In het Schemeruur

Chapter 4

Chapter 44,277 wordsPublic domain

"Ik heb het van u afgekeken, meneer, en zoo mijzelven geleerd. Als de meester op de school ons van de noten wat leerde, heb ik alles onthouden en...."

"Frans, je zult muzikant worden, hoor je! Jongen, jongen! Het is onbegrijpelijk!" En hierop liep hij de kamer eenige malen rond, telkens uitroepende: "Onbegrijpelijk! Onbegrijpelijk!"

Intusschen stond Frans midden op den vloer en wist niet wat hij zeggen zou.

"Weet je wat, jongen, wacht hier even!" zei mijnheer en verdween in een zijkamer.

Een half uurtje later kwam hij weer terug, maar nu netjes aangekleed. Hij had een dikken wandelstok in de hand en zei: "Ga mee, Frans!" en deze volgde gewillig.

Weldra waren ze op straat, doch geen woord werd gesproken, tot ze op een pleintje voor een groot gebouw stilstonden.

"Wat staat daar boven de deur?" vroeg mijnheer Moerdijk en wees met zijn stok naar het gebouw.

"Muziekschool, meneer!" was het antwoord.

"Precies! Nu, hier moeten we zijn!" hervatte de oude heer en schelde aan.

Een bediende deed de deur open en liet de bezoekers in een zijkamertje, waar, na eenige oogenblikken, een lange man met blonden baard en knevel binnentrad en beleefd vroeg wat mijnheer wilde.

Mijnheer Moerdijk antwoordde hem in het Fransch en toen ontstond er tusschen die twee heeren een gesprek in die taal, dat wel een half uur duurde.

Frans verstond er niets van, doch hij begreep toch wel waarover het zijn zou, en toen het gesprek geëindigd was, zei de blonde meneer: "Kereltje, deze meneer wil een muzikant van je maken en dat vind ik goed! Maar.... krukken komen niet meer door de wereld. Zoodra ik merk, dat er toch niets meer dan een kermismuzikant uit je groeit, kan ik je niet gebruiken. Leeren is dus de boodschap, begrepen? En nu, morgenochtend om half twaalf wacht ik je hier in school. Het poortje hiernaast zal openstaan, en je zult er wel meer jongens binnen zien gaan, die volg je maar! Nu, tot morgen!"

Hierop gaven de heeren elkander de hand en.... de deur viel achter beiden dicht.

Nu zou ik jelui kunnen vertellen, wat er zoo al dag aan dag met Frans voorviel, maar dat doe ik liever nu niet. Ik wil je alleen zeggen, dat de blonde heer Frans niet behoefde weg te zenden. De arme knaap werd.... maar stil, ik heb toch nog wat te zeggen.

Toen Frans zoo in die wachtkamer zat en de beide heeren een taal hoorde spreken, waarvan hij geen woord verstond, hinderde hem dat erg. Niet dat hij zoo nieuwsgierig was en van stukje tot beetje verlangde te weten, wat de heeren met elkander bespraken, neen, dat niet. Het hinderde hem maar, dat hij nog niet alles wist wat meest alle fatsoenlijke menschen weten, en daarom nam hij het besluit, ook Fransch te leeren, het mocht kosten wat het wilde.

Maar hoe dat aan te leggen? Mijnheer Moerdijk vragen of hij het leeren mocht, dat durfde hij niet; want hij begreep wel, dat deze toch al zooveel voor hem betaalde. Dagen achtereen liep hij hierover na te denken en nog wist hij niet, hoe hij het aanleggen zou, toen hij op zekeren morgen op weg naar de muziekschool, den Franschen pianomaker tegenkwam, die hem vroeg: "Garçon, jij mij kan zek, waar woont die monsieur Vluuktenbourg? Ik niet wete!"

Frans keek eens op de torenklok en zag, dat hij nog wel een kwartier tijd had, en daarom zei hij: "Ga maar mee, meneer, ik zal u er brengen!"

