In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904

Part 5

Chapter 54,097 wordsPublic domain

Ik bracht in mijn hokje lange uren door. Ik was toen bezig met een boek, dat l'Enfermé getiteld was en ik was zelf een opgeslotene van mijn onderwerp, daar levend als een gevangene in zijn cel en de gevoelens van mijn held begrijpend door mijn eigen gewaarwordingen. Maar de eenzaamheid was geen stilte. Ik schreef steeds tusschen het eentonige, heerlijke geluid der zee, welker golfjes fluisterend braken op het strand, en het geluid van 't lachen mijner dienende geesten, dat ook altijd voortging als de rijzende en dalende zee. Toch moet ik erkennen, dat die vroolijke schepseltjes ook smart kenden, want ik hoorde op enkele avonden 't geluid van tranen, dat den klank van 't lachen had vervangen, en ik kon niet, zooals ik eerst gedacht had, de herinnering meenemen van een woning, waar men altijd lacht.

Ik was, zooals men zal begrijpen, niet onophoudelijk de gevangene van mijn werk. Ik brak er wel eens uit en deed tochtjes op zee en landwaarts in. In een boot heb ik de kust bekeken, ben om de Geitenkaap gevaren en heb de hooge rotsen van de Tas de Pois bezocht. Achter het huis wandelde ik tot diep in het Juchbosch, waar ik nu en dan onder de mooie boomen den een of anderen ouden boer ontmoette, in antieke kleedij met grijze linnen broek, blauwe kiel en kleinen ronden hoed. Ook op de rotsen liep het goed over de lage planten en het heidekruid, dat met zijn rose bloemen uitnoodigde tot rusten, terwijl het voetpad der douane geheel rondom de prachtige baai liep, en iemand noopte om bij elke honderd schreden rond te kijken. Maar dat alles is naast Douarnenez. Ik moet wat van de stad vertellen.

Want het is een stad, Douarnenez, niet meer dan een eenvoudige kantonnale hoofdstad; zij telt omstreeks 12000 inwoners en is gebouwd op een rots aan de monding der rivier Pouldavy tegenover 't kleine eiland Tristan, waar men een fabriek heeft voor sardinebereiding. Douarnenez is inderdaad als zooveel andere plaatsjes een zeehaven, die bekend is om haar sardines. Er lag in oude tijden op het eilandje een klooster, dat door den roover Fontenelle werd ontruimd, waarna hij zich er vestigde. Hij bleef er drie jaren, ofschoon er door het garnizoen van Brest pogingen werden gedaan, om hem de plaats te doen ontruimen.

Volgens de overlevering zou het eiland Tristan zijn naam gekregen hebben naar een der helden van de Ronde Tafel. Nu ruikt het er in de straatjes sterk naar visch, en aan ridderverhalen wordt men niet herinnerd. Aan 't eind van ieder straatje ziet men de zee, en in de haven liggen booten op het strand of zijn er voor anker gelegd, terwijl er voortdurend zeilen geheschen en gestreken worden op vertrekkende of thuiskomende schepen. Zeelui loopen overal rond op klompen, die zwaar en dof hun stappen doen klinken en dragen manden met visch of sleepen netten achter zich aan.

Ook vischvrouwen ziet men veel, naar de fabriek gaande of ervan terugkeerend, en kinderen gaan òf al mee naar de fabriek òf leeren de vischvangst. Hier als elders wordt veel leed geleden, waarvan de terugslag soms zelfs in Parijs gevoeld wordt. Er heerscht ellende, wanneer de schoolen van sardines schaarsch zijn, of de vangst te wenschen overlaat, wanneer de prijzen laag zijn, die aan de fabrieken worden betaald. De menschen kennen hier de werkeloosheid en 't gebrek en den honger.

's Zomers gaat het; maar er zijn niet velen van hen die een lapje grond bezitten en een koe, om naar de wei te brengen. 's Winters doen ze bovenmenschelijke pogingen en wagen hun leven dikwijls te vergeefs. Als onder regenluchten de zee vijandig is en doodsch, droomen zij misschien van een blauwe zee, die glimlacht in den zonneschijn en die hen mogelijk liefderijker voeden zou. Het schijnt, dat de schuiten niet zóó ingericht zijn, dat ze ten allen tijde en voor alle vangsten kunnen dienen. De menschen zouden daar, als de geest van initiatief over hen kwam en zij met sleur en gewoonte braken, misschien beter eraan toe zijn.

