In Luxemburg's Gutland De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
Die Nieuwe kerk, welke tegenover de _Esplanade_ zich verheft, is nog niet lang geleden gesticht. Even als de oude aan St. Lourens gewijd, werd zij opgetrokken in 1868 ter plaatse, waar de kapel stond van het thans tot school ingerichte en in de dagen der Fransche staatsomwenteling opgeheven, ten jare 1671 gestichte Franciskanerklooster. Zij wordt bediend door een pastoor-deken en drie kapelaans. In romaansch-byzantijnschen stijl, met twee torens gebouwd, heeft zij behalve een fraaie, wit marmeren Mater Dolorosa, het werk van den beeldhouwer Achterman, niets merkwaardigs.
IV
Mag Diekirch op zichzelf in menig opzicht een belangstellend bezoek overwaard geacht worden, nog in hoogere mate is dit het geval, wanneer men het kiest tot hoofdverblijf om te voet, per as of per spoor van daar uit aantrekkelijke uitstapjes te ondernemen.
In den naasten omtrek reeds kan men, zonder buitengewone vermoeienis of krachtsinspanning een aantal aangename wandeltochten maken, die een rijke bron van genot opleveren voor hen, wier gemoed waarachtig natuurschoon weet te waardeeren. Zij beginnen reeds zoodra men de stad verlaat en bieden zich van zelf aan. Uitgezonderd die over den Kaleberg, moet men de andere beginnen met eerst een eind den weinig belommerden straatweg te volgen. De krachtige, schaduwrijke boomen, die hem weleer bezoomden, zijn geruimen tijd geleden door het gemeentebestuur omgehouwen en door jeugdig plantsoen vervangen, en de voet van het gebergte is bekleed met korenvelden. Eerst hoogerop beginnen de bosschen. Daarenboven, tenzij men den straatweg langs de Sûre, westwaarts naar Ettelbrück of oostwaarts naar Bettendorf volgt, moet men niet tegen een beetje klimmen opzien. Die bergpaden evenwel behoeven u niet af te schrikken. Zij zijn in den regel niet steil, maar voeren geleidelijk _en zigzag_ naar den top. Wel kan men dien in korteren tijd bereiken, doch dan heeft men smalle, sterk-hellende laantjes te bestijgen. De moeite wordt echter rijkelijk beloond, als men het doel heeft bereikt. Te bejammeren is het--misschien is hierin verandering gekomen--dat er nergens banken worden aangetroffen. Die ontbreken ten eenenmale. Er blijft geen andere keus over om de vermoeide ledematen uit te strekken, dan op het gras aan den zoom van het bosch of op een rotsblok. Het gemeentebestuur zal een goed werk doen en de vreemdelingen, die de stad bezoeken en wier aantal jaarlijks toeneemt, zeer aan zich verplichten door hier en daar eenvoudige, uit boomtakken vervaardigde zetels te plaatsen, zooals op den Kaleberg reeds is geschied. Evenzoo zullen de wandeltochten nog veraangenaamd worden, wanneer in de bosschen betere paden zijn gebaand. Een genoegen is het mij thans te kunnen mededeelen, dat in dit opzicht een krachtige hand geslagen werd aan eene verbetering van den toestand. De ettelijke jaren geleden te Diekirch opgerichte Verschönerungs-verein, door het landsbestuur en de stedelijke regeering gesteund, beijvert zich, ook met hulp der vrijwillige bijdragen van de ingezetenen, den omtrek te verfraaien en de schoonste punten toegankelijk te maken. Aan haar heeft men, gelijk ik reeds mededeelde, de zoo aanbevelenswaardige wandeling naar den Haart te danken. De aanleg van den reeds hierboven genoemden Kaleberg (koude-berg) mag als een proeve van wat zij in staat is tot stand te brengen, worden beschouwd.