Nu begonnen Frans en de pianomaker zoo goed en kwaad dit ging een gesprek te voeren, en de laatste beklaagde zich, dat hij niet meer van het Nederlandsch wist, en dat dit zoo moeielijk was, omdat zijn knechts hem de helft van den tijd niet verstonden. Frans vond dat ook en.... daar schoot hem iets te binnen. Ais hij dien meneer eens vroeg, of hij hem Fransch wilde leeren, dan zou hij ... ja, als dat eens kon ... dan ...

Maar het hooge woord kwam er niet uit. Telkens als hij er over beginnen wilde, dan was het of er iets in zijn keel schoot. Reeds had de Franschman hem bedankt en stond gereed bij den heer Vluchtenburg aan te schellen toen Frans zich omkeerde en zei: "Meneer!"

"Eh, watte?"

Ja, nu moest het hooge woord er uit, en hoe meer Frans sprak, des te vrijer werd hij. De man lachte eens en verzocht Frans 's avonds bij hem te komen, dan konden ze er samen eens over praten. Dien avond werd er tusschen die twee bepaald, dat ze elkander leeren zouden.

Ik zeg nog eenmaal, wie vooruit wil in de wereld, wie graag leeren wil en den wil heeft, die komt er wel.

Frans en de Franschman kwamen er ook, en, al was het Nederlandsch nu ook al niet zoo goed, als dat van een onderwijzer, en al haperde er hier en daar wel eens wat aan het Fransch, met geduld en goeden wil kan men bergen verzetten. Dat ondervonden deze twee ook.

Den 13den Maart was Frans jarig. Hij zou dan veertien jaren oud worden. En weet je wat hij op dien dag van mijnheer Moerdijk kreeg? Ik zal het je zeggen: hij kreeg vergunning om Fransch, Engelsch en Duitsch te gaan leeren. Maar wat zag de goede man vreemd op, toen Frans hem zei wat hij gedaan had en om te bewijzen dat het geen bluffen was, met hem Fransch begon te spreken! De tranen kwamen hem in de oogen en de goedige oude legde zijn hand op Frans' hoofd en zei: "Je bent een flinke jongen! Je moeder kan plezier aan je beleven!"

En werd dit woord bewaarheid?

Tien jaar later zat er op den hoek van een straat in Londen een blinde man erbarmelijk op een viool te spelen. Zijn pet, die op de straat voor zijn voeten lag, en waarin eenige koperen geldstukjes waren, liet duidelijk zien, wat hij aan de menschen vroeg.

Maar de meesten gingen voorbij zonder den blinden man maar even aan te kijken, zoodat de ongelukkige niet veel kans had, iets meer te verdienen dan een stukje droog brood.

Onderwijl de man zoo voortspeelde, kwam er een rijkgekleed heer met een dame voorbij.

"Och," zei de dame, "kijk dien stumperd daar eens zitten! Och toe, geef hem wat!"

De heer keek eens in de pet en zag niets anders dan eenig kopergeld.

"Wordt je niet moe, oude man, met zoo den heelen dag te spelen? Wil ik je eens aflossen, dan kun je wat uitrusten!" zei de heer.

"O, als u ook spelen kunt, graag!" was het antwoord en de viool ging uit de handen van den blinden bedelaar in die van den rijken heer over. Hij stemde de snaren, bestreek den strijkstok met hars, en begon zóó prachtig te spelen, dat niemand meer voorbijging zonder te blijven staan luisteren.

Bijna iedereen kende den ouden, blinden muzikant, maar dezen heer kende niemand, doch iedereen begreep, waarom die voorname heer daar zoo stond te spelen.

Dat moest een eerste meester op de viool zijn! Zóó hadden ze het nog nooit gehoord en.... klink-klank,--klink-klank--het goud- en zilvergeld rolde in de pet van den arme, die zat te beven van geluk en te schreien van blijdschap.

