In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904
Part 6
Hij is daarbij de toovenaar, die geuren wekt uit het gebladerte en uit den grond, en 't is een genot, den frisschen reuk van 't groen op te snuiven en van de aarde, waartusschen zich de scherpe zoutlucht van de onzichtbare zee doet gelden. Aan alles echter komt een eind; ook in Bretagne aan den regen. Toen lag daar langs den weg, die uitloopt op Crozon, een wazig, frisch landschap, dat er als gewasschen uitzag, en men heeft er alles, wat op de nabijheid van den Oceaan wijst, paden van wit zand, droog gras, pollen wier en kleine, blauwe klokjes. 't Kasteel ligt op de hoogte, en veel gebouwen omsluiten er een groot, met boomen beplant binnenplein. In den omtrek is de grond zoo goed als onbebouwd, en men ziet in 't kale landschap slechts windmolens, die draaien en die dus toch doen denken aan tarwe of rogge, haver of gerst. De grootste werkzaamheid wordt op de zee getoond, en voor het levensonderhoud is men aangewezen op de sardinevangst, een hoop, die dikwijls wordt teleurgesteld.
Behalve de kerk met een mooi altaarblad, zijn er hier geen monumenten of curiositeiten te vinden. Trouwens er zijn dagen, waarop men er niet goed toe komen kan, beeldhouwwerken, snijwerk en schilderstukken te bewonderen, waarop 't bekijken zelfs een lastig en vermoeiend werk is en men alles eender vindt en alles vervelend. Dat is beslist onrechtvaardig, maar het is een gevoel, dat door vermoeidheid ontstaat, en 't beteekent alleen, dat men goed gedisponeerd moet wezen, om van kunstwerken te genieten.
Een reiziger behoeft echter zijn stemmingen en gevoelens niet te verbergen, en ik beken volmondig, dat ik vandaag, liever dan de gloriedaden te bestudeeren van de helden en de heiligen op het altaarstuk, mijn rustige oogenblikken slijten wil in den tuin van het hôtel, waar ik ben afgestapt. Zoo'n tuin is een wonderding; er gaat zulk een heerlijke, versterkende rust van uit. Men kan er alleen zijn en voelt zich toch omringd van leven; aan alle kanten groeit en bloeit het, en ik kan van harte mijn bewondering schenken aan de frissche bladeren van de voorjaarsgroenten en aan de door bijen bezochte bloemen. Ieder perkje is een wereld van vormen en kleuren, een intieme wereld, een eenheid op zich zelve. Er zijn prachtige groepen boomen, schaduwrijke laantjes, en de frissche zeebries blaast door deze mooie décors en liefkoost den geheelen tuin.
Nu trekt de zee mij aan, maar ik moet bekennen, dat toen ik er langs een aardigen weg heenging, ik nog den stillen tuin betreurde, dien ik had verlaten. Ik stap aan zee werkelijk in een echt parijsche wereld, want ik vind er huizen, precies als in de voorsteden van Parijs, die op een leelijke manier de ernstige, donkere huizen van het land vervangen. Het strand is wit en frisch en bekoorlijk. Men wordt, als men uit het gebied der donkere, bebouwde aarde en van het zware groen komt, als verblind door die stranden van wit zand, geborduurd met het golvenschuim der rustige, kalme zee.
Ondanks de parijsche huizen voelt men zich hier toch wel ver van de stad. De kapen, die hun punten steken in de onmetelijk wijde ruimte van lucht, geven u plotseling een sensatie van aan 't eind der wereld te zijn aangekomen. De hemel is op dezen morgen licht en helder, de zee is blauw en de grotten hebben een roode kleur. Met een bootje breng ik aan de grotten een bezoek. Bekwame schippers varen er diep binnen tot in alle hoekjes en bochten van de hooge, ruime holen. Onder de onmetelijke gewelven van graniet moet men wel aan de eeuwen denken, die voorbijgingen, en verder aan de oneindige toekomst. De grotten schijnen er altijd te zijn geweest; er schijnt niets aan veranderd in den loop der tijden. In hun zware onbewegelijkheid, in hun zwijgen, dat alleen door het geklots der golven afgebroken wordt, vraagt men zich af, wat zij wel hebben gezien en gehoord? Welken mythologischen held hebben zij een schuilplaats verleend?
