In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904
Part 2
Doch de bewegelijkheid en de veranderingen van den nieuwen dag doen vreemd aan in deze omgeving, zelfs daar, waar drukke markten worden gehouden en omnibussen af en aan rijden, waar men veel winkels heeft en druk discours in koffiehuizen. Ook daar leeft het verleden nog in volle kracht, en 't is, of er niets veranderd is sinds de 14de eeuw, als men sommige figuren ziet van mannen, vrouwen of kinderen vóór oude gevels, oude kerken, oude heiligenbeelden.
Vooral in de kerk moet men hen gadeslaan, om te bemerken, hoe de eeuwen hen drukken, zooals ik ze pas te Josselin heb gezien, zooals ik ze gisteren zag te Ploërmel en hen morgen te Pontivy zal aanschouwen. Op ieder uur van den dag kan men in de kerk de een of andere brave vrouw vinden, zittend of geknield of gehurkt in vrome aandacht. Het zijn vaak doodarme menschen, blootsvoets gaand en in lompen gehuld, met verlepte, slappe mutsen, zoodat ze bijna niet van de steenen zijn te onderscheiden en zoo stil zich houden, dat ze wel dood konden zijn. Maar de magere handen als van een skelet laten een rozenkrans door de vingers glijden en de bleeke lippen murmelen een eentonig gebed.
Waar dwalen de gedachten van die stumpers heen? Hoe stellen zij zich den geest voor, aan wien zij hun verdriet en hun ellende toevertrouwen? Zij leven van een illusie en beginnen telkens weer hun machinaal gebed, terwijl ze opzien naar het lampje, brandend in het koor, naar de houten heiligen en naar Clisson le Boucher, op zijn wit marmeren graftombe naast zijn echtgenoote Marguérite uitgestrekt. God is voor hen de vader met den witten baard en door den gekruisigden Jezus zijn alle klachten over leed en smart der menschheid gesust. Omdat er een kruishout is geweest met de spijkers en de lanssteken, de spons in alsem gedrenkt, nemen die oude vrouwen en allen, die haar gelijk zijn, geduldig haar kruis op en danken nog den geheimzinnigen geest, die 't leed hun zendt, wanneer ze aan den hoek van een kerkmuur knielen.
Laat maar de Zondag komen, en als de klokken luiden en het orgel zingt, als de priester in verguld gewaad bij het verlichte altaar staat, en in een taal, die zij niet kent, zangerige, plechtige zinnen uitspreekt, zal het verblufte oudje van ontroering en van vreugde weenen, en ze zal gelooven, dat zij al een stukje van het Paradijs bezit. En allen in de kerk zijn daarin gelijk, allen, zooals ze gekomen zijn van vele mijlen ver uit hun armelijke hutten, gebogen als ze zijn van ouderdom, zoodat ze op honderdjarigen gelijken. Ze zijn gelukkig door het schouwspel, dat de kerk haar biedt. Er worden kaarsen aangestoken, wierook wordt vóór de heiligenbeelden gebrand, het orgel klinkt en de armen zingen van hun eigen ellende.
Ik neem, om naar Pontivy te gaan, den langsten weg; maar te Rohan, waar ik na het verlaten van Josselin het eerst stilhoud, zou ik niet zijn afgestapt, als niet het prachtige landschap voldoende vergoeding was voor het ontbreken van 't versterkt kasteel, waarvan slechts enkele sporen over zijn, en voor de aanwezigheid van een moderne kerk. Niet ver van deze plek was ook La Chèze, een versterkte plaats, kasteel met negen torens, omringd door diepe grachten en door een ophaalbrug verbonden met het kasteel van Rohan.
Niets van dit alles bestaat er meer. Het heet, dat men een halve eeuw geleden nog den ingang van den onderaardschen kelder kon zien. Nu niets meer, niets. Hendrik IV heeft het kasteel met den grond gelijk gemaakt en de aarde met haar plantengroei heeft de kelderopening gevuld.