Eindelijk legde de heer de viool in de armen van den ouden man en zeide: "Neem je pet nu op. Hier is een rijtuig, laat je nu maar thuis brengen, vriend!"

"O, God zegene u, God zegene u! U kunt niemand anders zijn dan die groote kunstenaar, die door heel Europa trekt. U bent...."

"Ssst!" zei de heer en verwijderde zich snel met de dame.

En weet je wat de dame zei?

Ze drukte de hand van haar man en sprak met bevende stem: "Frans, Frans, wat heb je dien man gelukkig gemaakt! O, ik dank je ook! En.... ja, die arme blinde heeft waarheid gesproken: God zal je zegenen!"

"Zeg, man, wie was die vioolspeler?" vroeg een heer, die in een mooie koets zat en ook stil had laten houden.

"Dat was de beroemde vioolspeler Frans Jacobsen, mylord!" antwoordde de blinde.

"Die viool moet ik voor een gedachtenis hebben. Ik geef er vijftig pond voor!" liet de lord zeggen en je begrijpt wel, dat de blinde voor vijftig pond, dat is zes honderd gulden, zijn oud instrument gaarne afstond.

Reeds denzelfden avond waren de couranten vol van hetgeen gebeurd was, en waren vijf menschen overgelukkig.

De blinde, omdat hij nu niet meer behoefde te gaan spelen en zich in een gesticht koopen kon, was de eerste gelukkige.

En de andere vier, wie waren die?

In een voornaam hotel op een der grootste marktplaatsen van Londen zit een stokoud, maar nog krachtig man in een grooten stoel.

Dicht bij hem aan een tafel zit een bejaarde dame. Ze is bezig de Haarlemsche courant te spellen.

Spellen?! Ja, spellen; want de vrouw kon zeer slecht lezen. Nu leefde ze uit de korf zonder zorg, maar....

Eens was ze een arme weduwe, die dag aan dag bij anderen uit werken moest gaan en dan nog niet eens zooveel verdienen kon, dat ze haar jongen kon laten schoolgaan!

Maar, ze had een besten zoon in haar eenig kind! Die jongen was braaf voor drie en vlijtig voor vier. Hij had een wil en een moed, die zeeën konden leegmalen!

En dan, ja, behalve dien goeden zoon en een milden buurman, had ze nog iemand, die haar en haar kind nooit vergeten had, en nooit vergeten zou! En dat was de lieve Hemelvader, die geen zijner schepselen vergeet: die de bloemen des velds kleedt, die het eenvoudige muschje voedt en die een Man der weduwen en een Vader der weezen wil zijn.

Nu was ze bij dien ouden heer, die daar in den stoel zit, huishoudster geworden, en als deze op reis ging, dan moest zij altijd mee. En overal waar hij eenige dagen bleef, liet hij de Haarlemsche courant voor de oude vrouw per post komen, omdat ze er zich den geheelen dag mee bezig kon houden.

"The Times, sir!" zei een knecht, die binnentrad.

De oude heer knikte, de knecht ging weg en de oude vrouw bracht die vreeselijk groote courant bij den heer, die haar aanpakte en begon te lezen.

Ook vrouw Jacobsen begon weer te spellen, maar eensklaps sprong de oude heer van zijn stoel op, liet van verwondering zijn sigaar vallen, en op de ontstelde vrouw toevliegend, schreeuwde hij: "Vrouw Jacobsen, dat is een bericht! Lieve Vader in den Hemel, dat is een bericht, dat me meer dan duizend gulden waard is! Jij hebt nog eens een zoon, hoor!"

"Maar wat, wat is er dan toch?" vroeg de vrouw bevende.

"Luister! Ik zal in het Nederlandsch voorlezen, wat hier in het Engelsch staat.

