In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904
Part 7
Hoe zal ik in bijzonderheden treden over zulk een leven zonder afwisseling? Op den drempel van een deur zit een oud moedertje te spinnen; een jonge vrouw is er aan 't breien, alle beide zitten op een trede, er achter staat een stoere visschersgestalte met een pijpje in den mond. Kinderen staan te gluren naar de heerlijkheden van een stuiver, achter een venster uitgestald. De naaister buigt zich met het hoofd naar 't raam en trekt meteen haar draad door de stof. De vischvrouw staat kalm te praten met de slagersvrouw. Er gaat een processie voorbij, waarin de mannen en de vrouwen vaandels dragen. Allen staan even stil aan den voet van een kruisheuvel. Een oude priester zingt; de koorknapen antwoorden; menschen knielen neer op de straatsteenen, en anderen kijken rustig toe. Er is niets anders te zien in Landévennec, en ik acht dit ook voldoende. En dan zijn er nog tuinen als op Crozon, tuinen, waar men lang zou willen blijven. Die van 't hôtel, waar ik vertoef, is één groote bouquet, zooals die van Crozon een groentetentoonstelling was. Zooals dikwijls in Bretagne gebeurt, in de beschutte hoekjes aan de zee, die goed aan de zon zijn blootgesteld, groeien er in de open lucht veel planten uit het Zuiden, als araucaria's en vijgeboomen, mimosa's en eucalypten.
Ik staak hier dit mijn uitstapje; neem afscheid van mijn koetsier, die mij nu al verscheiden dagen voortrolt. Men kan hier niet anders reizen dan zoo per rijtuig. Wie alleen per spoor wil gaan, krijgt slechts de steden en haar omstreken te zien, of de enkele dorpen, die aan de lijn liggen. 't Is beter, de groote wegen te volgen, de ernstige wegen met de stijgingen, die naar den hemel schijnen op te voeren, de plateaux, van waar men op eens de heele aarde meent te kunnen overzien, en de dalingen, die u pardoes in een groene wildernis te land doen komen. Men moet daarvoor te voet gaan, of in een rijtuig met een stevig en bevriend paard.
In zoo'n ouderwetsche kales of berliner zit men gemakkelijk, niet al te zacht en niet al te hard en ziet alles langzaam defileeren, rotsen, bosschen, moerassen, gehuchten, kerken, kapellen, dieren en menschen. Terwijl het oog geniet, en de gedachten hun weg gaan, heeft uw gezel op zijn bankje met de teugels in de hand voorzichtig zijn paard geleid. Die beide kennen elkander bijzonder goed, en ze hebben allebei de gewoonte, met de vreemdelingen om te gaan, die de omstreken komen zien. Als de heer in het rijtuig, nadat men het over den prijs is eens geworden, plaats neemt, duurt het een heelen tijd eer er gesproken wordt. Maar bij het verder rijden ontstaat de behoefte aan vertrouwelijkheid. Men wil worden ingelicht, of men wil althans den schijn aannemen van belang te stellen in hetgeen men ziet. De koetsier kent de streek; hij dient als kaart en gids, en in de herbergen gebruikt gij samen, waar ge trek in hebt. Dan, bij het afscheid, hebt ge een vriendschappelijk gevoel voor den man. Hij zegt: "Tot weerziens," steekt den prijs op voor den rit en uw royale fooi erbij, en fluit een deuntje, als hij naar zijn dorp terugrijdt, zonder om te kijken.
Tegenover Landévennec ontmoet men, als men het riviertje de Faou binnenvaart, het dorp Faou onmiddellijk aan het water. De kerk ligt op den oever, en de haven is druk en levendig, doordat van hier vruchten en groenten worden verzonden naar Brest. Het leven der warmoezeniers laat zich nauwkeurig nagaan, terwijl twee kilometers verder, aan den voet van het Arréegebergte te Rumengol, de legende weer op den voorgrond treedt. De kerk, die van 1536 dagteekent, staat onder de bescherming van Onze Lieve Vrouwe van alle Genezing. Het is een beeld der Heilige Maagd van massief zilver, waardoor de pelgrims worden aangelokt en waarvoor de kaarsen branden bij honderden en duizenden. Dicht in de buurt is een bron, waar zieken en gebrekkigen komen drinken en zich wasschen.
