In het Schemeruur

Chapter 5

Chapter 54,335 wordsPublic domain

"Was het anders niet?--Over een half jaar moest hij toch van school af. Had hij, als vader, zijn zin gekregen, dan had de jongen verleden jaar de school al verlaten. Hij kon hem toen bij een schoenmakersbaasje, als loopjongen, voor een halven gulden in de week gekregen hebben. Jammer genoeg; want iedere week een halven gulden meer is toch ook geen kleinigheid! Met nog een kwartje er bij was het juist de huishuur! En wat beteekende al dat leeren? Hijzelf kende immers geen _a_ voor een _b_, en hij had toch altijd te eten, 's zomers van hetgeen hij verdiende, en 's winters van de bedeeling!"

"Och, vader, houd toch op met dat geleuter over de school," riep de moeder. "Doe me het pleizier en zwijg ervan!"

"Nu, ik zal zwijgen!" was het antwoord en kort daarop ging hij, na een pijpje opgestoken te hebben, de deur uit.

's Middags kwam Willem in de school. Hij vertelde de waarheid, heelemaal de waarheid! Maar meester was een streng man en maakte met niemand eenig onderscheid. Hij nam zijn schoollijst en Willem kreeg één aanteekening van willekeurig schoolverzuim.

II.

Het was misschien een maand later en op een mooien Donderdagmiddag, dat er aan het spoorwegstation heel wat drukte en beweging was. Wel honderdtwintig kinderen waren onder geleide van twaalf onderwijzers in den trein gestapt om te R. den dierentuin te gaan bezichtigen.

En waar kwamen die honderdtwintig kinderen vandaan?

Ik zal het je zeggen.

In de stad waarin Willem woonde, waren eenige heeren op de armenscholen gekomen en hadden gezegd:

"Meneer, al de kinderen die gedurende een geheel jaar geen enkelen keer voor willekeurig schoolverzuim zijn aangeteekend, moet u eens opgeven!"

"Dat wil ik wel doen, heeren," antwoordde Willems onderwijzer. "Maar welk plan heeft u daarmee?"

"Wel," zei toen een, "om de kinderen voor dat trouwe schoolbezoek te beloonen, zullen wij ze den dierentuin te R. eens laten zien!"

Dat vonden al de onderwijzers goed en de kinderen natuurlijk ook.

Willem ging op school D. en toen de hoofdonderwijzer vertelde wat er gebeuren zou, noemde hij veertien namen op van kinderen, die het geheele jaar lang geen enkelen keer "zoo maar" waren thuis gebleven.

De veertien namen waren genoemd,--meester noemde ze nog eens, het papier werd gevouwen.... Ach, Willem was er niet bij!

Hij stond op de lijst voor één keer willekeurig schoolverzuim, dat wist hij.

Maar kon hij dat helpen?

Was dat zijn schuld?

Neen, die poets had die man uit de stadsapotheek hem gebakken, en toen hij de school uitging kon hij niet nalaten, eens even naar de apotheek te gaan.

Om dien boozen man kwaad te doen?

Neen, dát niet; maar als hij hem zag dan zou hij zijn tong toch wel eens tegen hem uitsteken, weet je!

Zoo'n leelijke vent!

De man was niet in de apotheek, en met een boos hoofd ging Willem nu maar naar huis.

Vader kwam dien middag niet thuis eten. Hij was buiten de stad op een karwei en Mietje moest hem zijn potje maar brengen. Ze zou op verzoek van moeder, die nu weer beter was, van dat pleizierreisje van sommige kinderen maar geen woord spreken; want hij zou er misschien aanleiding in vinden om Willem maar van school te nemen.

Het middagmaal was afgeloopen en baloorig ging Willem de straat op. Zou hij naar school gaan?

"Neen," bromde hij, "nu blijf ik vanmiddag eens stilletjes thuis! Hebben die andere jongens en meisjes pret, ik wil het ook hebben!"

Zoo in zichzelven pratend, liep hij maar verder en verder tot dicht bij het station.

Lieve schepsel, hoor eens wat een gejuich! Wat een gejoel!