"Heden had op den hoek van de S....straat een vreemd voorval plaats. Iedereen kent den blinden vioolspeler John, die daar dag aan dag op zijn oude viool zit te krassen. Niemand is er, die geloofde, dat men op die oude kast nog wat anders kon doen dan zagen. Doch zie, vanmiddag stonden daar honderden stil om te luisteren naar het spel van een vreemden heer, die op dezelfde viool zoo heerlijk speelde, dat ieder verrukt was en niet anders kon doen, dan een stuk geld in de pet van den blinde werpen. Toen de oude zijn pet bijna vol goud en zilver had, legde de musicus de viool neer en verdween met zijn vrouw tusschen de menigte. De blinde herkende hem echter aan het meesterlijk spel en zei: 'God zegene den grooten meester Frans Jacobsen!'"

"Wie, wie, wat, wat zeg je?" schreeuwde de oude vrouw. "Mijn, mijn Frans, mijn eigen Frans?"

"Ja, vrouw Jacobsen, jouw zoon, die...."

Andermaal ging de deur open en....

"Dag moeder, dag meneer Moerdijk!" zeiden de heer en de dame, die binnentraden.

"Lieve, lieve Frans!" riep de oude vrouw. "O, mijn jongen, wat maak je me gelukkig!"

"God zegene je, Frans!" sprak nu mijnbeer Moerdijk en tranen sprongen uit zijn oogen.--zegene je!--Jongen, jongen, wat een gelukkige dag!"

"Hoor eens, moeder, hoor eens, meneer, spreek, als je me een pleizier wilt doen, niet meer over die kleinigheid, waarover de lui hier, naar ik hoor, zulk een ophef maken, dat het al in drie of vier couranten staat. U beiden hebt me gelukkig gemaakt, waarom mag ik anderen nu ook niet gelukkig maken? En kom vrouw, daar staat een piano, hier is mijn viool: we zullen samen wat muziek maken. Dat verzet de zinnen!"

De avond vloog om en het was tien uur eer men het wist.

Tien uur was voor de twee oudjes het bedklokje, en alleen als er eens een concert gegeven werd, kon het een uurtje later worden. En dat zou den volgenden dag zijn, Frans zou een concert geven.

Hij bracht zijn oude moeder in de loge, die voor haar, zijn vrouw en mijnheer Moerdijk bestemd was en begaf zich toen naar het orkest. De zaal was al stampvol, maar niemand kende mijnheer Jacobsen, zoodat het gegons en gebrom bleef aanhouden en niemand acht sloeg op den heer, die daar zijn familie in een loge bracht en toen door een deur bij het orkest verdween. Het zou misschien een andere muzikant zijn; dien avond speelden er nog meer.

Maar nauwelijks was hij de orkest-deur binnen, of een oude heer stond op en riep, op zijn Engelsch natuurlijk: "Stilte!" Dadelijk was alles stil.

"Mee, ouwentje, mee!" zei de heer, die de lord was, die de viool gekocht had en hij bracht den blinden muzikant op het orkest.

"Dames en heeren," dus begon de lord, "dezen man zult u wel kennen! Hij is Blinde John en hij is het voor wien gisteren mijnheer Jacobsen gespeeld heeft!"

Van alle kanten riep men den blinden muzikant een welkom toe.

"En nu heb ik er zóó over gedacht. We moesten dien Hollandschen violist een klein geschenk geven voor zijn edelmoedige handelwijze. Zie, ik heb deze vioolkist gekocht en daarop in een gouden plaat laten graveer en: 'Liefde om liefde. Londen aan Frans Jacobsen.' Blinde John mag hem die kist geven, en ieder, die er wat aan bijdragen wil, kan dat straks bij het verlaten der zaal in een bus doen. Al wat er meer is dan de helft van hetgeen die kist gekost heeft, is voor Blinden John! Dat had ik te zeggen! Stil, stil, daar komt de meester!"

