In Luxemburg's Gutland De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 3

Chapter 32,798 wordsPublic domain

't Is een heerlijke tocht, dien men meestal met de stoomtram, in het Groothertogdom Secundär-Bahne geheeten, onderneemt, of wel, wat mij verkieslijker voorkomt, per rijtuig. Men kan echter ook gebruik maken van den postwagen, die des morgens van Diekirch vertrekt en 's avonds terugkeert. Den afstand per as legt men in anderhalf uur af. Wie echter niet opziet tegen een paar uurtjes geleidelijk klimmen, moet te voet er heen gaan. Het genot is des te grooter; want de weg is vol afwisseling. Men volgt eerst de Sûre, totdat men, aan de linkerhand een flinken breeden straatweg bereikt, halverwege Bettendorf bij Bleesbrück of de Bleesbrug, waar ook een halt is van de stoomtram naar Vianden. Deze heirbaan slaat men in. Zij is bezoomd met lindeboomen, hier en daar door sparren, eiken of platanen vervangen.

Spoedig begint gij te stijgen. Slechts langzaam gaat het voort, maar de schoone omgeving doet den tijd kort vallen. Welige landouwen, hooi- en bouwland met bosschen op den achtergrond, spreiden zich aan de eene zijde uit. Aan de andere verheffen zich berghellingen met hoog hout getooid. Een reeks van natuurtooneelen, nu eens liefelijk, dan weder stout, boeit uw oog. Maar hooger en hooger rijst de weg, die u voorbij de zoo pittoresk tegen de helling gelegen dorpjes Fouhren en Tandel voert. In de diepte aanschouwt gij de vallei, waar alles u spreekt van vruchtbaarheid en welvaart: die boomgaarden, dat volle koren, die nette huisjes. Daarachter, met bosschen omkranste bergtoppen, als gesteund, omstrengeld en opgehouden door een gordel van grazige weiden.

Eindelijk komt gij op eene hoogvlakte. En bij het kronkelen van den aan weêrskanten met ooftboomen beplanten weg, ziet! daar vertoont zich eensklaps op een afstand de iets lager gelegen trotsche ruïne. Welk een tooneel! Van welken kant men Vianden nadert, altoos blijft dit even indrukwekkend. Gij begint te dalen; doch den bouwval, die u zoo dreigend aangrimt, verliest gij geen oogenblik uit het gezicht. Onmogelijk het oog er van af te wenden. In snelle vaart gaat het echter naar beneden en nadert ge het in een diepe en enge bergkloof aan de romantische oevers der Our gelegen stadje, niet veel meer dan een op elkander gedrongen groep huizen.

Boven de stad, op een steile, ongeveer 150 meters hooge rots, wier voet door de zacht kabbelende golfjes der Our gekust wordt, ontdekt gij thans weer de voor een oogenblik aan uw gezicht onttrokken overblijfselen van den burcht, die eens den machtigen graven van Vianden tot residentie verstrekte. 't Is of die overblijfselen u toeroepen, dat hun voormalige bewoners, die, vermaagschapt aan de eerste vorstenhuizen in Europa, langen tijd geen ander gezag boven zich erkenden dan dat des Duitschen keizers en door de sires van Bettendorf, Brandenburg, Clervaux, Esch, Erpeldange, Meysemburg en anderen als leenheer gehuldigd werden, dat zij niet verdacht wilden worden van iets gemeen te hebben met wie daar beneden hunne tenten hadden opgeslagen in de nederige woningen, rondom hun slot gegroepeerd! Toch zou men zich bedriegen, als men dit geloofde. De graven van Vianden hadden hun onderzaten lief en lieten niets onbeproefd om het welzijn van dezen te bevorderen.