Voor die wandeling behoeft men de brandende zonnestralen niet te trotseeren. Zij begint aan het einde der zoogenaamde Esplanade, die naar de Place Guillaume voert. Men slaat daar den zoogenaamden hollen weg, _chemin creux_, achter de Bierbrouwerij in, tegen de helling van den Seitert, links van den weg naar Stavelot. Onder het toezicht en naar de plannen van wijlen den districts-ingenieur Hartmann is daar, gedeeltelijk voor rekening van den Staat, gedeeltelijk voor die van de Gemeente, in 1880 een groot stuk van de berghelling tot een prettig wandeloord gemaakt. Een pad is er in het bosch aangelegd van één tot twee meters breedte, langzaam rijzend, nu eens glooiend, dan langs trappen uit boomstammen vervaardigd naar boven voerend tot op den top van den Seitert. Hier en daar heeft men met veel takt openingen gemaakt tusschen het geboomte om een vergezicht te hebben op de naburige bergen. Men vindt er ook rustieke banken en zetels, zelfs tafels met leunstoelen. Uitnemende plekjes voor dames, om daar met haar handwerkje den ochtend door te brengen. Houten bruggen geleiden over de door bergstroompjes gegraven ravijnen. Halverwege is een in rustieken stijl gebouwde kiosk, die als muziektent moet dienen. Daar hebben van tijd tot tijd ook uitvoeringen der stedelijke kapel plaats. Het is een uitnemend terrein voor een bal champêtre.
Wil men de wandeling voortzetten en een genotvol uurtje doorbrengen in een wezenlijk bosch, waarin pijn en den en spar met hun verfrisschende geuren de lucht bezwangeren, dan volgt men het middenpad van den Kaleberg, dat uitloopt op een kleine hoogvlakte. Deze steekt men over, recht uit, en komt dan binnen weinige minuten in het Friedbusch. Dit wordt door verschillende voetpaden doorsneden. Rechts afslaande bereikt men de bovengenoemde heirbaan naar Stavelot. Links af, die naar Erpeldange of Erpeldingen. Wil men, na den Kaleberg te hebben bezocht, dadelijk stadwaarts keeren langs een anderen weg, dan slaat men het pad in, dat in linksche richting is aangelegd en om den berg heenloopt, en betreedt Diekirch weder langs de Flossbach en den Flossweg.
Van den Herrenberg, op welks top een groote landhoeve, de Schwartzhof zich uitstrekt, heeft men een heerlijk gezicht op de stad en het gansche dal van de Sûre. Die berg verheft zich aan een hoek van het schiereiland, door de Blèze of Blees en de Sûre gevormd, en ligt geheel op zich zelf aan de noord- oost- en zuidzijden. Het riviertje, dat tusschen groene weiden en met goudgeel graan beladen akkers voortkronkelt en dat men over een groote uitgestrektheid met het oog volgen kan; het stedeke, dat u zoo vriendelijk toelacht, als noodde het u binnen zijne muren terug te keeren; het gebergte aan de overzijde met de boschrijke hellingen en de valleien, die de verschillende deelen, waaruit het samengesteld is, scheiden; het op een kleinen afstand gelegen dorpje Gilsdorf met zijn witte huizen en zijn kerkje, dat zoo scherp uitkomt tusschen de populieren, die het omgeven en tegen den achtergrond, gevormd door de hoogten van den Grilsdorfer-Ban.... alles is even liefelijk en trekt onwederstaanbaar het oog tot zich.
Ook het doorkruisen der kleine valleien tusschen de bergen, die den achtergrond vormen van het landschap, waarvan Diekirch het middelpunt is: de Herrenberg, de Seitert, de Schützenberg en de Goldknap, verschaft een groot genot, niet minder dan het dwalen langs hun flanken en over hun toppen.
Het verblijf te Diekirch wordt aanmerkelijk veraangenaamd, wanneer men goed ter been is. Men kan dan te voet allerlei uitstapjes doen en op de schoonste punten zoolang men wil vertoeven, terwijl men, in een rijtuig gezeten, door het rijzen of dalen van den weg gedwongen wordt steeds voort te gaan. Trouwens, de afstanden zijn niet groot. Een gemak is het daarenboven, dat men dezen per kilometer op steenen palen langs de straatwegen aangeduid vindt, terwijl op de kruispunten der heirbanen overal wegwijzers zijn opgericht. Men weet dus altoos of men de goede richting volgt. Ook heeft men geen vergissingen of teleurstellingen te duchten en blijft gevrijwaard voor de onaangename ervaring, welke men zoo vaak ten onzent op het platteland ontmoet, wanneer men hoort spreken van "een goed kwartiertje", terwijl men soms een uur heeft af te leggen.