Welke engelen, door draken bewaakt, zijn hier door helden bevrijd? Welke fantastische zeedieren uit de diepte hebben zich er verborgen? Ze zijn als feeënpaleizen, versierd met rijkdom en met glans van edele steenen. Git en onyx en turkooizen vormen met lazuursteen in groote blokken 't hoog gewelf. De afzetting uit het zeewater brengt steeds weer nieuwe kleuren aan op de gesteenten, en het stille water beneden weerkaatst als een spiegel de glimmende rotswanden. De bewoners hebben een naam gegeven aan al die holten, al die door de natuur uitgehouwen kunstwerken. Hier ziet men een altaar, daar een beeld, ginds een leeuw, elders een slang. De gids zegt zijn les op als een museumbeambte; hij noemt de diepten en de gangen en zegt, hoe ze met andere verafgelegen holten in gemeenschap staan. Hij laat de echo's klinken, en de bezoekers verlaten voldaan het interessante tooneel.
's Avonds wandelde op het strand een stukje Parijs, en ik ging naar huis, om in een paar boekjes de geschiedenis van Crozon na te lezen. Dit gansche schiereiland maakte vroeger deel uit van een land, dat Rivoalen heette, en dat, na in de 5de eeuw te hebben toebehoord aan een bretonschen hoofdman, achtereenvolgens in de handen kwam van de geslachten Cornouaille, Rosmadec, le Han, la Porte d'Artois, Rousselet, Châteaurenault en Estaing. Bij het einde van 't ancien régime werden alle rechten, die de heeren van Crozon hadden bezeten, omgezet in een jaarlijksche rente van 22 kronen.
Den volgenden morgen ging ik per rijtuig naar Roscanvel, waar ik al eens eerder was geweest. De eerste maal was ik er met een vriend per boot uit Brest heen gevaren. Toen vielen wij midden in een kerkelijk feest met dansen en drinken in de open lucht; een dronken boer liep toen steeds achter ons aan met iets achterdochtigs in zijn houding. Overal was zijn schuine, boosaardige blik op ons gericht. Weldra moesten wij wel constateeren, dat er in de menigte iets gaande was, een zekere beweging, en dat er zich een kring om ons heen vormde. Mijn vriend, die groot was en een blonde snor had, bovendien uit den Elzas geboortig, zou men wel voor een Duitscher kunnen houden. Maar neen, 't gefluister, dat wij op 't laatst heel goed verstonden, wees hem aan als een Engelschman, en wat mij betreft, mijn landgenooten, broeders, uit één ras gesproten, weigerden mij als een der hunnen te erkennen. Weldra worden wij geïnterpelleerd, en de dronken boer beschuldigt ons luidruchtig, dat wij gekomen zijn op het schiereiland, om het plan op te nemen van 't fort Quélern. Ik geloof wel, dat wij naar den weg hadden gevraagd en den naam van dat fort daarbij hadden genoemd.
Andere boeren kwamen aanloopen. Die hadden gezien, dat wij teekenden. De vrouwen met de witte mutsen zwegen, ontsteld en verlegen. Bij al die menschen is de herinnering aan den Engelschman nog levendig, want ze zijn nog slechts ruim twee eeuwen gescheiden van het oorlogsrumoer, van belegeringen, gevechten te water en bezettingen, terwijl ze meenen, dat dezelfde ontscheping, waarover hun overgrootvader soms nog verhalen doet, altijd op het punt is om opnieuw te worden afgespeeld.