Vianden maakt den indruk van vervallen grootheid, hoe kwistig ook de natuur hier hare bekoorlijkheden tentoonspreidt. Wisten de bewoners van de stulpen, die zich in de bergkloof om den burcht groepeerden, dank zij de vrijgevigheid en genegenheid hunner graven, hun gehucht uit te breiden tot eene stad, waar kunst en wetenschap beoefend werden en het fabriekswezen bloeide,--alles herinnert u dat die schoone dagen voorbij zijn. Zij, die eens de hoofdstad was van een graafschap, de zetel van een schitterend hof, is thans niets meer dan een eenvoudige gemeente van omstreeks 1500 zielen. De nijverheid en handel, die er vroeger welig tierden, kwijnen sinds lang. Eenige welvaart wordt er nog verspreid door het bezoek van vreemdelingen. Want schilders, dichters en oudheidkundigen, zoowel als de bewonderaars eener romantische natuur, worden als om strijd erheen getrokken, terwijl zij, die niet zoozeer voedsel voor hun hoofd of hart als wel een aangename ontspanning zoeken, in de vischvangst en de jacht hiertoe ruimschoots gelegenheid vinden. Voor de geschiedenis der stad en een nadere kennismaking met haar en hare prachtige omstreken, verwijzen we naar onze Schetsen uit Luxemburg.

De overblijfselen van den alouden burcht, wiens kapel door de zorgen des toenmaligen Stedehouders van den Koning-groothertog Willem III, Prins Hendrik der Nederlanden in haar indrukwekkenden oorspronkelijken stijl hersteld werd, zijn thans het eigendom van den regeerenden Groothertog, wiens Vader ze met de vele andere domeinen van wijlen koning Willem III, van diens hooge Erven aankocht--die overblijfselen zijn een der schoonste monumenten uit de middeleeuwen, voor den oudheidkundige inzonderheid in de hoogste mate belangwekkend. Ten dage zijner grootheid was de burcht, na Luxemburg, de sterkste vesting van het hertogdom en misschien van al de zuidelijke Nederlanden. Zijn stichting klimt op tot de negende of tiende eeuw; uit dien tijd zijn dan ook de bouwvallen afkomstig. Een breede weg, die allengs overgaat in een hobbelig pad, leidt uit het noordelijk gedeelte der stad daarheen. Een driedubbele rij ringmuren bevestigde het eigenlijke kasteel. Een diepe, thans gedempte gracht verleende daarheên den toegang door middel van een ophaalbrug, wier plaats thans is ingenomen door een rijzend pad. Aan de eene zijde sloten die muren zich tegen de stad aan; aan de andere strekten zij zich uit tot de loodrechte, schier ongenaakbare rots, waarop het slot zich verhief. Van dat oude slot zijn de bouwvallen, die men ziet, het overschot. Langs den eersten ringmuur, waarachter men, ter plaatse waar vroeger de hoofdpoort was, de ruïne betreedt, en uit wiens schietgaten men tal van schoone panorama's aanschouwt, bereikt men een klein, in gothischen stijl opgetrokken gebouwtje, waar de toerist zijne handteekening in het daarvoor bestemde boek zet. Naar het aantal namen te oordeelen, is het bezoek zeer druk. Naast dit gebouwtje ligt de woning van den bewaarder, wiens vrouw of kind u op uw tocht vergezelt. In hun volksdialect beproeven zij al wat uwe aandacht wekt, te verklaren. Dit was mij hinderlijk. Zoo gaarne had ik daar alleen rond gedoold, mij aan mijne gepeinzen overgevende en luisterende naar de stemmen, die uit de eerbiedwaardige steenklompen tot mij kwamen. Dit geleide is echter noodig om u te beletten te verdwalen, of te verhoeden dat gij u op gevaarlijke punten zoudt begeven.

