In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904

Part 4

Chapter 44,067 wordsPublic domain

De man blijft met zijn zware schreden zijn gewonen dagelijkschen gang gaan, hij ziet als alle dagen zijn horizon beperkt door zijn eigen huis, zijn boomen en zijn kerk; hij ziet de diligence voorbijgaan of hoort de spoortreinen fluiten; maar hij denkt niet verder na over de bestemming van den mensch. Hij stapt naar huis toe, waar zijn soep hem wacht, en dan zal hij gaan slapen dadelijk en rustig. Den volgenden morgen, door de zon al vroeg gewekt, voelt hij zich voor het werk gesterkt, en hij zal weer aan zijn taak gaan, waar hij die had afgebroken. Rustig de eene inspanning op de andere latend volgen, kalm met alle zekerheid en beslistheid, die uit sleur en regelmaat voortvloeien, maakt hij zijn leven van minuut tot minuut, van dag tot dag, van jaar tot jaar, langzaam en onveranderlijk als de natuur.

Het resultaat zijns arbeids, hij neemt het mee naar de markt te Châteauneuf-du-Faou. 't Is 't varken, dat trillend van vet op zijn kar ligt; het kalf met vier bijeengebonden pooten; de koe, aan een touw getrokken; 't paard, dat bij den teugel wordt geleid; de kippen en de eenden in de mand. Dat zijn de kunstwerken der boeren en zijn bijdragen tot het sociale leven. Hij neemt daardoor deel aan de ruiling van goederen, houdt voeling met de andere menschen, voedt en onderhoudt de steden. Op dit marktplein, waar ik tusschen de bezige en gehaaste groepen door loop, zie ik duidelijk vóór mij de beteekenis van den boerenstand.

Het tooneel is bijzonder schilderachtig; het is van één land en een enkel ras; maar tevens bezit het een onveranderlijk karakter; 't doet denken aan de kampen van nomaden, roept de geuren van de voedende aarde ons te binnen, de groene weiden en de zwervende kudden en den warmen stal. Hoe zal ik een tijdsbepaling kunnen geven aan het tooneel, dat ik voor oogen heb? Ik bemerk wel, dat ik in Bretagne ben; ik zie de gezichten, en ik hoor de stemmen. Maar welk Bretagne? Dat van tegenwoordig, dat van honderd jaar geleden, of dat van vijfhonderd jaren her? Het zou zeer moeilijk zijn, verschilpunten aan te geven. De mannen en de vrouwen zijn al niet meer veranderd dan de dieren. Dit zijn dezelfde gezichten als die men ziet op de geschilderde ramen van de kerken en in 't beeldhouwwerk op lijdensheuvels. De Middeleeuwen en de tijd der Fransche revolutie zijn hier vereenigd.

De gothische heiligen in hun strenge gewaden staan dichtbij de soldaten van La Rochejaquelin en van Charette in witte buizen van bokke- en schapevel en hoeden met breede randen. De meeste menschen hier zijn kalm en rustig, maken niet meer bewegingen dan noodig is en blijven stilletjes bij hun vee staan. Komt er een kooper, dan wordt de koop met weinig woorden gesloten. De kooper betast het dier, ziet het in den bek, doet eenige korte vragen. De verkooper antwoordt en wacht af. Enkelen echter zijn demonstratief, worden opgewonden, houden redeneeringen en trachten te overtuigen. De opgewondenheid houdt aan; bretonsche opgewektheid doet zich eindelijk gelden, loskomend na het ontbijt met koffie, appelwijn en glazen brandewijn, die telkens een koop bezegelen. De herbergen en hôtelletjes doen geuren van gebraad en sterken drank opstijgen. Maar over alle détails ligt de bekoring van den arbeid, en in het mooie licht van den namiddag ligt het dal der Aulne in de zomerzon. De aarde met haar oogsten en groene velden is de achtergrond voor dit menschendrama van verwachting en bezorgdheid, van belangen en van aandoeningen.

