In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904

Part 3

Chapter 34,092 wordsPublic domain

Zij heeft veel te doen, de oude Bretonsche pannekoekenbakster. Zij voorziet juist op het rechte oogenblik in de behoeften van hen, die voor niets anders tijd hebben dan om te werken. In groote steden loopt men soms bij den slager in; bretonsche menschen brengen u bij de pannekoekenvrouw, haar baksel is altijd welkom. Het haardijzer, waar het hout op rust, is niet warmer dan de goede vrouw, die daar al veertig jaren lang gebukt staat. Pannekoeken bakken is haar dagelijksch werk; zij verstaat het uitmuntend, haar hand is vast en licht; zij doet noch meer meel, noch meer boter in de pan dan precies noodig is, keert met het platte mes en dient de spijs voor naar den smaak der klanten. Haar rood gezicht is mager en hard als oud hout. Ook de buurvrouwen, die alleen wonen, komen bij haar eten en zoo'n maaltijd van pannekoeken, waarbij melk wordt geschonken, kost drie stuivers. De bakster luistert, onder haar werk door, naar ieders verhalen; maar ze let er niet op, en veel gaat het eene oor in en 't andere uit. Vooral op marktdagen als vandaag, wanneer de menschen met kleine beurzen allen bij haar komen, heeft zij het druk. Wie goede zaken heeft gemaakt, gaat naar de herberg eten en laat soms door de meid een paar van de beroemde pannekoeken van mijn bakster halen. Zij werkt maar door en maakt haar stapel koeken grooter. Blijven er over, geen nood; die worden des avonds opgewarmd of koud gebruikt door wie geen vuur wil aanmaken.

Maar wij moeten Le Faouët vaarwel zeggen en de kapellen van Saint-Fiacre en Sainte-Barbe opzoeken. De eerste is in 't Zuiden op den weg naar Quimperlé. Men kan daar een koor zien van 1440, met een fries, waarop tooneelen voorkomen uit de Reinaertsage en aan den kant waarvan de beelden staan van de Heilige Maagd, Johannes den Dooper, Gabriël, Adam en Eva, terwijl men er tooneelen ziet gebeeldhouwd uit het werkelijke leven, voorstellend de zonden, als diefstal, gulzigheid, woeker, spel en dans.

De Sint-Barbarakapel ligt naar het Noorden en is door een dwarsstraatje, dat naar buiten leidt, vrij spoedig te bereiken. Eerst heeft men rondom zich de eenzaamheid, waarin men slechts 't gezang der vogels en 't gegons van de insecten hoort, en daarna bestijgt men den heuvel met het kleine plateau boven de Ellé. Daar staat een kruis met een laag huisje ernaast, dat ik binnentreed. Een oud boertje met een zacht, naïef gezicht, waarboven een ronde hoed, begroet mij op den drempel. Hij is gekleed in een kort buisje met wijde broek en laat mij binnen in een vertrek, waar een vrouw in een bedstede ligt te kreunen. Zij wendt den bezoeker een vermagerd gelaat toe, waarin koortsoogen schitteren en mompelt een paar woorden, door de hijgende ademhaling afgebroken. "Het is niets," zegt de oude, "ze heeft kou gevat, ze is verkouden," en hij laat mij binnen in een tweede kamer, waar twee weefgetouwen staan. De oude gaat weer aan het werk. Tegenover hem is een jongen bezig. Beiden doen zij de spoelen heen en weer vliegen tusschen de draden door, en ik ga er even bij zitten, om naar hen te kijken. Zij gaan voort met hun eentonig werk, dat begeleid wordt door het gedreun van den weefstoel. Ik onderscheid tusschen de regelmatige geluiden der machine een anderen klank, een ruw gesnork en een gekraak, alsof er iets gemalen wordt. In een donkeren hoek der hut liggen een zwarte en een witte koe en zijn op een hoop stroo aan het herkauwen. Zij blazen en kauwen en vullen de kleine ruimte met hun dierlijke warmte en hun zware ademstooten. Dit is hier stal en werkplaats; 't bescheiden, nederige werk bij de voedsterdieren van den mensch. Meer zou een schilder uit den ouden tijd niet hebben noodig gehad, om er de decoratie in te zien van de voorstelling eener Heilige familie, de Maagd, de oude Jozef en 't kind Jezus. Wever of schrijnwerker, daar zou niet veel verschil in zijn geweest voor den naïeven kunstenaar, en hij zou de kribbe van Bethlehem hier zeer goed hebben kunnen plaatsen.

