend ijs; de toppen, in de zwartheid van den nacht zich plotseling kleurend met de eerste rose tinten van den dageraad; de smaragden en saffieren meren, als gevulde bekers door de rots omvangen; ik heb dat alles gezien, en toch heb ik dit landschap lief en gevoel er bewondering voor, dit kale landschap van 't Arréegebergte, die lage, golvende terreinen met hun stille, droeve lijnen onder den bretonschen hemel, die dreigende rotspunten; dat sombere moeras, dat van een droevig noodlot spreekt en van het langzame werk van verrotting en weer nieuwe ontwikkeling voor de nederige planten; die gansche onuitsprekelijke melancholie van deze streek, waarachter men zoo hier en ginder tusschen 't groen de klokketorens raadt en dorpjes en bebouwde velden, alles, wat op menschenarbeid wijst en eenige belofte inhoudt van wat veiligheid en zoete rust.

Toen wij weer verder gingen, kwamen we te Botmeur, de oase van het Arréegebergte. Een bescheiden oase, tegen de dorre helling gelegen, met stijgende en dalende straten, met scheefstaande huizen, enkele tuinen, een paar akkers en wat boomen langs den weg. Maar Botmeur is, zooals de natuur en de menschen het maakten, dan toch geworden tot het lustoord uit de buurt, badplaats en winterverblijf, en diegenen die er verblijf houden, moeten er zich wonderwel bevinden, wanneer hun oog valt op de kommen, waar de turfhoopen staan, of als zij opzien naar de kale toppen, waar de sneeuw zich ophoopt en van waar vroeger wolven naar beneden kwamen. Bij 't zien van het onverwachte groen, na zooveel kilometers heide en steenen, heb ik een indruk als van een zuidelijk dorp gekregen, en ieder oogenblik verwacht ik wijngaardranken om de vensters te zien of glanzige bladeren van een vijgeboom tegen een op het Zuiden door de zon beschenen muur.

Het rijtuig hotst over de steenachtige straat en door de wegen met kuilen. Het heeft een goed geleide, vóór, achter en op zij. Zoodra de stap van het paard zich deed hooren en het rijtuig werd gesignaleerd, zijn scharen kinderen komen aanloopen, van waar, dat weet ik niet, en ze hebben ineens het stille dorp tot leven gewekt. Een gezicht van man of vrouw had zich wel eens vertoond op een drempel of aan een raam; maar 't kind komt naar buiten, loopt hard en lacht om de verschijning, die iets zeldzaams moet wezen, een rijtuig met paard, koetsier en reiziger! Nooit werd een ontdekkingsreiziger in eenig dorp van Centraal-Afrika meer geëntoureerd, en nimmer legde een bevolking van zwarten luidruchtiger verbazing en vreugde aan den dag. Er werd gesprongen en geduwd, gegild en geschreeuwd, dat er geen eind aan kwam. Dat Botmeur is bepaald een bevoorrecht plekje. Er zijn bekoorlijke jongens- en meisjesgezichten onder die aardige wilden, die niet schijnen te lijden door de slechte lucht van de moerassen, noch door de schaarschheid van hun voedsel, als ik mag afgaan op hun gebruinde gezichtjes, hun frisschen lachenden mond en hun levendige oogen.

Ze zijn tegelijk luidruchtig en beschroomd; trachten zich te verbergen, als ik naar hen kijk of als ik een gesprek wil beginnen, maar komen dan al gauw terug. Bij het dalen van den weg loopt de heele troep mee in een dollen wedloop, zoo snel ze kunnen. De moedigsten trekken hun klompjes uit en vliegen blootsvoets achter mij aan, tot ze geen adem meer hebben en het moeten opgeven. Dan komt weer de eenzaamheid, behalve dat we eens een koehoedster tegenkomen, want er zijn koeien, die langs den weg loopen te grazen of zelfs een kleine, heusche weide hebben. Komaan, laat ons maar niet ongerust zijn over de menschen uit Botmeur! En toch, waar leven ze van? Van aardappels, volgens mijn koetsier. Allen hebben een stukje land en houden eenige beesten en velen hebben het bedrijf van voddenraper. Ik vraag mij af, wat die te rapen vinden op de hellingen van het Arréegebergte of in het slijk van de Saint-Michelmoerassen. Maar het schijnt, dat zij toch wel iets vinden bij 't afloopen van de dorpen en de markten, en dat zij koopen en verkoopen, om, als het dagwerk is gedaan, in hun oase uit te rusten.