Het straatje van het dorp wordt aan de ééne zijde door het kerkhof begrensd en heeft aan den overkant eenige huizen, waar voorwerpen voor den eeredienst worden verkocht, medailles, rozenkransen, scapulieren en prentjes. Buiten de kerk staat een altaar voor de zielmissen, die gehouden worden op de dagen van Maria boodschap, van de H. Drievuldigheid, van Maria Ontvangenis en Maria Geboorte. Het is een mis voor de Zangers, geschreven door Anatole le Braz, en zoo genoemd ter herinnering aan de gelofte aan koning Grallon gedaan door de H. Maagd, die, om zijn ziel te troosten over de misdaden, door zijn dochter Ahès begaan, beloofde een geslacht van zangers te doen geboren worden, die vroolijkheid zouden brengen in de wereld, waar de moordenares van zooveel menschen rouw en schrik verspreid had. Zoo zijn de laatste bretonsche barden op den heuvel van Rumengol de klacht komen uitzingen van Plac-hik Eûssa in tegenwoordigheid van een groote menigte, die over zee en over land was toegestroomd.
Het talrijkst komen de geloovigen op naar de mis der H. Drievuldigheid. Daar kan men alle kleederdrachten van Bretagne's uithoek, 't land van Finistère, waarnemen; de mutsen, duidelijk blijken gevend van het oude godsdienstige karakter, en de lompen der bedelaars, die er de stompen van hun ledematen vertoonen, hun misvormingen en weerzinwekkende wonden, hun gezichten, waarop de ellende staat te lezen. Men heeft dikwijls, nadat Emile Souvestre het zoo meesterlijk deed, de optochten beschreven met de banierdragers en de kruisen en relieken. De deelnemers waren gekleed in witte koorhemden en droegen katoenen mutsen, terwijl de ordebewaarders in dezelfde kleedij met een stok, dien men lig-neer betitelde, een tikje gaven aan wie vergat, zich diep te buigen.
De bedelaars bieden zich aan, om geloften uit te spreken, houden de voorbijgangers staande, sluiten een koop en gaan den omgang rondom de kerk doen met bloote voeten of op de knieën. Om door een bedelaar dien gang te laten doen op bloote voeten, betaalt men een stuiver; voor den tocht in geknielde houding moet vijf stuivers worden betaald. De officiëele boete wordt uitgedrukt door de mis, den avonddienst en de processie met den optocht onder de banieren. Men vecht erom, wie het zwaarste vaandel zal dragen, dat vaak door lood nog bezwaard is; de mannen beijveren zich, den last te torsen, spannen zich tot het uiterste in met gestrekte armen, zoodat hun gezicht rood ziet en de aderen op hun voorhoofd zwellen. Er zijn er, die het niet kunnen volhouden, onderweg neervallen en soms voor hun heele leven ongelukkig zijn door het volbrengen van zulk een tour de force. Zoo zijn de kinderachtige en barbaarsche oude gewoonten nog niet uit deze feesten verdwenen. En wat ook nooit ontbreekt, is de alcohol. Als het feest geëindigd is, eet men worst en koeken, drinkt ciderwijn en brandewijn, en om de stroovuren slapen de bedelaars hun roes uit.
Laat ons de plaats verlaten, al is haar een middeleeuwsche schilderachtigheid eigen en al heeft zij iets zeer romantisch. De menschelijke ellende treedt er te voorschijn, onbeschroomd en vuil, en zonder dat zich een greintje wilskracht openbaart in die vervallen, huichelachtige, vuile menschenmassa. Laat ons de frissche zeelucht zoeken en het zilte briesje proeven.
Voor de helft per boot en voor de helft per rijtuig leg ik den weg naar Plougastel af, dat op een in de haven van Brest vooruitspringend schiereiland gelegen is. Het gebied van Plougastel bestaat uit verscheiden gehuchten, als Passage, Illier-an-Guen, Kerziou, Keralgin, Lestraouen, Lanvrizan, waar te zamen bijna 8000 inwoners zijn, die hun tijd besteden als matrozen of dien bestemmen voor het verbouwen van groenten en fruit, vooral van zeer geurige aardbeien, en voor de schapenteelt.