De poging der Engelschen in 1694 is in hun geheugen blijven hangen, zonder dat ze precies weten, wanneer zij plaats had en in welke omstandigheden de overval geschiedde. Zij weten enkel, dat de engelsche schepen teruggedreven zijn; maar ze meenen dat die kunnen terugkeeren, en dat twee schijnheilige wandelaars plotseling een rots kunnen bestijgen, met een zakdoek zwaaien, een teeken geven, opdat er hooge oorlogsschepen aan den horizon verschijnen met monden der kanonnen, alle op de kust gericht. Het is heel moeielijk, in uitleggingen te treden met een boer, die onder den invloed is van een vroolijken zondagsdronk en in wiens geest het zóó gesteld is, als ik boven schreef. Sommige historische drama's hebben tot uitgangspunt niets meer gehad dan dergelijke domheden en vergissingen. Indien er honderd zulke individuen waren geweest,--wat zeg ik, honderd! twintig, zelfs tien zouden voldoende zijn geweest, om die heele menigte op te winden en in woede te doen ontsteken--dan had men ons als Engelschen in het Kanaal kunnen gooien en ons met steenen kunnen werpen, om te beletten dat wij ongedeerd wegzwommen.
Gelukkig maakte een nog al grappig incident een eind aan alles. Ongeduldig geworden door het geklets en gezanik van den man, die maar steeds met vragen achter ons aan liep, en doordat er al meer nieuwsgierigen op afkwamen, die gereed waren, als rechters op te treden, vroegen wij den maire te spreken. Deze verscheen ten slotte. Hij zag er ernstig uit in zijn zwartlakensch pak en hij leek niet opgewonden, als de man van de vragen. Hij luistert, zonder iets te zeggen, ondervraagt ons dan nog niet onwelwillend en hem gaven wij nauwkeurig onze namen op, onze betrekking en onze woonplaatsen. Toen riep onze vijand triomfantelijk uit: "O zoo, ben jullie uit Parijs! Welnu, ik ken Parijs; ik ben er in het jaar van de tentoonstelling geweest. Zeg mij dan eens, welke winkel er staat op dit en dat nummer van de faubourg Saint-Martin."
Half lachend, half knorrig, zeg ik: "O daar, daar is een wijnhuis!"
"Dat is waar," zegt onze man, verbaasd, en heeft de helft van zijn beslistheid van optreden verloren. Als daar een bakker had gewoond, zou men ons misschien in de gevangenis te Brest hebben gestopt. Maar nu wij zoo blijkbaar waarheid spraken, stortte het gebouw der beschuldiging ineen, en men liet ons vrij uitgaan. Maar 't was nog niet gedaan met onze ellende, want onder al die besprekingen, waarbij het ons voorkwam, of wij wilden moesten verzachten en tot rede brengen was de boot, die ons gebracht had, zonder ons vertrokken. Dus moesten wij in dit ongastvrije land nog blijven of naar Camaret vertrekken.
Dit laatste leek ons nog de wijste partij, en wij togen op weg. Maar een hevige stortbui, een diluviaansche regenval, dreef ons haastig terug naar Roscanvel, doorweekt, alsof we in zee gevallen waren, nat tot op de huid en met onze schoenen vol water. Te Roscanvel zijn alle herbergen vol; uit alle ramen klinken dronkemansstemmen tusschen de regenvlagen en het gerommel van den donder. Wij krijgen ten slotte een onderdak bij een schoenmaker, waar we ons droogden, zoo goed en zoo kwaad als het ging, eieren lieten bakken, en rusten gingen in een vertrek, waar liet naar oud leder rook, zoo sterk en scherp, dat wij de ramen moesten openzetten en luisteren naar de bui, die den geheelen nacht duurde. Den volgenden morgen gaan wij bij het aanbreken van den dag naar buiten en tijgen op weg, voorzien van interessante reisherinneringen, die ik nu alleen moet ophalen vandaag, want mijn vriend is sinds dien overleden. Wij hebben dikwijls om het avontuur gelachen, en ik geloof wel, dat we al met lachen zijn begonnen toen, indertijd, bij den schoenmaker van Roscanvel, die eieren voor ons bakte.
Dezen keer is het rustig te Roscanvel. Er hangt geen drama in de lucht. De markt is leeg, de schaduwrijke lanen zijn koel en frisch en groen. Zacht suist de zeewind. 't Is nu een heerlijk ding, naar Camaret te wandelen en 't spijt mij, dat mijn vroegere reisgezel dit niet meer kan ervaren. Camaret is een van die allerliefste kleine stadjes, wier rijen witte huizen de golven schijnen tegen te houden. Alles is hier ruim en groot. De hellingen naar zee gaan heerlijk zacht en geleidelijk. De zee reikt ver en ligt gansch open. Bij slecht weer ziet het er hier dreigend uit, schipbreuken komen niet zelden voor en altijd is de zee hier een bedreiging voor de kustbewoners, die er hun bestaan moeten vinden.