Frans kwam zonder dat hij ergens van wist op het orkest en opeens stonden al, al de menschen op en begroetten den kunstenaar met de grootste hartelijkheid, en toen Blinde John hem met een paar gebrekkige woorden de prachtige vioolkist overreikte, scheen het huis te moeten instorten, zulk een handgeklap, voetgetrappel en geroep werd er gehoord. Wat de bewogen, de diep bewogen Frans zei, verstond niemand, maar Frans greep terstond zijn viool en heel zijn dankbaar hart liet hij spreken in een muziekstuk, dat nergens geschreven of gedrukt was, maar dat zoo al voortspelende gemaakt werd in het dankbare hart.

Eindelijk legde hij de viool neer en--zonder de goedkeuring van het publiek af te wachten, verwijderde hij zich even van het orkest om--zijn oogen af te drogen en heel in stilte Hem in een paar woorden te danken, die den armen torenwachterszoon zoo over- en overgelukkig had gemaakt.

Dat Frans dien avond veel lof inoogstte, zal wel niet gezegd moeten worden. Dat de bus aan de deur te klein was en dat Mylord zijn hoed moest ophouden ook, was een meevallertje. Blinde John behoefde nu zelfs niet meer naar een gesticht te gaan.

Dat er ook dien avond vier Hollanders in Londen gelukkig waren, zul je vanzelf wel begrijpen.

En hier is mijn vertelling uit, kinderen! Als jelui er nu maar uit geleerd hebt dat de Liefde en het Geluk de wereld niet uit zijn en dat God helpt, die zichzelven helpen, dan ben ik tevreden.

MET GOEDEN WIL EN EEN WEINIG HULP.

I.

De torenklok had al een poosje geleden negen uur in den morgen geslagen.

De straten waren veel lediger dan voor een half uurtje; want toen wemelde en krioelde het op plein of gracht, in straat en steeg, op stoep en trottoir van het jonge volkje, waarvan men gerust zeggen kon:

"En aan hun oogjes zie je 't aan, Dat zij wat graag naar school toe gaan!"--

Nu en dan slechts zag men er nog een, die misschien vóór schooltijd voor moeder nog een boodschap gedaan had, of die door de zon van acht uur uit het bed gejaagd was, zoo hard hij kon naar school draven, om dan toch niet àl te laat te komen.

Niet ver van den toren, en dicht bij de bloemmarkt, was de stads-apotheek en, als er geen bijzondere ziekten in de stad heerschten, dan ging de deur van dat gebouw eerst te negen uren open.

Ondertusschen was het er nu al kwartier over. De menigte voor de deur werd al grooter en grooter, en toch hoorde men daarbinnen nog volstrekt geen beweging. Het spreekt vanzelf, dat er onder die wachtende menschen al heel spoedig gemor ontstond, en eindelijk verstoutte er zich één eens ferm aan de schel te trekken.

Hij, die dat deed, was een opgeschoten jongen van een jaar of tien, die, toen de klok nog geen negen geslagen had, al voor de deur stond. Met angstig en ongeduldig gebaar had hij al verscheidene keeren naar het wijzerbord van den toren gezien, en telkens zag hij dat de minuutwijzer, hoe langzaam dan ook, voortging. Eerst stond hij op één, toen, op twee, wat later op drie en het speelde daar boven "kwartier-over";--nu stond hij al bijna op vier!

Men kon het hem zoo aanzien, dat hij er lang niet plezierig onder was.

Geen wonder, hij behoorde ook tot de kinderen, die daar straks stoeiend en spelend naar school waren gegaan. Ook _zijn_ plaats was in de school! Wat zou de meester nu wel zeggen? Hij was nooit "zoo maar" om het een of ander thuis gebleven; ja, hij was zelfs nog nooit te laat gekomen. En nu al haast tien minuten voor halftien!

Neen, hij kon niet langer wachten, het was hem onmogelijk: hij zou maar eens schellen.

Nu was er aan die apotheek een bijzonder soort van schelknop, een nieuwe, zooals er toen nog geen tweede in de stad was. Men moest er niet aan trekken, maar op drukken.

Dat wist onze knaap niet, en tot zijn grooten schrik ging de schel hard over, toen hij, nogal driftig, de hand op den knop legde.