Er wordt hier veel aan kustvangst gedaan; geen verre tochten worden ondernomen om walvisschen en kabeljauwen als in Paimpol en elders. Vloten van kleine visschersschuiten steken in zee, elk met drie man bemand, één aan de touwen, één aan 't roer en de derde aan de netten. Ieder seizoen brengt andere visch, en men moet dan 't juiste oogenblik weten te kiezen. Sardines en haringen, die zich in enorme massa's vermenigvuldigen, trekken in schoolen van soms 10 à 12 KM. lengte. De sardines, die met gedroogde kabeljauweieren worden gevangen, komen aan de fransche westkust meestal in de maand Mei. Soms gaan ze heel in de verte voorbij en komen dichtbij Spanje en Afrika. De haringen zijn nog veel grilliger; ze zijn nu eens hier, dan daar; in 't begin van 't jaar in de Noordzee, dan op de noordelijke kust van Schotland, later in de duitsche zeeën, en eindelijk in de laatste maanden van het jaar in het Kanaal.

Men kan de haringschoolen aan verschillende teekenen onderkennen, vluchten zeevogels volgen ze onafgebroken; er stijgt een eigenaardige geur uit op; zij jagen golven op, als 't water volkomen stil en effen is, en eindelijk nog kan men des nachts de aanwezigheid der visschen aan de lichtende strepen als van vuur herkennen, want de dieren zijn sterk phosforesceerend. Evenals voor sardines en de meeste andere visch van kleine of middelmatige grootte, wordt het net bij de vangst gebruikt. Men gaat er bij voorkeur des nachts op uit, en de lantaarns aan lange stokken gebonden achter aan de schuiten, dienen mee als lokmiddel. De netten van groote afmeting, verzwaard met steenen of met stukjes lood, hebben mazen van ongeveer twee centimeters, waarin de visch met de kieuwen verward raakt, zonder zich te kunnen bevrijden. Het net wordt uit het water getrokken met behulp van kaapstanders, en de visschen worden in vaten gelegd in lagen, die door zout worden vaneen gescheiden.

Makreelen en veel andere vischsoorten, die men ten alle tijde in de hallen en op de markten vinden kan, als rog en schelvisch, spiering, tarbot, paling, tong e. a. worden het geheele jaar door aan de kust gevangen, maar die vangst is het voordeeligst in Mei, Juni en Juli. De zalm wordt aan de kust gevangen in den winter en bij de monding van rivieren in den warmen tijd, want die visch, die zuiver water van een zekere temperatuur behoeft, verandert in den tijd der dag- en nachteveningen van verblijfplaats; hij overwintert in de zee en komt in 't voorjaar 't zoete water zoeken. Hij wordt met eenvoudige netten gevangen, en in rivieren ook wel met lijnen of in fuiken.

Bretagne is al van ouds beroemd als een visschersland. In de 15de eeuw brachten dezelfde visschen, die nu nog gewild zijn, ook reeds vooral niet minder op. De haring, de sardine, de makreel, de schelvisch, de steur waren overvloedig, en de groote heeren, vertegenwoordigers vaak van den hertog, namen aan de vischvangst deel. De opbrengst behoorde van rechtswege aan den heer. De visschers kregen er een matig deel van. Versche visch was zeer gezocht. Zoodra de vloot in een stad aan de kust aan wal was, kwamen de burgers en de opkoopers, maar het grootste deel van de vangst moest bij gebrek aan vervoermiddelen worden gezouten en gedroogd, 't geen den landheer ten goede kwam.

Vooral in Januari en Februari deden de groote fransche heeren uit Nantes en uit Saint-Malo hun inkoopen met het oog op den vastentijd en 't carnaval. Dank zij het gemakkelijker vervoer is tegenwoordig versche visch het meest gewild, maar men moet toch ook conserveeren met het oog op slechte vischseizoenen, op perioden van storm, als de booten in de havens moeten blijven en op tijden van hooge zeeën, als men te vergeefs de wateren afzoekt.