Als ik aan de wevers mijn wensch te kennen geef, om de Barbarakapel te zien, staat de oude op, neemt een aan den wand hangenden sleutel en noodigt mij uit, hem te volgen. Een varken staat op van het gras en loopt achter ons aan, al zwaaiend met het staartje en de ooren bewegend. Tot aan den klokketoren, op vier steenen palen tegenover de hut rustend, vergezelt het dier ons. Er hangt hier onder het afdak een klok, die door de pelgrims wordt geluid op den dag der heilige Barbara. En als men voorbij den klokketoren is, krijgt men iets bijzonders te zien. Op de steile helling van den heuvel, die naar de Ellé afdaalt, staan een menigte huizen met trappen en balustrades en een steenen brug, welker stoute boog van de eene rots naar de andere gaat en naar een eerste kapel leidt, de Sint-Bernardskapel op een vooruitstekende rotspunt.

Daar beneden gaapt de afgrond, en de oude Jozef toont mij met zachten glimlach ijzeren ringen, die rondom aan de buitenmuren zijn vastgeklonken. Dit is voor een spel, het spel der ringen, dat door de flinke jongens van het land gespeeld wordt, die er een genoegen in vinden op feestdagen langs die ringen rondom het gebouw zich te bewegen, hangend boven de ledige ruimte, of terwijl zij hun handen om de ronde ijzers vastklemmen, met de voeten eenigen steun te zoeken in de gleuven van 't gesteente.

"Er zijn wel eens ongelukken gebeurd," zegt de oude; "eens op een keer was een ring losgeraakt, en de jongen viel in de diepte tusschen de steenen en het groen, die gelukkig zijn val braken, zoodat hij er met lichte wonden afkwam." Ik ga weer over de steenen brug, om het tweede kapelletje te bereiken, dat aan Sint-Barbara gewijd is. Niets interessants daar binnen. Wat eenigszins verrast, is de bouwtrant van het mooie gebouwtje, dat al van 1489 dagteekent, en dat op een platform ligt aan den rand van een kloof, boven de Ellé, die op honderd meters diepte als een woeste bergstroom voorbij vloeit. De ruimte is maar zoo klein, dat men onmogelijk het altaar aan de smalle zijde kon aanbrengen, om het naar christelijken ritus aan den oostkant te plaatsen, maar dat men het heeft moeten zetten aan een der lengtezijden van het kapelletje.

Wie heeft het heiligdommetje daar laten inrichten, alsof het was, om er een weddenschap mee te winnen? 't Moet volgens de legende een ridder zijn geweest, die op de jacht was in de kloof, en die overvallen werd door een onweêr. De storm wierp steenen neer van de hoogte en groote rotsblokken. Hij deed toen een gelofte, een kapel te zullen oprichten voor de heilige Barbara op de plek, waar een enorm stuk rots zou blijven liggen, dat naar hem toe kwam rollen. Het blok hield stil, en op dat punt werd de kapel gebouwd. Ik verlaat dit duizeligmakend punt niet dan nadat ik langen tijd van het natuurlijke terras heb uitgezien over het schoone heuvellandschap met zijn groote lijnen en zijn fraaie tinten. Ik klim den klokketoren op en keer tot de wevers en hun toestellen terug, tot de beide koeien en de zieke vrouw.

Van Le Faouët begeef ik mij naar Gourin door een zeer mooi land, dat in zijn stijgingen en dalingen al duidelijk laat zien, dat we 't gebied der bergen naderen. Maar Gourin zelf verschaft niet de voldoening, die ik mij voorstelde te vinden in zijn ligging op de zuidelijke helling van de Zwarte Bergen, en ik denk al, dat ik er een vrij vervelenden avond zal moeten slijten, en dat nog wel in een tijd van 't jaar, waarin de avonden zoo lang zijn. Daarom onderwerp ik mij maar, bij gebrek aan beter, aan de comedie van de table d'hôte. Dat is een eentonig blijspel, hoe aangenaam men zich ook kan bezighouden met de menschenstaaltjes, die men er onder de oogen krijgt met hun gezichten, waarop pose of nieuwsgierigheid of kijfzucht staat te lezen, alsof de menschen vreesden, niet hun deel te krijgen van het zout en 't brood. Ik weet al zeker, dat ik er grappenmakers zal vinden, die gemakkelijke intrigetjes beginnen met ongelukkige dienstmeisjes; maar de table d'hôte maakt nu eenmaal deel uit van het reizen; 't is een tooneelspel, dat alle dagen wordt opgevoerd.