Te Camaret, net als in al die oceaanplaatsjes, krijgt men sterk den indruk van den moeilijken strijd om het bestaan. Te Douarnenez, Audierne en Concarneau is het evenzoo. Men kan in die dorpen niet eenige dagen zijn, zonder onmiddellijk getroffen te worden door de treurige omstandigheden, waarin de menschen er leven. Meer dan de schoonheid van het land en van de zee, meer dan de grootschheid der overhangende rotsen, en 't mooie licht der verre horizons, meer dan dat alles treft de menschenfiguur, die zwoegt en slooft. En 't landschap zelf wordt door die arme stumpers veranderd. Het liefelijk groen, het geurig heidekruid, de kleur van 't water, al die gratie en die imposante kracht, ze krijgen iets van ironie en impassibiliteit, een decoratie, die den spot drijft met een zwak en hulpeloos pogen en met een inspanning, die tot geen resultaat leidt.
Zonder aanspraak te maken op den ernst en de nauwkeurigheid van werken over sociale economie, moet ik wel in deze bladen uit mijn reisverhaal zoo nu en dan eens spreken over de gebrekkigheden van het menschelijk bestaan en 't leed, dat de beschaving brengt. Men behoeft niet anders te doen dan oogen en ooren open te zetten, op de houdingen der menschen acht te slaan en de gesprekken op te vangen, om van dat leed te kunnen getuigen. De herfst met zijn hevige stormen, de winters en de koude lentes, bijna alle seizoenen zijn hard voor hen, die van de zee moeten leven, wier bestaan afhankelijk is van de samenpakking der wolken en de richting van den wind.
Men kan niet alle dagen uitgaan in zee, om van 't voorbijtrekken der schoolen visch partij te trekken; men zou zijn boot en zijn leven offeren. Het is daarbij ook vaak onzeker, of men het wagen kan of niet; en ook als het weêr vast lijkt en een gunstige wind op til schijnt te zijn, weet men nooit, of er geen zwarte stip zich vormen zal daar aan de blauwe lucht, een stip, die zich zal uitbreiden en de heele ruimte overspannen gaat; of niet de rustige atmosfeer uit haar verband zal raken en de kalm voortvloeiende golfjes niet plotseling groote sprongen zullen nemen en over 't bootje heen zullen slaan, dat als een doodkist op de golven drijft.
Hoe moet dan wel het lot zijn van de zwakke boot op de open zee, als al die dreigementen werkelijkheid worden en de kansen op ondergang zoo groot zijn! Zij hebben wel gelijk, de romantische verhalen omtrent de gevaren, die de visschers trotseeren en 't onzekere van hun terugkeer, de schilderijen, die de vrouw en kinderen van den zeeman schetsen, staande op de pier en bevend uitziend naar het donkere zeil, dat nader komen wil als een vogel met gebroken vleugel. Wèl moet een ijzeren noodzakelijkheid de schouders van die mannen drukken, een kracht van wil moet hen in het gevaar stuwen, opdat zij de ellendige nachten ingaan, wanneer de storm reeds aan de deuren hunner hutten klopt. 't Is soms, alsof zij vluchten en in één slag alles op het spel willen zetten, wanneer ze uitgaan bij een storm, die opkomt.
In die gevallen, als er meer onderworpenheid is, een fatalisme van de dingen maar te laten gaan en aan den wal te blijven, behoeft men zulk een thuisgebleven visscher maar te ontmoeten, om medelijden met hem te krijgen, zooals hij daar vermoeid en haveloos en gedésoeuvreerd rondloopt, bessen plukkend van de hagen en verdord hout rapend.
De visschers krijgen hun aandeel van de winst. Maar welk een winst is het dan! Als men een onderzoek instelde en de lieden ondervroeg, zou men hooren, dat de helft van de voordeelen aan den eigenaar komen van de boot, dat de andere helft onder de bemanning wordt verdeeld, dat de verkoopsprijzen telkens dalen, onverschillig of er veel of weinig visch wordt aangevoerd. Parijs weet niet ten koste van hoeveel leed en ellende en tegen welke heldendaden de moedige strijders aan de kusten elken dag de tafels in de hoofdstad van de noodige visch voorzien.