Ondanks de onzekerheid gaat het bedrijf van vader op zoon over. De kinderen zouden wel voor andere ambachten kunnen worden opgeleid; maar de dadelijke behoefte aan hulp en de hereditaire neiging zijn het sterkst en winnen het altijd. Zij nemen, als zoovelen, de schaduw met het licht, en al is in de slechte tijden de kast wel eens leêg, geen nood, dan worden de rantsoenen verkleind, en de visscher, die uit zijn aard zorgeloos is, gaat voort, in goede tijden het verdiende op te maken zonder voor den slechten tijd te sparen. Hij zegt: "Een stuiver, aan den wal verdiend, is beter dan tien stuivers, op zee gewonnen; want die van den wal kan men bewaren, maar de tien van de zee ziet men altijd verdrinken." De onzekerheid van het bestaan werkt wel tot die opvatting mee. Waartoe te sparen? Maar er zijn wel uitzonderingen. Sommigen stellen er een eer in, hun eigen schuit te hebben en niet meer in natura huur te moeten afstaan van iedere vangst. Zij vermijden dan de herbergen en sparen; er heerscht in hun woningen orde en netheid en ten slotte wordt de nieuwe schuit, hun eigene, in zee gelaten; de droom is verwezenlijkt.

Wat nooit uitblijft, zijn de stormen. Jaar op jaar en telkens weer gaan er schepen te niet. Als de storm voorbij is, geeft de tot rust gebrachte zee de lijken van diegenen, die zij heeft gedood, terug. In het dorp zijn er plaatsen ledig in de huizen van de visschers, en in de haven ontbreken schuiten op 't appèl. Dagelijks gingen de vrouwen naar het strand, maar vloed en eb, die staag elkaâr vervingen, ze brachten geen bericht van leven of van dood den vrouwen en den kinderen, die morgen weduwen en weezen zullen zijn. Dan op een dag vindt men een lijk onder tegen de rotsen en de overblijfselen van een schuit. De visschers dragen hun makker naar het kerkhof; de witte muts wordt bedekt met een rouwsluier en de anderen helpen de ellende dragen. Maar niemand uit een vloek of toornt op het lot en de geestelijke, die den doode met wijwater heeft besprenkeld en op het graf een latijnschen psalm heeft uitgesproken, zal kunnen denken, dat hier onderworpenheid is aan een hoogeren wil en heilige aanbidding van een geheimzinnige hand, die slaat. Misschien, maar het is ook aan een zeer reëele macht, dat de arme visschers onzer kusten zich onderwerpen. De god, dien zij vreezen en aanbidden, die hen voedt en hun den dood brengt naar believen zijner wreede grillen, is de onmetelijke Oceaan, de zee, waarmee zij zoo vertrouwelijk zijn en die zoo onbegrijpelijk is, die nu eens zingend lief hen wiegt en dan zijn schuim hun in 't gezicht slaat of hen tegen rotsen te pletter slaat. Voor dien god richten zij kruisheuvels op aan den rand van steile kapen, voor hem hangen zij ex-voto's in de kerken, nemen ze aan processies deel rondom het dorp, de schrik, vermengd met liefde, dien zij voor hem voelen maakt, dat zij godsdienstige zinnetjes in de cognossementen van de kapiteins inlasschen, dat ze visschersschuiten onder de bescherming stellen van den naam eens martelaars.

De nabijheid van het groote slagveld, de zee, moest dezelfde gevoelens van dankbaarheid en vrees doen ontstaan, als de oude, zwervende volksstammen op de hooge plateaux van Azië gevoelden voor den strijd tusschen den nacht en het licht, vandaar de godsdienstigheid der visschersvolken.

Zoo waar is deze opvatting, dat als de visscher tusschen zijn kerk en de zee geplaatst wordt, hij niet zal aarzelen. Des Zondags juist als andere dagen gaat hij uit ter vangst, let op de lucht en 't water en geeft niet om de waarschuwende, klagende tonen van de kerkklok, noch om de vermaningen van den pastoor, die machteloos is, de vluchtende booten terug te houden, wanneer ze met gezwollen zeilen als gulzige meeuwen wegvliegen. Dat komt, omdat men hier, als elders, den strijd om het bestaan aanvaardt als iets noodzakelijks. Wat geeft het, of wij praten over de onverbiddelijkheid van 't lot, het toeval der geboorte en de onverwachte rampen? De zee is daar en biedt haar levenden buit aan handen, die hem zullen kunnen grijpen en werpt als lokmiddelen de heerlijke schaaldieren op het strand en krabben en garnalen, en zeewier, waar matrassen mee kunnen gevuld, en andere wieren, waarmee men de velden kan bemesten.