Men heeft er curiositeiten en kunstwerken genoeg, zooals 't kapelletje van den H. Langinus met beeldjes uit de 16de eeuw; het slot Cosquer, waar dichtbij zich een put bevindt, die met zijn water een aan eb en vloed tegenovergestelde beweging uitvoert en rijst, wanneer de zee daalt, om te dalen, als de vloed opkomt. Maar alles verbleekt tegenover den Lijdensberg van Plougastel, die opgericht is midden op het oude kerkhof, waar hij, als men er eerst naar kijkt, den indruk maakt van een levende menigte van steen. Het is de voornaamste der bretonsche calvariënbergen en een der mooiste. Hij werd opgericht in het begin der 17de eeuw, ten tijde van de ellende en de ontzetting, die er toen heerschten, want hij houdt de herinnering levendig aan de epidemie der pest, die in 1598 een bezoeking was voor de geheele streek, tegen het einde van de droevige pestjaren 1580 tot 1599. Het jaartal 1602 staat als opschrift op een steen, aanduidend het jaar der voltooiing van den lijdensberg.
De bouwtrant is eenvoudig en degelijk. Op een gemetseld platform met bogen en een hoofdgewelf, omlijst door beeldhouwwerk, staat een altaar, waarvan de voorzijde en de kanten versierd zijn met basreliëfs uit het leven van Jezus en met beeldhouwwerk in nissen, terwijl meer dan tweehonderd figuren zich scharen om de voeten der drie kruisen en, evenals op een tooneel, de Lijdensgeschiedenis van den Heer dramatisch voorstellen. Het groote kruis rust op een granieten zuil met twee dwarsbalken; op den eersten wordt de Christus door de vrouwen begraven, en op elk uiteinde van den tweeden wachten twee ruiters met opgeheven hoofd op de laatste zucht van den gekruisigde. De beide boosdoeners, gespijkerd aan de beide andere kruisen, wringen zich in de smarten van den doodsstrijd. Onder de figuren, die rondom de gekruisigden verzameld zijn, moet men geen schoonheid en geen gratie zoeken; maar het gewone, schilderachtige leven, weergegeven in alle naïeveteit met inspanning en op onhandige manier. Zij doen dienst als figuranten, die zich aan de toeschouwers vertoonen, en men heeft hier, als 't ware in steen, een herhaling van de oude mysteriespelen, die vóór de kerken werden gegeven en op deze wijze werden vastgelegd. Achtereenvolgens worden alle episoden uit de Lijdensgeschiedenis weergegeven; men ziet priesters, soldaten, apostels, de menigte, en allen in de kleeding van hun tijd; ook de boeren, die den Heer vergezellen op zijn intocht in Jeruzalem.
Sinds 1602 is er in de kleeding te Plougastel bijna niets veranderd. Ik heb er dichtbij den berg een doopstoet zien voorbijgaan, een heelen optocht van vrouwen in zwarte japonnen met blauwe boezelaars, korte jakjes en vreemd gevormde mutsen; dan kleine meisjes, juist zoo gekleed in lange jurken van allerlei kleur en een begijnemutsje op, en verder mannen met breede gordels, geborduurde buizen en vesten en fluweelen linten om hun zwarte hoeden.
Vooral de peter en de meter waren prachtig, toen zij uit het donkere voorportaal der kerk naar buiten traden, het moedertje in een Louis-Treize-japon, die openhing over prachtig geborduurde rokken, en hij met lange haren en een grooten hoed, een blauwgeruite jas met lange panden, korte broek en stropdas, opgewipte schoenen en veel vesten over elkander heen, en ten slotte een met linten versierden stok in de hand. 't Was precies of men een groot heer uit Versailles zag in plaats van een aardbeiteler in galacostuum. Diegenen, die de aardbeien per bootje naar Brest brengen en naar de andere havens in den omtrek, dragen roode mutsen met een punt, die naar den kant omvalt.
Niets gaat er toch boven dit eigenaardige land en het schilderachtige volkje, dat er woont! Plougastel ligt in een soort van oase en is naar den zeekant beschut door een vooruitspringende kaap, bezaaid met rotsblokken. Als men zoo over steenen en heidekruid is gegaan en niets heeft ontmoet in de grijze oneindigheid dan wat zwarte, kleine schaapjes, in de lucht niets heeft gezien dan enkele roofvogels, is het een verrassing, het lachende land plotseling vóór zich te zien liggen, open naar den zuidkant, met bloeiende vruchtboomen in de lente, rood van aardbeien later in den tijd, en in den nazomer met meloenen overdekt.