Van af kaap Toulinguet krijgt men, als men de kust volgt, spoedig de Tas-de-Pois te zien, rotsen in zee, die altijd in de branding staan en met schuim zijn overdekt. Ik heb ze reeds van uit een boot gezien; nu kom ik er over land dichterbij. Ze zien er monumentaal uit, woest en donker, met kloven, waar de zee in binnendringt en uitgeslepen wanden, afgeknaagd door zon en regen, wind en storm. En treffend is het, op een plateautje van één van die blokken een klein wit huis te zien met vuurtoren en seinstation.
Het spreekt tot de visschers van veiligheid en van de tegenwoordigheid der menschen. Toch beteekent het weinig, dat eenvoudige huisje boven op de rots, in vergelijking met de woede van de elementen, van den hevigen wind, die alles wegblaast, en de zee en het land kan geeselen, die boomen uitrukt en de steenen kan ontwrichten. Het kan haast niets tegenover de zee, die alles kan, die een kleine spleet kan wijder maken, steenen kan doen vallen en 't geheel ineen kan doen storten. Wat nood! Toch is die inbezitneming van grond daar in de wijde ruimte door het kleine huis met zijn signalen en zijn toren een soort van geruststelling. Die zwakke mast, die touwen en die draden, al die preciese werktuigen bij den afgrond van de wateren en de oneindigheid der ruimte wekt een denkbeeld van vooruitziendheid en van tijdig te verleenen hulp.
Hier worden de natuurrampen voorzien; er kan gewaarschuwd worden en gesteund. De boot, die in de verte worstelt, ziet het witte stipje van het huis en hoort de zwijgende taal, die het tot haar spreekt, zij mijdt de klip en de ondiepte en spoedt zich naar de haven. Ik kan de verzoeking niet weerstaan daar boven op te klimmen, en ik heb geen spijt van de genomen moeite. Het uitzicht over den oceaan is prachtig en de indruk van een veilige schuilplaats wordt er inderdaad verkregen. Het laat zich best begrijpen, dat het hier goed leven is op deze rots. Het huis met dikke muren is zoo stevig, dat het elken storm trotseeren kan; de luiken vóór de vensters zijn als ijzer. Men is er als op volle zee, maar met een vuur des winters, goede boeken om te lezen, zou het leven er aannemelijk zijn, zooals Alphonse Daudet het vond, toen hij zijn Plutarchus las op den vuurtoren van de Iles Sanguinaires. En dan, de zee heeft niet alleen storm en geweld; zij heeft ook glimlachjes en bevallige momenten, en die leert men hier goed kennen. Welk een vreugd, zijn raam te openen op die goddelijke, bewegelijke oneindigheid!
Maar hoe wonderlijk zijn deze rotsen gevormd! Wat grillige figuren en geheimzinnige ruimten omsluiten zij! Nadat men de golf van Dinant voorbij is, treft men de uitgeholde en verweerde rotspartijen met diepe holen als 't Boudoir van de Sirene, de Korrigangrotten en de Reuzenzaal. Op de hoogte staat het kasteel van Dinant met torens en kanteelen, men ziet er half verwoeste zalen en een intact gebleven brug met twee bogen. De golven hebben bouwmeestersarbeid verricht, holden den steen uit, maakten er vensters en deuren in en gaven aan de ruïne een eigen vorm.
Altijd somberder wordt het land; er volgen kale rotsen met zandige vlakten en andere, die steil in zee afdalen; een enkele windmolen rijst op en schaarsche dorpjes liggen hier en daar in de plooien van het terrein tusschen steenen en heidevelden.