Laat ons eens den troep bekijken. Dit zijn de acteurs, waarvan ik er één ben. Twee jonge menschen, habitués, of die er voor willen doorgaan, want zij zien 't meisje, dat hen bedient, met onbeschaamdheid aan. Het kind is mooi, te mooi zelfs, en niet wijs genoeg waarschijnlijk, want ze luistert met een halven glimlach en ook een beetje bewogen en ontroerd naar de banale en ruwe woorden dier twee onbeduidende jongens. En die daar binnenkomt, is zeker een man van beteekenis, want hij doet luid de deur open en laat een onderzoekenden blik gaan over de weinige personen, die aan den disch zijn gezeten. Dan komen er twee heeren van datzelfde genre en dezelfde deftigheid, die op de eerste plaatsen gaan zitten. Alle drie praten ze te zamen, alleen met elkander, en zij hebben gelijk, want wat ze vertellen interesseert niemand dan enkel menschen, die ervan houden om aan een table d'hôte voor wat bijzonders door te gaan.

Wat verder een nog vrij jong paartje. De dame is treurig en bleek en schijnt aan hartzeer te lijden. Zij drinkt enkel water en maakt rolletjes van haar brood, waarvan zij niet eet. Zij en hij zijn, wat men welopgevoede menschen noemt, want zij praten niet en gebruiken heel weinig. Bij hen een heer, die weet, dat men alleen spreekt bij het dessert. Maar zal hij dan wat zeggen? Ook nog een oude, brommige heer, die vindt, dat alles slecht is, jaloersch is op het deel van zijn buurman, er over klaagt, dat hij slecht bediend wordt en zich daarbij wendt tot den heer tegenover hem. Deze beantwoordt het vertrouwen met de mededeeling, dat de table d'hôte niet te vergelijken is met den familiedisch, waar de man en echtgenoot en vader, enfin, het hoofd van het gezin, altijd het eerste wordt bediend en recht heeft op de beste stukjes.

Dichtbij hem zit een jonge, blonde, bleeke man en zwijgt, eet tamelijk veel en staat vóór het einde op. Hij heeft geen mensch aangekeken, zelfs niet het aardige dienstmeisje, dat toch dikwijls naar hem keek. Dan nog een paar, een heer en zijn vrouw, die, steeds door, eten en lachen zonder te letten op de omgeving. Daar tegenover twee correcte heeren met snorren, niet meer innemend dan hun eigen plaatsen, niet 't deel verorberend van den buurman, kalm en gereserveerd, maar niettemin toch steeds bereid, om 't olie- en azijnstel aan te reiken. Dat zijn engelsche reizigers, en zij maken den aangenamen indruk van welopgevoede menschen onder al dit vulgaire. Ik kan er niet aan doen, maar, hoewel ik er trotsch op ben een Franschman te zijn als ieder ander, toch doet het goed, hen aan te zien. Men voelt wel, dat het "ieder voor zich" hun leus is, maar zij vallen niemand lastig, reizen voor hun genoegen en niet om anderen te vervelen.

Eindelijk is het dîner afgeloopen. De bedoelde heer heeft aan het dessert niet anders gepraat, dan om voor de tweede maal kaas te vragen. Het vrij jonge paar staat op om naar hun kamer te gaan, naar 't schijnt, om daar uit te schreien. De beide onbeduidende jongens blijven in de gang met het dienstmeisje praten. De notabiliteiten begeven zich plechtig naar het café van het hôtel. De oude brommige heer staat op, zonder iemand goeden dag te zeggen. Het lachend paar gaat elders zijn gegrinnik voortzetten. De Engelschen begeven zich naar hun eigen kamer, om daar de thee met whisky te gebruiken en hun correspondentie af te maken. De eetzaal wordt gesloten. De maaltijd van de muizen gaat beginnen.