Te Loudéac zou ook niet veel te zien zijn, als er het bosch niet was, doch het bosch is er inderdaad. Het is een losgeraakt brok van het onmetelijke woud van Brocéliande, en de stad is ontstaan uit een punt van samenkomst voor jachtpartijen. Het bosch van Loudéac, waar grof wild overvloedig is, ziet er veel ouder uit en woester dan het bosch van Paimpont. Het was in de 15de eeuw vijf mijlen lang en twee mijlen breed. Nu heeft het nog slechts een lengte van 8 KM. en een breedte van 4 KM. Paarden leefden er indertijd in het wild, en de vicomte de Rohan had er groote voordeelen door den verkoop der veulens.
Twintig à dertig groote smederijen waren er, waar men kachels maakte en ploegijzers, braadspitten en pannen voor een groot deel van Bretagne. Gelukkig land, dat bijna geen andere historie heeft. Loudéac is nooit versterkt geweest en door dit negatieve feit had het ook nooit een beleg te doorstaan. Er wordt verhaald, dat het fransche leger er ingekwartierd werd in 1491 na den erfopvolgingsoorlog en dat het er honger leed. Ook moet de eerste drukkerij in Bretagne te Loudéac gesticht zijn. De zucht naar kennis was echter niet algemeen verspreid in die streken, want in 1794 vernielden de opgestane boeren een school, in 1768 opgericht, waar de landbouw werd bestudeerd ter wille van de ontginning van woeste gronden.
Ik moest op mijn schreden terugkeeren, toen ik naar Saint-Méen ging; doch dat mag geen bezwaar zijn hier, waar ik rondom een middelpunt kleine uitstapjes maak. Het stadje is ontstaan uit een klooster, gesticht door Saint-Méen, dat in de 10de eeuw verwoest werd door de Noormannen en in de volgende eeuw herbouwd werd door Hingueton, abt van Saint-Jacut. Ik ging er de kerk der abdij zien met een koepel en een kleineren vierkanten toren. In 't heengaan reed ik door Merdrignac, een land van heiden, door weiden afgewisseld. Toen naar Loudéac terug door Collinée en het dal der Menez, niet ver van het Bosquenwoud. Te Collinée vindt men nog eenige huizen uit de 16de eeuw, onder welke de woning van Simon Collinaeus, die medewerker was van d'Estienne, diens weduwe huwde en beroemde oude drukwerken uitgaf.
Ook Pontivy is rijk aan oude huizen, maar daar is het Kasteel het meest bezochte punt. Het is een ruïne intusschen, die aan verwaarloozing ten prooi is. Twee der dikke torens rijzen op boven de groene heuvels, de derde is bijna ingestort en van een vierden is geen spoor meer over. De bewaker heeft tusschen de verwoeste vestingwerken een tuin aangelegd in verschillende verdiepingen. Klimop en mossen bedekken de oude muren. De natuur herneemt wel langzaam, maar met besliste onverbiddelijkheid, haar rechten en overgroeit de in 1485 opeengestapelde steenmassa's. Maar toch blijft dit alles, dat zooveel krachtsvertoon inhield, tot het eind toe mooi, want nu smelt dit einde samen met de omgeving; de planten en de grond nemen als 't ware de steenen in zich op.
Op den dag, dat ik er een bezoek bracht, kon ieder vrij binnengaan, want er was juist een processie en alle dorpelingen waren daarheen. Over de ophaalbrug gaande, stiet ik een poort open en kwam in een vestibule, opende een tweede deur en kwam zoo op de verlaten binnenplaats. Het hokje van den bewaker was ledig. De plaats was groot en mooi, met in den hoek de trap met ijzeren leuning, die de elegantie van de 17de eeuw voegt bij de strengheid en den ernst van een feodaal kasteel. Maar alles getuigt van wanorde en verwaarloozing en vergetelheid; de natuur wint overal veld; mos bedekt het beeldhouwwerk met een groene laag; het gras groeit tusschen de steenen, en overal blijkt de minachting van den mensch voor de woning, die aan vroegere geslachten een schuilplaats heeft verleend. In een hoek liggen takkebossen opeengehoopt, linnen hangt te drogen op de fraaie leuning van gesmeed ijzer, en de kapel in den tegenoverliggenden hoek, waartoe een tweede buitentrap toegang geeft, schijnt mij toe in denzelfden staat van verval te verkeeren als het overige gebouw.