Jawel, daar zingen ze al:

"Wilhelmus van Nassauen!"

De tranen kwamen onzen knaap in de oogen toen hij dat hoorde, en schreiend zette hij zich op een bank.

"Daar heb je warempel dien huilebalk alweer!" riep plotseling een stem dicht bij hem, en opkijkend, ontdekte Willem denzelfden ouden man, die een maand geleden zoo vriendelijk voor hem geweest was.

Hij droeg nog precies dezelfde kleeren en was nog niemendal veranderd.

"En wat scheelt er nu weer aan?" vroeg de oude.

"Niets! Niemendal! Neen, niets!" antwoordde Willem, keerde zich om en draaide hem zijn rug toe.

"Wel, wat een vriendelijke jongen is dat geworden," zei de oude. "Kom, ik ga een beetje naast hem zitten!"

Hij deed het, doch zette zijn dikken doornstok dwars over Willems beenen heen, zoodat deze, die eerst hard wilde wegloopen, er nu op bleef kijken, als een haan op een krijtstreep.

"Hoor eens, maatje, ik wed, dat ik weet wat er aan hapert! Wil ik er eens naar raden, zeg?"

"Neen! neen!"

"Wel, hoor me nu zoo'n stijfkop eens aan! Dat is zoo kortaf als een gebroken pijpesteeltje. Ja, ja, vanmiddag zeker spinnekoppen of oorwurmen gevangen, is het niet?"

"Neen! Houd op met plagen!"

"Of zure karnemelk gegeten?" hervatte de oude.

Of Willem nu wilde of niet, daar hielp niets aan; hij moest schreien en lachen te gelijk.

"Aha," zei de man, "het zonnetje schijnt en het regent! Nu ga ik raden! Huil je ook omdat je niet met dat troepje jongens en meisjes mee mag? Zeg?"

Het ijs was gebroken. Willem begon opnieuw te schreien, zei eindelijk: "ja!" en toen de vriendelijke man hem vroeg hoe dat gekomen was, vertelde Willem weer de heele geschiedenis.

"Zoo, zoo!" hervatte de oude man, "zit de vork zóó in den steel? En nu heb je vanmiddag zeker vacantie?"

Willem durfde niet liegen en eindelijk kwam het er uit, dat hij stilletjes uit school wilde blijven.

"Dat is goed! Daar doe je wijs aan!" zei de man.

Willem keek hem aan, alsof hij vragen wilde: "Nu fop je me toch?"

"Neen maar, dat is dan toch eens heel verstandig van je, hoor! Nu moet je net eens thuis blijven en niet school komen, dan doe je den meester schade en je zelf voordeel; want er is voor jongens geen betere plaats op de wereld dan de straat. Ze leeren er liegen, luieren, vloeken, bedriegen, kwaaddoen en ik weet niet wat al meer! Nu, nu, waar moet je nu weer heen?"

Onderwijl die oude man zoo sprak was Willem opgestaan en wilde wegloopen.

"Nu zeg, waar moet je heen?"

"Naar school, meneer! Och toe, laat me maar gaan, als ik hard loop, dan kom ik nog niet te laat!"

"Zoo? Nu, je bent verstandiger dan ik dacht! Maar zeg, heb je Zaterdagmiddag ook school?"

"Neen, meneer!"

"Moet je dan ook boodschappen doen?"

"Neen, meneer! Ik mag altijd den heelen Zaterdagmiddag spelen!"

"Best. Ik woon een half uurtje hier vandaan aan den straatweg. Het eerste huis aan je linkerhand, als je den tol voorbij bent. Kom je me Zaterdagmiddag dan eens opzoeken om eens wat met me te praten?"

"Ja, meneer, graag, heel graag," riep Willem, en als een pijl uit den boog snelde hij heen.

Hij kwam juist nog bijtijds op school en weinig middagen waren er geweest, dat hij zóóveel geleerd had.

Wat hunkerde hij naar dien Zaterdag! En toen die dag er was, wat was hij toen blij!