Maar niet alleen de table d'hôte, die er al is als overal elders, geeft mij een minder prettig idee van Gourin. Een maaltijd is spoedig gebruikt, als hij u verveelt; en men gaat elders heen, om wat anders te zien en afleiding voor den geest te hebben. 't Is echter Gourin zelf, dat mij verbaast als een wanklank op deze reis dwars door Bretagne, waar zulke fijne, rijke genietingen te vinden zijn. Gourin is zwart, heelemaal leelijk zwart. Ik zoek tevergeefs naar de reden voor dien indruk. Het is, of de regen koolteer op de straten heeft gegoten, en of men de muren der huizen, de deuren en de binnenvertrekken en zelfs de menschen daarmee heeft bestreken. Men moet wel denken, dat de Zwarte Bergen door den regen zijn opgelost en nu in al hun zwartheid door het dorp vloeien.

Ik kan mij niet voorstellen, dat ik in Bretagne ben, maar geloof mij in de nabijheid van een industriestad uit het Noorden, dichtbij de steenkoolmijnen. Er moeten ook in Auvergne dorpen wezen, die er zoo uitzien, maar neen, de natuur in Auvergne heeft dat donkere en dreigende van het sombere en schitterende bazalt, niet van het vuil, dat overal op ligt als hier. Het helpt niet, of ik hier en daar loop, door alle straten en straatjes wandel, overal krijg ik dienzelfden indruk van rouw. Gelukkig tref ik beneden in het dorp een vroolijk gezelschap bij den dans, zoo maar op straat bij een orgel.

Het is het slot van een bruiloft, vertelt mij in een pauze van het bal een jonge man, met een goed gezicht en zachte, trouwe oogen, en terwijl ik met hem blijf praten en hem zeg, hoe ik over Gourin teleurgesteld ben, antwoordt hij, dat wezenlijk Gourin een leelijk land is; maar dat hij er toch veel van houdt en dat hij in geen ander land zou willen wonen, omdat het echt zijn eigen land is. Hij heeft gereisd, is soldaat geweest en heeft ook Parijs gezien; maar hij is met vreugde teruggekeerd in zijn groote, breede, oploopende straat, die heelemaal zwart ziet, en de slikkerige straatjes en de smerige huizen en, wat meer zegt, hij zal hier niet weer vandaan gaan.

Het zwarte Gourin werd bekoorlijk door dat troepje jongens en meisjes, en als altijd was er één persoontje, dat 't geheel typeerde, verpersoonlijkend de vreugde van allen en het mooie van dat avonduur aan den voet der bergen. 't Was een mooi meisje met een klein, kanten mutsje, in een zwart japonnetje en rood zijden boezelaartje met mitaines om haar handjes. Zij is, met een tegenstrijdigheid die meer bij jonge meisjes voorkomt, tegelijk zedig en overmoedig. Zij geeft zich geheel aan de vroolijkheid over en houdt toch iets ingetogens en waardigs, dat allerliefst is. Het bal duurt een heelen tijd. Eindelijk houdt de muziek op; er wordt een laatste glas appelwijn gedronken, en de dansers en danseressen gaan uiteen. Het meisje met het roode schortje vertrekt als de anderen met een vriendelijken blik, die allen schijnt te omvatten en voor 't plezier van den avond schijnt te danken, maar die, al neemt hij de anderen tot getuige, meer speciaal bestemd is voor een enkele. "Zij gaat de volgende maand trouwen," hoor ik iemand naast mij zeggen.

Den volgenden morgen vertrek ik in de vroegte. Terwijl het rijtuig in orde wordt gebracht, heb ik nog tijd, een oude gerestaureerde kapel te gaan zien, met lijdensheuvel en lijkenhuis en een paar oude gevels; maar die toch niet bij machte zijn, mij een minuut langer te Gourin te houden. Met vreugde begroet ik buiten de plaats de goede wegen, 't groen en de eenzaamheid. De weg stijgt, en langs de kale helling van den Zwarten Berg gaat het weldra weer de lucht in. Men stijgt niet tot groote hoogte; de heuvels blijven om en bij de 200 M.; maar de golvingen van het terrein in 't bergachtig land zijn lang en schoon, met plotselinge, mooie uitzichten. Hier is het stil en eenzaam; men ziet geen torens van kasteelen en geen daken van huizen; afzondering en geheimzinnigheid heeft men hier midden op den dag. De natuur van Bretagne is altijd de omgeving voor een sprookje. Als zij niet het betooverde paleis voorstelt van de Schoone Slaapster in het bosch, ziet men er de dreigende en donkere verblijfplaats van den reus in.