Wel bood het geheel een tooneel van verwoesting aan, dat mij het hart met diepen weemoed vervulde. Wat spraken die ingevallen torens, brokken muur, vermolmde balken van een onherstelbaar verloren grootheid! Doch niet veel inspanning kostte het, mij eenigszins voor te stellen hoe het kasteel in de dagen van zijn glorievol verleden was ingericht, met zijn voor- en binnenhof en het buitenhof, waar het lagere dienstpersoneel woonde. Phantastisch zag ik het door mijne geschiedkundige verbeelding verlicht. De gleuven in het muurwerk wijzen nog de scheidingen der verschillende verdiepingen aan. De gemetselde zitbanken aan de voormalige kruisramen toonen de plaats, waar men koutende samen zat, met het uitzicht op het heerlijke landschap, dat den burcht aan alle zijden omgaf. En in mijne gedachte zag ik het bevolkt door zijne doorluchtige bewoners. De ridderzaal, de vestibule met hare pilaren en kapiteelen, de gevangenissen, de kelders en sombere gewelven, de oubliëtte, de steenen kogels of ballen, die blijkbaar eens voor de lepels der blijden, het middeleeuwsch geschut, bestemd waren en hier en daar verspreid lagen, dit alles tooverde mij het grijs verleden voor den geest. Bovenal deed dit de zoo heerlijk herstelde kapel, waarvan het middelste gedeelte niet bevloerd is, maar een, door een steenen balustrade omgeven cirkelvormige opening aanbiedt. Hierdoor konden, volgens de overlevering, de gevangenen, die daar onder in den kerker zuchtten, de mis bijwonen, en waren zij dus door 's graven goedheid niet van den troost van hun godsdienst verstoken.

Door huwelijk in 1407 aan de Nassau's vervallen, bleef het graafschap aan dit doorluchtige huis behooren, ook nadat Reinier van Nassau, die zijn vader Hendrik IV in het graafschap Vianden en al de overige nederlandsche domeinen opvolgde, van Philibert, zijn oom van moederszijde, het prinsdom Oranje erfde. Van dezen Reinier, den eersten prins uit het huis Oranje-Nassau, was de groote Vader des vaderlands, de onsterfelijke Willem de Zwijger, de volle neef en erfgenaam. Beiden hadden denzelfden grootvader, Johan V van Nassau.

Zoo kwam Vianden aan het Vorstenhuis, dat drie eeuwen lang met Nederland lief en leed getrouwelijk deelde en zich onvergankelijke aanspraak verworven heeft op de dankbaarheid van ons volk. En al werden ook de meeste der 52 dorpen en andere domeinen, waaruit het graafschap eertijds bestond, in 1815 door het Weener-congres aan Pruisen geschonken, het oude stamslot verbleef in eigendom den nazaten van hen, die er vroeger resideerden. "Daarom ook beschouwt de Luxemburger dien stamburg als een der meest klassieke plekken van zijn schilderachtige landouwen, en met trots wijst hij er op, dat het huis der Nassau's vóór meer dan vijfdehalve eeuw in zijn vaderland het bewind voerde over een uitgestrekte landstreek en daar zegen en voorspoed verspreidde" [4].

Wie daartoe eenigszins de gelegenheid heeft, mag niet verzuimen ook de hoofdstad te bezoeken.

Van Ettelbrück loopt de spoorbaan der maatschappij Guillaume-Luxembourg, die, gelijk wij reeds opmerkten te Trois-Vierges haar uitgangspunt heeft, door de uiterst vruchtbare en poëtische vallei der steeds kronkelende Alzette. Nauwelijks heeft men het laatste station bij het bloeiend fabrieksplaatsje Eich verlaten, of men ziet het voormalige "Gibraltar van het noorden", zooals het vroeger als een schier onneembare vesting beschouwde Luxemburg genoemd werd, verrijzen. Hoe dichter men de stad nadert, tot wier ontmanteling in 1867, na den Pruisisch-Oostenrijkschen oorlog van 1866, en haar opheffing als bondsvesting van den Duitschen Bond door het congres van Londen werd besloten, des te meer vernauwt zich het dal, des te hooger en indrukwekkender worden de rotsen, die in natuurlijke verdedigingswerken werden herschapen. Gedurende drie eeuwen arbeidden daaraan achtereenvolgens Luxemburgers, en na hen de volken, in wier bezit de stad kwam: Spanjaarden, Oostenrijkers, Franschen en ook Nederlanders, nadat bet groothertogdom in 1815 aan Koning Willem I was afgestaan, en het laatst, sedert 1839, de Duitsche Bond, waarin het was opgenomen.