Op het oogenblik, toen ik den voet op de eerste trede zette, vertoont zich een mannengelaat vóór een venster, twee knippende, oude oogen onder een versleten hoed, een slecht geschoren baard en lange haren, die over de schouders afhangen. De man doet een deur voor mij open en verschijnt op den drempel. Het is een oude boer, een soort van Chouan, gelijkend op diegenen, die in 1793 den opstand begonnen tegen het decreet der Nationale Conventie, waarbij 300 000 man werden geroepen onder de wapens. Zij hebben toen Pontivy belegerd, maar werden teruggeslagen. Het is betrekkelijk nog zoo kort geleden, en de grootvader van dezen boer heeft die gebeurtenissen mee beleefd.
Deze man hier spreekt al bijna gewoon Fransch, laat mij de kapel zien, vol van allerlei voorwerpen en vertelt mij, dat het museum niet meer bestaat; er zal nog wel een en ander van de voorwerpen zijn overgebleven, maar al wat eenige waarde had, is naar Josselin overgebracht, dat in eigendom toebehoort aan de Rohans, zooals ook met het slot te Pontivy het geval is. In de zalen van het museum, die in een werkplaats zijn veranderd, maken de vrouwen van Pontivy nu papieren zakken. Jean de Rohan zal in 1485, toen hij zijn formidabel kasteel liet bouwen met torens en wallen en grachten en schietgaten en ophaalbruggen, niet hebben vermoed, dat er eens zulk een onschuldige industrie zou worden uitgeoefend.
Ik ging weer naar buiten en liep nog wat rond over de wandelingen rondom het huis, op den heuvel le Blavet. Tusschen het kasteel en de rivier vindt men het plein, waar markt wordt gehouden, vijf markten per jaar: den 8sten Mei, den 19den Juni, den 8sten September, den 21sten October en den 21sten November, en buitendien nog een weekmarkt op Maandag. Aan een anderen kant zag ik den weg, waarlangs de menschen van de processie huiswaarts keerden.
Het was een zonderlinge optocht van kleine bretonsche meisjes met grove schoenen, lange jurken, bontgekleurde boezelaars en kanten mutsjes. Zij liepen en draafden en draaiden om de jonge en oude vrouwen heen, die alle evenzoo gekleed waren als zij, en werkelijk, de ouden en de jongen, allen hadden een bevalligheid en gratie, als men maar zelden vindt bij dames in sierlijke parijsche kleederdracht, met bloemen en veêren op de hoeden.
Het is mij in dit stadje Pontivy, of ik op het ganzenbord speel en ik in een doolhof zal verdwalen of in den put terecht zal komen, en tien zal moeten betalen, om weer bij 't eerste huis te mogen beginnen. Eindelijk ontdek ik een heerlijke wandeling onder het groen langs de Blavet, waar ik slechts een paar menschen aantref, die een hygiënische wandeling schijnen te maken en in afgemeten passen, als op de gymnastie, heen en weer gaan met de oogen op den grond gericht en zwaaiend met de armen. Ik slenter langzaam rond, om morgen met gezwinden pas te verdwijnen.
Van Pontivy ga ik naar de Zwarte Bergen langs een weg, die voorbij Guéméné, Le Faouët en Gourin voert. Het is warm bij een bedekte onweêrslucht. Mignonne, de kleine, witte merrie vóór het rijtuig, loopt nogal vlug bij de vriendelijke, welwillende aanmoediging van den rijtuigbestuurder: "Kom, kleintje, vooruit maar!"
Oponthoud te Stival, om de geschilderde kerkramen te bekijken van Saint-Mériadec, met tooneelen uit het leven van de Heilige Maagd en grepen uit Jezus' lijdensgeschiedenis en uit de geschiedenis van den H. Mériadec. Onderweg gaan we andere kapelletjes met geschilderde vensters voorbij en ook oude kasteelen en dolmens en menhirs, groote steenblokken van nog ouderen datum. Ik moet mij haasten, om een woning te bereiken. Op het oogenblik, dat we van den weg naar Carhaix afslaan, om Guéméné te bereiken, wordt de hemel donkerpaars; een koperkleurig schijnsel geeft nieuwe tinten aan het groen; het onweder barst los, en bliksemstralen scheuren de wolken; de donder ratelt, en een allerhevigste regen zet de omgeving onder water, ook ons rijtuig ondanks het opgeslagen voetezeil en den neergeslagen kap.