Een alleraangenaamste wandeling vindt men aan de overzijde der rivier langs de Sasselbach, beek der Saksen, die, na een uitgestrektheid van zes à zeven kilometers te hebben doorloopen, zich tusschen Gilsdorf en Diekirch in de Sûre stort. Volgt men stroomopwaarts de smalle vallei waarin zij zich voortspoedt, dan komt men eindelijk in de nabijheid van een meelfabriek en brandewijnstokerij, verscholen in de diepte aan den straatweg naar La Rochette tusschen weelderig groen, waaruit het geklik-klak van het molenrad u tegenklinkt. Een landhoeve is er aan verbonden. Uitgestrekte korenakkers en aardappelenvelden strekken zich aan de andere zijde uit. Nijverheid, landbouw en veeteelt te gader hebben daar hun zetel opgeslagen. De inrichting, Moulin-Tschiderer geheeten, is een bezoek overwaard. Met welgevallen zal men de zware ossen en stevige schapen aanschouwen, die men hier fokt om ze later ter markt te brengen of uit te voeren naar België en Duitschland. De melk der koeien wordt in de stad uitgevent. De afval der fabriek dient tot voedsel voor het vee. Niets gaat verloren, terwijl de grondstoffen in de nabijheid worden verbouwd.
Dicht bij die fabriek, vormt de Sasselbach drie watervalletjes, als ten minste de droogte des zomers niet te lang heeft aangehouden. Onwillekeurig wordt men daar uitgelokt zich in de schaduw van het zwaar geboomte aan den oever neêr te vlijen en, luisterende naar het geklots en gekletter der schuimende golven, zich in zoete mijmeringen te verdiepen. Van hier keert men naar Diekirch langs den straatweg terug. De geheele wandeling duurt een anderhalf uur. Men kan die ook ondernemen van Gilsdorf over Folkingen, dat een oud kasteel bezit, thans in een pachthoeve hervormd. Op een half uur afstand ten zuidoosten van dit dorp, in het bosch tusschen Medernach en Stegen, ontspringt de Sasselbach.
Wat Diekirch als hoofdverblijf bovenal aanbeveelt, is dat het door zijne ligging beter dan eenige stad van het groothertogdom geschikt blijkt voor langere uitstapjes, per spoortrein of rijtuig te maken. Een volledig programma wordt u daarvoor aangeboden en is ook in een aanhangsel achter mijn Schetsen opgenomen. Naar gelang van den tijd, waarover gij te beschikken hebt, kan dit worden ingekrompen of uitgebreid: in noordelijke richting naar Vianden, Clairvaux, Bourscheid, Wiltz, Esch-le-Trou; oostelijk naar Beaufort, Echternach, het Müllerthal; zuidwaarts naar La Rochette, Meysemburg, Mersch en haar omtrek, de vallei der Alzette en de hoofdstad. In de stad zijn uitnemende rijtuigen verkrijgbaar: landauers, omnibussen, victoria's, breaks, chars-à-bancs, open en gesloten. Bij heele of halve dagen en naar het aantal paarden, dat men noodig heeft, worden de prijzen van een rijtoer berekend. Een wagen met twee paarden kost voor een geheelen dag 20 fr., voor een halven 12 fr.; met één paard 7.50 fr. voor een halven en 12 fr. voor een geheelen dag. Toch kan de toestand van den weg wel eens een verhooging van den prijs noodzakelijk maken.
V
Onder de uitstapjes, die bij een eerste, zelfs kort verblijf te Diekirch worden aanbevolen, behoort dat aan de ruïnen van Bourscheid, anderhalve kilometer van het dorp van dien naam gelegen op den top van een hoogen berg, wiens voet door de Sûre wordt gekust en waaronder men bij Michelau in een langen tunnel voortspoort. Ik wees reeds in mijn inleiding op de stoute en verheven tooneelen, die de oevers der Boven-Sûre aanbiedt, eer zij bij Ettelbrück de Alzette in haren schoot opneemt.
Die ruïnen, een der schoonste proeven van militaire architektuur uit de middeleeuwen, zijn de overblijfselen van een kasteel, dat aan het gevaar ontkwam van, als zoovele andere burchten door een Fransch leger onder den maarschalk de Boufflers, die als een geesel het hertogdom doortrok, te worden verwoest, toen het bij de eerste opeisching zich haastte zijn poorten te openen. Een eeuw later werd het door de Fransche republikeinen geplunderd en ontmanteld. Langzamerhand in een bouwval herschapen, tot staatseigendom verklaard en ten verkoop aangeslagen, kwam het in het bezit der familie Vannérus. Was de burcht voorheen de trots van den ganschen omtrek, thans wekt de verhevenheid der ruïne, die de vallei bestrijkt en van verre den blik onweêrstaanbaar tot zich trekt, de bewondering van den toerist. Te midden eener indrukwekkende en woeste natuur is zij als neêrgeworpen op een soort van voorgebergte, dat, vierhonderd meters hoog, aan drie zijden door de wateren der zich er omheen kronkelende Sûre wordt omspoeld. Die dubbele rij wallen, kolossale torens, gescheurde muren en steenklompen, waarheen een steil pad u voert, geven een hoog denkbeeld van de macht der voormalige bewoners, die van de 9de tot de 13de eeuw een groote rol speelden in het gewest. In de 16de eeuw stierf hun huis uit en kwam de baronnie aan de Heeren van Metternich, die het tot aan de fransche revolutie behielden. De laatste baron verliet toen het land en liet zijn bezittingen in den steek, die dan ook verbeurd werden verklaard.