Alsof hij dicht bij het tolhek den Brijberg uit Luilekkerland zou vinden, zoo vroolijk ging hij er heen, en toen hij nog geen kwartier geloopen had, kwam hij den ouden man al tegen.

"Ik dacht: ik zal mijn vriendje maar tegemoet gaan; hij moest anders eens verdwalen," zei hij en begon toen over allerlei dingen te praten.

Eindelijk kwamen ze bij een aardig huisje.

"Ziezoo," zei de oude, "hier woon ik! Kijk nu maar eens op de deur, dan weet je hoe ik heet en wat ik ben!"

Willem keek op, en las van een koperen plaatje, dat op de deur geschroefd was: G. _Balsem_, _Veearts_.

Het aardige huisje zag er van binnen nog netter uit dan van buiten, en het tuintje, dat er achter lag, was een lust om te zien, zoo netjes als het er uitzag. Mooier bloemen waren er zelfs op de bloemmarkt niet te vinden.

En terwijl ze daar samen in den tuin zaten, vertelde mijnheer Balsem, dat hij in zijn jeugd een heel arme jongen was geweest, die niet al te best wilde oppassen. In plaats van naar school te gaan, bleef hij heel dikwijls stilletjes op straat loopen, en daar leerde hij zooveel, dat hij, toen hij negentien jaar oud was, als koloniaal naar de West kon gaan. Hij werd oppasser bij een kapitein, en dat was gelukkig een bovenstbeste man, die den jongen Balsem op het goede pad terugbracht en hem zelfs heel goed leerde lezen, schrijven en rekenen. Eens in een ledige kamer, die zoowat tot pakhuis gebruikt werd, snuffelend, vond hij een boek, waarboven stond: _De verstandige veehouder_. In zijn ledige uren las hij er in, en eens toen het paard van een luitenant niet wel was, had hij het geluk het dier te genezen. Van dien tijd af was er geen paard of koe in den omtrek ongesteld, of Balsem werd er bij gehaald, en dikwijls wist hij met eenvoudige middelen de dieren beter te maken. Toen zijn tijd om was en hij weer naar huis kon gaan, had hij een aardig sommetje bespaard. Zijn ouders waren in dien tijd gestorven, en daar niemand in zijn geboorteplaats veel met hem ophad, ging hij hier wonen, schroefde het koperen plaatje, dat er nóg op was, aan zijn deur, en begon in het vaderland als veearts van meet af aan. In zijn ledige uren, die hij in het begin veel had, las hij allerlei boeken over de ziekten van het vee, en eer er twee jaren verliepen, noemden al de boeren in den omtrek hem: _den knappen veearts_. En, dat bracht hem voordeel aan ook. Hij kreeg het verbazend druk en verdiende veel geld. Later trouwde hij en kreeg twee zoons, die nu zelf al getrouwd waren. "Kijk," dus eindigde hij zijn vertelling, "daar ginder in dat boerenhuis met dat roode pannendak, daar woont mijn oudste zoon Jan. Hij is boer en het gaat hem goed. Mijn jongste zoon is paardenarts bij de dragonders en hem gaat het ook goed."

Nog altijd zat Willem te luisteren of de oude man nog meer zou vertellen.

Deze deed het echter niet, maar vroeg eensklaps: "En wat zal jij worden, kameraad?"

"Ik weet het niet," antwoordde Willem, "maar ik zou wel bloemist willen worden; want ik houd veel van bloemen!"

En hierop vertelde hij, hoe hij voor dat dubbeltje een reseda-plantje voor zijn moeder gekocht had, en hoe mooi dat bloeide.

"Nu maar, dat is allemaal niemendal," zei Balsem. "Schoolgaan is in de eerste jaren nog maar de boodschap; want het gaat tegenwoordig niet meer, manneke, om met weinig te weten in de wereld vooruit te komen. Toen _ik_ jong was, kon dat nog, dat zie je; want o, ik weet zoo bitter weinig, en toch ben ik rijk geworden. Maar, als ik nu nog eens van meet af aan moest beginnen, en ik wist niet meer dan ik nu weet, dan werd ik misschien ook nog opperman, net als je vader!"