En verderop heeft zij nog banken en schoolen van visch met zilveren schubben; doch slechts na een nacht van vischvangst staat de zee die af en laat een mensch zooveel verdienen, dat hij eten heeft en zich kan kleeden. Dus gaat men er op uit in de stevige schuit, die door de zeilen vlug wordt meegevoerd. Bij de terugkomst trekken de vrouwen en kinderen mee de schuit op het strand, lossen den inhoud, halen het anker op. 't Gaat altijd op dezelfde wijze. En nooit denken de mannen uit Camaret en Douarnenez, Audierne en Concarneau er over, hun lot te veranderen; zij droomen niet van een zekerder en veiliger bestaan, dat niet zóó vol is van gevaren.

Zij gaan naar zee en keeren telkens er weer heen terug. De zee is een groote verleidster, die hem voor altijd en geheel bezit, en hen niet loslaat. Ze weten, dat het bed dezer forsche echtgenoote ook hun graf zal worden. Ze zijn door den regen gedrenkt en door de windstooten half gestikt; ze hebben in de golvenafgronden gekeken en ze hebben het gevoel gehad als bij een strijd van man tegen man met de watermassa's, die op hem afkwamen, en die soms even terugweken, als om een aanloop te nemen, om dan met verdubbelde woede weer te komen, en als een troep wilde dieren zich op de ranke schuit te werpen, haar schuddend en duwend en bijtend, terwijl de wilde winden zeilen en touwen scheuren en mensch en schip gedreven worden in de richting van den moordkuil bij de rotsen, onder het water wreed verborgen.

Welnu, wat is dat nog! Dat alles vergeet men weer. Wanneer de zee zingt met al haar golven, als ze trilt onder den zonnekus, dan luistert men toch telkens weer naar de zoete lokstem, en de boot gaat vlug te water; de visscher zoekt het ruime sop. En daarom ook gaan na een ramp de weduwe en de oudste zoon opnieuw aan 't zeilen naaien, teren weer de booten, boeten trouw de netten en verbinden alle wonden van de schuit. De knaap, die heer en meester op de schuit geworden is, zal weer het leven en den dood gaan zoeken op de plek, waar de meesten van de hunnen zijn gevallen. Hij zal niet trachten zich te onttrekken aan de algemeene wet. Zijn intreê in het leven is in een register geboekt; zijn dood zal mogelijk geheel obscuur zijn en geen sporen zullen ervan blijven in de boeken van den burgerlijken stand.

't Is niet slechts een enkele maal, dat ik aan 't strand der zee een oude vrouw stijf voor zich uit heb zien staren, met gerimpeld gelaat en droge oogen, een vrouw met een witte muts, al wachtend maar op het verschijnen van een zeil aan den horizon. Dit is geen valsche gevoeligheid. 't Is alles het gewone in de drama's van de zee.

De vrouw van den visscher, wachtend op haar man, is geen romantische figuur, gemakkelijk onderwerp voor een schilderstuk. Men kan haar zien in werkelijkheid, als booten ginder met de winden vechten. Soms heeft ze een kind op den arm en een tweede aan de hand, juist als men ziet op platen. Het weêr moet wel zeer slecht zijn en haar angst zeer groot, als zij zich waagt naar buiten uit haar huis, om 't einde van den storm te kennen en omtrent 't lot der booten ingelicht te worden. Gewoonlijk blijft ze thuis, bezig steeds en toch geduldig. Zij zorgt voor de kinderen en het land, breit, kookt den avondmaaltijd voor den man, die op zee is. Natuurlijk, het leven, dat men op zich heeft genomen, eischt het; het heeft aan ieder zijn taak aangewezen en men verricht die, zonder er verder over te praten.

De visscher gaat en sleept zijn netten mee, hijscht de zeilen en verdwijnt achter de golven in den morgenzon of op den donkeren avond. De vrouw blijft te huis, tusschen het vertrek en de terugkomst steeds met hetzelfde werk vervuld. Zij heeft geleerd, de kansen op een goeden afloop te berekenen. Zij weet aan de geuren in de lucht en de richting van den wind, aan de kleur van den hemel, hoe het met de booten, die bij vloed vertrokken, is gegaan. Zij weet zonder kaart en kompas, dat alles geregeld gaat, of dat er gevaren dreigen. Dan gaat ze uit in het geluid van den beginnenden storm, als de atmosfeer loodkleurig is en zwaar hangt op het strand. Zoo doen dan alle vrouwen uit het dorp, want ze hebben allen dezelfde waarschuwingen ontvangen tegelijkertijd door wat er om haar heen was. De slechte voorteekenen hebben allen getroffen en allen laten ze zich ook geruststellen door teekenen, die op een goeden afloop wijzen.