"Nu, als ze dat daarbinnen niet hooren, dan slapen ze zoo vast als marmotten in den winter," zei een der mannen.

"Het heeft geholpen ook. Hoor maar, daar komen ze al," sprak een ander.

En ja, ze kwamen dan toch eindelijk.

Driftig werden de luiken geopend, en nog driftiger werd de deur opengesmeten.

"Wie, voor den drommel, maakt hier zoo'n vreeselijk leven? Het lijkt of er brand is! Kan jelui dan niet wachten tot een fatsoenlijk mensch zichzelven aangekleed heeft? Wie heeft er gescheld?"

Dit alles riep in één adem een dik en groot heer met vreeselijken baard en knevel, en hij keek zoo grimmig en leelijk, alsof hij grooten trek had al die menschen zoo maar ineens op te eten.

Niemand sprak echter en daarom schreeuwde hij nog eens: "Ik wil weten wie er daar zooeven de brandklok geluid heeft! Heb je het niet gehoord?"

"Ik heb het gedaan, meneer! Ik moest om negen uren op school zijn en het speelt daar al voorslag van half tien!" zei de knaap en zag den heer vrijmoedig aan.

"Mooi, brandklokluider, dan zal ik jou ditmaal eens allerlaatst helpen, verstaan? Dat maakt een kabaal, alsof ze hun drankje met goud betalen! Je weet toch wel, dat je het hier voor niemendal krijgt, en dat je dan zooveel praats niet hebben mag! Zeg, kwajongen?"

"Maar, meneer, ik moet naar school! Ik...."

"Houd je mond, straatbengel!" riep de booze apotheker en nam het recept aan van een vrouw, die dichtbij stond.

Sapperloot, wat maakte hij een geweld met dien ijzeren stamper in dien koperen vijzel! Wat werd de knecht toegesnauwd, als hij niet gauw genoeg de poeders in papiertjes vouwde, doosjes aangaf, kurkjes op de fleschjes deed of pillen draaide. De man speelde: haast-je, rep-je, en toch was het niet goed.

Nummer één was geholpen, nummer twee ook, eindelijk zelfs nummer negen, en nog altijd stond de arme jongen met het recept in de handen te wachten. Reeds lang had de klok tien geslagen, en met het slaan van tien, kwamen er misschien wel evenveel, misschien ook nog meer tranen uit zijn oogen rollen.

Af en toe kwamen er menschen bij en gingen er af.

Het was half elf.

De wreede apotheker hield vol met hen, die het laatst gekomen waren, het eerst te helpen.

"Wat scheelt er aan, manneke?" vroeg opeens een vriendelijke stem, dicht bij den knaap.

De jongen keek op en zag een zonderling gekleed man voor zich staan. Lange, grijze haren golfden van onder een blauwe slaapmuts op den rug, die voor een gedeelte met een rooden zakdoek bedekt was. Een reistaschje hing over de jas. In de rechterhand hield hij een dikken en knoestigen doornstok en de voeten staken in groote geverfde klompen.

"Wat scheelt er aan, manneke?" vroeg hij nog eens en zoo mogelijk nog vriendelijker dan daar straks.

Snikkend en fluisterend vertelde de knaap alles wat er gebeurd was.

"Is het anders niet?" hervatte de oude. "Wacht, ik zal eens maken, dat je geholpen wordt. Geef je receptje maar eens hier!"

Het jongetje gaf het over, en nu drong de man door de vóór hem staande menschen, stak de hand, met het recept er in, door het loket, en geen vijf minuten later kwam hij terug en gaf het drankje over.

"Zie je wel, vent, wie arm is, moet slim zijn," zei de man en tegelijk stopte hij met het drankje, den knaap een dubbeltje in de hand.

"Toe, toe, maak maar voort! Dat dubbeltje is voor je lang wachten!" hervatte de oude toen het jongetje hem vreemd aankeek.