Eindelijk bij een kruispunt van den weg een huis! Ik stap uit in den stortregen en gebruik er mijn bescheiden ontbijt met zwart brood en spek, die mij heerlijk smaken, terwijl de elementen blijven woeden buiten 't kleine huisje. Die hut is gemeubileerd als alle andere, die men langs de wegen in Bretagne ontmoet, een tafel en twee banken, bedsteden en balken, waaraan metworsten hangen en hammen en reepen spek. Dan zijn er de groote klok en de oude kast van gewreven hout met blinkend koperen beslag. Zoo'n kast en zoo'n staande klok ontmoet men overal, heel goed zichtbaar door de open deur; ze zijn de weelde en de trots des huizes.
Het ergste van het onweêr is voorbij; het regent nog, maar de regen is niet hevig meer als strakjes, 't is nu een regelmatig, rustig gieten en het landschap wordt niet meer gegeeseld, maar geliefkoosd, terwijl de zon alweer door tranen glimlacht. Zoo kom ik in een frissche, vriendelijke omgeving te Guéméné. De eerste indruk is bekorend. Een breede straat met door den regen afgespoeld plaveisel tusschen roode en grijze huizen, lage gevels van stevige, vierkante huizen, die onverwrikbaar op den grond gehecht schijnen. Het lijkt wel, of ze er in alle eeuwigheid geweest zijn als rotsen, die de hand des menschen zou hebben uitgehold tot woningen en winkels, om ze daarna van buiten glad en mooi te maken.
Ik ga een oogenblik schuilen in een winkel, waar de juffrouw zegt, dat dit weêr niet natuurlijk is en dat het alles een gevolg is van de uitbarsting op Martinique. Mijn koetsier had er onderweg ook al in dien geest met mij over gesproken. En zoo even heeft een karreman in de schuur, waar ik een al te hevige gietbui afwachtte, mij ook al vergast op dezelfde uitlegging. Toen het droog was, ging ik het kasteel bekijken, want Guéméné is een kasteel geweest, vóór het een stadje was, een slot, dat in de 11de eeuw gebouwd en in de 15de hersteld werd, dat weerstand bood aan de Ligue, maar voor de Chouans moest bukken.
Er zijn tegenwoordig niets anders van over dan ruïnen van de negen torens, en juist in het midden van de oude overblijfselen is een modern kasteeltje verrezen. Men kan het van de straat af zien, zooals het daar, rustig en vreedzaam, door een tuin omgeven, ligt, een zeer bescheiden woning met een buitengewoon hoog dak, dat geen kwaden indruk maakt. Maar zoo denkt de juffrouw in den winkel er niet over. Zij zegt tot mij: "Mevrouw heeft niets aardig laten bouwen; er is bijna niets dan dak te zien!" Er woont daar inderdaad een dame, geheel alleen, het gansche jaar door met haar dienstboden en tuinlieden. Zij is altijd thuis en iedereen wordt bij haar toegelaten. Men trede maar binnen. Gij behoeft het hek slechts open te stooten. Geen enkele hond blaft den bezoeker tegen. Geen dienstbode of knecht in liverei vraagt u naar uw visitekaartje of legt u een register voor, om er uw naam in op te schrijven. Er ligt op het goed een huisje, waarin een kruidenierswinkel gehouden wordt, en de kruideniersvrouw licht u omtrent alles in, als gij er prijs op stelt. Vóór het een of ander venster van 't kasteeltje krijgt ge mogelijk een witte muts te zien en oude, blanke handen, die aan 't breien zijn. Het hoofd, dat erbij behoort, wordt niet eens omgedraaid, om naar de voorbijgangers te zien. Komt en gaat, vertrekt of blijft, loopt rond of gaat zitten, net naar het u goeddunkt. Hier is de wandelaar, zoo lang hij wil, heer en meester.