Onder de stedelingen, die elk jaar een zeebadplaats bezoeken, en er eenige weken of maanden blijven, zijn er velen, die niets bespeuren van het leven der visschers en hun gezinnen. Zij kennen slechts het strand en de baden, de wedrennen en roeiwedstrijden, 't casino en de lieve zee, het lied der golven en de overvloed van licht en lucht. Men moet hun vertellen, dat na de zoete zomers en de laatste mooie dagen van den herfst, het alles hier verandert, dat de zee gaat toornen, en dat de visschers een harden strijd te voeren hebben met den wind en 't water, die de zwakke scheepjes dikwijls meester blijven. Als de wandelaars en toeristen dan het volgend jaar terugkeeren met de mooie dagen, zijn er weduwen en weezen dichtbij de plek, waar op het elegante strand de dames wandelen in haar lichte zomerkleeding. Zij, die alleen de glimlachjes der zee kennen, doen goed, als zij dan medelijden toonen en helpen om, zooveel zij kunnen, te herstellen wat de woedende buien van den storm en de fel booze zee bedorven hebben.

Aan zulke dingen denk ik, terwijl ik rondzie langs de straat, die naar een schaduwrijken weg geleidt, en langs een andere, voerend naar de kerk. Er is veel drukte en beweging; men maakt zich gereed voor een langen tocht om sardines en makreelen op de kust van Schotland te verschalken. De gansche bevolking van mannen en vrouwen is in de weer, vervoert manden en sleept netten. En juist op den dag, toen ik dien uittocht zag, was de vangst voordeelig, maar niet te voordeelig, 't geen ook kan, en het geval was in 1888, toen men de sardines als mest moest verkoopen tegen een stuiver de duizend!

De drukte beperkt zich niet tot Douarnenez, gaat aan den eenen kant tot aan Tréboul, aan den anderen tot Ploaré, een groep huizen om een mooien klokketoren, in zekeren zin een voorstadje van Douarnenez. Het slaat vier uur. De school gaat uit, en bijna onmiddellijk vullen de straten zich met kinderen, een woelige, bewegelijke, babbelende en gesticuleerende menigte. Ik heb, geloof ik, nog nooit zooveel blauwe oogen bij elkaâr gezien. Kleine jongetjes gelijken al op groote visschers, en kleine meisjes zijn heel duidelijk zusjes van die ouderen, van wie Sully-Prudhomme gezegd heeft:

Te Douarnenez, het aardige stadje Wint meisjesharten slechts, dat vat je, Wie met haar spreekt de taal des lands.

De taal des lands is hier bijzonder levendig. In het heele gebied, dat Quimper tot middelpunt heeft, verschilt de taal veel van die, welke men spreekt te Morlaix en te Saint-Pol-de-Léon, en vooral de manier van spreken geeft aan iemand, die haar plotseling te hooren krijgt den indruk, of men met een ander ras te doen heeft. Het slepende en zachte, de uitgerekte toon, als voor een elegie geschikt, heeft hier plaats gemaakt voor iets korts en afgebrokens. De stem vat moedig de zinnen aan en zegt ze kort en bondig. Dat is zoo sterk, dat een eenigszins lang verhaal, op die manier gezegd, haastig, maar met scherpe afscheidingen, 't effect maakt van te worden gelezen of in een snelle redevoering te worden uitgesproken.

Als men daarbij bedenkt, dat de lach der vrouwen, zooals ik dien heb gehoord in het huis van de Vier Winden, veel voorkomt, en rijk is aan trillers en uithalen, terwijl de kleeding kleurig is, krijgt men een voorstelling van een opgewekt volkje, door groote levendigheid gekarakterizeerd.

Men zal dus niet verbaasd zijn, te vernemen, dat in den tijd van de verkiezingen, dien ik te Douarnenez heb bijgewoond, de hartstochten ontketend worden naar aanleiding van de nietigste incidenten van den strijd. Ja, zelfs Parijs, met zijn vele openbare vergaderingen, die op straat worden voortgezet bij lange nachtelijke wandelingen, met het vuur van de arbeiderstemperamenten, Parijs is werkelijk niet actiever dan dit eenvoudige visschersdorp. De geesten tintelen van belangstelling bij het denkbeeld van strijd van twee partijen, die elkaar te lijf zullen gaan, waarbij er een overwinnaar en een overwonnene zullen wezen.