Op verschillende wijzen kan men den bouwval bereiken. Ten eerste per spoortrein van Diekirch en verder langs de lijn Ettelbrück-Pepinster tot de eerste halt, Michelau, het dorpje, dat zich langs de Sûre aan den voet van een hooge heuvelenrij, met zijn vriendelijke landouwen, boomgaarden en tuinen uitstrekt. Daar gaat men de rivier over en bestijgt den berg, wiens beklimming een 25-tal minuten duurt, om hem iets verder, tegenover het dorpje Goebelsmühle, af te dalen en van daar per spoor terug keeren. Doch ik geloof niet dat de tocht, op die wijze gemaakt, al het genot oplevert, 't welk men smaken kan. Klimmen blijft altoos vermoeiend, en men is te veel aan den tijd gebonden. Daarenboven mist men de heerlijke gezichten, die men heeft als men over Ettelbrück, Warcke en Buerden per as zich er heen begeeft, om dan aan de zijde van Michelau af te dalen en verder den straatweg naar Diekirch te volgen.
Op die wijze begaf ook ik mij de eerste maal daarheen.
Wij sloegen te Ettelbrück rechtsaf eene zijstraat in, die langzamerhand rees, reden het reeds veel hooger gelegen dorp Warcke door, en stegen steeds tusschen graanvelden, afgewisseld door hellingen, met kort eikenhout beplant. Merkwaardig was het verschil tusschen de natuur aan gindsche zijde van het dal, dat wij hadden doorgereden, en die welke ons omringde. Wij waren op de grens van het barre Oesling. Welk een tegenstelling tusschen de dorheid en de schraalheid van den rotsachtigen bodem ginds, en de weelderigheid beneden! Daar onvruchtbaarheid en grauwe steenklompen, hier rijkdom en verscheidenheid van voortbrengselen van den grond. Hoe hooger wij stegen, des te meer begon ook onze omgeving het karakter van het Oesling te vertoonen. Het loofhout verdween weldra. Enkele dennen vertoonden zich nog. Alleen heidebloempjes of boekweit zagen wij den bergrug tooien. Het was spoedig gedaan met allen plantengroei. Geen heester, geen kruidje, geen bloem kon ons oog meer ontdekken. Het rijtuig hadden wij wegens het sterke stijgen van den weg verlaten. Eindelijk bereikten wij eene hoogvlakte. Overal, in alle richtingen, aanschouwden wij nieuwe bergen, wier omtrekken minder scherp werden en wier tinten ineensmolten. Achter ons, in het verschiet, de hoogten tegenover Diekirch. Eenige meters beneden ons, aan onze rechterhand, verhief zich de spits van een dorpskerkje. Het was de toren van Buerden.
Treffend schoon is vooral het panorama, u even voorbij Buerden aangeboden, wanneer gij de bergvlakte, waarop het dorp ligt, bereikt. Bij het zwenken van den weg ziet gij de ruime bergkloof liggen, terwijl aan de andere zijde de gemeente Heiderscheid in de diepte zich schijnt te willen verbergen, en een kerktoren en eenige huizen, die van het dorp Welscheid, zich op grooten afstand tegen den horizon scherp afteekenen.
Wij reden verder door, steeds klimmende. Na in het dorp wat te hebben gepleisterd, daalden wij gedurende een kwartier ongeveer, naar een lager gelegen bergtop af, en bezochten de ruïnen. Aan de zijde van Michelau verlieten wij den bouwval. Wij bleven steeds dalen. De weg levert wel eenige bezwaren op.
Het pad is langs die zijde in den berg, den hoogsten van het geheele groothertogdom, zigzagsgewijze uitgehouwen. De helling is steil. Men ziet dus altoos aan zijn linker- of rechterzijde het naar beneden voerende, als een breed lint zich slingerende pad. Het gezicht van dien gapenden afgrond is voor velen ijzingwekkend. Een zijsprong van een der paarden.... en gij loopt gevaar naar beneden te tuimelen en in de rivier terecht te komen.