Toen Balsem zoo een en ander verteld had, ging hij met Willem wat in den tuin wandelen en leerde hem nog heel wat van sommige bloemen, waarvan de knaap nog nooit gehoord had, en toen hij naar huis ging, gaf hij hem een boek mee om er wat in te lezen. Iederen Zaterdag mocht hij bij hem komen, en als hij niet thuis was, zou de oude vrouw er toch zijn, dan kon hij die vertellen wat hij gelezen had, en zij zou hem dan wel een ander boek geven.

Zoo gingen de zomer, de herfst en de winter voorbij;--zoo werd het Maart.

"Wat scheelt er nu weer aan, jongen?" vroeg Balsem, toen Willem met roodgeweende oogen op een Zaterdagmiddag bij hem kwam.

"Och, meneer, ik moet van school af!"

"Van school af, jij? En hoe oud ben je?"

"Twaalf jaar, meneer!"

"En wat moet je dan gaan doen?"

"Vader heeft me bij zijn baas gedaan, en overmorgen moet ik al beginnen met steenenbikken."

"Maar dat wil ik niet hebben. Is je vader thuis?"

"Neen, meneer; maar morgenochtend wel!"

"Best, dan kom ik zelf morgen eens met je vader praten, hoor! Ik heb nu geen tijd; want ik moet naar mijn zoon; want die heeft twee zieke koeien. Hier, dit boek heb ik voor je gereedgelegd, lees er maar veel in. Dag, Willem!"

"Dag, meneer!" antwoordde de kleine steenenbikker, en ging naar huis.

Den anderen dag kwam Balsem bij Willems vader, doch hoe mooi de brave en verstandige veearts ook sprak, de opperman wilde niet toegeven. Willem moest van de school af en Maandag aan het werk. Hij was het nu al lang zat om voor zulk een grooten jongen nog langer te werken. Hij kon den kost best zelf verdienen, ja, dat kon hij.

Toen mijnheer Balsem thuis kwam, was de eerste vraag, die hij zijn vrouw deed: "Zeg eens, Bet, zou je er veel tegen hebben, als ik een loopjongen in huis nam?"

"Maar, wat haal je nu toch in je hoofd? Ben je dan van plan zoo iets te doen, Gerard?"

"Van plan, van plan,--als je er erg tegen opziet, dan doe ik het niet, dat is eenvoudig."

"Maar waartoe heb je dan een loopjongen noodig? Heb je het nu zooveel drukker dan vroeger, en komen de boeren zelf de medicijnen niet meer halen?"

"Och ja, vrouw, maar.... wacht, ga zitten, dan zal ik je eens alles van a tot z vertellen," hernam Balsem en begon zijn vrouw nu mede te deelen wat er met den armen Willem stond te gebeuren. Toen hij geëindigd had, besloot hij met te vragen:

"Nu, wat zeg je ervan?"

"Laat den jongen komen, Gerard! Ik wil hem ook helpen," was het antwoord.

Na het eten ging de veearts weer naar Willems ouders, om, zooals hij dacht, niet alleen de laatsten, maar bovenal Willem gelukkig te maken. Doch toen hij op het zolderkamertje kwam, vond hij den opperman in geen al te best humeur.

Voor den middag was hij ergens geweest, waar hij, door van iets veel te drinken, een warm hoofd gekregen had, en toen hij naar huis ging, meende hij, dat de huizen dansten of, erger nog, op zijn hoofd wilden vallen. Hij had erg op zijn vrouw en kinderen gegromd. Het eten was weer niet gaar, had hij gezegd en toen de tafel afgenomen werd, gaf hij Mietje een slag, omdat ze zoo'n leven met de borden maakte. Hij knorde op de duiven van zijn buurman, omdat die onder het vliegen zoo met de vleugels klapperden. Hij gromde op de honden, die langs de straat liepen te blaffen. Hij schopte een stoel omver, omdat hij er tegen aanliep, ja, hij was zelfs boos op de zon, omdat die zoo warm scheen, en al zulke gekke dingen meer.