In de omliggende straten is ook nog markt. Hier ligt aardewerk uitgestald op den grond, en kleedingstukken worden er geëtaleerd met katoentjes en wollen stoffen. Een vrouw, die liedjes verkoopt, heeft een kring van menschen om zich heen; zij declameert op treurspeltoon het laatste dichterlijke voortbrengsel van een locale beroemdheid. 't Gaat in veertig coupletten over de ramp van Martinique. Hier hebt ge de reizende krant van straat en kerkplein. Men moet wel denken, dat zulk gezongen nieuws nog reden van bestaan heeft in Bretagne, want er staat een menigte om de zangeres, een leelijke oude vrouw, heen, en later koopt er ieder een liedje. De muziek trekt in de eerste plaats, en dit lijkt op den kring, dien de liedjeskoopman in Parijs om zich verzamelt, als hij 's avonds nieuwe romances leert aan de vrouwen uit de voorsteden, die in een kring om hem heen staan. Maar hier is het ook om 't feit van den dag.

Men denke eraan, dat er vandaag te Châteauneuf-du-Faou menschen zijn gekomen, die nooit een krant lezen, die in hun hutten leven in de meest afgelegen uithoekjes der streek, midden in het veld, ver van alle stadsgeruchten, zelfs ver van 't kleinste, stilste, diepst ingeslapen, doove en stomme stadje. Zulke geïsoleerden vangen zoo nu en dan onderweg eens een woordje op over wat er elders gebeurt. Ik geloof wel, dat zij hebben hooren spreken over de ramp van Martinique, en ik heb al gezegd, dat de uitbarsting van de Montagne Pelée een punt van groote belangstelling was in Bretagne. Maar juist over zoo iets willen ze dan graag bijzonderheden hooren, en het verbaast mij niets, dat ze daar staan in dichte gelederen, met ernstige gezichten en starende oogen, geen woord verliezend van 't verhaal der schrikwekkende gebeurtenis.

De kerk en de kapel van Châteauneuf zijn enkel de moeite waard door het mooie landschap, waarvan zij deel uitmaken. Ik trok erdoor en kwam tegen den avond te Pleyben. Hier ben ik op bekend terrein. Dikwijls ben ik te Pleyben geweest, want het ligt op een plateau, waar veel wegen samenkomen, zooals die naar Morlaix en naar Quimper, naar Châteaulin en naar Carhaix. Ik ga in de richting van Châteaulin, maar eerst wil ik hier nog weer het groote marktplein zien met de onregelmatige rijen huizen eromheen. De markt is een der grootste uit Midden-Bretagne, en ik zou hier wel eens een kermis of een groot feest willen bijwonen. Nu tref ik het niet, want ik zou geen grooter tegenstelling kunnen vinden met de drukte in Châteauneuf-du-Faou als nu ik hier in de eenzaamheid uit het rijtuig stap.

Toch is er nog wel eenig leven. Een paar kinderen houden elkander bij de hand en enkele silhouetten bewegen zich langs de huizen of staan in de deuren. Ik zie, hoe hier en daar gordijnen worden opgetrokken, en door de winkelramen kijken de nieuwsgierigen den vreemdeling na. Die belangstelling is verklaarbaar, en zulke kluizenaars hebben het recht een reiziger goed op te nemen. Ze zouden nog wel meer kijken, als ze vermoedden, dat die vreemdeling komt om hen te bekijken, indrukken op te doen over de décors van hun leven, en gewaar te worden wat hij kan over hun bestaan en hun gedachten.

Wat ik steeds duidelijker inzie, is, dat het leven van zulke dorpsmenschen en dat, wat in gehuchten en in kleine stadjes wordt geleefd, lang niet zoo doodsch is als men op 't eerste gezicht geneigd is te gelooven. Vooreerst zijn er dezelfde groote gebeurtenissen als in de groote steden, gebeurtenissen, die verband houden met het overal gelijke fond in 't lot der menschen en in hun gevoelens. Overal heeft men de hoop der jeugd, de liefde, het gezin, de geboorte en de opvoeding der kinderen. Alom kent men de ziekte, den ouderdom en den dood. En 't overige, waarlijk, dat overige is bijzaak. Een boer heeft het even druk als een fabrieksarbeider of een ambtenaar, en als hij er over ging nadenken, zou hij zijn velden ver verkiezen boven de stad en de opsluiting in een fabriek of op een kantoor.