Nochtans is die angst overdreven, gelijk ik uit eigen ervaring kan getuigen. Al zit men niet volkomen op zijn gemak, toch moet men uit vrees voor een beetje ongerustheid niet het heerlijke schouwspel prijs geven, dat de rit naar Bourscheid over Ettelbrück schenkt. De paarden zijn aan dien tocht gewoon. En nooit of nimmer heeft men van een ongeluk gehoord, een toerist overkomen. Trouwens, men kan denzelfden weg, waarlangs men gekomen is, terug nemen.
Eene zeer loonende rijtoer is ook naar La Rochette of Fels.
Bij de brug, die de beide oevers der Sûre verbindt, aan de overzijde der rivier, begint een langzaam rijzende breede straatweg. Zigzagsgewijze voert deze in zuidelijke richting naar den top van den Haart en geleidt verder naar La Rochette. De afstand bedraagt twaalf kilometers. Aanvankelijk blijft Diekirch in het gezicht, en kan men eenigen tijd den loop van den stroom volgen. Een steil voetpad brengt evenwel veel spoediger en in rechte lijn naar het punt, waar het Sûredal zich aan uw blik onttrekt. Daar verbreedt zich ook de vallei aan uwe linkerhand, en ontwaart gij in de diepte de reeds vroeger besproken fabriek, naar den eigenaar _le moulin Tschiderer_ geheeten.
Hier begint de weg sterk te rijzen. De paarden kunnen niet dan stapvoets voort. Gij nadert allengs het hoogste punt, en snel gaat het dan naar beneden. Tot tweemalen toe evenwel moet gij een bergrug beklimmen, en staart gij van den top in een eerbiedwaardige diepte neder. Vlak tegenover u verrijst dan een andere berg, naar wiens spits een sterk hellend, bijna loodrecht pad voert. De bestijging daarvan schijnt voor de paarden van het rijtuig bijna een volslagen onmogelijkheid. Die wegen zijn evenwel in werkelijkheid veel minder steil dan ze op eenigen afstand lijken. Geleidelijk is hun glooiing. Hier en daar, bij verbreeding van het dal, waarin zij aangelegd zijn en waar het uitzicht ruimer is, geven zij u de liefelijkste natuurtooneelen te bewonderen. Maar ook wederom verder, als zij u langs dichte bosschen of voorbij rotsachtige, met wild gewas beplante hellingen voeren, komen ze u somber en eenzaam voor. De rotsen zijn echter hier, evenmin als elders in het groothertogdom, geheel onvruchtbaar. Gij ziet ze met graan of met klein laag hout begroeid en hooger op met forsche boomen getooid. Hunne toppen alleen zijn kaal. Daar vertoont zich de schraalheid van den bodem, die zulk een contrast vormt met den rijkdom en de welvaart aan den voet.
Men rijdt het dorp Medernach door, waar eenigen tijd geleden een prachtig mozaïek is gevonden, thans in het museum te Luxemburg geplaatst, en voortdurend munten en oudheden worden opgedolven. Altemaal getuigenissen ter versterking van het vermoeden, dat hier een Romeinsche nederzetting is geweest. Eindelijk komt men in het dal, waarin het plaatsje aan de Erenz ligt, hier de Erenz Blanche of Haute Erenz geheeten, ter onderscheiding van een anderen, daarmede evenwijdig loopenden tak, de Erenz Noire. Beide ontspringen op den Grünewald en storten zich, gelijk ik reeds vroeger opmerkte, in de Sûre, de eerste bij Reisdorf, de tweede bij Grundhof. Tweemaal doorsnijdt het riviertje den straatweg, eer deze La Rochette bereikt. Nu eens heeft men het links, dan weder rechts. Fraai is vooral het laatste gedeelte van den weg. Met ingenomenheid rust het oog aan wêerskanten op de bergruggen. 't Is een der meest romantische dalen van het zoo schilderachtige land. Het vlek strekt zich als het ware in twee verdiepingen aan den voet van den berg uit, aan alle kanten ingesloten door torenhooge rotsen in de schilderachtigste vormen en groepeeringen. Het marktplein wordt besproeid door de rivier en bestreken door de bovenstad en een om zijn uitgestrektheid en hoogte indrukwekkend rotsgevaarte, dat achter haar verrijst en aan de noord- en westzijde om de steilte zijner wanden ontoegankelijk is. Op den top van dat gevaarte, waarnaar het vlek den naam van La Rochette of Fels heeft ontvangen, verheffen zich, scherp afstekend tegen het blauwe hemelgewelf, de indrukwekkende bouwvallen van een middeleeuwschen ridderburcht, te midden en boven allerlei heestergewas en hoog opgaand geboomte, dat een schaduwrijk, met lanen doorsneden park vormt. Het zijn brokken van torens en muren, met weelderig groen getooid. Ook kan men nog de overblijfselen onderscheiden der wallen, die het stedeke, na zijne vrijverklaring, tegen elke vijandelijke aanranding moesten beschutten.