Langs een weg, die voerde naar de rivier de Châteaulin en naar Landévennec verliet ik het schiereiland Crozon. Landévennec is een aardig stadje aan de Aulne en de rivier van Faou. Hier is weer alles groen. Tegenover ligt het eiland Térénez en vindt men de ruïnen der abdij, die boven de baai van Penform uitsteken, men ziet er een steenen beeld van een monnik met een kap. De legende ziet in dit beeld het versteende lichaam van een monnik, die om onzedelijkheid veroordeeld was daar tot den jongsten dag te blijven staan. Hier eindigen boven de bochten in de rivier de Zwarte Bergen, en hier begint het Arréegebergte met de heuvels van Méné-Hom en de rotsige kammen van Braspart en La Feuillée, opstekend boven lagere, groene hellingen, waaruit klokketorens en kapelletjes en daken van kasteelen te voorschijn komen.
Het landschap is hier wondermooi. De abdij van Landévennec dateert uit de 5de eeuw; er zijn nu nog slechts enkele brokken steen overgebleven van het antieke gebouw en dan een romeinsch portaal; maar verder is het een wirwar van groen, een bosch van varens. Ten slotte ontdekt men in den bijna onontwarbaren hoop enkele losse steenen, eenige resten van zuilen, ontwrichte treden van een steenen trap en dan, uit het groen te voorschijn komend, door klimplanten overschaduwd, het beeld van den bisschop met zijn mantel en zijn mijter, een boek in de hand en met gebogen hoofd daar eenzaam peinzend. Hij is niet meer dan een brokje der natuur, gelijk aan al het andere, de mieren en de bijen, de hagedisjes en de vogels.
Als men naar het stadje gaat, vindt men het rustig, zelfs doodsch, maar toch wel warm en prettig levend na al die doodsche steenen. De bretonsche stadjes zijn verkwikkend om te zien. Ze kijken u ernstig aan en melancholiek, zoo als past voor plaatsen, die zoo dicht zijn bij de groote droefenissen, de zee, de verraderlijke rotsen en de groote ruimten, door den wind gegeeseld. Het leven is er in zichzelf gekeerd, geconcentreerd, maar het heeft toch ook zijn waarde. Komt men uit de eenzaamheid, dan geeft het loopen over het ongelijk plaveisel een prettige gewaarwording; men staat eens stil vóór een horlogemakerswinkel, vóór het raam van den manufacturier, den bakker of den slager; men is blij, een kantoor te vinden van tabak en iemand op den drempel van zijn huis te zien staan. Iemand, die de straat oversteekt, geeft een heele afwisseling en kinderen, die uit school komen, zijn een evenement.
En dan de marktdag, die geeft de grootste levendigheid. Het is, of de geheele wereld met alle mannen en vrouwen en dieren, een afspraakje heeft gemaakt, om hier en in de aangrenzende straten zich te vereenigen. Alle producten der lieve aarde zijn er ook, vleezen, groenten, granen, vruchten. 't Sociale leven wordt losser bij die zorg om koop en verkoop en bij de vroolijke teugen, waarmee een koop beklonken wordt. Als men twaalf of vijftien jaar is, en men heeft Robinson Crusoe gelezen en houdt van dien held, zou men willen stranden op een verlaten eiland met honden, katten en geiten, en men zou er zelfs niets tegen hebben, nooit den trouwen Vrijdag te ontmoeten.
Op twintigjarigen leeftijd of als men vijf-en-twintig is, zou men in de tusschenpoozen, die de strijd om het bestaan ons laat en bij de eerste teleurstellingen en de eerste verdrietelijkheden van den man, wel graag een hutje bouwen op de Geitenkaap, maar altijd met de mogelijkheid, om de boot voor Brest te pakken en den trein naar Parijs.
En als men de veertig voorbij is en men heeft een zeer juiste voorstelling van het leven te Parijs, als men den boulevard kan missen en al het overige, dan zou men willen gaan wonen in een bretonsch dorpje, in die complete associatie van menschen op zeer kleine schaal. Men ontvlucht dan niet de menschen; men weet, dat ze zoo ongeveer overal gelijk zijn, dat ze allen hun vreugde en hun leed hebben en dat beide veel op uwe eigene gelijken. Er is dan tusschen u en hen de solidariteit van het bestaan. En zonder weemoed zegt men dan al diegenen vaarwel, die maar altijd willen voortgaan hun rol te spelen, behagen vindend in den schijn van plezier en de conventioneele conversatie.