Wat mij betreft, ik denk mijn rust te nemen in La Feuillée, waar ik eenige jaren geleden ook reeds ben geweest. Ik herinner mij een mooien schaduwrijken weg, waar een geestelijke zijn brevier bezig was te lezen, en een herbergje met ik weet niet welk uithangbord, misschien het Witte Paard of de Rijzende Zon, waar ik door twee brave vrouwen werd ontvangen als een kind des huizes, dat na een lange en vermoeiende reis naar huis terugkeert. Het lekkere souper van koude eend en geitevleesch en de prettige kamer met de hoog opgestapelde veêren bedden zijn mij bijgebleven. Men klimt erin en valt dan na een vermoeienden dag neer in het zachte, warme dons als een vogeltje, dat in 't diepst van 't woud voor alle gevaar is beschut. Den volgenden morgen verwenden de goede vrouwen mij opnieuw en drongen mij, van den witten wijn te drinken, die zoo goed en gezond was op reis. Ik hoor nog haar stemmen met het accent: "Drink toch, drink toch, het is lekker". Ik dronk dan ook en nam de herinnering mee aan de vriendelijke oude gezichten, zuiver van lijnen en fijn van trekken, waarin de blauwe oogen tusschen de rimpels alle oprechtheid en snaakschheid uit de jeugd hadden behouden. Het overige van het gelaat heeft de sporen van het leven te dragen, vermoeienis en slijtage; de mond vertoont nu en dan den droeven glimlach van hen, die hun aandeel hebben gehad van rouw en smart, maar er is geen bitterheid gebleven en geen boosheid, en de kalmte, die het leven en den dood aanvaardt, staat op zulke gezichten geschreven, waarvan er vele in Bretagne onder de oude vrouwen zijn te vinden.

Daar ben ik weer en zoek mijn Wit Paard of mijn Rijzende Zon, de gastvrouwen van toen, hun herbergzaaltje, waar ik graag vertoeven wil en waar ik mogelijk blijven zal tot den avond, om weer te slapen in het hooge bed en 's morgens met een teug van den witten wijn op weg te gaan. Maar, helaas, ik vind niets van dat alles terug. La Feuillée is zoo veranderd, dat ik het plaatsje bijna niet herken. De oudjes liggen denkelijk op het kerkhof, maar hun huis, waar is dat gebleven? Ik ontdek op den hoek der markt een nieuw hôtel, waar ik geen lust heb binnen te gaan. Wel vind ik mijn laan terug; maar het gebladerte zingt niet zoo liefelijk als voorheen, en tot den voerman zegt de reiziger, om maar spoedig verder te gaan.

Langs den grooten weg reed ik heen met een zonderling gevoel van spijt, dat alles hier zoo veranderd was, en ook met weemoed, omdat ik het Arréegebergte vaarwel moest zeggen en terugkeeren in wat men de beschaafde wereld noemt. Deze weg, die naar Huelgoat geleidt, is intusschen wel mooi met het dal in de diepte, het donkere groen, de rotsblokken van grijs gesteente, als vallend bij de helling neer.

Huelgoat is een prachtig punt van Bretagne, bekend bij het publiek, zelfs al te bekend, want dadelijk bij aankomst treft u de overvloed van hôtels en pensions. Ik ben hier vroeger geweest in den tijd, toen de spoorweg van Morlaix naar Carhaix en Concarneau nog niet bestond, en ik geloof, dat er in die dagen slechts één hôtel was, ingericht als een ouderwetsche herberg, kalm en rustig. Het land was toen nog niet ontdekt behalve door een paar schilders. De tijden zijn veranderd. Uit elk hôtel stappen nu menschen met lange haren en groote hoeden, die doeken en kleurendoozen en schildersezels dragen. Alle boomen en steenen uit de streek zullen eraan moeten gelooven, of ze willen of niet.