Het dalen langs de andere zijde van den berg brengt mij te Spézet, een nog al armoedig dorpje, maar dat er toch niet zoo akelig uitziet als Gourin. Hier heeft niet alles een kleur van steenkool, maar meer die van mest. Ik ga een huis binnen en praat er eenigen tijd met boeren met geschoren gezichten en groote hoeden. Zooals in Bretagne dikwijls het geval is, ziet het huisje er van binnen veel minder haveloos uit dan van buiten. 't Is er netjes; de grond is stevig aangestampt en goed geveegd; het hout en de koperen ornamenten van de meubels glimmen als spiegels. 't Zijn meubels van perehout, dat veel in Spézet gebruikt wordt, naar men mij vertelt.

Ik verlaat het gastvrij huisje, om de kapel van Cran te gaan zien, waar mijn geleider mij volstrekt per rijtuig heen wil voeren. 't Is maar een halven kilometer ver langs een mooien, groenen weg, waarop we een pastoor tegenkwamen, die op een ezel zat. De ezel en het paard wisselen al balkend en al hinnekend een groet; wij doen hetzelfde, maar in woorden, met den geestelijke, en we bereiken enkele oogenblikken daarna de kapel. Er is daar een aardige, grasrijke vlakte, door boomen overschaduwd, waar men mogelijk wel dank- en bidstonden houdt, en waar des Zondags en op groote feestdagen plaats in overvloed is voor allen, die staande een praatje willen houden rondom de vrouwen met koekjes en appelen.

De sleutel is bij een vrouwtje, dat naast de kapel woont, zegt mijn koetsier. En hij gaat hem halen. Al gauw komt de man terug. De sleutel is bij den pastoor van Spézet. Hij rustte zeker in den zak van den man, dien wij juist zijn tegengekomen, kalm voortgaand met zijn ezeltje. De koetsier draaft, zoo hard hij kan, terug om den sleutel. Maar hij houdt het draven niet vol, of hij rust wat uit in een herberg, ten minste het duurt zeer lang, eer hij terug komt.

Ik blijf alleen in de kleine, omsloten ruimte bij de kapel, binnen de met gras begroeide muren en de hooge boomen. Ik kijk en luister. Het is een nederig kapelletje, zonder iets karakteristieks, met grijze muren, een klokketoren en lage deuren. Over den muur heen ligt het landschap in de zon, velden, zoo ver het oog reikt, hier en daar kleine menschen aan het werk, en een groote stilte over alles heen, waartusschen ik zoo nu en dan het geruisch van een molen hoor en het gemurmel van water. 't Is een doodgewoon aspect op zulk een reis, als ik nu maak, en ik ben daarvoor hier gekomen, en ook om in dit kapelletje geschilderde kerkramen te bewonderen, die men zegt, dat zeer mooi moeten zijn.

Hoe kan ik dan de ontroering verklaren, die ik gevoel; de diepe melancholie, die zich eensklaps van mij meester maakt, nu ik dit zie, alleen in dit eenvoudige, vergeten land hier aan den voet der Zwarte Bergen. Er zijn zulke oogenblikken, en ieder zal ze wel eens hebben doorleefd, waarin het nietige van alles u overstelpt en u als onherstelbaar treurig neerdrukt. Het is, alsof men plotseling de wereld en het leven ziet als een illusie en een ledig, ondanks de aarde en de velden en het groen, den blauwen hemel en de zon--een onverdragelijk, vervelend raadsel.

Nadat ik het mooie landschap had bewonderd en de weelde van de eenzaamheid genoten had, kreeg ik op eens dat gevoel van nietigheid, dat ik daareven noemde. Ik ga hier niet de verschillende overdenkingen herhalen, die mij bestormden, toen ik leunde tegen het aarden walletje. Zij, die nog nooit iets dergelijks gevoelden, zullen mij niet begrijpen. Zij, die het hebben ondervonden, behoeven zich maar te herinneren, hoe hun leven zich voor hen afspeelde met al wat er aan warmte in gloeide. Wat! Is dat alles reeds verleden en ligt daar de toekomst, ach zoo kort maar, vóór ons! Was het de atmosfeer van dit land, die mij zoo contemplatief en zoo ernstig maakte? Ik kende wel die stemming van melancholie zonder droefheid, de opgewondenheid zonder een schaduw van aberratie van den geest, die soort van verbazing, dat men leeft, die iemand droomen doet terwijl hij wakker is, en die u twijfelen doet aan uw eigen bestaan en aan alle andere leven.