"En wat heb je me nu weer te vertellen?" vroeg hij aan Balsem toen deze boven kwam.

De veearts zei het hem.

Onze opperman was nu nog zóó raar niet, of hij begreep wel, dat Willem veel beter af zou zijn, als hij bij Balsem kwam, dan als hij bij den metselaar steenen ging bikken; doch hij had het nu vandaag zich eens in het hoofd gezet, een dwarsdrijver te zijn en daarom zei hij, toen Balsem zweeg:

"Zeg eens, sinjeur de paardendokter, ik wilde wel, dat je mij en mijn geheele familie met rust liet! Ik heb je niet geroepen, en, kort en goed, ik zeg je, dat Willem metselaar zal en moet worden, begrepen? Meer heb ik je niet te zeggen!"

Nu de oude man voor al zijn goeddoen nog zoo leelijk behandeld werd, was hij ook wel wat boos geworden, doch hij was te verstandig om met den man te gaan kibbelen, en daarom ging hij zonder iets te zeggen weg.

Beneden aan de trap vond hij Willem.

"Pas maar braaf op, mijn jongen, en kom zoo nu en dan, als je tijd hebt, nog eens bij me aan, zal je?" zei Balsem en gaf den knaap de hand.

Den anderen dag was Willem aan het steenen bikken, en een enkelen keer aan het kalk maken. O, wat had hij er een hekel aan, en wat vorderde het werk slecht!

Maar de week ging om en het werd weer Zondag.

"Waar ga je heen, Willem?" vroeg vader, die weer boos was op de stoelen, op de duiven, op de honden en op de zon.

"Ik ga naar meneer Balsem!" zei Willem.

"Blijf thuis!" was het korte bevel, dat de jongen kreeg en toen deze er iets tegen inbrengen wilde, hernam zijn vader: "Nu, en _ik_ zeg, dat je er niet heen mág. Vandaag niet, morgen niet, en nooit meer! Begrepen?"

"Maar, vader, ik heb meneer beloofd, dat ik komen zou!"

"En ik zeg je, dat je niet gaat, gehoord?" was het nijdige antwoord.

"Maar ik mag toch wel op straat loopen?"

"Daar geef ik niet om, maar naar dien paardendokter mag je niet," zei de vader nogmaals, trapte nog gauw een paar stoelen omver, bromde op de zon, omdat ze zoo fel scheen en ging liggen slapen.

Willem liep de trappen af en ging de straat op.

Ja, maar hij bleef daar niet. Hij sloop langs de huizen tot hij op de Bloemmarkt was, en liep toen wat hij loopen kon, den straatweg op naar zijn ouden vriend; maar, och, toen hij dezen vertelde, dat hij eigenlijk van zijn vader niet mocht, en dat hij maar stilletjes gekomen was, toen zei de brave veearts: "Het spijt me, Willem, dat ik je wegsturen moet. Wel zou ik graag weer een uurtje met je praten; maar dat kan nu niet! Je mag je vader niet ongehoorzaam zijn. Dag, Willem!"

De knaap had er niet veel zin in, doch Balsem duwde hem zachtjes de deur uit en zei nog: "En als je nu weer zonder vergunning van je vader hier komt, dan zou ik genoodzaakt zijn het zelf aan je vader te komen vertellen. Gehoorzaamheid gaat boven alles, Willem! Dag, kerel!"

Willem kon maar niet begrijpen, dat hij hieraan verkeerd gedaan had, en dacht nu, dat die oude veearts hem ook al afviel, en daarom bromde hij in zichzelf: "Best, ik zal niet meer bij dien Balsem komen! Pfff! Wat geef ik er om?"

"Ik heb toch medelijden met den armen jongen, Gerard," had juffrouw Balsem gezegd toen Willem weg was, "en, als ik in jouw plaats geweest was, zou ik hem niet weggestuurd hebben!"

"Ik heb ook medelijden met hem, vrouw," was het antwoord, "maar kinderen moeten niet te lichtvaardig vader of moeder ongehoorzaam zijn. Als er wat goeds in den jongen zit, dan zal tóch wel alles terechtkomen."