Toen ik aankwam was het ontbijt afgeloopen, en ieder was naar zijn "motief" vertrokken. De vliegen, de eenige gasten in de eetzaal, gonsden en bromden en voerden hun dansen uit, hun vroolijke walsen, nadat ze eerst gulzig suiker hadden gesnoept van de beschuitjes op de tafel. Ik ontbijt met wat men mij voorzet, het restje van 't ontbijt van dezen morgen of het begin van den middagmaaltijd. Terwijl ik zit te eten, geeft de dame van 't hôtel mij alle mogelijke inlichtingen, waarvan mijn gidsje gewaagt. Ik mag niet vertrekken, zonder de wonderen van het land te hebben gezien, den Vijver.... den Molen.... het Gezin van de H. Maagd.... den levenden Steen.... den Draaikolk.... den Plas der Wilde Zwijnen.... de Kerk en den Waterval van Sint-Herbot....

"Huelgoat, Mijnheer, is 't Fontainebleau van Bretagne, met het water nog bovendien erbij!"

Zeker ga ik dit alles weer bekijken, vooral Sint-Herbot. Op het oogenblik, dat ik naar buiten treed, biedt zich een jongen aan, om mij te vergezellen, en wordt door een tweeden gevolgd, dan door een derden en vierden en nog veel meer. Ik werd door een heel geleide geëscorteerd naar den levenden Steen. Daar is de vijver en de molen, met klimop begroeid, nu veranderd in een fabriek van electriciteit. Wij loopen door een boschje en staan aan den toegang tot een groote open ruimte vol rotsblokken. Er zijn hooge, ronde, spitse, platte, holle en gewelfde. Iedere steen heeft een naam en de eene of andere eigenaardigheid. Bij den chaos van het Gezin der H. Maagd vloeit het water door een grot. Bij het uiteinde gekomen, moet men zich bukken, om in een nauwe gang te komen en van daar ziet men dan, als men ze wil zien, een Ketel, een Leuningstoel, een Bed, een Schotel, een Lepel, een Vork. Om over de steenen heen te komen, zou men gemakkelijk den eenen voet vóór den anderen kunnen plaatsen; maar de gidsen van de levende Steenen staan dat niet toe.

Zij hebben ladders bij zich en planken en stokken en kleine stoeltjes, die men volstrekt moet gebruiken, daar noodzaken zij u toe. "Wacht, Mijnheer, gaat u hierop staan... kijk, Mijnheer, zóó moet u leunen... Klim maar op mijn laddertje, Mijnheer."

Alles is hier bij elkaâr, om iemand de beenen te breken en den prijs voor dit genoegen te betalen. En 't is nog niet afgeloopen. Twee jongens staan mij af te wachten vóór een reuzengrooten steen, die op één van zijn smalle kanten staat. Dat is de levende Steen, de Bevende Rots, de mooiste uit Bretagne. Hij is 7 M. lang, meer dan 5 M. breed en bijna even dik; men meent, dat hij meer dan 100 000 K.G. weegt. De massa is in evenwicht op den rotsachtigen rand, maar zoo volkomen juist in evenwicht, dat zij elk oogenblik in beweging is te brengen. Het recht om de schommelingen teweeg te brengen, komt toe aan de beide jongens, die de anderen bezig hebben gelaten bij het Gezin der H. Maagd, en die hier 't eerste zijn geweest. "Kijk eens, Mijnheer!" En een der kleinen is onder den steen gegleden, draagt dien, als 't ware op zijn rug, en werkelijk de reuzenmassa schommelt heen en weer; er is geen twijfel mogelijk. 't Is afgeloopen. Ik moet heen. Zij waren wel met hun twintigen jongens, en al dat werk is meer dan een dubbeltje waard. Ik verdeel een tiental franken onder hen. De kinderen uit Huelgoat hebben hier voor 't voorjaar en den zomer een goede bron van inkomsten.

Ik ging geheel alleen den Draaikolk zien, een indrukwekkend verschijnsel in zijn soort. Het water komt er met geweldige kracht in neer en schijnt naar het diepst der aarde af te dalen. Maar al spoedig voegt zich de meest obstinate van mijn gidsen weer bij mij, en met alle geweld wil hij mij naar het kamp van Arthur brengen. Ik blijf nog toeven in het bosch, luister naar 't geluid van het water, sta stil en zet dan weer mijn weg voort tusschen nauwelijks te onderscheiden paadjes door gras en mos en heide en varens, en kijk naar de eiken en de beuken, de dennen en de rotsen, opmerkend, hoezeer de onvermoeide natuur de geschiedenis vermeestert en overweldigt.