Wat is dit landschap? Wat die gesloten kapel? En wat doe ik hier? Waarom wacht ik op dien sleutel, die door een geestelijke bewaard wordt? Waarom binnen te gaan in die ledige kapel? Al wat u omringt, op zulke oogenblikken van nadenken, schijnt u nietig en onverklaarbaar. Ik zag van een weg een zwarte koe komen, langzaam den kop heen en weer schuddend, en daarachter een oude vrouw in dezelfde kleuren als de koe, een oudje, versleten en zonder leeftijd, net als de tijd. Zij gingen voorbij, zonder eenig geluid te maken, als schaduwen die opdoken in den nacht en weer verdwenen. Toen verscheen de koetsier boven aan den weg, altijd hard loopend, en bracht een grooten, een enormen sleutel, dien ik uit de verte al moest zien, zoo groot was hij. Het kwam mij voor, dat de man wel honderd jaren weg was geweest. Ik trad de kapel binnen.

Prachtige geschilderde vensters, die tooneelen uit den bijbel voorstellen, in mooie harmonieuse figuren, van kunst en arbeid getuigend. Verbeeldingswerk, dat de mensch met zijn onrustigen geest niet kan ontberen. Ik heb het voorbeeld slechts te begrijpen en, de deur sluitend, aanvaardde ik weer het leven, zooals het is.

Indien de beelden uit 't kapelletje van Cran nog niet voldoende waren geweest, zou de aanblik van den kermisdag te Châteauneuf-du-Faou mij wel de zoo noodige illusies hebben teruggegeven. Ik kon maar met moeite het dorp binnenkomen te midden van een opeenhooping van rijtuigen en voetgangers, en ik krijg niet dadelijk een juisten indruk van Châteauneuf, dat amphitheatersgewijs gebouwd is op de hooge helling van een heuvel boven het dal der Aulne. Ik zie nog wel de lichtende ruimte, den hoogen hemel, het groen en op den voorgrond de huizen en de kerk, waar een mis juist eindigt voor geloovigen, die binnen zijn, en anderen, die buiten de deur knielen bij het kerkportaal. Maar het tooneel is niet scherp omlijnd; het landschap vormt niet meer dan den achtergrond van een tableau vivant, dat al mijn aandacht vraagt. De menigte verdringt zich op den weg, die tegen den heuvel oploopt, en in alle straten, uitloopend op het kermisterrein. Van de hoogte, waar ik mij bevind, zie ik dat kermisterrein, druk wriemelend van menschen en beesten, en zoo vol, dat het lijkt, of men er niet zal kunnen tusschen dringen.

Toch komen er altijd nieuwe scharen marktgangers bij de compacte massa, waaruit tot mij een flauw rumoer opstijgt van stemmen en voetgeschuifel en dierengeluiden. Op mijn beurt kom ik met groote moeite in de volte, stapje voor stapje loopend en voortschuifelend tusschen groepen kooplieden en koopers, tusschen liggende of overeind staande dieren. Ik ga er over van de eene tot de andere zijde van de markt. Daar zijn alle boeren uit den omtrek bijeen, en het verbaast mij niet, dat de velden er zoo eenzaam en verlaten uitzagen zooeven bij de Cran-kapel. Zij zijn gekomen uit alle gehuchten, van alle hoeven, met zich voerend het dier, dat ze geduldig hebben grootgebracht.

Die luidjes hebben geen tijd om midden in hun werk eens op te houden, om zichzelf met nuttelooze vragen lastig te vallen, zich voor de quaestie te stellen, wat de beteekenis der dingen is en wat de reden van ons bestaan. Zij bekommeren zich niet om al die waaroms en die hoe's, die ons telkens op de lippen komen en die wij toch niet kunnen beantwoorden. Zij, levend te midden der natuur, maken deel uit van het leven en gehoorzamen, zonder erbij na te denken aan de beweging, die alles voortdrijft door een regelmatige opvolging van uren en seizoenen. Misschien dat in de schemering, als de schaduwen langer worden en de omtrekken, wazig als de witte nevelen, strijken over de weiden in de buurt van plassen en moerassen, een van hen zich vragen op de lippen voelt komen naar al die geheimenissen, die ons omringen. Maar de vraag waagt het nauwelijks voor den dag te komen en den geest lastig te vallen, die door het lichaam mee is afgetobd.