Wat den handelsstand betreft in kleine stadjes en in dorpen, die behoeven niet zoo groote werkzaamheid aan den dag te leggen als de leiders van de grootindustrie en den groothandel en de directeuren van internationale handelshuizen. Maar toch, die groote chefs, ze zijn te tellen. Ook in Parijs zijn een massa kleine provinciale winkeltjes. De beteekenis hangt maar af van de belangstelling. De winkeliers van Pleyben kunnen ook hun slimheid en vernuft aan den dag leggen, als zij katoentjes verkoopen en wollen stoffen, ijzerwerk en koloniale waren. De dagen zijn hun volstrekt niet te lang. En bedenk dan, dat van elke zeven dagen van de week er één een Zondag is, een dag van genoegen en rust en een goed soort van verveling; dat er verder de marktdagen zijn, terwijl men op de vijf overige dagen, als men wil, de markt in de omliggende dorpen kan bezoeken. Zulke overdenkingen houd ik op de groote markt van Pleyben en in de paar winkels, waar ik binnenga, om een praatje te houden met winkeliers en winkeliersters, die mij zeer verstandig en opgewekt en snaaksch voorkomen. Ze vertellen mij onder meer van kleine zwarte mutsjes van zeer antiek model, die nog gedragen worden en die ik dan ook op de kopjes van verscheiden kleine meisjes zie. Er worden veel van die mutsjes te Pleyben gemaakt, van de eenvoudigste af tot de meer sierlijke van fluweel en zijde.

En Pleyben heeft nog een aantrekkelijkheid, een dubbele zelfs, de kerk en den kruisheuvel. De kerk, een gothisch gebouw, heeft drie torens en mooie geschilderde ramen van 1564. De kruisheuvel dagteekent van 1650, en is de laatste der in Bretagne gemaakte kruisheuvels. De personen zijn gekleed in costumes uit de 16de eeuw, maar toch staat het jaartal 1650 met den naam van den bouwmeester, Yves Ozane uit Brest, op de Avondmaalstafel.

Voor mij was het van veel belang, dat het fraaie kunstwerk in de schoonste harmonie was met de omgeving en met het uur van den dag. Op het groote plein nam in de schemering alles een grijze tint aan en de regen dreigde. Er stond nu niemand meer in een winkeldeur, en de oude kruisheuvel werd als iets levends, nu hij daar zoo eenzaam lag, een soort van klein theater, waar de lijdensgeschiedenis van Jezus werd gespeeld. Ik meen de steenen beeldjes te zien bewegen, en hun armen en beenen gaan op en neer, als waren het marionetten. Maar 't is alleen de vochtige lucht en de nevel, die zulk een fantastisch aanzien aan alles geven, dat men beweging meent te zien. Ik laat hen bij hun voorstelling; ze zullen geheel alleen zijn 's avonds en 's nachts, en ze zullen voortgaan met hun drama zonder publiek en zonder sterrenlicht ook, alleen waarschijnlijk onder de begeleiding van een flinke stortbui.

Het is zoo goed als nacht, toen ik te Châteaulin kom; maar ik heb de mooie bocht van de rivier meenen te onderscheiden, met de witte huizen van Port-Launay zich spiegelend in het water, en ook zie ik de blauwe kleuren van de vroegere leisteengroeven, die op de stad neerzien. Van avond komt er hier geen regen. 't Is een heerlijk zachte avond. De maan schittert aan een hemel zonder wolken. Châteaulin lijkt mij nog stiller dan Pleyben. De ligging van de stad, gebouwd op beide oevers van de Aulne, tusschen twee muren van heuvels, is liefelijk en rustig; alles is in 't plaatsje netjes en afgewerkt, rechtlijnig en goed onderhouden. 't Hôtel is zeer groot en nog al donker, maar ik heb een goede herinnering bewaard aan de tafel en vooral aan het onvergelijkelijk dessert van aardbeien van Port-Launay, het dorpje, dat wij bij een bocht van de rivier zagen liggen. "Ze zijn nog beter dan die van Plougastel", zei een gast tot mij, toen ik hem van mijn voorliefde sprak voor die vruchten, die zoo prachtig waren, wit en rood en frisch en geurig en stevig en zeker pas waren geplukt. Daar de aardbeien uit Plougastel, die ik kende als uitstekend, niet present waren, beijverde ik mij net als mijn buurman, om aan de aardbeien van Port-Launay de voorkeur te schenken.

In weinig woorden is de historie van het stadje verteld. De eerste inwoner van Châteaulin was, naar men zegt, de heilige Idunet, die een hermitage op den heuvel bezat. De kluizenaarshut werd vervangen door een klooster aan de overzijde der rivier, en bij het klooster voegde zich later, in de tiende eeuw, de vesting. In de 12de eeuw was de stad het tooneel van twisten tusschen den vicomte du Faou en den graaf van Léon, maar daarna bleef het rustig tot den strijd der Ligue en het doortrekken van plunderende benden. Dat is alles.