Weer kom ik bij den vijver, waar het zilveren riviertje doorloopt, dat door 't groen verder gaat en dan in watervalletjes het dal bereikt, waarlangs het ten slotte in de Aulne zal verdwijnen. Dan betreed ik het dorp en stap naar de markt, waar ik nog altijd de schilderachtige drukte denk te vinden met de groote, magere mannen in hun wijde broeken, kleine, open vesten en breedgerande hoeden. De omgeving is nog dezelfde, oude huizen en een kerk uit de zestiende eeuw.

Ik moet naar Sint-Herbot terug. Daarheen zou ik graag diegenen brengen, die op eens en in zijn geheel een indruk verlangden te krijgen van het land Bretagne, het binnenland. Er is geen meer verscholen hoekje, geen, dat geheimzinniger en meer ontroerend is. In een woest en zwart land heeft men hier den dood en de vereenzaming der dingen. Men moet daar alleen zijn geweest, terwijl de regen aanhoudend neerviel op de oude steenen en de vervallen ruïnen, om een diepen indruk van de plek te krijgen. Hier ligt het donkere hart van 't oude, ernstige, verscholen Bretagne, dat niet op toeristen wacht, en waar men niet kan naderen dan in eerbiedig zwijgen. Tusschen Huelgoat en Sint-Herbot liggen zeven kilometers, en reeds bereidt het ernstige, trotsche aanzien van het landschap u voor op het schouwspel dat u wacht. Ik weet niet, hoe de meeste bezoekers de dingen aanzien, die daar zijn, maar op mij maakt het alles een diep treurigen indruk.

De helling die wat steil is, een kilometer lang, loopt door een moerassige heide, waar bronnen murmelen. Vrij ver naar links ziet men den klokkentoren van Plouyé, rechts den Saint-Michel en den vierkanten toren van Sint-Herbot. Aan twee kanten heeft de kerk reeksen lage huizen naast zich, alles oud en somber, maar alles in overeenstemming met de omringende natuur. De stammen van de bij de kerk geplante boomen hebben dezelfde granietkleur als de steenen van 't portaal van den toren. Hier kan men zien, dat de gothische kunst, die vaak ruw en onbehouwen lijkt, werkelijk voortkomt uit de natuur en daar haar kracht uit put, haar leven en beweging. Zijn inderdaad die boomen zuilen, van 't gebouw gescheiden en achtergebleven zonder dak of gevel? Die gebeeldhouwde steenen, die versieringen, die beelden, zijn het stukken rots, die door den tijd en de seizoenen zijn gemodelleerd tot beeldhouwwerk van bladeren en figuren? Al wat hier is, schijnt voortgekomen uit den grond, schijnt daar te zijn geboren en gegroeid; alles schijnt op die plek ook te moeten sterven en stukje voor stukje te moeten terugkeeren in de met mos en steenen overdekte aarde.

Het portaal is versierd met fijne arabesken van klimplanten, zooals zich slingeren door de heggen, en de beelden der apostelen in de nissen lijken op rotsen en boomstammen. Het licht valt door een gekleurd venster, verlicht een aardig houten koortje en het graf van Sint-Herbot, den kluizenaar, beschermer van het hoornvee. Hij heeft hun goed gedaan in Bretagne. Bekend zijn de eigenschappen van het runderras, de fijne pooten, de breede borst, de teêre huid met glanzig haar en de kleine koeien, die zoo overvloedig melk geven. De dankbare stallen kwamen hierheen dan ook herhaaldelijk bedevaarten doen. In Juni is er elk jaar bij de kerk een groote bijeenkomst, een echte kermis lijkt het wel, en op die groote rundermarkt worden de dieren juist als pelgrims om de kerk geleid. Tegenwoordig is het voldoende, in een steenen drinkbak aan den voet van een pilaar een bundel haren neer te leggen uit den staart van een paard, om het voor ziekten te behoeden. Het is een feit, dat, als de markt eenige dagen voorbij is, de bak veel roode, zwarte en witte haren bevat. Het is een soort van belasting, die Bretagne aan Sint-Herbot betaalt, want men beweert, dat in jaren van veeziekte de verkoop van het paardehaar tot 3600 francs opbrengt.