Het groote feest van 24 Juni wordt bij de kapel van Sint-Jan van Plougastel gevierd aan het riviertje van Landerneau. Er is dan tevens vogelmarkt. De kinderen verkoopen in kooitjes van wilgenteenen alle mogelijke zangertjes en andere gevederde diertjes, die zij uit nestjes in heggen en boomen hebben gehaald. De menschen uit Brest stappen dan af bij het station van het dorp Passage en komen koopen en tevens de kleederdrachten bekijken. Maar die menschenmassa haalt niet bij het gezicht, dat ik gehad heb, toen de doopoptocht voorbijging, waarbij ik de eenige toeschouwer was. Toen betrapte ik het leven, als het ware, en zag de kalm in zwang gebleven gewoonte, geen maskerade, zooals op zulk een feestdag onvermijdelijk is, wanneer de oude kleederdrachten zich mengen onder de burgerluidjes uit Brest, die op hun zondagsch zijn. Dan zie ik liever Plougastel eenzaam op een zonnigen zomerdag, wanneer de hoofdstraat en de kleine steegjes leeg zijn en verlaten en allen op het land aan 't werk zijn.
Op een avond was ik van Châteaulin naar Brasparts gegaan en nooit heb ik mooier avondstond gezien. De laatste klaarte van de schemering hing nog in de lucht en maakte plaats voor 't maneschijnsel; het was als een betooverde wereld. Vanaf den stijgenden weg, die opliep van de rivier en zich zou aansluiten bij den hoofdweg boven Pleyben, zag ik het heele landschap als met zilver overgoten, als gleed Diana zelf de ruimte door. Het had dien dag geregend, maar een briesje streek de wolken weg, die zich naar alle kanten verspreidden, en 't zuivere blauw des hemels kwam te zien; vervulde daarna het geheele hemelveld en weldra hing de maan alleen daar boven aan den trans en overstraalde alle dingen met haar bleek, koel licht, dat zoo ontroerend werkt.
Men kon nauwkeurig alles onderscheiden in het geheimzinnige schoone der omgeving. Het paard voor mijn rijtuig liep stapvoets, en ik had den tijd om de bijzonderheden van het liefelijke dal te onderscheiden, met de rivier, die schitterde tusschen het gebladerte; de vormen der verschillende boomen; de achter elkander oprijzende heuvels en de begrenzingen der akkers. Ieder ding kwam tot zijn recht; maar toch was er geen stijve preciesheid of strenge afscheiding, niets dors en droogs in dit grootsch tooneel van de in 't maanlicht sluimerende natuur.
Vreemd ver scheen alles, bovenaardsch, zich badend in een onbekenden melkwitten dampkring met blauwen weerschijn. Men wist, hoe alles was gekleurd, dat de aarde bruin was en de boomen groen, de rotsen grijs; maar al die kleuren waren als door een gaas bedekt, verzacht door het wonder van de lichte atmosfeer, die groenachtig en blauwig daalde van den blauwen hemel en de bleekgouden maan. Zulk een maneschijn schijnt altijd met stilte gepaard te gaan, en de stilte was dien avond wonderbaar. Er was niets te hooren dan de stappen van het paard op den weg en 't scheen of dat geluid, het eenige in den stillen nacht, gehoord moest worden door de gansche streek.
Toen op eens, toen het rijtuig een schaduwrijke plek met boomen voorbijging, waar vele lichtjes tusschen het gebladerte beefden, liet een nachtegaal zijn hartstochtelijk liedje hooren, vol smart en teederheid als een lied van Schumann. Iets verder bij het rijden tusschen hoog geboomte hoorden wij een vreemd geluid, dat iets had van het krassen van kraaien en van het gekwaak der kikkers. "Dat is de groene specht", zei mijn koetsier. Geen ander geluid liet zich hooren, en geen verdere woorden werden gewisseld.
Er zijn harmonieën, zoo diep en zoo schoon, dat men zich niet moet wagen aan eenige stoornis. Men voelde, dat de ruimte vol was van leven, maar van zwijgend leven. Het land lag onder betoovering, en schaduwen bevolkten de ruimten. Indien de feeën en de luchtgeesten op manestralen kunnen rijden, doen zij dat zwijgend en geruischloos. Glimwormen en dwaallichtjes verrieden slechts even hun aanwezigheid door een lichte trilling van een schijnsel in het gras of door een rimpeling van een enkel plasje. In 't goud en in het zilver van de atmosfeer bewogen zich de nimfen, en haar bewegingen volgden een rhythme, dat men meende te zien, een muziek, die men meende te hooren. De huizen, hier en daar verspreid op de helling der heuvels, in de diepte der dalen, hadden een lijkkleur en werden getroffen als door een schijnsel, dat uit graven scheen te komen. Ook de woningen aan den kant van den weg schenen dood met starre aangezichten; de luiken en de deuren waren gesloten, en geen reet liet licht door, geen schijnsel deed een kaars of lamp vermoeden. Een enkele huisdeur bij een bocht van een hollen weg, die in de rotsen uitgehouwen was, stond open, en op den drempel verscheen bij het voorbijgaan van het rijtuig een figuur, die daar en toen een spook geleek.