Het voorkomen van het stadje is stil en vreedzaam; 't is, of het geen andere bezigheid heeft dan zich te spiegelen in het water. Behalve de beweging van enkele booten en schepen is er bijna niets te doen. De leisteengroeven, die vroeger beroemd waren, hebben, zoo wordt mij gezegd, veel van hun beteekenis verloren. Twintig jaren geleden herinner ik mij, dat er in zake die groeven veel te doen was in de plaats; maar nu bespeur ik daar niets van. Ze schijnen thans geen ander doel te hebben dan de stad te overschaduwen met hun zwarte en blauwachtige donkere kleuren. Maar men moet niet afgaan op den schijn. Dit kalme stadje is niet dood, want het is uiterst helder en zindelijk en wekt gedachten aan orde en welvarendheid. Het is het eerste stadje geweest, dat electrisch licht had in Bretagne, 't geen op een geest van initiatief wijst onder het stille uiterlijk. Maar 't voorkomen van een plaats wisselt sterk en hangt af van den dag, waarop de reiziger er komt. Ik ben er zeker van, dat het er druk en aardig kan zijn op sommige feestdagen en bij vergaderingen of op marktdagen. Als 't stadje al haar levendigheid bestemt voor de uren, waarop het die kan gebruiken, doet het goed; laat het dan verder maar uitrusten.

Thans is het een rustdag en ik loop ongeveer in mijn eentje langs de 350 meter kade aan de Aulne. Op de schepen zelfs zie ik niemand. Ik word ten slotte beu van al die stadseenzaamheid en zoek de eenzaamheid van het vrije veld. Ik behoef dan maar voort te loopen langs den rechteroever der rivier, die drie kilometer verder op Port-Launay aanloopt. Dit is een prettige wandeling en men moet altijd Châteaulin aanvullen met dit andere plaatsje, dat 838 meter kade heeft en waar de waren van Châteaulin verscheept worden. Zoo wordt de rust van de stad verklaard; de rivier werkt voor haar, en ze doet dat te Port-Launay. Daar kunnen schepen van 150 ton aanleggen, beter dan te Châteaulin. Er wordt vooral met Brest handel gedreven. Men kan die stad per stoomboot bereiken. Daarheen gaan de leien en 't gevogelte, de groenten en de aardbeien. "Maar verlaat Port-Launay vooral niet, mijnheer, zonder den viaduct van den spoorweg te hebben gezien."

Ik heb al de haven bekeken en de kerk en de fontein, en alles heeft mij aangenaam aangedaan. Ik kan begrijpen, dat menschen uit Brest en van elders hier buitenpartijen geven, want men heeft opgemerkt, dat ook menschen van buiten nog schik hebben aan buitenpartijen ergens anders heen dan bij hen thuis. Het komt er maar op aan, zich te verplaatsen, en dat is inderdaad voor den mensch noodig. Ik heb dus al, wat ik daar noemde, gezien en ik wil den viaduct nog wel gaan bekijken. Daarvoor moet ik den weg langs de rivier nog drie kilometer verder volgen. Dat doe ik, en ik kom bij de beroemde spoorwegbrug, die haar beroemdheid verdient. Zij is, om het precies te zeggen, 375 meter lang, 50 M. hoog en bestaat uit twaalf bogen van 22 M. wijdte. Ik heb geen spijt gehad van de wandeling, want al is de schoonheid van een kunstwerk hier niet aanwezig, er is een andere, geheel nieuwe schoonheid, en men moest wel blind zijn, als men die niet opmerkte, en wel dwaas, als men haar niet hoog stelde. Hier is menschenwerk, vol kracht en gratie en schoone harmonie. Zij, die een viaduct als dezen hebben ontworpen en uitgevoerd in dienst van de betere en snellere gemeenschap der menschen onderling, deden een nuttigheidswerk, dat is zeker, maar toch mogen zij artisten heeten, omdat ze een sierlijken en een passenden vorm voor hun conceptie wisten te vinden. Ze worden wel eens beschuldigd, dat ze 't landschap met hun bruggen ontsieren; maar dat is een gemeenplaats. Men moet liever zeggen, dat zij er een nieuw element van schoonheid aan toevoegen.