En het is de moeite waard, daar, al is het dan maar een oogenblik, zich eigenaar te wanen. De muren zijn omvergehaald; er is alleen een fragment van de kapel nog over. Ook is nog blijven staan een portaal, verder eenige pijlers aan het eind der brug en een groote poort met een deur aan de andere zijde. Men heeft het aan de natuur overgelaten, die resten te bewaren en te versieren. De tuin is mooi aangelegd met lanen, grasperken en boomgroepen; maar toen eenmaal het schema klaar was, heeft men, naar het schijnt, alles vrij laten voortgroeien. Er is een overvloed van boomen, planten en bloemen, verspreid over een wondermooi terrein, dat in zachte golvingen zich voordoet en flauw hellend afloopt tot de vroegere grachten, om elders te rijzen tot de hoogte van de diep in den grond gezette oude muren.
Ik kan onmogelijk precies beschrijven, wat ik heb gezien. Er is mij in de gedachte gebleven een verkwikkend, rustig schouwspel, grootsch en heerlijk, getuigend van rijkdom en toch ook van onverschilligheid; maar een rijkdom zonder berekening en ostentatie, alleen blijkend uit de schoonheid van de dingen der natuur, en een onverschilligheid, die lijkt op een liefdevolle onderwerping aan de wetten van het weder en de jaargetijden. Deze tuin van het slot te Guéméné wordt, hoe langer ik eraan denk, iets heel bijzonders en eenigs, waar men langen tijd zou moeten wonen, om hem te leeren kennen en hem te begrijpen. Misschien is dat ook wel volkomen onmogelijk.
Hij schijnt zich open en ronduit aan u te openbaren, maar de beleefdheid is niet vrij van trots; de tuin houdt, om zoo te zeggen, iets teruggetrokkens, een uitdrukking van ironische en geheimzinnige afgeslotenheid en tart u, om u voor den geest te roepen 't oude leven, dat hier is voorbij gevloden, dat nog rondzweeft om de oude steenen en wegdampt met den geur der rozen.
Ik volg een laan, die rondom een groene diepte leidt, en plotseling hoor ik woorden, die uit de aarde komen en daartusschen het geklater van water. 't Zijn waschvrouwen, die men niet kan zien en die elkander veel te vertellen hebben; ze verklappen mogelijk alle geheimen van vroeger met de praatjes van tegenwoordig en de voorspellingen voor morgen. Ik loop langs den rand van de beek, die doorstroomt tusschen boomen met lichtgekleurd gebladerte en de waterbloemen aan den kant, en ik kom bij een hek, waarachter, ook door de ruïnen omringd, een hut en een stal gelegen zijn. Een vriendelijke vrouw met een zwarte muts verschijnt met een koe en heet mij welkom in 't Bretonsch, haar eigen taal.
Men loopt hier door een doolhof van zuilen en boomen; door een smal deurtje, dat ik openstoot, ontdek ik een zaaltje in de dikte van den muur uitgehouwen. Het blijkt een badkamertje met een steenen kuip en breede steenen gezichten met een eeuwigen glimlach, die 't gewelf moeten dragen. De kuip is in de diepte en twee steenen banken ziet men in den muur, terwijl door een smal raampje als een schietgat men 't smaragd van het gebladerte en de grijze strepen van den regen kan onderscheiden.
Wie mag hier geleefd hebben? Welke vrouwendroomen zijn er in dit slot gedroomd, terwijl ginds in de verte het leven zijn drukken gang ging? Wie heeft op deze steenen bank en door dit spleetvenster de partijgangers der Ligue hun kanonnen hooren afvuren, waarvan de steenen kogels in de omringende grachten zijn teruggevonden? Hier, deze schuilhoek moet door iets bijzonders gekenmerkt zijn geweest, dat hij heeft standgehouden na den dood van het oude feodale kasteel en dat hij geëerbiedigd werd door hen, die in den naam van Lodewijk XIII en van Richelieu de ontmanteling van de sterkte tot stand brachten. Het heet het Bad der Koningin, zonder te zeggen, welke koningin bedoeld wordt, zonder twijfel de geheimzinnige koningin, die onzichtbaar blijft en hier komt, als er niemand is om haar te bespieden, als de waschvrouwen zwijgen en de brave vrouw met de zwarte muts in haar donkere bedstee ligt te droomen, terwijl de koe aan het herkauwen is in de stal en de burcht is ingeslapen met gesloten vensters, als zware oogleden over den gevel neergelaten en wanneer alle nieuwsgierige reizigers teruggekeerd zijn naar Parijs.