Allen worden dadelijk door een zeker vechtinstinct vermeesterd, en de vreedzame strijd met het stembiljet wordt gekruid met heftige interpellaties, haastig uitgestooten vloeken, vuistslagen, die krachtig aankomen. Op den vooravond van den stemdag vooral is de belangstelling groot; de visschers gaan niet naar zee, en tusschen hen en de boeren komt het wel eens tot vechtpartijen, want de boer is meer koningsgezind, de visscher heeft meer in zich van een republikein.

Daar ben ik te Châteaulin terug, en nu op weg naar Méné-Hom en 't schiereiland Crozon. Het rijtuig moet stijgen, en weldra voelen wij de scherpe lucht der hooge plateaux, maar gedrenkt met regen. Bij een korte periode van helderheid onderscheid ik vaag in de verte de groote bocht van de baai van Douarnenez en de sombere, vooruitspringende kapen. Een oogenblik doet zich dicht in mijn buurt een strand van blonde duinen voor, omzoomd met smallen zilveren rand. Dan sluit de nevel alle uitzicht af. Het gaat nog harder regenen en met druipnat gezicht en natte kleêren, gezweept door den regen, kom ik te Sainte-Marie-du-Méné-Hom. Ik wacht daar in het eerste 't beste huis niet het eind van den regen af, maar slechts een kleine vermindering, om dan in 't snel doorwandelde dorp het mooie kapelletje op te zoeken, verder het portaal van het kerkhof en den kruisheuvel, want ik ben hier al vroeger geweest op een snikheeten dag, tegen het einde van den zomer. Ik herinner mij een hoeve, waar men op de plaats aan het dorschen was en den arbeid met gelach en gezang afwisselde. Er was daar een vroolijk en arbeidzaam volkje, en het tooneel is mij in de herinnering gebleven met die mannen en vrouwen, op de maat bewegend in de met zon doortrokken atmosfeer en 't blonde stof van het koren.

Vandaag ziet alles er bij den regen somber en treurig uit. Een kikker springt in een plas; een kat sluipt langs een muur uit het gezicht. Ik kan er dezen keer niet over denken, de helling te bestijgen van den voornaamsten heuvel, den Méné-Hom, een groep van verschillende hoogten met lange lijnen en zacht oploopende hellingen. De grootste hoogte bedraagt slechts 330 M.; maar ik herinner mij, dat het tooneel, van daar boven af gezien, zeer treffend was, toen ik op dien zonnigen dag de korte bestijging ondernam door 't bloeiende, droge heidekruid en de steenen, terwijl op de warme, gespleten aarde insecten gonsden en hagedissen genoten van het zonnetje.

Vóór mij lag het schiereiland Crozon, dat de baai van Douarnenez scheidt van de reede van Brest, twee even prachtige uitgestrektheden water, verschillend van vorm, de baai van Douarnenez ruim, rond en wijd open tusschen kaap du Raz en de Geitenkaap, de rede van Brest onregelmatig, bijna met een ingang als de hals eener flesch, waarin de rotsen van Plougastel vooruitspringen. Ik heb dat alles in een schitterend licht bij blauwe lucht gezien, gelijkend op een oostersch landschap. Dezen keer zou ik niets te zien krijgen door den nevel, en ik ben op 200 M. even ver als op 330, wat betreft 't zien vallen van den regen.

Dus zet ik in het regenweêr mijn reis voort, van alle dingen afgesloten door de fijne, grijze buien. Maar men moet niet naar Bretagne gaan, als men niet van regen houdt. Hij heeft toch ook een zekere eentonige bekoring, geeft rust van zonneglans en scherp geteekende kleuren en te duidelijk omlijnde vormen. Hij hult het alles in een waas, dat haast onzichtbaar is, zoodat men zich afvraagt, of er regen valt of dat de mist voortschuift over alles. Hij schept een geheimzinnige ruimte, waarin de vormen langzaam zichtbaar worden en waarin men raden moet naar de figuren van de heuvels en de boomen, de huizen en de weinige voorbijgangers.