Natuurlijk moet men met deze "verfraaiingen" niet al te kwistig zijn; maar daar, waar zij in een behoefte voorzien, ontsieren ze in geen enkel opzicht. Wat een landschap leelijk maakt, zijn vuile, armoedige, sombere woningen, waar menschelijke ellende huist in vuil en slijk en ongezonde lucht. Toch zijn er reizigers genoeg, die zulke huizen kunnen bewonderen. Ze zien daarin iets schilderachtigs, een "ick en weet niet wat", dat het "doet" in een landschap. Zij zouden er voorzeker niet willen wonen, want ze kunnen hun modern huis in 't geheel niet missen met zijn waterleiding, gas, electrisch licht en afvoer van vuil, met al het comfort en de hygiëne. Daar hebben ze gelijk in, maar dan moeten zij het ook niet al te natuurlijk vinden, dat anderen in krotten wonen, waarvan zijzelven een aquarel kunnen maken. Ik geef de voorkeur aan den viaduct, die het verkeer vergemakkelijkt en de welvaart verhoogt. Ik bewonder den kruisheuvel, als hij aan de eischen van de kunst voldoet; maar ik vraag tevens vrijheid, om den viaduct, de locomotief en den goederentrein te bewonderen.

Gedurende mijn verblijf te Châteaulin, van waar men uitstekend in alle richtingen uitstapjes kan doen, besloot ik, naar Douarnenez te gaan en dat deel van Finistère beter op te nemen. Ik weifel tusschen den spoorweg en een rijtuig en kies ten slotte het laatste. Gelukkig, want nu werd ik bijna 200 M. de Zwarte Bergen opgevoerd, van waar ik de geheele streek kon overzien tot aan de zee, vóór ik bij het dorp Cast kwam. Dit zijn de hellingen van den Menez-Gueltas, begroeid met heide en varens, waartusschen eenige beekjes ritselen.

De wind voert mij de zeebries toe uit de baai van Douarnenez, en terwijl ik daal langs de met vruchtboomen bezette heuvels, stuit ik vóór ik Cast bereik op lage moerassen, die een scherpe tegenstelling vormen met de vruchtbare streken. Te Cast gaan wij het kerkportaal bezien met de vele beelden, en achter de kerk vindt men op een muur nog sporen van oud beeldhouwwerk.

Te Locronan zag ik met genoegen het groote marktplein terug met zijn huizen uit de 17de eeuw, de massieve kerk uit de 15de eeuw en haar dikken toren met balustrades, het kleine kapelletje en zijn mooien klokketoren. Die decoraties van Locronan zijn prachtig, stevig van bouw en met mos begroeid. De hoofdpersoon hier is een heilige Renan, wiens graf in de kerk van Locronan wordt aangewezen. Waarschijnlijk is hij een voorvader geweest van Ernest Renan. Hij moet als kluizenaar een groot deel van zijn leven op een berg hebben doorgebracht. De heilige Renan trok elken dag om den berg heen, op welks top hij zijn kluis had, en droeg een bel in de hand, ter waarschuwing als hij voorbijging. Nu en dan speelde hij zijn rol van beschaver, gaf aan de bewoners uit de buurt les in de kunst van linnenweven, en van dien tijd af namen linnen zeilen de plaats in van de dierenvellen, die men aan de masten van de schepen heesch. Dat traject van vier mijlen rondom den berg leggen nu de pelgrims af bij hun jaarlijksch bezoek op den 2den Juli en bij de groote bedevaart, die alle zeven jaren plaats heeft. De weg, dien de processie aflegt, is die, welken de beide ossen volgden, toen zij voor een kar gespannen waren, waarop het lijk van den heiligen Locronan lag en hun eigen weg mochten gaan. Zij trokken om den berg, waarop de raderen van de kar hun indrukselen nalieten. Alle pelgrims, die tot een getal van 40000 komen opdagen, meenen, dat het pad ten hemel leidt.

Terwijl ik te Locronan vertoef, kan ik geschikt aan de kust Plonévez-Porsay bezoeken, om de kapel der H. Anna te zien. De bewaker is een pachter uit de buurt. Hij maakt de deur voor mij open en wijst het granieten beeld der H. Anna, goed beeldhouwwerk uit de zestiende eeuw. Ex-voto's hangen aan de wanden, krukken, wandelstokken en lappen stof. De laatste Zondag van Augustus is de dag, waarop men hierheen gaat ter bedevaart. De dag tevoren is die der bedelaars, die dan niet weer mogen terugkomen.