Het paard sukkelde traag voort, en de koetsier, die op zijn plaats heen en weer wiegde, scheen in slaap gevallen of zeer diep in gedachten verzonken. Misschien hoort hij tot hen, die aan dwaallichtjes en geesten gelooven; maar hij heeft een zuiver geweten, is niet bang voor roovers en gaat zijn bekende weggetje.
De reis duurde lang, verscheiden uren, in het feeënlicht der maan. Het kon tien of elf uur zijn, toen wij Brasparts bereikten, dat vóór ons oprees, en waar de eerste huizen, gesloten, stil en dood als die langs den weg, bewezen dat wij een dorpsstraat binnenreden. De herberg? Er is slechts ééne, vroeger door drie jonge dames gehouden en met het uithangbord In de driehonderd man, hetgeen zich in het Fransch laat lezen als In de drie zonder man, zoodat het grappig uithangbord vermeldde Aux trois sans hommes. Nu was er slechts ééne van over, die ziek was en dikwijls te bed lag; maar de goede traditie van het huis bleef, had men mij gezegd, bewaard, en een reiziger werd er goed ontvangen en bediend. Daar dacht ik aan, terwijl de koetsier met den steel van zijn zweep tegen de deur klopt en het paard hinnikt. Er wordt een venster geopend; een gelaat buigt zich uit het raam, en een stem laat zich hooren. Daarop volgt het geluid van schreden en achter de deur klinken sleutels.
De man, die opendoet met een lantaarn in de hand, gelijkt op een Spanjaard, met geschoren gezicht, zwarte oogen en een hooge, slanke gestalte. Hij is de neef van de juffrouw. Wie heeft in zijn leven wel niet eens een ongerust gevoel gehad bij zulk binnenkomen in een herberg 's nachts, als alles slaapt, als men grove schoenen een houten trap hoort afkomen, en de deur opengaat? Het huis, de plaatsen, de trappen, de kamers schijnen u eerst ver van veilig. Waar is men verzeild? Bij wie? Ondanks zichzelven denkt men aan Klein Duimpje en den Reus, aan allerlei histories, die u als kind het haar te berge deden rijzen, en gij gaat slapen met één oog en één oor op wacht.
Hier zag het er in huis netjes uit; de meubels waren goed gewreven, de grond was schoon; de keuken, waar ik binnentrad, zag eruit als een museum, met de benoodigdheden, hangend aan de muren, alles op zijn eigen plaats. Een goedig oudje, zacht en kloosterlijk, kwam voor den dag en bracht mij naar een kamer, waar het naar schoon linnen rook. Er stonden zware eikenhouten kasten, een mooi heiligenbeeldje van Sint-Anna van porselein op een tafeltje. De meid vroeg, of ik nog iets noodig had, bouillon, of melk. Dank u zeer. Goeden nacht. Ik droomde, dat ik reisde op de maan.
Zoo ik den volgenden morgen nog eenige bezwaren had gevoeld van deze nachtelijke aankomst in het land der bergen, dan zouden ze spoedig zijn verdwenen. De geruststellende dag doet mij lachen om mijn inbeeldingen van den vorigen avond. De kamer is een braaf en ouderwetsch vertrek, en ik bekijk Sint-Anna en de platen aan den muur, de oude pendule op den schoorsteen met een herder van het eerste Keizerrijk en twee vazen van blauw glas met papieren bloemen, die daar nog altijd bloeien sinds het huwelijk van een grootmoeder. Het bed is omhangen met groen saaien gordijnen vol bladmotieven. In de groote kasten is niemand verborgen; ze zijn gevuld met linnengoed, dat naar schoon water en zuivere lucht riekt; de sleutel steekt in een der openslaande deuren; men mag alles bekijken. In een hoek staat een klein waschtafeltje met een kleine kom, een kleine lampetkan en een kleinen spiegel in mahoniehouten lijst, alles voor een dwergenfamilie.