Dan komt de bleeke, blonde koningin geschreden langs de beek en, in haar lichten sluier gehuld, glijdt ze als een schaduw langs de hooge boomen, laat voetpaden ter zij en strijkt langs de zuilen, betreedt het kleine zaaltje en legt haar sluier af, om daarna haar schaduwlichaam neer te vlijen in 't bassin, waar zachtjes water binnen vloeit. Dat gebeurt alles op schoone zomeravonden. Het gemurmel van het water en de ademhaling van de badende smelten samen met het gesuizel van de zomerlucht door de boomen; de nachtegalen zingen, zooals ze altijd gezongen hebben, een groenachtig maanlicht dringt door het smalle venster en draagt rozengeur naar binnen, 't licht en die geuren van den nacht, zij alleen kennen het geheim van 't kleine zaaltje en de komst van de bezoekster, die verdwijnen zal, zooals zij is gekomen, vóór de eerste aankondiging van den dageraad.
Ik ga heen door natgeregende lanen, en ik werp op de dingen dien laatsten blik van iemand, die weggaat, zonder te weten, of hij ooit terug zal komen; ik stap het hek uit en ben weer in een straat van het stadje. Een oude commis-voyageur rookt zijn pijpje voor zijn deur. Mignonne is ingespannen, ziet er best uit met glimmend vel, goed gevoed, geheel uitgerust. Komaan, Mignonne, vooruit naar Le Faouët. Het rijtuig springt over de slechte bestrating van Guéméné. De witte, zwarte en rossige gevels verdwijnen. Hier zijn we weer buiten. Een verrassing was het gehucht Kernascléden: eenige huizen rondom een plein, en wat op den achtergrond, onmiddellijk tegen de akkers aan, een prachtige gothische kerk van zwart graniet, met een voorhal, waarin de standbeelden van de twaalf apostelen staan te peinzen en waar de gewelven beschilderd zijn met verbleekte fresco's, die nog de naïeve, uitdrukkingsvolle teekening laten herkennen. De legende zegt, dat engelen de werklieden geholpen hebben bij het bouwen van deze kerk van Kernascléden. Wat zeker is, de werklieden hebben als engelen gewerkt, toen zij met zoo gevoelige en toch vaste hand de rondsels en paneelen versierden, de spitsen en de galerijen aanbrachten.
Men gaat over een kleinen zijtak van de Scorff, dan over een zijtak van de Ellé zelve. Al dit land, dat door beekjes wordt doorsneden, is mooi en vruchtbaar. Een eindje stijgens en de eerste huizen van Le Faouët verschijnen. Het stadje heeft een goeden naam, als een dier oude bretonsche plaatsen, waar men in de herberg thuis is, waar de herbergierster vriendelijk is en de eetzaal uitkomt in de keuken, waar men van de toebereidselen voor den maaltijd niet onkundig blijft en men hoort praten over jacht en vischvangst, over hazen en forellen, paling en patrijzen, niet maar om eens wat te praten, maar als heusche dingen, want men ziet al spoedig al die onderwerpen van gesprek op tafel komen. Een land, dat als Le Faouët midden op de markt oude, mooie, stevige huizen heeft, die vast staan op hun grondvesten en groote daken hebben, bijna tot den grond toe, zulk een land moet rijk zijn aan gevogelte, dat dankbaar is voor zooveel goede nestplaatsen.
Tot besluit van mijn morgen wandel ik wat rond over het marktplein en de aangrenzende straten. Aan het einde van een der straatjes, die uitgaan van het plein, vind ik den winkel van de pannekoekenvrouw. Het ziet er niet als een winkel uit. 't Is een dicht huis als een ander, alleen boven de lage deur is een witte pannekoek geschilderd. Als gij de deur opendoet, krijgt ge dadelijk den lekkeren geur van smakelijk gebak in den neus. Het huisje ziet er armoedig uit; maar alles is zindelijk en doet welbehagelijk aan, de groote schoorsteen met den ketelhaak, waaronder 't houtvuur gloeit, het groote houten ledikant onder de gebloemde deken, een hooge kast, die provisiekast en tevens garderobe is, een tafel en banken van stevig eikenhout. Een zwart kipje loopt af en aan. 't Is twaalf uur, tijd om te eten.