De verhalen omtrent de heilige van deze kapel hebben de eigenaardigheid, dat ze Jezus Christus tot een echt kind van Bretagne maken. Luister maar. Anna was uitgehuwelijkt aan een boozen heer, die kinderen verfoeide en er geen wilde hebben. Anna werd mishandeld en op een avond door haar echtgenoot weggejaagd, toen deze bemerkte, dat zijn vrouw moeder worden ging. De arme vrouw verliet het kasteel Moëllieu en trok naar de zee, waar ze een licht zag verschijnen. Het was een door een engel bestuurde boot. Zij nam er in plaats en voer lang en ver, tot ze eindelijk in Judaea aan land ging; waar ze de Maagd Maria ter wereld bracht.

Zij kwam op dezelfde wijze in Bretagne terug, werd er met groote vreugde ontvangen, omdat men geloofde, dat zij de macht had, de golven tot rust te brengen en de zieken te genezen. Jaren en jaren na haar terugkeer kreeg zij bezoek van haren kleinzoon Jezus, die kwam om haar zegen af te smeeken, vóór hij het Evangelie prediken ging. Jezus liet op verzoek zijner grootmoeder een bron springen, waarbij de kapel werd gebouwd, die een schuilplaats zou worden voor zieken en ongelukkigen. Toen Anna stierf, zocht men overal te vergeefs naar haar stoffelijk overschot; men vond het eerst vele jaren later in zee, waar er zich een korst van schelpen op had afgezet.

Van Locronan naar Douarnenez gaat een weg direct naar de baai, langs het bosch van Névet, 't kasteel Coz-castel en het gehucht Kerlaz, welks klokketorens boven de geheele omgeving uitsteken. De streek is prachtig en schaduwrijk, en plotseling heeft men dan den bekorenden aanblik van de baai van Douarnenez, die geheel open vóór ons ligt. Over het talud van den weg ziet men uit op de wijde uitgestrektheid der zee, door de kust omsloten; men ziet de rotsen van Morgat in de verte en de kapen Bellac, Talagrip en Trefuntec. Douarnenez ligt vrij beschut links in het verste hoekje van de baai, met het eiland Tristan als golfbreker, terwijl de kust dan verder met een kleine afwijking naar het Zuiden tot kaap Raz doorloopt. Bij mooi weêr en blauwe lucht, als de zee ook blauw is en het zilveren schuim der golven schittert in de zon, zou men niet gelooven, dat men in het ruwe Armoria, 't land van Bretagne is, de streek van regen en nevel, maar aan de kusten van een italiaansche of grieksche zee.

De boomen met hun afgeronde toppen groeien bijna tot den rand der golven, werpen schaduw op het witte zand van het strand, en men gaat, als 't ware, instinctmatig zoeken op een in zee vooruitstekende punt naar de sierlijke en regelmatige vormen van een marmeren tempel, opgericht ter eere van de macht der goden en van menschelijke heldendaden.

Ik heb hier vroeger lange vacanties doorgebracht, dichtbij, daar aan den kant van den weg in het huis der Vier Winden, dat terecht dien naam droeg. De kamer was heerlijk, met het venster dat op de zee uitzag, en mijn werkhokje was niet minder prettig. Het grensde aan de groote kamer en was geheel met hout beschoten, terwijl het door een klein venstertje ook op de zee uitzag. Veel meer dan een hut kon men het niet noemen; voor niets anders was er plaats dan voor een tafel, een stoel en mijzelven. Maar de zee, zij was dichtbij, en ik heb er den Oceaan gezien in allerlei tinten en schakeeringen en met duizenderlei uitdrukking, groen, blauw, lila, grijs, verguld, rood, glimlachend, teeder, liefkoozend, somber, plechtig, boos, woedend, al zijn gratie toonend of al zijn toorn uitend.

Mijn hut schudde soms als een boot in volle zee, maar 't huis van de Vier Winden was stevig gebouwd achter zijn aarden walletje, en de stormen deden er geen kwaad aan. Er was trouwens geen weêr zóó slecht, dat het mijn kostvrouw en haar dochter somber maken kon. Ze waren beide luchthartige zielen, en ik heb nooit ergens zoo hartelijk hooren lachen. Ook van dat lachen schudde het huis. Ik hoorde het telkens en telkens van beneden opklinken naar boven; het drong door alle deuren en deed de ruitjes van het kleine venster rammelen.