"Jawel; maar als hij nu eens een kwajongen wordt, als zoovele anderen, wat dan?"

"Hoor eens, vrouw, daarvoor zal ik trachten te zorgen!" zei Balsem en ging weer naar zijn kleine apotheek om daar eenige medicijnen klaar te maken, die zoo op het oogenblik zouden gehaald worden.

En hoe ging het met Willem?

Wel, in zijn booze bui zocht hij nog dienzelfden Zondag eenige jongens op, die ook zoo wat op een ambacht waren. Hij probeerde met hen mee te doen aan leelijke dingen; maar hij had te veel gelezen en van den ouden Balsem te veel goeds geleerd, om er pret in te hebben.

Toen hij nu 's avonds naar bed ging, was hij op zijn manier ook eens boos, ja, boos op iedereen. Hij gooide ook met stoelen en deuren, precies zooals zijn vader dat een paar keeren gedaan had. Maar het meest was hij boos op zichzelf. Waarom? Och, dat wist hij zelf niet recht; maar het is heusch waar, hoor, hij was op zichzelf heel erg boos.

III.

De eene week na de andere ging voorbij. Dat gaat altijd zoo. Of men boos of goed, vroolijk of bedroefd is, daaraan stoort zich de tijd niet: die loopt maar door. Het was dan ook al heel spoedig najaar en daar de zomer niet zeer voorspoedig geweest was, liep het meeste werkvolk nu al zonder werk.

Onze opperman had al lang gedaan gekregen, en Willem ook, zoodat die twee nu met pakjesdragen en wegwijzen zoo wat den kost verdienden.

Zoo liep Willem weer eens op een donkeren en regenachtigen Octoberdag door de straten en ook voorbij de stads-apotheek.

Daar werd tegen de ruiten getikt en toen de knaap opkeek, wenkte de apotheker hem, dat hij eens binnen moest komen.

Het was dezelfde man, die eens zoo onverdiend op hem gegromd had, en die hem zoo lang liet wachten. Willem was die geschiedenis nog wel niet vergeten; maar hij kon toch niet altijd boos blijven ook, zoodat hij zonder dralen de apotheek binnenstapte.

"Moet je naar je winkel, jongen?" vroeg de apotheker.

"Ik heb geen winkel, meneer!" antwoordde Willem.

"Zoo! Wil je een boodschap voor me doen?"

"Jawel, meneer!"

"Mooi! Breng dit pakje kruiden dan eens bij mijnheer Balsem, den veearts, die dicht bij den tol woont!"

De apotheker wilde hem nu beduiden hoe hij loopen moest om er te komen, doch Willem zei, dat hij het best wist; want dat hij er vroeger dikwijls geweest was.

"Zooveel te beter," zei de apotheker. "Hij zal je antwoord geven, waarop je wachten moet. Komaan, laat eens zien, of je goed boodschappen doen kunt!"

"Als ik geld verdienen kan, dan geeft vader er niet om waar ik loop," dacht Willem en stapte den weg op naar den tol.

Toch had hij er niet veel lust in; want na dien Zondag had hij mijnheer Balsem maar tweemaal gezien en ongelukkig beide keeren, dat hij bezig was met kwaaddoen.

Maar kom, wat gaf hij er om, als hij maar een dubbeltje kon verdienen! Het kon immers ook best gebeuren, dat hij niet thuis was! Zijn vrouw wist er toch niets van.

Mijnheer Balsem was echter wel thuis, doch zei niet veel. Hij maakte het pakje open; bekeek de kruiden, die er in waren, las het briefje, dat er bovenop lag en zei toen:

"Wacht even, Willem, ik zal je antwoord meegeven!"

Hé, wat duurde dat lang! Wel een half uur. Maar eindelijk was hij klaar. Willem kreeg den brief met de boodschap, om dien aan den apotheker te geven, en toen hij de deur uitging, vroeg de oude man enkel: "En heb je me soms niets meer te zeggen, Willem?"

"Neen, meneer!" antwoordde deze.