Nog in den trein gezeten, heeft men reeds gelegenheid zich een denkbeeld te vormen van de sterkte, welke de muren vroeger hadden, en die het bezit der vesting uit een strategisch oogpunt voor meer dan ééne mogendheid zoo begeerlijk maakte, en haar door andere deed misgunnen. Eerst aanschouwt men aan zijne rechterhand in het hart der vallei, eene der drie beneden- of voorsteden, die aan den voet der rots, waarop de bovenstad zich uitstrekt, gelegen, aan het geheel zulk een schilderachtig aanzien geven. 't Is Pfaffenthal met zijne dicht opeengedrongen huizen, zijne voormalige, thans tot fabrieken ingerichte of voor den openbaren dienst bestemde kazernes, die voorheen een deel van het Pruisische bezettingsleger herbergden.

Daarachter, aan de overzijde van het dal, de veelkleurig getinte reuzen van graniet, als met guirlandes van groen getooid door de afhangende twijgen van het heestergewas en van de slingerplanten, die in hun spleten zoo welig tieren.

En op hun top, in al hare bekoorlijkheid opdoemend, de bovenstad met hare kerkspitsen en oude gevels, met hare sierlijke terrassen en op de fundamenten der gesloopte bolwerken verrezen nieuwe landhuizen, benevens het schilderachtige park. Iets lager de fraai aangelegde Boulevard de Ceinture, zich als een gordel halverwege de rotsen, om haar heen slingerend. Beiden, Park en Boulevard, scheppingen der laatste jaren, tot stand gekomen op het bezielend initiatief van den minister Paul Eyschen en aangelegd volgens de plannen, door een Parijschen architecte-paysagiste, den heer André, ontworpen.

Doch eer men nog Pfaffenthal geheel voorbij is, ontwaart men aan zijne linkerhand in de diepte, de lachende tuinen van Clausen, de tweede voorstad. Met haar in eene lijst van groen gevat kerkje en hare vriendelijke vallei, en met den achtergrond van indrukwekkende rotsen, hier en daar met laag geboomte getooid, vormt zij een allerbevalligst geheel.

Aan de grens van Pfaffenthal, en dit scheidende van de derde benedenstad, Grund, wekt een trotsche, over de vallei geslagen uit de bovenstad naar Clausen voerende boogbrug, de Schlossbrücke geheeten, de aandacht vooral door den poëtischen bouwval, die zich er midden op verheft: het overschot van een verdedigingswerk, Le Bouc, de Bok, geheeten. Dit is het eenige brokstuk dat nog bestaat van den Lützelburg, kleine Burcht, die zijn naam aan de thans zoo bloeiende stad heeft geschonken, en waarvan de grondslagen aan den oever der Alzette, op een rotsachtig, door dien stroom omkronkeld schiereiland, ter plaatse waar de Pétruse [5] zich in haar stort, in de 10e eeuw gelegd zijn door den toenmaligen graaf der Ardennen Siegfried. Deze koos het kasteel tot residentie. Later is dit in een geducht verdedigingswerk herschapen. Als gedenkteeken aan een roemrijk verleden wordt die bouwval onderhouden. De kazematten daaronder kunnen bezichtigd worden. Uit hun schietgaten heeft men heerlijke vergezichten te bewonderen.

Doch nauwelijks heeft men den tijd gehad even den blik te laten waren over dien verwonderlijk romantischen Grund met zijn doolhof van enge straten, kronkelende, glooiende steegjes en onregelmatig verspreide huizen, welke zich zoo schilderachtig weêrspiegelen in de door de wateren der Petrusbeek gezwollen Alzette, of het landschap wordt eensklaps aan uw oog onttrokken door een bocht, die de spoorwegbaan beschrijft. En aan weêrskanten aanschouwt men slechts wanden van graniet, tusschen welke de trein al ratelend doorloopt, tot men een paar minuten later het station bereikt.