Op die rotsachtige hoogvlakte, die een door de natuur zelve gebouwde forteres gelijkt, is het tusschen de ruïnen stil en eenzaam. Een huivering moet, dunkt mij, ieder bevangen, die er bij het vallen van den avond ronddoolt.
De bouwvallen bieden op zich zelve weinig merkwaardigs aan, dat tot een bezoek uitlokt. Maar het uitzicht, dat men van daar heeft op de omringende heuvelen, het pittoreske plaatsje en het dal, waarvan het als het ware het middelpunt vormt, beloont ruimschoots de moeite van de zeer lastige beklimming. Deze is echter door de zorgen van den plaatselijken Verschönerungs-Verein wat gemakkelijker geworden. Tien minuten ongeveer voorbij het marktplein bereikt men het pad, dat naar boven voert. Links en rechts van den ingang verheffen zich als schildwachten twee rotsblokken, waarin kelders zijn uitgehouwen, de eene bestemd voor de bewaring van de schatten van Bacchus, de andere voor die van Cambrinus. Tusschen die reuzen van graniet stijgt men langzaam op naar de rotskruin, onder het loof van beuken en dennen, terwijl een verkwikkende koelte u te gemoet stroomt. Deze kruin draagt den naam van Scheffendelchen en is bekroond met het overschot van een voormaligen slottoren, "Verloren kost" geheeten. Hier en daar maken trappen de opklimming lichter. Op gevaarlijke punten zijn hekken geplaatst en daar, waar een schoon uitzicht zich voordoet, banken. In afwachting van de dingen die komen zullen, wandelt men voort. Op de rotsvlakte aangeland, ontwaart men aan zijn voet, in de gapende diepte, waarin een stevig ijzeren hek u belet neêr te storten, het pad, langs hetwelk men gekomen is. Een heerlijk schouwspel biedt de tegen u overliggende ruïne met het schilderachtige landschap, dat zij bestrijkt. Op deze wandeling wijst men u ook het punt, waar indertijd de veldstukjes geplaatst werden, uit welke het kasteel door Boufflers beschoten is geworden.
Over de stad en het geslacht, dat tot de beroemdste van Luxemburg behoorde en van wier Heerlijkheid zij de hoofdplaats en het middelpunt was, handelde ik in mijn Schetsen.
VI
Wie evenwel slechts een enkelen dag te Diekirch vertoeft, blijve niet in gebreke eenige uren af te zonderen voor een bezoek aan het, op twaalf kilometers ten N. O. van Diekirch gelegen Vianden.
Het romantische natuurschoon, dat de weg derwaarts oplevert; de pittoreske ligging van het stadje; de indrukwekkende bouwvallen, die het bestrijken en in uitgestrektheid en schoonheid de ruïnen van de Rijnoevers verre overtreffen; de geschiedkundige herinneringen, aan dit oord vastgeknoopt, noodigen als om strijd den toerist dien tocht te aanvaarden. Voor den Nederlander heeft deze een aantrekkelijkheid te meer. Die klassieke plek immers was de bakermat van dien tak der Nassau's, die zich in de Nederlanden vestigde, met opoffering van goed en bloed ons vaderland aan het Spaansche dwangjuk zich hielp ontworstelen en, na met eer en roem zich te hebben overdekt, er in 1815 de koninklijke waardigheid verwierf. Daar droegen de stamhouders van ons Oranjehuis, vóór eeuwen reeds, de grafelijke kroon en waren zij met souvereine macht bekleed.
Geen landgenoot dan ook "wien Neêrlandsch bloed in de aderen vloeit", die deze streek bezoekt en niet in bedevaart zijne schreden richt naar den alouden stamburcht, waar het eerst in de Nederlanden de banieren van de Nassau's wapperden.