De trap is helder; meiden loopen heen en weer. Het is druk op de binnenplaats; de kippen zijn er baas. Uit den stal komt u de hooilucht tegen. De meid, die mij heeft ontvangen, komt binnen door de eene deur en gaat heen door een andere, zonder geluid te maken. Het ruikt in de keuken naar koffie. Ik moet al vroeg weg. Alles is klaar, zonder dat ik iets heb behoeven te zeggen; mijn kleeren zijn geborsteld, mijn schoenen gepoetst; een ontbijt van koud vleesch, dat er zeer lekker uitziet, staat op tafel met lekker versch brood, goeden witten wijn en smakelijke koffie. De meid verontschuldigt de juffrouw, die nog niet op is. Maar al is zij nog niet bij de hand, men voelt, dat zij de leidende geest in huis is en dat zij alles voorziet en gelast. Ik zou daar wel graag lang willen blijven en den omtrek bekijken, om 's avonds in het goede huis terug te keeren; maar er is meer te zien, altijd meer, en ik moet kijken met de overtuiging, dat men toch nooit alles kan zien. Ik zeg het gastvrij dak dus vaarwel en zal er denkelijk nooit terugkeeren. Melancholiek gestemd, stapte ik weer in mijn rijtuig. Ik zag toen, dat Brasparts op een heuvel is gebouwd, waar men het Arréegebergte begint te bespeuren, en mij kwam het gezegde in de herinnering: "Brasparts vlak maken, Berrien van steenen zuiveren en Plouyé van gras ontdoen, dat kan zelfs Onze Lieve Heer niet."
Nu volgde spoedig het berglandschap, de kring der hoogten van het Arréegebergte. Het is niet bijzonder hoog, want het hoogste punt, dat ik weldra zal bereiken, de Saint-Michel, is slechts 400 M., maar de steile hellingen en de spitse toppen, waar de leisteen uit opsteekt, hebben een karakter van grootschheid en ontegenzeggelijke woestheid. De horizon wordt al wijder en wijder, naarmate men dat punt nadert. De soepele golving van de Zwarte Bergen ziet men in het Zuiden, terwijl het Noorden afgesloten wordt door den kam van het Arréegebergte met de spitse, wreede punt van den Roc-Trévézel. Die uitgestrektheid met de besliste omlijning is moeilijk op haar grootte te schatten. Er zou plaats zijn voor een onmetelijke stad, als een stad kon liggen in zoo'n moerassig laagland tusschen kale hoogten, waar 's winters een doodelijke kou van neerdaalt. Menschen, die vroeger gewoond hebben in dorpen op de hellingen van deze bergen, hebben mij verteld, dat, als het lang gesneeuwd had, wolven zich in de nabijheid van de eerste tuinen waagden.
Er zijn nu geen wolven meer, maar er wordt nog veel gejaagd. Heeren uit Quimper, Châteaulin, Morlaix, Landerneau en Brest komen er eenden en ganzen en wilde zwanen schieten in den tijd van den trek. Men moet uiterst voorzichtig zijn, als men zich op die gronden waagt. De sponsachtige, trillende bodem geeft mee met den voet, en 't kan gebeuren, dat een mensch wegzakt en verdrinkt in het slijk, zooals in drijfzand aan een oever. Zoo wordt ten minste gezegd, en er is eens iets dergelijks gebeurd. Dat is voldoende, om de slechte reputatie van de plek te verklaren, en ook om de voorbijgangers af te schrikken en hun een heilzame vrees in te boezemen voor die bewegelijke gronden. Alleen de jagers, zulke onverschrokken lui, die de terreinen goed onderzoeken, kunnen zich er vertoonen en brengen eer en voordeel thuis.
Maar ik vergis mij. Er zijn nog andere bezigheden, die verricht kunnen worden in de moerassen van Saint-Michel, buiten de jacht. Vooreerst bespeur ik hier en daar vierkanten van verschillende tinten van groen, die wijzen op enkele pogingen ter verbouwing van het een en ander, boonen mogelijk of iets anders. Op dezen afstand kan ik het niet onderscheiden, en mijn koetsier kent alleen hetgeen langs de wegen groeit. En verder, daar zie ik nu wel zeer beslist en duidelijk regelmatige turfhoopen.