Hier wachten thans den reiziger, behalve de omnibussen der hotels, een paar tramwagens, die hem langs een reusachtige viadukt, geslagen over de Pétrusse, naar een nieuw aangelegde, met vele winkels bezette straat voeren. Aan haar uiteinde, ter plaatse waar men de stad betreedt, verheft zich de Caserne du St. Esprit, Deze is in gebruik bij de gewapende macht, die, volgens het besluit der Londensche conferentie van 1867, waarbij ook de onafhankelijkheid en onzijdigheid van het Groothertogdom door de gezamenlijke groote mogendheden gewaarborgd werd, niet sterker mag zijn dan voor de handhaving der binnenlandsche rust en orde noodzakelijk wordt geacht. Laat men van die prachtige viadukt den blik gaan rechtsaf, over den omtrek, den Boulevard de ceinture en de beneden-steden met de haar doorkronkelende Petrusbeek en Alzette, dan aanschouwt men een panorama, dat zich onwischbaar in het geheugen prent.

Achter zich, in de verte, aanschouwt men de over eerstgenoemd stroompje geslagen Adolfsbrug, aldus genoemd naar den vorigen Groothertog. Het is een allermerkwaardigst massief bouwwerk, den 24 Juli 1903 voltooid: een brug, die met een enkelen boog, breeder dan die van welke andere brug ook ter wereld, het geheele dal overspant en daar de oevers verbindt ten behoeve van den spoorweg naar Echternach, waarvan het station paalt aan het Centraalstation.

De geheele omgeving maakt een gansch eigenaardigen, stouten indruk. Weinig steden kunnen in dit opzicht op één lijn met Luxemburg gesteld worden. Een woeste natuur heeft zich hier gehuwd aan de kunst. Grootsche en toch liefelijke tooneelen verrijzen er voor den blik. Eene prachtige en onvergetelijke wandeling vooral kan men maken, als men te voet of per rijtuig over de viadukt langs de genoemde kazerne, en dan over den Breitenweg naar de brug van het kasteel gaat en van daar in Pfaffenthal afdaalt en zoo naar den Boulevard of La Place du Théâtre zich begeeft. Hier en daar wijzen bakens de hoogten aan, tot welke vroeger de vestingwerken reikten, en vervullen u met verbazing over den reuzenarbeid, die vereischt werd om ze te slechten.

Met een verwijzing naar mijne Schetsen uit Luxemburg meen ik ter toelichting der hier opgenomen. Gezichten uit de schilderachtige hoofdstad te kunnen volstaan. Ik wijdde daar aan hare merkwaardigheden en geschiedenis, aan hare instellingen op het gebied van onderwijs, wetenschap en kunst een afzonderlijk hoofdstuk. Doch daarin kon ik toen, evenmin als van de Adolfsbrug nog melding maken van het monument op de Place d'Armes, pas een paar jaar geleden verrezen ter eere der nationale dichters Dicks (schuilnaam van Edm. de la Fontaine) en Michel Lentz, die ik beiden nog het voorrecht heb gehad persoonlijk te kennen.

Wat den welwillenden lezer in de bovenstaande bladen werd medegedeeld of onder de oogen gebracht, zal,--mag ik met een herhaling van dien wensch besluiten?--bij hem het verlangen wekken om eens, mocht hij daartoe de gelegenheid krijgen, in dit kleine maar in vele opzichten zoo merkwaardig landje een poosje de versterkende berglucht te gaan inademen en tevens hoofd en hart te verfrisschen door de kennismaking met wat het op velerlei gebied voor merkwaardigs oplevert. Hij zal daarvan geen berouw hebben!

AANTEEKENINGEN

[1] Deze photografieën werden bij het ten vorige jaren gehouden photografisch concours van _De Aarde en haar Volken_ met den vierden prijs bekroond.

[2] Revue des deux mondes, Année 1878 no 21, p. 227.

[3] M. A. Perk. Schetsen uit Luxemburg. Derde, herziene en vermeerderde druk, met een schetskaart van het groothertogdom en een wandelkaart van Diekirch en omstreken. Haarlem 1892.

[4] Witkamp in zijne belangrijke studie: De Nassau's en hun oudste burg in de Nederlanden (1874).

[5] Petrussa of Petressa, aldus geheeten naar den rotsachtigen bodem, over welken zij zich een weg baant.