Ik vind terug, wat ik verder zocht, den waterval, die van een hoogte van 70 M. neerstort langs een met boomen bedekte helling. Een klein meisje springt van steen op steen, een lief en lachend kind met blauwe oogen en een beschroomd gezichtje, onschuldige symbolizeering van het landschap. In een oude hut zit een koehoeder in een versleten boek te lezen. En boven verrijst de molen van Rusquec en het kasteel Rusquec of wat ervan is overgebleven, dat is bijna niets, enkele brokken muur en een woonhuis, dat als boerenhoeve wordt gebruikt. Men loopt er rond omheen en raadt, hoe 't mag geweest zijn, toen alles nog niet zulk een diep weemoedigen indruk maakte. Aan een enkel ongeschonden gebleven fragment kan men zien, dat het geheel schoon en bevallig moet geweest zijn. Het is een groote vaas op voet, een stuk graniet met wapens erin, waar nu mossen over groeien en dat vol droge bladeren en dood hout ligt, terwijl alleen het water uit den hemel erin wordt opgevangen. Het is een mooi en eenvoudig geheel, dat ook, evenals de muren der kerk, uit den grond schijnt voortgekomen, en als een groote steenen bloem zich schijnt te ontsluiten. Maar hoezeer wordt de schoonheid verhoogd door al wat er omheen is, het grasperk en de hooge boomen, die ritselen onder de grijze lucht, en de groote beukenlaan, die langs een helling leidt. Welke levens, welke geheimen zijn hier begraven in de schaduw van deze ingestorte muren, in de holte der vaas en onder de hooge boomen? Welke stemmen zijn er tot zwijgen gebracht? De tragische beteekenis van 't leven dringt zich aan ons op bij 't zien van deze dingen, zoowel op een vriendelijken voorjaarsmorgen als op de sombere schemeravonden van den herfst.

Carhaix zag ik het eerst op de hoogte liggen, toen ik uit het kleine spoorwegstation naar buiten trad. Carhaix is 't oude Vorganium, dat een romeinsche plaats was en later een belangrijke stad van het koninkrijk Cornwallis, verblijfplaats van Grallon's dochter Ahès. Ker-Ahès, stad van Ahès, werd Carhaix. Jean de Montfort en Charles de Blois leverden er elkaâr slagen in de jaren 1341 tot 1347; Du Guesclin trok er in 1363 binnen. Daarna raakten er de Koningsgezinden en de Ligue slaags in 1590, en ten slotte woedde er de Chouannerie. Het kleine, rustige stadje is dus als zooveel andere een plaats van moord en doodslag geweest.

Als men de Saint-Augustinstraat oploopt, ontmoet men het uithangbord "Café de la Tour d'Auvergne-Lafleur". Dit is dan ook inderdaad de stad van den Eersten Grenadier van Frankrijk, en de naam Lafleur, die aan de 18de eeuw doet denken, is zeer geschikt, om de herinneringen aan het leger van 't ancien régime en dat van de eerste Republiek samen te verbinden. Eenige honderden meters verder volgt het Slagveldplein met een terras, waar men een grootsch panorama ziet van de Zwarte Bergen, het dal der Hière, de oevers van 't kanaal van Brest en de in verre verten wegdeinende heuvels met hun blauwe tint.