Die vriendelijke, oude man en dat dubbeltje verzoetten voor hem eenigszins de nare gedachte, dat hij nu, buiten zijn schuld, niet naar school kon.

Zonder te kijken naar een paar honden, die om een weggeworpen been vochten, snelde hij den hoek om langs de bloemmarkt....

Hé, wat stonden daar mooie bloemen!

Geraniums, fuchsia's, rozen, petunia's, aäronskelken, reseda's....

En moeder zag zoo graag een reseda! Ze hield er zoo van, en nu ze ziek was en niet naar de markt kon om een potje te koopen, was er nog niets van gekomen.

Hij liep wat minder snel en bekeek de lange rijen met bloemen.

Het dubbeltje danste in zijn zak.

Neen, de verzoeking was te groot; hij kon niet voort; hij moest even blijven staan en kijken.

"Wat noodig, manneke?" vroeg een vrouw.

"Hoe duur is de reseda?" bracht de knaap er met moeite uit.

"De mooiste kosten vijftien centen; de andere een dubbeltje!" antwoordde de vrouw.

"Geef er mij dan een van een dubbeltje," zei de jongen, die nog nooit scheen gehoord te hebben van overvragen of afdingen.

Of deze vrouw nu overvraagd had, en of ze ook liet afdingen, kijk, dat weet ik zoo precies niet; maar de leelijkste gaf ze hem toch niet, dat weet ik wel.

In een ommezien was nu de knaap met zijn drankje en reseda-plantje thuis.

"Willem, Willem, wat ben je lang weggebleven! Hoe komt dat?" klonk een zachte stem uit de bedstede hem tegen toen hij thuis kwam.

De knaap, die, zooals we hooren, Willem heette, vertelde haarfijn alles wat er met hem in die twee uren gebeurd was, en liet haar ook het potje met reseda zien.

"Kan ik nu nog naar school, moeder?" vroeg hij.

"Ja, kind, het is wel jammer; maar ik zou het niet doen. Het is al elf uur en om half twaalf gaat de school uit! Het is de moeite niet meer!"

"Ja maar, moeder, wat zal ik dan vanmiddag wel tegen den meester zeggen?"

"De waarheid, Willem!"

"En als meester me dan eens niet gelooven wil?"

"Heb je dan wel eens gelogen, mijn kind?" vroeg de moeder nu.

"Neen, moeder, maar...."

"Stil maar, jongen, stil maar! Je gaat vanmiddag naar school en je vertelt net alles wat er gebeurd is. Je doet er niets af en niets bij. Neem nu het prentenboek, dat je bij het laatste school-examen gekregen hebt, en lees er dan maar wat in, dan doe je toch wat," zei moeder, die een lepelvol van het drankje innam en weer ging liggen.

Mietje, de eenige zuster, die Willem had, was een meisje van veertien jaren, die nu gedurende de ziekte van haar moeder, zoo goed en zoo kwaad het ging, het huishouden waarnam. Had ze geweten, dat haar broertje zoo lang zou moeten wachten, dan zou ze zelf wel naar de apotheek gegaan zijn; want haar moeder was nu zóó ziek niet, of ze kon wel een oogenblik alleen zijn. Want, zie je, _zij_ zou niet gescheld, of het althans zoo hard niet gedaan hebben. Ze kende dien knop wel; ze zou ook zoo vroeg niet gegaan zijn, en zoo voort. Maar aardig en vriendelijk vond ze het toch van dien vreemden, ouden man! En voor de reseda zou ze zorgen, dat was vast. Zoo ging het mondje van Mietje, terwijl ze in het zijkamertje bezig was met den middagpot gereed te maken, zoodat er van Willems lezen ook al niet zoo heel veel terechtkwam.

Even na het slaan van twaalven kwam de vader, een breed geschouderde opperman, thuis. Deze hoorde ook wat er gebeurd was, doch daar hij zelf niet lezen of schrijven kon, begreep hij niet, dat Willem zóó iets zich zoo aantrekken kon.