"Goed! Dag, Willem!" klonk het en de deur viel toe.

Toen de apotheker den langen brief gelezen had, zei deze: "Hier is een kwartje voor je moeite en vraag aan je vader of je van den winter hier mag komen om boodschappen te doen, zal je?"

"Jawel, meneer," riep de knaap en spoedde zich heen om moeder te vertellen, dat hij een goeden dag had gehad.

De vader had er ditmaal niets tegen. Hij gaf er niet om wat Willem deed, als hij maar kwartjes thuis bracht.

In dien brief, dien Willem had meegebracht, had de oude heer Balsem aan zijn vriend, den apotheker, een en ander van dien jongen verteld, en hem verzocht of hij ook een oogje op hem wilde houden. Nu weet ik zeker, dat de meesten van mijn lezertjes meenen, dat ze eens recht boos op dien kwaden apotheker mogen zijn; maar ik geloof, dat ze het wel eens glad mis konden hebben.

Op dien morgen toen hij Willem zoo erg toesnauwde, deed hij leelijk, heel leelijk zelfs, dat is zoo. Maar een mensch kan wel eens boos zijn, en iets verkeerds doen zonder dat hij daarom slecht is.

Jelui bent immers ook wel eens boos geweest, wed ik, ja, wellicht ook wel eens op je ouders, is het niet?

Nu, weest maar eerlijk en zegt gerust, dat het waar is; want daarom ben jelui nog niet _slecht_. En wil ik eens zeggen, waarom niet? Wel, omdat je er naderhand berouw van hadt, en.... omdat je het nooit meer deedt.

Ben jelui nu nog boos op dien apotheker?

Ja, nog wel wat.

Nu, wel wát, dat is nogal zooveel niet.

Den anderen dag stond Willem achter in het pakhuis fleschjes te spoelen, en toen hij hiermee klaar was, moest hij in een grooten ijzeren vijzel rabarber-wortel stampen. Iederen dag was er werk voor hem.

Maar, nu eens was er veel, dan weer weinig te doen. Dat wist de apotheker ook wel en daarom had hij gezegd: "Lees je graag, ventje?"

"Ja, meneer!"

"Zoo! En waarvan het liefst?"

"Van bloemen, meneer!"

"Goed, daar houd ik ook veel van! Dan moet je straks maar eens met me meegaan naar mijn boekenkast, dan kun je zeggen wat je hebben wilt!" zei de apotheker, en hij deed het ook. Ongemerkt gaf hij hem langzamerhand minder werk en toen het midden in den winter was, en er heel weinig zieken waren, nam hij Willem op zekeren dag eens naar een bloemist mede. Jongens, dat was mooi!

Daar buiten lag alles onder de sneeuw; over het water lag een dikke ijskorst; al de boomen stonden kaal en geen bloempje, ja, zelfs geen groen grassprietje was ergens te zien. En hier in die bloemenkas! Het was er heerlijk warm, evenals in Mei. De bloemen stonden te bloeien, en boven in de kas hingen zelfs tusschen de donkere wijngaardbladeren, kleine trosjes druiven in den bloei. Willems oogen schitterden van vergenoegen, en toen de apotheker hem vroeg of hij wel bloemist zou willen worden, zei hij: "O, graag, heel graag, meneer!"

"Nu, vraag dan maar hier aan dezen heer of je tuinjongen bij hem worden mag," zei de apotheker.

"Och," sprak thans de bloemist, "eigenlijk heb ik geen jongen noodig. Ik kan het best met mijn werkvolk af. Maar, als hij er nu zoo bijzonder veel lust in heeft, dan wil ik het wel eens met hem probeeren. Verleden jaar had ik ook een jongen; maar dien heb ik weggejaagd, omdat hij lui was en streken uithaalde. Als hij dat nu ook maar niet doet, dan zal het wel gaan. Maar werken, manneke, werken is nummer één, en uit de boeken lezen hoe je werken moet, en waaróm je zoo doet, dat is nummer twee. Het een gaat niet zonder het ander. Nu, zeg op! Wat denk je ervan?"