Midden op het plein staat het standbeeld van La Tour d'Auvergne met zijn grenadiersmuts en het geweer in de hand. Hij draagt zijn eeresabel. Het beeld werd in 1841 door Marochetti gemaakt en staat op een voetstuk, welks vier zijden opschriften dragen en bronzen basreliëfs: La Tour d'Auvergne neemt afscheid van het echtpaar Le Brigant; La Tour d'Auvergne redt een gewonden soldaat; La Tour d'Auvergne bestormt de poorten van Chambéry; La Tour d'Auvergne wordt met een lanssteek gedood te Oberhausen in Beieren. Carhaix, dat is La Tour d'Auvergne. De uithangborden dragen zijn naam; het stadhuis heeft zijn portret, een zijner tanden, een lok van zijn haren en de knoopen van zijn slobkousen. Men kent zijn militaire leven. Zoon van een bastaard uit het huis de la Tour d'Auvergne, afstammeling van Turenne, ging de groote man van Carhaix tot het militaire leven over, om een betrekking te hebben, die hem tijd zou laten voor de studie. Deze krijgsman was inderdaad in de eerste plaats een geleerde. Hij kende de meeste europeesche talen, en zoo hij alle bevordering boven den rang van kapitein weigerde en later ook 't mandaat voor de Wetgevende Vergadering, dan gebeurde dat ter wille van andere plannen, die hem zeer ter harte gingen.

Hij verliet den dienst reeds vroeg, om zich geheel te kunnen wijden aan zijn onderzoekingen over de geschiedenis van Gallië, die hij op nieuwen grondslag hoopte te vestigen, door zich ijverig toe te leggen op de studie der betrekkingen, die er tusschen Britten en Galliërs hebben bestaan. Ook hoopte hij de identiteit der talen van de beide volken te kunnen aantoonen, de geschiedenis en de theogonie der heidenen te kunnen doen herleven en de taal der Kelten meer bekend te maken. Dit door La Tour d'Auvergne begonnen werk gaf aanleiding tot de stichting in 1807 van de Keltische Academie. Maar La Tour d'Auvergne zou haar niet meer in werking zien. Uit edelmoedigheid verving hij in 1796 den laatsten zoon van zijn vriend Le Brigant in het leger van Helvetië en daar vond hij den dood.

Een wandeling door de straten van het stadje, de Groote Straat, de Plaveiselstraat en 't Raadhuisplein, laat zeer zonderlinge huizen zien, allergrappigste soms, zooals op teekeningen van Gustave Doré bij Victor Hugo. Men ziet een rez de chaussée van graniet; verdiepingen tusschen balken ingevat; gevels, ingelegd met leien, of waar stukjes zijn in gezet op een vreemde en kinderachtige manier. Zoo bij voorbeeld de bakkerij van Pinson, het kantoor van den ontvanger e. a. Enkele der huizen zijn geheel zwart, het hout en de leien beide. Andere zijn wit, overgekalkt, alsof ze in room zijn gedompeld. O, die amusante huizen! Dat echte feeënspel! Wat kan men zich te Carhaix amuseeren, als men die oude gerimpelde aangezichten tracht te ontcijferen, die den mond openen door de deur beneden en met de oogen knippen door de venstertjes in het dak.

De gothische kerk is zeer mooi met haar vierkanten toren, haar portiek en haar rozet in passenden stijl. De kerk van Plouguer, die uit de 15de eeuw en dus nog ouder is, heeft ook een vierkanten toren en bezit een beroemd altaarstuk. Ik meen alles gezegd te hebben, als ik er nog bijvoeg, dat Carhaix een der belangrijkste beestenmarkten van Bretagne heeft. Buiten de markten op Zaterdag, heeft men verscheiden groote jaarmarkten, eigenlijk kermissen op 13 Maart, den Donderdag na Paschen, den dag vóór Hemelvaart, den 30sten Juni, twee nog in Augustus, op 20 September, den 2den November en volgende dagen en de laatste op 29 November.

Ik ging per spoor van Carhaix naar Rostrenen om Glomel te bereiken, dat weinig bekend is en wel interessant. Maar toen ik te Rostrenen was aangekomen, hield ik mij er langer op. Rostrenen ligt op een 250 M. hoogen heuvel en heeft vier of vijf straten, amphitheatersgewijze aangelegd met huizen, die zwart zien en waaronder er zijn uit de 16de en 17de eeuw. De kerk, gewijd aan de H. Maagd van Rostrenen, want hier, evenals te Josselin, heeft men een Mariabeeld onder de braamstruiken gevonden, is uit de 16de eeuw, behalve het portaal en den klokketoren, die de data 1749 en 1776 dragen. Het massieve geheel ziet er goed uit, en ik bracht een nog al dragelijken avond door met enkele winkels binnen te gaan en op het onregelmatige plein rond te wandelen.